Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De onrechtvaardige rentmeester.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De onrechtvaardige rentmeester.

Lucas 16 vs. 1—9.

8 minuten leestijd

We hebben hier vóór ons een man, die erg goddeloos handelt. Hij is rentmeester, maar maakt op schrikkelijke wijze misbruik van het vertrouwen, in hem gesteld, hij brengt het goed zijns hecren door. Ten slotte komen zijne praktijken aan het licht; maar geen spoor van berouw of schaamte; naar gerechtigheid, vragen, dat komt in het geheel niet bij hem op ; de vraag naar gerephtigheid bestaat bij hem niet meer. Schaamte over zijne zonde is er niet, wel schaamte om te bedelen. Nu verzint hij, om naderhand geen gebrek te lijden, nog een paar gemeene streken. Hij gaat nog knoeien met de schulden, die zijn heer bij anderen heeft uitstaan : den een, die honderd vaten olie schuldig is, zegt hij: schrijf haastehjk vijftig; den anderen die voor honderd mudden tarwe moet betalen, verandert hij de rekening, als waren er maar tachtig mud geleverd. Dus komt nog bij al zijne verkeerdheid hetgeen wij noemen: valschheid in geschrifte.

En de toepassing.'' Ja, a!s er zoo iets uitkomt, dan heeft de eigengerechtige mensch de toepassing bij de hand. Zie daar zulk een dief, zulk een vervalscher, zulk een doorbrenger, twintig jaar gevangenistraf is niet te veel voor hem. En men vergeet zijn eigen praktijken, waarbij er toch eigenlijk ook niet alles mee door kan, en gaat steenen op dien man werpen. Men slaat een kruis en zegt: Dat zij verre van mij, dat ik ooit daartoe zou komen!

Wat doet nu de Heere Jezus? Niet alleen deelt Hij mede, dat de heer dien onrechtvaardigen rentmeester prees, maar ook Hij Zelf stelt ons dien rentmeester tot voorbeeld I

Het spreekt van zelf, dat hier niet geprezen wordt de schrikkelijke onecrlijkheid en valschheid van dezen rentmeester. Uitdrukkelijk voegt de Hecre er nog aan toe vs: 10. «Die 'getrouw is in het minste, die is ook in het groote getrouw; en die in het geringste onrechtvaardig is, die is ook in het groote onrechtvaardig.» Maar gij mensch, die den staf breekt over dezen onrechtvaardigen, ontrouwen rentmeester, die geen woorden genoeg vindt, om te veroordeelen zulke schandelijke praktijken, als er ook tegenwoordig in Nederland telkens aan het licht komen, zijt gij in het uwe getrouw } Zeker, gij zult niet in het groot gestolen, verduisterd hebben en vervalscht — maar kan alles het licht zien } En al zijt gij geweest wat men stipt eerlijk noemt, dan nog komt de vraag : Hebt gij er mede gehandeld als rentmeester des Heeren, of hebt gij 't naar eigen goedvinden doorgebracht? Als het tot ons eens komt: Geef rekenschap van uw rentmeesterschap — wat dan ? Ja, wie moet dan niet verstommen ? Wien ontzinkt dan niet alles ? Voor wien is het niet alsdan: »Zoo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan ?* En dan ?

Die onrechtvaardige rentmeester, die om I God noch om Zijn gebod gaf, had er nog tenminste voor gezorgd, dat hij tereckt kon. Kij had zich nog vrienden gemaakt met dien onrechtvaardigen Mammon, had niet alles in eigen zak gehouden, maar wel begrijpende, dat al zijn geld, dat hij gestolen had, nu weg was, dat hij er zich niet meer op kon verlaten, had hij gemaakt, dat anderen hem zouden opnemen in hun huis. Daarom werd hij door zijn heer geprezen, wegens zijn slimheid; al moest die heer zeer boos op hem zijn, dit moest hij erkennen : die rentmeester wist wel wat hij deed!

Maar de mensch, wat doet hij, als hij een kind des lichts wil zijn ? Daar is één gebied van zijn leven, dat is voor den Heere. Naar de Kerk gaan, vrome gesprekken houden, bidden, Psalmen zingen, godsdienstige boeken lezen, zich oefenen ter godzaligheid, ook wel het een en ander geven voor een goed doel — dat is voor God. Daarnaast staat het ambt en beroep, het bedrijf of de betrekking, waarin men is. Dat noemt men de «wereld.» Daar «kan men het zoo nauw niet nemen.» Daar is men op niets anders uit dan geld te krijgen, optepotten, over te leggen. Dat is het gebied van den «onrecht vaardigen Mammon.» Niet, dat het geld op zichzelf onrechtvaardig zou zijn, maar de mensch, die het tot zijn afgod maakt, wordt medegesleept in allerlei ongerechtigheid, en dan is het ook een onrechtvaardige god, die zijne aanbidders nog bedriegt. Maar de mensch doet zoo, vertrouwt op zijn schatten en wil daarbij godsdienstig zijn. Dan heeft hij natuurlijk geen oog voor den nood der arme en ellendige broeders des Heeren; want het is hem niet om den Heere Jezus zelf te doen; het is hem te doen om hier een goed heenkomen te hebben en toch ook nog in den hemel te komen — en hoewel hij den mond vol kan hebben van genade, meent hij toch, dat de hemel hem niet mag ontgaan. En al zou hij schatten aan «liefdadigheid» uitgegeven hebben, tot de arme broeders des Heeren is er geene liefde, want met hen legt hij geene eere in ; ook getuigen die tegen zijne werken.

Als nu de dag komt, dat zijne ziel van hem afgeeischt wordt — ja, dan moet er genade wezen, dan zou hij gaarne nog in den hemel komen. Dan zou hij wel gaarne willen komen te zitten naast degenen, die hem hier te min waren, voor wie hij hier niets over had. Maar God de Heere laat dat niet toe. »Wat gij aan de geringsten Mijner broederen niet gedaan hebt, dat hebt gij aan Mij ook niet gedaan.«

Wie echter in waarheid ervaart wat genade is, wie werkelijk als een zondaar voor God staat en op niets anders kan hopen dan op barmhartigheid, voor dien zijn alle schatten der aarde niets bij die barmhartigheid, die ontferming des Heeren. Die kan niet meer twee heeren dienen, hoewel het zondige hart er op uit is. Ook van den Mammon, van den geldgod wordt hij losgemaakt; en dit is zijne begeeite, met hetgeen God hem heeft gegeven, wel te doen, zich tot vrienden te maken de vrienden des Heeren ; zijn genot is het ze in hunnen honger te laven; zijne eer, hunne smaadheid te deelen. Dat geschiedt niet, om er iets mede te verdienen, maar uit liefde ; hij zelf weet er zoo niets van, hij blijft een groot zondaar voor God.

Ook hij, wanneer hij vóór Gods rechterstoel komt, zal zich alles zien ontvallen. Hij heeft geen roem ; hij kan zijne gerechtigheid, zijne werken, niet in 't midden brengen. Maar de barmhartigheid roemt tegen het oordeel; degenen, die hij om Christus wil barmhartigheid gedaan heeft, pleiten roor hem : dat is één van de onzen ; en in hen pleit Jezus Christus Zelf voor hem. Uit die werken, die hij gedaan heeft, blijkt, dat hij van Christus is, dat hij barmhartigheid heeft ondervonden, dat de Wet der genade over hem heeft gehecrscht. Verdienste is er niet. Uit genade wordt hij aangenomen, om Christus wil; maar aan zijne werken herkennen zij, die van Christus zijn, hem als ook eenen van Christus, en nemen hem mede in de eeuwige tabernakelen.

Gaat heen en doet desgelijks 1 Dat is echter niet zoo maar gedaan. Of zouden we mecnen, dat wij er mede kunnen volstaan, als wij, benauwd zijnde, dat het eens niet goed kon afioopen, snel een paar armen de hand stoppen ? Al ware het, dat ik al mijne have aan de armen uitdeelde, en de liefde niet had, zoo zoude het mij geene nuttigheid zijn ! De mensch heeft van ouds wel de werken der ware liefde willen nabootsen, maar dat lukt hem niet, evenmin als de mensch met al zijn kunst één enkel grasscheutje kan maken, zooals God ze doet groeien- En toch moet het er zijn. Dat moet ons

En toch moet het er zijn. Dat moet ons in den nood drijven, dat wij zoo goddelooze lieden zijn, opdat wij het zoeken, waar het alleen te vinden is, bij Christus.

De Heere zegt deze gelijkenis niet alleen tot naamchristenen of schijnchristenen, maar tot de kinderen des lichts. In ons allen woont die »Parizeer, die gcldgierig is.« Wij zijn er altijd bij, te denken : Als ik maar door deze wereld en in den hemel kom, laat dan de ander blijvcn,^waar hij blijft. In zulk een doen beschaamt ons een schrikkelijk goddeloos wercldling als die rentmeester was, die in al zijne verkeerdheid nog tenminste zoo verstandig was, om zich bijtijds vrienden te maken met den onrechtvaardigen Mammon. En zoo moeten wij telkens weder naar het kruis.

Het zal waar zijn en blijven, dat de mensch alléén door het geloof zal gerechtvaardigd worden, zonder de werken der Wet. Het zal echter wederom waar zijn, dat de mensch uit de werken zal gerechtvaardigd worden ; want de ware goede werken zijn juist daar, waar de mensch als een goddelooze vasthoudt aan Gods genade, aan onzen Heere Jezus Christus.

W. L.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 oktober 1906

Kerkblaadje | 4 Pagina's

De onrechtvaardige rentmeester.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 oktober 1906

Kerkblaadje | 4 Pagina's