Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Door het Licht dat nu Ontstoken is -11-

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Door het Licht dat nu Ontstoken is -11-

23 minuten leestijd

In de vorige nummers 1 hebt u kunnen lezen over de opkomst van de Hervorming in Frankrijk. De Reformatie werd gewerkt onder het gewone volk, maar ook onder de geestelijken van de roomse kerk en zelfs onder leden van het Franse koningshuis. De Heere verwekte Johannes Calvijn (1509-1564) om de Reformatie in Frankrijk te leiden. Maar de vervolging door de roomse kerk was hevig. Velen kwamen op de brandstapel om. De Franse koning, Frans I (1494-1547), hinkte op twee gedachten. De ene keer liet hij de vervolging toe en een andere keer verbood hij die. Dat tweeslachtige beleid kwam ook daarin naar voren dat hij een overeenkomst sloot met de paus en tegelijk een verbond wilde oprichten met de Duitse protestantse vorsten, zogenaamd om de Reformatie in Europa te bevorderen, maar met het uiteindelijke doel zijn aartsrivaal keizer Karel V (1500-1558) een slag toe te brengen. De overeenkomst met de paus werd door de roomse kerk in Frankrijk uitgebuit. Vele gereformeerden werden gevangengenomen. En de roomse geestelijken Noël Béda en Le Picard werden uit hun ballingschap bevrijd. Ook lazen we dat de gereformeerden een van hen, Guillaume Feret, naar Zwitserland stuurden om raad te vragen hoe de Hervorming het beste bevorderd kon worden.

Nu zullen we lezen van de terugkomst van Feret, die het resultaat van zijn bezoek aan Zwitserland meedeelde. We zullen vernemen welke opzienbarende gebeurtenis er in de nacht van 17 op 18 oktober 1534 plaatsvond, waardoor koning Frans I het laatste restje tegemoetkoming aan de gereformeerden kwijtraakte. De vervolging, die nog lang niet geluwd was, nam nu heel grote vormen aan.

Het Edict van de koning

Wij Francois etc., doen weten dat voor het behoud en de toename van het roomse geloof, uitroeiing van de lutherse sekte en andere ketterijen nodig is. De lutherse sekte heeft zich tot onze spijt en misnoegen in ons koninkrijk verspreid en is overvloedig aan-wezig in onze landen en heerlijkheden. Hun volgelingen zijn voortvluchtig en verbergen zich in een deel van ons koninkrijk, waar ze gesteund worden door sommigen van onze onderdanen, die ze verbergen om te voorkomen dat ze door gerechtigheid worden gestraft. Wij hebben vastgesteld en verordineerd en bevelen hierbij met een eeuwigdurend en onherroepelijk besluit: Dat allen die deze sektariërs hebben verborgen of zullen verbergen om te voorkomen dat zij worden gepakt en gegrepen door het gerecht, en die om reden van genoemde zaak hen die voortvluchtig zijn verbergen, streng zullen worden gestraft.

Maar als dezen de sektariërs door hun ijver voor het gerecht brengen, zullen ze straffeloos zijn voor deze misdaad van het verbergen. Bovendien hebben we ook verordineerd en bevolen dat al diegenen die deze delinquenten voor het gerecht brengen door geldige bewijzen en beschuldigingen, een vierde deel van de verbeurdverklaringen en boetes die door de rechters van de veroordeelden zullen worden geëist, hiervoor zal worden toegekend.2

Zo sprak de koning in zijn op 29 januari van het jaar 1534 uitgevaardigd edict. En dat terwijl hij in december 1533 de bullen die hij van de paus had gekregen, reeds door middel van een edict uitgevaardigd had. 3

Nu nog maar een maand later vaardigde hij wéér een edict uit, waarin speciaal degenen die hulp verschaften aan de gereformeerden, veroordeeld werden, maar die ze aanbrachten een vergoeding kregen. Zo werden de gereformeerden aan alle kanten onder druk gezet. Maar toch was dit maar een lichte bries vergeleken bij de storm die ging aanbreken.

Een vervloekte afgoderij

Toen Feret terugkwam uit Zwitserland en zijn broeders in Parijs vertelde wat de Zwitserse broeders geadviseerd hadden, was het nog niet duidelijk wat er nu gedaan moest worden. Feret had de gedrukte pamfletten en traktaatjes tegen de mis laten zien en er werd druk beraadslaagd wat er mee gedaan moest worden. De prediker Courault was tegen het aanbrengen van de pamfletten in de stad. “Wij zouden ons de woede van de tegenpartij doen ontvlammen en de verstrooiing van de gelovigen vermeerderen”, zo zei hij. Maar vele anderen wilden de pamfletten in het openbaar aanbrengen. Zij zouden anders als lafaards gezien worden, omdat zij bang waren hun leven in gevaar te stellen. In hun ogen moesten zij de Heere openlijk belijden en bereid zijn als de oude martelaren de dood te ondergaan. Zij dachten dat God door deze pamfletten in heel Frankrijk de deur tot de geestelijke schatten zou openen.

De meerderheid besloot om de pamfletten in Parijs en in een aantal andere grote Franse steden in de belangrijkste straten op openbare gebouwen aan te brengen. Zelfs op het paleis van Justitie en in de stad Amboise, een van de residenties van de koning. Tevens zou men de traktaatjes uitdelen.

En zo kwam het dat de Parijzenaren en de inwoners van een aantal andere belangrijke Franse steden op zondagmorgen 18 oktober 1534 de pamfletten aantroffen, toen zij zich naar de mis begaven. Overal verzamelden zich opgewonden groepen toeschouwers om de pamfletten te bekijken en degenen die lezen konden, lazen de tekst voor. Wat stond erin dat de mensen zo opgewonden deed zijn?

Het opschrift van het pamflet luidde:

Waarachtige artikelen over de vreselijke, grote misbruiken van de paapse mis, rechtstreeks uitgevonden tegen het Heilig Avondmaal van onze Heere Jezus Christus, de enige Middelaar en Zaligmaker.

En het begon als volgt:

“Ik roep de hemel en de aarde tot getuige tegen die trotse paapse mis, want de wereld is en zal, zo God het niet spoedig verhoedt, door haar geheel bedorven, verwoest, vernield en te gronde gericht worden, omdat daarin onze Heere zwaar gelasterd en het volk verleid en verblind wordt, hetgeen men niet meer mag dulden.

Ieder waar gelovig Christen moet er ten eerste wel van verzekerd zijn dat onze Heere en enige Zaligmaker Jezus Christus, de grote Opziener en Herder, door God verordineerd, Zijn lichaam, ziel, leven en bloed heeft gegeven voor onze heiliging, tot een zeer volmaakte offerande. Afstand te doen van dat offer alsof het onvoldoende was, het te vervangen door een zichtbare offerande, de mis, alsof Christus niet volkomen voldaan had aan de gerechtigheid van Zijn Vader en alsof Hij niet de Zaligmaker, de Middelaar ware, het zou een verschrikkelijke en afschuwelijke lastering zijn. (…) Ja, door de grote en verwonderlijke offerande van Christus is elk uitwendig en zichtbaar offer afgeschaft. Christus, zegt de brief aan de Hebreeën (die ik iedereen smeek vlijtig te lezen), heeft zich ‘éénmaal geofferd’ (Hebr. 9:28). Wij zijn geheiligd ‘door de offerande van het lichaam van Christus, eenmaal geschied’ (Hebr. 10:10). Christus is eenmaal en niet vele malen ge offerd, gij hoort het (…). Is dit offer volmaakt, waartoe dan het herhaald? (…) Treedt dan vooruit, gij priesters, en zo gij kunt antwoorden…, antwoordt dan!

En dit is niet alles. Door die ongelukkige mis heeft men de gehele wereld in een openbare afgoderij gestort. Geeft men niet valselijk te kennen dat onder de delen brood en wijn, Christus lichamelijk is vervat, wezenlijk, persoonlijk, in vlees en been, even groot, even dik, even volmaakt als toen hij levend was? (…) Paulus schrijft aan de Kolossenzen:

‘Zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods’ (Kol. 3:1). Hoort het, Paulus zegt niet: Zoekt Christus, Die in de mis is of in het heiligdom of in de doos of in de kast (…). Hij zegt: Zoekt Christus, Die in de hemel is! Als het lichaam in de hemel is, is het niet op aarde. En als het op aarde is, is het niet in de hemel. Nooit is een wezenlijk lichaam op meer dan één plaats tegelijk, waar het een bepaalde ruimte van een bepaalde grootte inneemt. Het kan niet zijn dat een man van twintig of dertig jaar verborgen is in een stuk deeg, zoals hun ouwel. (…)

Zo iemand tegen ons zegt: ‘Zie, hier is de Christus, of daar’, dan zeggen de priesters: Gij moet dat geloven. Maar Christus zegt: ‘Gelooft het niet’ (Matth. 24:23). Zij zingen wel bij het begin van de communie: ‘Sursum Corda’ (de harten omhoog), maar zij doen het tegendeel. En vermanen om Christus te zoeken niet boven, maar in hun handen en in hun dozen en kasten!

Er is meer nog dat die blinde priesters, die de ene dwaling op de andere stapelen, leren in hun razernij: Dat na over het brood dat zij tussen hun vingers nemen, geblazen of gesproken te hebben, en over de wijn die zij in de kelk doen, er dan brood noch wijn overblijft, maar Christus is er alleen door transsubstantiatie… Welke grote en wonderbare woorden (…). Een leer der duivelen, met de gehele Schrift in strijd. Ik vraag het aan die ‘kappen’: Waar hebben zij dat grote woordtranssubstantiatiegevonden? (…) Matthéüs, Markus, Lukas, Johan nes, Paulus en de apostolische vaders hebben er niet van gesproken. Als zij van het Avondmaal melding maken, dan noemen die gewijde schrijvers eerlijk en open brood en wijn, eenvoudig brood en wijn. Paulus zegt niet: Eet het lichaam van Christus, maar: Eet van dit brood. De Schrift gebruikt geen misleiding en zij bevat geen veinzerij. Het brood is dus brood.” 4

Het pamflet is een aaneenschakeling van aanklachten tegen de dwalingen van de roomse kerk en tegen de geestelijken.

“Die verwaanden, vijanden van Gods Woord, onbeschaamden, ketters, zij vergenoegen zich niet met de bewering dat zij het lichaam van Christus in hun hostie insluiten, maar ziet tot welke dwaasheden hun bijgeloof hen vervoert. Zij schamen zich niet te zeggen dat het lichaam van Jezus zich laat opeten door ratten, spinnen, wormen (…).

O aarde, waarom opent gij u niet om die gruwelijke lasteraars te verzwelgen? O gij verfoeilijke mannen, dat afgeknaagd lichaam, is dat wezenlijk van Christus Jezus, de Zoon van God? (…) Zou de Heere zich laten eten door muizen en spinnen? (…) Is Hij, het Brood der engelen en van alle kinderen Gods, ons gegeven om de beesten tot voedsel te dienen? (…) Zult gij Hem, Die onverderfelijk is, aan de rechterhand van God gezeten, onderworpen maken aan de wormen en aan de verrotting? Heeft David niet het tegendeel geschreven toen Hij van Zijn opstanding profeteerde? (…) Ellendigen, al ware er geen ander kwaad in uw gehele helse theologie dan de oneerbiedigheid waarmee gij spreekt van het kostelijk lichaam van Jezus, zijt gij geen lasteraars, geen ketters (…), en wel de grootsten die ooit op aarde hebben geleefd?

Ontsteekt, wel ja, ontsteekt uw brandstapels, maar om uzelf te verbranden en te braden (…). Waarom steekt gij die aan voor ons? (…). Omdat wij niet willen geloven aan uw afgoden, aan uw nieuwe goden, aan uw nieuwe christussen die zich door dieren laten eten. En evenzeer door u, die erger zijt dan de dieren.

Wat betekenen al die dwaasheden die gij doet om uw god van deeg, terwijl gij met hem speelt als de kat met de muis? Gij deelt hem in drie stukken (…) en dan veinst gij medelijden en droefheid; gij slaat op uw borst (…), gij noemt hem lam van God en vraagt om zijn vrede. Johannes toonde Christus altijd tegenwoordig, altijd levend, geheel levend. Aanbiddelijke waarheid! Maar gij, gij vertoont uw ouwel, in stukken gedeeld, daarna eet gij die op, terwijl gij u drinken laat geven (…). Wat zou iemand wel zeggen, die nooit zulk een apenspel gezien had? (…)

Ook is het gehele gebruik van uw mis zeer in strijd met het gebruik van het Heilig Avondmaal van Christus! (…) En dat is geen wonder, want er is niets gemeens tussen Christus en Belial. Het Heilig Avondmaal des Heeren geeft ons de gedachtenis van de grote liefde waarmee Hij ons zo liefgehad heeft dat Hij ons door Zijn bloed gewassen heeft. Het biedt ons van de zijde des Heeren het lichaam en het bloed van Zijn Zoon, opdat wij gemeenschap hebben aan de offeranden van Zijn dood en opdat Jezus ons eeuwig voedsel zij. Het roept ons om ons geloof en ons vast vertrouwen dat wij hebben van behouden te zijn omdat Jezus ons heeft vrijgekocht, te belijden. Door ons allen eenzelfde brood te geven getuigt het ons van de liefde waarin wij allen in eenzelfde geest moeten leven. Dit Avondmaal, aldus wel verstaan, verheugt de gelovige ziel, in alle nederigheid, en doet haar zich oefenen in alle goedheid en beminnelijke liefde (…).

Maar de vrucht van de mis is geheel anders. Door haar wordt de prediking van het Evangelie verhinderd. De tijd wordt besteed in klokgelui, geschreeuw, gezang, ijdele ceremoniën, verlichtingen, bewierokingen, vermommingen en allerlei soort van kunsten. En de arme wereld, welke voor schapen gehouden wordt, wordt jammerlijk bedrogen, opgehouden, misleid, wat zeg ik? Zij wordt gegeten, verscheurd en verslonden als door grijpende wolven. Door die mis hebben zij alles verdorven, vernield en verzwolgen. Door haar hebben zij vorsten en koningen, heren en kooplieden onterfd, benevens al wat men noemen kan, hetzij dood of levend (…).

En dan eindigt het pamflet met:

“O, valse getuigen, verraders, rovers van de ere Gods, verachtelijker dan de duivelen. In het kort, de waarheid verjaagt hen, de waarheid verschrikt hen en door de waarheid zal binnenkort hun rijk voor altijd verwoest zijn.” 5

Als we het geheel doorlezen, moeten we erkennen: het is de volle waarheid die in het pamflet verkondigd wordt. De mis is een aantasting van Gods eer en, zoals de Heidelbergse Catechismus zegt, een vervloekte afgoderij.

Omdat de tekst van het pamflet nogal heftig was, werd het eerst toegeschreven aan Farel (1489-1565), die als een heftige prediker bekendstond. Maar later bleek dat het pamflet afkomstig was van Antoine Marcourt (1485-1561), een van zijn leerlingen, die predikant was in Neuchâtel in Zwitserland. 6 Hij had een boekje uitgegeven 7 naar aanleiding van de tekst uit Ezechiël 3 vers 18: Als Ik tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven; en gij waarschuwt hem niet, en spreekt niet om den goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat gij hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. In dit boekje toonde hij aan dat de mis een vervloekte afgoderij was.

Velen van de reformatorisch gezinden die het pamflet lazen, keurden de inhoud niet af, maar hadden grote bedenkingen tegen het aanbrengen ervan in het openbaar. Was dit nu wel een goede methode om het Evangelie te verbreiden? En velen waren bang dat dit zou leiden tot een heftige reactie van de roomse kerk. Wat zouden de gevolgen zijn? Ze kregen daarin gelijk, want wat was het geval? De koning was in zijn eer aangetast! Zelfs op de slaapkamerdeur in het paleis van de koning in Blois was een pamflet aangebracht!

Dat kwam zo. De Hervorming was zelfs doorgedrongen onder de zangers van de koninklijke kapel. Een van hen had de pamfletten in de stad Blois aangebracht en hij besloot om het pamflet zelfs in het paleis van de koning aan te plakken, waar hij een gemakkelijke toegang had. En gebruikmakend van een gunstig ogenblik bracht hij het pamflet op de slaapkamerdeur van de koning aan.

De koning, die nooit lang op eenzelfde plek verbleef, sliep op dat moment niet in zijn kasteel te Blois, zo’n 200 km onder Parijs, maar te Amboise, in de buurt van Blois. In de vroege morgen van 18 oktober 1534 kwamen naar gewoonte de roomse kardinaal Francois de Tournon (1489-1562) en Anne de Montmorency (1493-1567), de bevelhebber van het leger, in het paleis van de koning om overleg te plegen. Het was indertijd gebruikelijk dat het overleg met de koning in zijn slaapkamer plaatsvond.

De mannen worden bij de koning aangediend en stappen de slaapkamer van de koning binnen. Ze zijn natuurlijk vol van de pamfletten en vertellen de koning dat er zelfs een op zijn slaapkamerdeur in het kasteel van Blois was aangebracht. Ze hebben er een meegenomen om de koning te laten zien. Deze verzoekt direct de kardinaal het pamflet voor te lezen. Onder het lezen vertrekt het gezicht van de koning van woede. Hoe durven ze, die gereformeerden!

De Franse kroon en daarmee het gehele koninkrijk was in zijn eer aangetast, want de afkeuring van de roomse mis is tegen het koninkrijk dat op de roomse leer gegrond is! En dat is nog erger dan dat de mis aangetast wordt. Zo redeneren de koning en zijn mannen. De ketterij moet koste wat het kost de kop ingedrukt worden. Het geduld van de koning is nu op. Vanaf nu heeft hij maar één doel: het tot elke prijs uitroeien van de ‘lutherse ketterij’. Een streng edict is nodig. De koning riep:

Men grijpe zonder onderscheid allen die van het lutherdom verdacht zijn, ik wil alles uitroeien. Schrijf aan het parlement, om streng recht uit te oefenen. Elke officier van de rechtbank geef ik jaarlijks tot aanmoediging 600 livres meer en dat zijn gehele leven. Dat onmiddellijk door mijn gehele rijk onderzoek gedaan worde naar die lieden die zozeer vijanden van God zijn.8

De koning zocht zogenaamd Gods eer, maar in werkelijkheid was het zijn eigen eer. Naar aanleiding van het pamflet kwam een ongelofelijke geruchtenstroom op gang. Nergens was de woede groter dan onder de geleerden van de Sorbonne in Parijs. Er werden vlammende redevoeringen gehouden in de Universiteitszaal en in de roomse kerken. Ook het volk was in grote opschudding gekomen. Allerlei geruchten verspreidden zich door de stad en het land. De gereformeerden zouden de koning willen afzetten, de bezoekers van de mis vermoorden en de roomse kerken verbranden.

De protestanten werd de schuld gegeven van alles. “De ketters”, zo werd er gezegd,

hebben besloten de roomsen gedurende de godsdienstoefening te overvallen en mannen, vrouwen en kinderen meedogenloos te vermoorden (…) Een afschuwelijke samenzwering wordt er tegen de staat en de kerk verwekt. Dit plakkaat is er het teken van; de ketters zullen alle kerken en paleizen in brand steken, alle roomsen ombrengen, het koningschap afschaffen en het rijk in een grote woestijn veranderen. (…) Weg met de lutheranen!9

Zo werden de evangelische Christenen in een kwaad daglicht gesteld. Dezen verborgen zich stil en angstig in hun huizen. De pamfletten waren dagelijks het onderwerp van gesprek. Wat zouden de gevolgen hiervan zijn? Het was goed dat er tegen de mis ingegaan werd, maar moest het op deze manier? Wat een leed zou het aanbrengen van de pamfletten niet teweegbrengen? Allerlei maatregelen werden genomen door het parlement, die natuurlijk gesteund werden door de roomse kerk en niet te vergeten de Sorbonne. Van daaruit beheerste en stuurde de roomse kerk de vervolgingen, van daaruit gingen de berichten door geheel Frankrijk om de lutheranen uit te roeien.

Een vreselijke vervolging

De gevolgen van het aanplakken van de pamfletten waren inderdaad vreselijk. Er werd door een omroeper in Parijs bekendgemaakt:

Zo iemand weet op te geven de personen die genoemde pamfletten hebben aangebracht, men zal hem vanuit het hof van de koning 100 kronen geven; en degenen die hen verbergen, zullen verbrand worden.10

Het was verboden op straffe van de dood de Bijbel of een ketters boek te lezen. Men was bang om de Bijbel te lezen. Alle ramen werden zorgvuldig geblindeerd voordat de Bijbel tevoorschijn werd gehaald om erin te lezen. Alle Bijbels en boeken werden opgespoord in de huizen van de lutheranen en publiekelijk verbrand, meestal voor de Nôtre-Dame, na het luiden van de grote klok.

Er begon in heel Frankrijk een ware razzia uit te breken. Velen die meestal helemaal niets met de pamfletten te maken hadden, werden gegrepen en veroordeeld.

Wat moesten de gereformeerden doen? Vluchten? Dat was bijna onmogelijk. Huis en haard, ja, alles verlaten en in den vreemde gaan? Waar moest men heen? Velen vluchtten toch van de ene plaats naar de andere, als een veldhoen op de bergen. Anderen verlieten het land en weken uit naar Engeland, Duitsland of Nederland. Anderen werden gevangen-genomen, omdat er enige verdenking bestond dat zij medeplichtig waren aan het verspreiden van de pamfletten. Ook de hofprediker van Marguerite, Gérard Roussel (1500-1550), die op dat moment in Parijs was en steeds - met toestemming van de koning - mocht preken, werd gevangengenomen. Hij kon echter zijn onschuld met betrekking tot de pamfletten aantonen en werd weer vrijgelaten.

De zuster van de koning, Marguerite de Navarre (1492-1549), was geheel verschrikt en verslagen toen zij het bericht hoorde van de pamfletten en de gevolgen daarvan. Juist toen zij dacht dat haar broer Frans in de richting van de Hervorming overhelde, was het tegendeel nu waar. Nu scheen Frankrijk voor haar gevoel geheel verloren. De koning had ook geen goed woord meer voor haar over. Ze verliet Parijs, waar zij op dat moment verkeerde, en vertrok naar haar man, de koning van Navarre. Ze reisde naar haar paleis in Nérac in het zuiden.

De Sorbonne probeerde zelfs ook Marguerite verdacht te maken in de zaak van de pamfletten. Zij zou eraan meegewerkt hebben. Ja, zelfs de koning was niet veilig voor de Sorbonne. Ook de koning zou er vanaf geweten hebben. Toen de koning dit hoorde, bekoelde zijn woede een beetje. Hij riep zijn zuster terug uit Navarre.

Deze, verblijd dat de koning haar weer wilde spreken, nam de kans waar om haar broer warm te krijgen voor een compromis tussen de gereformeerden en de roomsen. Het werd een geloofsbelijdenis van zeven punten, de ‘mis der zeven punten’ genoemd. Deze belijdenis, die de verschillen van de roomse kerk met de gereformeerden trachtte te verzachten, luidde als volgt:

1. De priester zal voortgaan met het vieren van de mis, maar het zal altijd een openbare bediening zijn;

2. Hij zal de hostie niet omhoogheffen;

3. De hostie mag niet aangebeden worden;

4. De priester en het volk zullen beiden Avondmaal houden;

5. Gedurende de bediening van de mis zal er geen herdenking van de maagd Maria noch van de heiligen zijn;

6. Het Avondmaal zal gevierd worden met gewoon brood. Nadat de priester het gebroken en ervan gegeten zal hebben, zal hij het overige aan het volk uitdelen;

7. De priesters mogen de vrijheid hebben om te trouwen. 11

Zou dan het verschil tussen de roomsen en gereformeerden opgeheven kunnen worden door de ‘mis der zeven punten’? Dacht Marguerite werkelijk de vrede tussen de partijen zo te kunnen bewerkstelligen? Haar ernstige pogingen om de vrede te bewaren, gingen nu ten koste van de waarheid. Kende zij de roomse geestelijken nog zo weinig? Dacht zij, als er vast maar een stap gezet kon worden, dan zouden de priesters langzamerhand wel overtuigd worden van de waarheid?

Calvijn zag heel duidelijk in dat dit een verkeerde weg was. Betuigde hij niet ergens:

Ik zie zeer duidelijk dat de wezenlijke orde van de (roomse) kerk is verloren gegaan, dat de sleutels die de tucht moeten bewaren, vervalst zijn, dat de Christelijke vrijheid is omver gestoten en dat het Koninkrijk van Christus vernietigd is, waar de paus zich tot een vorstelijke waardigheid verheven heeft.12

Er was dus veel meer nodig. Marguerite verwachtte de uitkomst in deze zaak van mensen. Maar: Vest op prinsen geen betrouwen, waar men nimmer heil bij vindt (Ps. 146:2 ber.). De koning was wel wat toegeeflijker geworden, maar alleen in het bijzijn van zijn zuster. Zodra hij met de roomse geestelijken sprak, was hij heel anders.

De eerste slachtoffers

Een van de eerste huizen die vervolgers bezochten, was het huis van Barthélemy, over wie we in het meinummer geschreven hebben. 13 Hoe onmogelijk het ook was dat hij de pamfletten opgehangen zou hebben, hij moest minstens een van de aanstokers geweest zijn. Barthélemy zat op zijn gebruikelijke plaats bij het raam, toen een troep soldaten naar hem toe kwam. “Sta op”, schreeuwde de commandant ruw tegen hem. “Ik kan het niet, meneer”, antwoordde Barthélemy, “er is slechts Een Die mij kan doen staan. Ik ben verlamd.” De commandant keerde zich woedend om en beval zijn mannen het huis te doorzoeken. En helaas voor Barthélemy, een aantal kopieën van de affiches werden er gevonden. “Neem deze walgelijke ketter mee”, schreeuwde de commandant, en in een triomfantelijke vreugde sleepten de soldaten Barthélemy door de straten. Samen met andere gevangenen werd Barthélemy in een donkere kerker geworpen. De volgende dag verschenen ze al voor het gerecht en met zeven andere hugenoten werd hij veroordeeld tot de brandstapel.

Bij het horen van dit vonnis vertoonden Barthélemy en zijn zeven metgezellen geen enkele angst, nee, het was hun tot grote vreugde. Door genade mochten zij weten dat zij tot hun Heere en Zaligmaker mochten gaan. Het was hun een grote eer te mogen lijden voor de Naam van Hem Die Zijn leven voor hen gegeven had. De arme verlamde, die door zijn lichamelijke zwakte het meest te klagen zou kunnen hebben over de wreedheid van zijn vervolgers, dacht alleen maar aan het helpen van zijn vrienden. Hij troostte hen en wees hen op de Heiland, Die beloofd had hen allen tot Zich te nemen. Om indruk te maken op mensen en een heilzame schrik te veroorzaken onder het volk had het Parlement besloten om de gevangenen - de ene na de andere - op verschillende plaatsen terecht te stellen. Op 13 november 1534 was de dag vastgesteld voor de uitvoering van het vonnis. Omdat Barthélemy niet kon lopen, droeg een cipier hem in zijn armen naar een wagen die te midden van roomse geestelijken, langzaam door de belangrijkste wijken van de stad reed. Tot verhoging van de wreedheid was bevolen de processie langs het ouderlijk huis van de veroordeelde te laten gaan, het huis waar hij ooit zo ongelukkig was, maar waar hij later, ondanks zijn lichamelijke pijn, de onuitsprekelijke vreugde had ervaren die de wereld niet kan geven.

De ongelukkige voor eeuwig gelukkig

Op 13 november 1534 werd de brandstapel voorbereid en Barthélemy op het hout gelegd, dat vervolgens aangestoken werd. Al snel grepen de vlammen in de takkenbos om zich heen. “Matig het vuur,” riep de officier, die de onrechtvaardigen aanvoerde: “De prijs die de vervloekte ketter moet betalen, moet hoog zijn. Hij moet langzaam branden.” Maar Barthélemy leek de hitte van de vlammen niet te voelen. Hij had zijn handen gevouwen, zijn ogen waren gericht naar boven en van zijn lippen kwam een vurig gebed tot Hem Die hij liefhad, omdat Hij hem eerst had liefgehad en Zichzelf voor hem had overgegeven. Veel van zijn vrienden en broeders in het geloof waren verborgen onder de menigte. Ze wilden door hun aanwezigheid de martelaar ter ondersteuning zijn en hem moed inspreken. Ze beefden bij het zien van de vlammen. En Barthélemy? Ach, wat was hij gelukkig! Het was maar een moment van strijd en lijden om vervolgens in te gaan in de vreugde Zijns Heeren. Voor hem was de kroon des levens bereid; tot hem werd gezegd: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heren (Matth. 25:21). Het lijden dezes tegenwoordigen tijds is niet te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden (Rom. 8:18b).


Noten:

1) De tien vorige afleveringen van deze serie zijn verschenen in: In het spoor, oktobernummer 2016, p. 214-224, decembernummer 2016, p. 289-297, februarinummer 2017, p. 19-27, meinummer 2017, p. 96-104, julinummer 2017, p. 158-166, oktobernummer 2017, p. 192-201, decembernummer 2017, p. 276-283, februarinummer 2018, p. 39-46, meinummer 2018, p. 39-46, julinummer 2018, p. 160-167

2) G. Abbé, Histoire de l’église de France sur les documents originaux et authentiques, Tome VIII, Paris 1854, p. 199 en: Fontanon, Edits et Ordonnances des Rois de France, Tome IV, Paris 1611, p. 245 (vertaald door C.V.)

3) Zie: In het spoor, julinummer 2018, p. 161

4) J.H. Merle d’Aubigné, Geschiedenis der Hervorming in Europa ten tijde van Calvijn, dl. 3, Rotterdam 1864, p. 69 (herspeld en herschreven). Hierna: Merle 3.

5) Merle 3, p. 69

6) H. Hasper, Calvijns beginsel voor de zang in de eredienst, dl. 1, ’s Gravenhage 1955, p. 349, noot 1

7) A. Marcourt, Déclaration de la Messe, le fruit d’icelle, la cause et le moyen, pourquoy et comment on la doit maintenir, composée par M. Anthoine Marcourt, 1553

8) L. Lalanne, Journal d´un bourgeois de Paris sous le règne de Francois premier, Paris 1854, p. 442

9) Merle 3, p. 73 e.v.

10) Merle 3, p. 75

11) Merle 3, p. 81 en Eug. et Em. Haag, La France Protestante ou vies des Protestants Francais, Tome 7, Art. Marguerite, Paris 1857, p. 237

12) J.D. Barth, Het Calvinistisch beginsel in deszelfs wording door Calvijn, Numansdorp 1958, p. 17

13) Zie: In het spoor, meinummer 2018, p. 95-96

Fotoverantwoording:

a) By D. Vorndran [CC BY-SA 3.0] via Wikimedia Commons


Christelijke huishouding

Door de Landelijke Stichting is de Christelijke huishouding van ds. Petrus Wittewrongel opnieuw in het hedendaags Nederlands uitgegeven. In de nieuwe uitgave bestaat dit standaardwerk voor een gereformeerde gezinsopvoeding en gezinsreformatie uit vijf delen van circa 580 pagina’s (ISBN: 9789077530115), die alleen per serie verkocht worden voor een totaalprijs van € 199,- (inclusief verzendkosten!). Deze uitgave is alleen bij de administratie van de Landelijke Stichting te verkrijgen en is dus niet in de boekhandel te koop, daar het anders niet mogelijk was om de prijs laag te houden. Voor het bestellen van een serie kunt u mailen naar: inhetspoor@kliksafe.nl of bellen naar: 06-22626140 / 0416-693844. Graag in alle gevallen uw volledige adres doorgeven alsmede het aantal series dat u wenst te ontvangen. De serie van vijf boeken wordt u dan zo spoedig mogelijk toegezonden met een nota.

Het bestuur

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 2018

In het spoor | 64 Pagina's

Door het Licht dat nu Ontstoken is -11-

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 2018

In het spoor | 64 Pagina's