Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De door God gezalfde Koning over Sion.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De door God gezalfde Koning over Sion.

15 minuten leestijd

Ik toch heb Mijnen Koning gezalfd over Sion den berg Mijner heiligheid. Psalm 2 TS. 6.

De tweede Psalm is eene profetie van Christus' Koninklijke heerschappij, en roept ons luide toe, om Hem te gehoorzamen, aan Hem ons toe te vertrouwen, in Hem tegelooven als Dengene, Die alles in Zijne handen heeft: zonde en genade, dood en leven en alle dingen, tijdelijke en eeuwige welvaart Die behouden en verderven kan, en buiten Wien geene zaligheid te zoeken of te vinden is. Welke machten zich ook opmaken, om Hem van Zijn Troon te stooten, zij vermogen niets tegen Hem; want deze Koning is uit Qod, Zijn Koninkrijk is het Koninkrijk Gods „Ik toch," spreekt God de Vader van Zijnen Zoon, ,heb Mijnen Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid."

Op den berg Sion te Jeruzalem was Davids koninklijke burcht. Derwaarts had hij ook de ark des Heeren gevoerd. En later, daar bezijden, op den heuvel Moria, had God door den koning Salomo den tempel laten bouwen. Daarin troonde en woonde als 't ware God in Christus in het midden des volks om hen te heiligen. Naar dit alles heette Jeruzalem „de stad des Heeren," „het Sion van den Heilige Israels" (Jes. 60 vs. 14). Onder Sion hebben wij alzoo te verstaan de plaats, waar God troont en woont, waar de heilige godsdienst des Heeren is, waar Hij woont en werkt met Zijn Woord en Zijnen Geest. Het is dus ,het Koninkrijk Gods," waarin Hij regeert met Zijne gerechtigheid en genade, met Zijne trouw en waarheid; waar Hij Zich openbaart en verheerlijkt in al Zijne deugden en volmaaktheden, zooals geschreven staat (Psalm 132): De Heere heeft Sion verkoren. Hij heeft het begeerd tot Zijne woonplaats, zeggende: Dit is Mijne ruste tot in eeuwigheid. . . . Daar zal Ik David eenen hoorn doen uitspruiten. Het is de stad, die fundamenten heeft, de woning, welke God liefheeft, de stad des levenden Gods, het hemelsch Jeruzalem. M. a. w. het is alles, wat Qod is en wat Hij heeft voor Zijn voik. Het is de gansche raad Gods tot zaligheid, zóóals Hij dien in Christus Jezus geopenbaard én volvoerd heeft voor verlorene zondaren.

Tot Sion, het Rijk Gods met al zijne heerlijkheid, al zijne heilgoederen, behoort dus de uit loutere genade gewordene en geschonkene zaligheid Gods, én behooren zij, die aan deze zegeningen deel hebben. Daarom kan Sion ook „de gemeente Gods" genoemd worden. Zie, omdat de gemeente des Heeren uit God, uit Zijn Woord, door Zijnen Heiligen Geest is geboren; omdat zij is en bestaat naar het voornemen der verkiezing, zoo heet zij in de Heilige Schrift „Sion", de stad „aen welke de Heere lust heeft" Oes. 62 vs. 4),

Wanneer nu in dj',;j 2den Psalm Sion „de berg van Gods heiligheid of Zijn heilige berg" genoemd wordt, dan moeten wij niet aan heiligheid naar raenschelijk oordeel denken, want alle vleeschelijke heiligheid is buitengesloten. Maar de plaats, waar God woont, het rijk, waarin Hij troont, heet heilig wegens de heiligheid Gods; krachtens Zijn heilig Woord en Zijnen heiligen dienst. Het is uit oorzaak en op grond van Zijnen eeuwigen, heiligen vrederaad, waarin alles, wat tot de tijdelijke en eeuwige welvaart Zijns volks behoort, zóó is verordineerd, besteld en uitgericht als het overeenkomstig het Wezen Gods is, van Hem, Wiens getuigenis tot ons luidt: „Zijt heilig, want Ik, de Heere uw God, ben heilig." Zullen wij dan ook tot Sion, den berg van Gods heiligheid naderen, dan moeten wij de schoenen van onze voeten uittrekken, d. w. z. wij hebben alle eigene kracht en wijsheid, gerechtigheid en heiligheid af te leggen. Want voor Gods heiligheid kan de mensch met het zijne niet bestaan, zijn zijne gerechtigheden als een wegwerpeiijk kleed. Waar het licht, de glans van 's Heeren heiligheid ons bestraalt, kunnen wij niet anders dan uitroepen: Wee mij onreine, ik vergal

Maar hoe zullen wij dan met Qod in gemeenschap treden? wij moeten toch bij Hem wonen, zullen wij zalig zijn? Antwoord geeft ons de door God aan Israël bevolen offerdienst. Al die offers waren afschaduwing van de éénige offerande van Jezus Christus, waarmede Hij in eeuwigheid volmaakt heeft degenen, die geheiligd worden. Door het bloed en de gerechtigheid van het Lam Gods, dat de zonde der wereld wejneerat, hebben wij toegang tot den berg van Gods heiligheid, tot Zijnen heiligen Troon, in Zijn Koninkrijk. Alzoo: „afgewasschen, geiieiüj^id, gerechtvaardigd in den Naam des Heeren Jezus en door den Geest onzen Gods" (1 Cor. 6 vs. 11), hebben wij woning in Zijne stad, in Zijn Rijk; zijn vi/zy de wonin;^, die Qod liefheeft, de stad, welke de Heere bemint.

In Sion, op den berg van Oods heiligheid heerscht dan heUighcid, geene heiligheid naar menschelijk, vleeschelijk begrip, maar volgens Oods reine oordeel. Die Zijne hciügheid toerekent aan het geloof in Hem, zooals Hij den goddelooze om niet rechtvaardigt. Er heerscht dan op dezen berg genade; genade niet, zooals een mensch in zijne hoovaardij en bhndheid spreekt van „helpende genade", waarbij men zeif, om zoo te spreken, no. 1 blijft; maar genade, zooals zij genade is, die den mensch zóó klein maakt en houdt, dat hij in hartgrondige verootmoediging en algeheele verbrijzeUng des geestes slechts kan roepen, schreien uit diepten van ellende: „O God! wees mij genadig, ontferm U over mij."

Het is in Sion alles uit, door en tot God. Üaaiom spreekt de Heere met nadruk: „ALJnen heiligen berg." De Sionieten, de gunstgeiïöolen des Heeren hebben dein ook geen anderen levensgrond en geen andereri roem dan „den Heere, den Heiligt Israels," in Wien hun heil volmaakt is, zooals het Evangelie luidt: „Uit God zijt gij in Chiistus Jezus, Die U geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heihgraaking en verlossing; opdat het zij, gelijk geschreven is: Wie roemt, roeme in den HeeiV (1 Cor. i VS. 30, 31). De burgers van Sion, die wat zij zijn, alléén uit God zijn, het gewrocht Zijner handen, Zijn maaksel in Christus Jezus, zijn in zichzelven zwakke en gansch ellendige, arme zondaren, zoodat zij zich nooit op de weldaad, dat zij tot Sion behooren, kunnen verheffen. Wüt gij eenige namen van deze lieden weten? Welaan, verneem uit den 87sten Psalm de namen van „Rahab en Babel, den Filistijn, den Tyricr met üen Moor." Het zijn wel geen schoone namen, maar den Heere bekend en Hem liefelijk ^m aangenaam. Zij zingen dan ook allen van Gods grootheid, van Hem, Die hen uit de macht van zonde, wereld, dood en hel heeft verlost. De Heere heeft hen aan 't verderf ontrukt, heeft hen van kinderen des Satans tot Zijne kinderen, Sions-kinderen gemaakt. Hij heeft hen door Zijn Woord en Zijnen Geest afgezonderd van de volkeren, opdat zij de Zijnen zouden zijn tot roem en prijs Zijner genade; opdat zij Zijne deugden verkondigen. Zijne werken vertellen zouden. Neen, zij hadden niets liefelijks of aantrekkelijks voor den Heere. Zij lagen in hunne schande en onreinheid terneder, moesten gewisselijk in hunne ellende omkomen; maar de Heere had van eeuwigheid een welbehagen in hen, om ze uit hunne verlorenheid te redden en te brengen in Zijn heerlijk Koninkrijk. En toen het uur van de openbaring van 's Heeren heil aan hunne ziel, het uur van Zijne opzoekende liefde gekomen was, toen sprak Hij tot hen: „Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid." Hij sprak tot Lo-Ammi, niet Mijn volk: gij zijt Mijn volk; tot Lo-Ruchama, niet ontfermd: Gij zijt ontfermd. Ziet, hier ben Ik, uw God en Heere, uw Koning, uw Redder en Verlosser." Alzoo door den Heere tot Zijn volk verkoren en verkregen, zijn en blijven zij, hoe arm en ellendig ook in zichzelven, nochtans rijk en heerlijk in hun Ood en Heiland, in Wien zij het leven en overvloed hebben. Hij, Die hen gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed en uit alle geweld des duiv'els verlost, — Hij is hun goede en trouwe Herder, Die Zijn leven gesteld heeft voor Zijne schapen. En Zijn Woord luidt: „Ik geve hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal ze uit Mijne hand rukken. Mijn vader. Die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders. Ik en de Vader zijn één" (Joh. 10 vs. 24—30). Siou, iiel Rijk. üods heeU een Koning,

Die met onbeperkte macht regeert, van Wiens heersctiappij alles afhangt, aan Wien allen onderworpen zijn. Wie die Koning is, dien God noemt »Mijn Konings, Die dus met de waardigheid en heerlijkheid, mot de almacht en majesteit Gods bekleed i's? Het is Jezus Christus, de Heere, de eeuwige Zoon des eeuwigen Vaders; lot Wien des Vaders woord luidt: »Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Eisch van Mij, en Ik zal U de Heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uwe bezitting* (vs. 7, 8). Hij is het, van Wien de Brief aan de Hebreen ons predikt, dat Hij is »helafschijnsel van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner 7elfslandigheid« (I vs. 3); de Zoon, éénswezens met den Vader, God te prijzen in der eeuwigheid, nWiens Troon is in alle eeuwigheid, en de scepter Zijns Koninkrijks is een rechte scepter* (vs. 8). Hij is Sions Koning, Wien alle engelen aanbidden, en in Wien de dochter Sions zich verblijdt. En Hij heeft op Zijn kleed eo op Zijne dij dezen naam geschreven; «Koning der koningen en Heer der heeren* (Openb. 19 vs. 16).

i ; | Dezo Koning nu is van eeuwigheid gezalfd, heeft volgens het besluit Gods in den eeuwigen vrederaad het op Zich genomen, om al den wil Gods tot zaligheid van verlorene zondaren te volbrengen. En toen de volheid des tijds gekomen is, heeft Hij \ervuld alles, wat Mozes en de Profeten van dien raad gesproken hebben. Zoo heeft Hij in de dagen Zijns vleesches op de aarde, hoewel de Koning, door God gezalfd, hier gewandeld niet als Koning, maar in de gestalte van een dienstknecht, in alles afhankelijk van God den Vader, in onze zwakheid en ellende. In dezen lagen stand, waarin Hij Zich gekleed had met ons arme vleesch en bloed, heeft Hij het leven en heil, de gerechtigheid en zaligheid, alles, wat tot het Rijk Gods behoort, en om in dit eeuwig Koninkrijk ons plaats te bereiden, verworven en aangebracht. Door Zijn Woord heeft Hij den raad en het heil Gods geopenbaard, gepredikt, in elk opzicht bekend gemaakt; door Zijn offer der verzoening dien raad vervuld, dat heil teweeggebracht; door heel den arbeid Zijner ziel, ééno daad van gehoorzaamheid aan den wil Gods Zijns Vaders, alles volbracht, wat er naar eeuwige gerechtigheid moest geschieden. Door Zijn verzoenend leven, lijden en sterven heeft Hij de heerschappij der zonde en des duivels te niet gemaakt, en de heerschappij van God, van Zijne genade en gerechtigheid hersteld en opg-^richt. Alzoo staat in Hem, Die leeft, en Die dood is geweest, en zie, levend is in alle eeuwigheid, en de sleutels heeft der hel en des doods, — in Hem staat Sion, de berg van Gods heiligheid, in al de heerlijkheid, schoonheid en volmaaktheid des Heeren voor Gods aangezicht. Hem ter eere en den burgers van Sion tot eeuwige zaligheid. Zoo is Sion gebouwd op eeuwige grondslagen, die gelegd zijn in den eeuwigen vrederaad en bevestigd in het bloed des Verbonds ïhet bloed van Jezus Christus, den Zoon Gods, dat ons reinigt van alle zonde.*

. En nu door God uitermate verhoogd, gezeten aan Zijne rechterhand, regeert de Vader alle dingen door Hem, en voert Hij het bevel en de heerschappij over Sign. Hij zit met Zijnen Vader in Zijnen Troon als Koning over heel de schepping, en heeft Zijne hand in alle wereld-gebeurtenissen; de oorlogen en de vrede, de vorsten en volken hangen alléén van Hem af. Doch inzonderheid is Hij de Koning van Sion's burgers, die Zijn bijzonder eigendom zijn, die Hij beschut en behoudt bij de verlossing, waarmede Hij hen verlost heeft. En op welke wijze regeert Hij hen? Hij

En op welke wijze regeert Hij hen? Hij regeert hen met Zijn Woord en Zijnen Geest. Daarmede handhaaft Hij Zijn Rijk tegenover de leugen en de ongerechtigheid, tegen elke verderfsmacht. Met Zijn Geest en Woord vergadert, beschermt en onderhoudt Hij Zijne gemeente, de uitverkorenen ten eeuwigen leven uit alle volken der aarde, zoodat ook vijanden van Sion, door Zijn almachtige en genadige hand vürbiijzeld, er burgers worden. O, des Konii.gs pijlen treilen in het hart Zijner vijanden, zoodat zij doodelijk gewond ter aarde vallen, en Hem om genade smeeken. En wederom: zij, die Zijne en Zijner gemeente vijanden hieven, die voortgaan in hun haal tegen Koning Jezus en Zijne oi.derdanen te woeden, — dezen houdt Hij zóó in toom, dat zij wel woelen en kwellen kunnen, maar in eeuwigheid niet schaden of verderven kunnen alwat in Sion geboren is Hij omringt Zijne onderdanen voortdurend met Zijne genade en trouw, met Zijne macht en majesteit, opdat zij zich in Hem verlustigen als hun goedertieren Koning, Die al hun nooden en ellenden kent, en koninklijk voor hen zorgt, gp nooit laat varen het work Zijner handen. Voorwaar, Sions Koning helpt Zijne ellendigen heerlijk, draagt hen door dit moeilpvolle leven veilig heen; en als zij Gods raad hierbeneden vervuld hebben, neemt Hij hen op in Zijne heeriijkheid.

Wèl ons met dezen Koning I Ach, zonder Hem waren en bleven wij een buit van zonde, dood en hel. Ach, hoe 'benauwend kan het er naar het zichtbare voor ons die in Zijnen dienst zijn, uitzien. Onze doodvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vleesch houden niet op ons aan te vechten. De strijd is vaak zoo batig, dat wij denken: Nog éen slag en wij zijn verloren. Ach, wat zouden wij arme, zwakke menschen, zonder dezen Koning beginnen! ... Maar, Goddank, Hij w er deze Koning, Hij leeft en kent degenen, die Zijne zijn. Zijn Woord luidt: «Mijne goedertierenheid zal van U niet wijken. Vreest nieti Ik ben met u. Ik zal u niet begeven. Ik zal u niet verlaten.

jZijn kerk, gevestigd in Zijn bloed. Zal voor geen vijand bukken; Geen list, geen macht, hoe fel zij woedt, Zal z' ooit aan Hem ontrukken.»

De Heere Christus ia Koning; niet een Koning naar verkiezing van menseben. Och »weg met Hem, kruis Hem*! zóó heeft het volk geroepen, toen Pilatus oordeelde, dat Hij kon losgelaten worden. (Hand. 3 vs. 13). En nog spreekt de men.sch naar zijn aard: sWij willen niet, dat Hij Koning over ons zij.« Koning is Hij naar Gods raad en bestel. »Ik toch«., spreekt de Heere ïheb Mijnen Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.* Van eeuwigheid verordineerd en in den tyd geopenbaard en gezonden tol den Verlosser en Zaligmaker eener verlorene wereld, ia Hij in Zijne zalving tot Heere en Koning der Gemeente bevestigd door Zijne opwekking uit de dooden en door Zijne verhooging aan do Rechterhand Gods nZoo wete dan*, sprak Petrus, staande met de elven, op het eerste Christelijke l'mk.sterfeest, »zoo wete dan zekerlijk het gaqsche huis Israels, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, nl. dezen Jezus, dien gij gekruist hebt* (Hand. 2 vs. 36). »Van God gezalfd, van Isrels God tot Koning gegeven*, het wil zeggen, T\at de profeet Daniël van Christus in een gezicht door den Heiligen Geest aanschouwde: ïHem werd gegeven heerschappij en eer en het Koninkrijk: dat alle volken^ natiën en tongen Hem eeren zouden; Zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven wordena (Dan. 7 YS. 14).

Wie dan dezen Koning niet eert, veracht Hem, Die Hem gegeven heeft. En of men zich tot Sion rekent, men zal niet bestaan op den berg van Gods heiligheid. God, de Heere kent geen anderen Koning in Zijn Rijk der waarheid, der gerechtigheid en des vredes, dan Zijnen Christus, geen ander Sion, dan gegrondvest in Zijnen Gezalfde. Voorwaar, vreezen en sidderen moeten allen, die zich tegen den Heere en Zijnen Gezalfde blijven verzetten, zeggende: »Laat ons hunne banden verscheuren en hun touwen van ons werpen. Die in den hemel woont, zal lachen, de Heere zal ze bespotten« (vs. 2—4). Maar niet vreezen behoeft de arme en verslagene van geest, en die voor Gods Woord beeft. Is hij ook menigmaal vol vrees wegens zijne zonden en ellenden, bevindt hij zich ook in zoo grooten nood, dat hij hulpeloos en radeloos terneder zit, nergens uitkomst ziet, — hij vertwijfele nochtans niet. Sions Koning is wonderlijk van raad en machtig van daad. Hij richt do gebogenen op; Hij geneest de gebrokenen van hart. En Hij reikt den scepter Zijner genade toe aan ieder, die h^t in aijne verlorenheid waagt tot Hem te gaan met een »Kom ik om, zoo kom ik om.«:

Of dan ook de vijanden onzer zaligheid in- en uitwendig ons aanvallen en bestrijden, wie op Sions burcht, op den berg van Gods heiligheid zijne toevlucht heeft, — hij is op eene rots gezet, die allen vijanden te hoog is. Het is de Rots der eeuwen, de Rotssteen onzes heils, Jezus Christus de Heere, gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 december 1917

Kerkblaadje | 4 Pagina's

De door God gezalfde Koning over Sion.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 december 1917

Kerkblaadje | 4 Pagina's