Christus' begrafenis en hare beteekenis voor het geloot.
Matth. 27 : 57—66.
Met het heilig Evangelie voor ons open geslagen, richten wij ons oog naar Golgotha. Daar hing onze Heere Jezus Christus de eeuwig gezegende aan het kruis, het hout der vervloeking ; en Hij stierf voor onze zonden. Hij droeg de Wet Zijns Gods, deze Wet: zalig te maken wat verloren was, in Zijn binnenste ingewand. Zóó met Zijne gemeente in de ziel en met den Naam Zijns Vaders op de lippen, boog Hij het hoofd en gaf den geest. Zijn sterven was vrijwillig, was daad. Wat Hij stierf, dat stierf Hij der zonde als Middelaar en Borg der Zijnen. Wat Hij stierf, dat stierf Hij Gode tot genoegdoening der gerechtigheid en tot verheerlijking der Waarheid Gods. In Zijne wonderbare liefde stelde Hij, als de goede Herder, Zijn leven voor de schapen. Gehoorzaam tot in den dood, ja den dood des kruises, zal Hij in Zijn graf de zonden Zijns volks voor eeuwig begraven. Hij gaat dood en hel binnen tot eeuwige verlossing, tot eeuwig leven van allen, die de Vader aan Hem, den Zoon gegeven heeft.
De geschiedenis van Jezus' begrafenis wordt ons door de Evangelisten vermeld en bevat menige heilzame leering. Wegens den naderenden Sabbat drongen de Joden tot het wegnemen van de lichamen dergenen, die gekruisigd waren. De krijgsknechten nu kwamen om naar gewoonte de beenen der kruiselingen te breken, en daardoor een einde aan hun leven te maken. Maar komende tot Jezus, als zij zagen, dat Hij nu gestorven was, zoo braken zij Zijne beenen niet; maar een der krijgsknechten doorstak Zijne zijde met een speer, en terstond kwam daar bloed en water uit. Misdadig doen van dien ruwen soldaat. En wee allen, die in hardnekkig ongeloof den Heere Jezus zullen verworpen iiebbeu! want allen verachters Zijner genade geldt de bedreiging des Heeren, waarvan wij in het Boek des Openb. van Johannes lezen : ,«Ziet, Hij komt met de wolken, en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben.» Welzalig daarentegen, die met Christus door het geloof zijn vereenigd geworden! Uit Zijne wonden komt genezing voor hunne zielen. Het is «de reinigmaking onzer zonden door Zijn bloed en Geest».
Intusschen, geen been wordt den Heere Jezus gebroken. Het geschiedt naar de voorzegging in de Heilige Schrift ; en alzóó wordt ten klaarste bevestigd, dat Hij is het waarachtige Paaschlam, dat geslacht is tot verzoening onzer zonden. Maar «zal nu toch het lichaam van Jezus op smadelijke wijze begraven worden in het graf des midadigers op den kruisheuvel •? Neen, dat zal niet geschieden. Ook deze profetie gaat. in ' vervulling: «Men heeft Zijn graf bij de goddeloozen gesteld, en Hij is bij de rijken in Zijn dood geweest» (Jes. 53). Wel was men van plan Zijn lichaam in den moordenaarskuil te werpen, maar God verhinderde het, O, de Heere God handhaaft in alles Zijn Woord. Niets zal onvervuld blijven van al hetgeen Hij door Zijne profeten gesproken heeft. En voor den Zoon des menschen, Die is de Zoon Gods, is de begrafenis als 't ware «de overgang van de smaadheid des kruises tot de heerlijkheid der opstanding» (Calvijn). De Zoon heeft in Zijn leven den Vader geëerd, de Vader zal den Zoon eereu in Zijn dood, ja weldra Hem in allen deele volkomen verheerlijken.
Wij lezen: «En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathéa, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was; deze kwam tot Pilatus en begeerde het lichaam van Jezus» (vs. 57, 58) Van dezen man bediende de Heere God Zich, opdat Jezus overeenkomstig de voorzegging een rijke en eervolle begrafenis ontving. Van dezen Jozef van Arimathéa liet de Heilige Geest ons door de Evangelisten opteekenen, dat hij was «een eerlijk raadsheer» (Mare. 15), «een goed en rechtvaardig man» (Luc. 23), en «die verwachtende was het Koninkrijk Gods» Mare. 15) een discipel van Jezus, maar bedekt om de vreeze der Joden» (Joh. 19). Hij bezat dus goede eigenschappen, maar dat hij niet was uitgekomen voor den Naam des Heeren, dat was niet prijzenswaardig. Zie, «Zijn goed en rechtschapen zijn» Zijne «eerlijkheid» bestond hierin, dat hij als medelid van het Sanhedrin, niet bewilligd had in der Joden raad en handel tegen Jezus. Van een goed en rechtvaardig zijn als grond waarop hij het Koninkrijk des hemelen kon ingaan is geen sprake. Daarin opgenomen te worden had hij, hoe rechtschapen hij ook overigens was, reeds daardoor verbeurd, dat hij zich den Heere Jezus had geschaamd. Maar de Heere geeft genade én eere aan degenen, die Hij tot Zijn heil geroepen heeft, en verheerlijkt te Zijner tijd in hen Zijne ontferming. Zóó heeft Hij met Jozef van Arimathéa gedaan, en daarom lezen wij dit alles van hem. En wij hebben Gods wonderbare genade te loven. Die dezen verborgen discipel voor den Naam des Heeren deed uitkomen juist op een tijdstip, dat al het zichtbare met de verwachting van liet Koninkrijk Gods scheen te spotten. Terwijl geheel Jeruzalem den Christus Gods had verworpen, en de bekende en liefste discipelen des Heeren van verre bleven staan, verlegen en verslagen, komt deze vreesachtige stoutmoedig voor den dag, met de belijdenis van. den Heere Jezus, Die hem boven alles waard is. Hij «verstoutte zich» om naar den stadhouder te gaan met het verzoek om het lichaam vBn Jezus. Welk een held maakte God van dien zwakke ! nu kent hij geen vrees, vraagt niet naar smaad en schande Of hij ook bedreigd moge worden met verlies van eer en aanzien, van geld en goed, óók van zi.in leven, — dat alles bekommert hem niet, hij waagt het er alles aan, om maar het lichaam van Jezus te hebben en het in een eerlijk graf te leggen.
Dat was Gods werk in hem. Dat werkte in hem het leven van den gestorvenen, nochtans levenden Heiland. Intusschen, Pilatus mag wel verwonderd zijn geweest, toen hij het verzoek van dien aanzienlijken raadsheer vernam. Doch, na eerst zich overtuigd te hebben, dat Jezus gestorven was, maakt hij geene zwarigheid om het verzoek in te willigen. „Toen beval hij" schrijft Mattheus «dat hem het lichaam zou gegeven worden». Marcus schrijft: «Schonk hij Jozef van Arimathéa het lichaam». Waarlijk, het was een koninklijke gift, een vorstelijk geschenk; maar dat was het voor Jozef, niet voor den Stadhouder, die niet wist wat hij weg gaf. O, hoe duidelijk blijkt hier het verschil tusschen den Geest Gods en den geest der wereld. De wereld ziet slechts het uiterlijke aan, vraagt naar aardsche grootheid en pracht. De Geest Gods geeft oogen voor de onrichtbare heerlijkheid, voor de hemelsche schatten. Nu Jozef is ^ewis verblijd geweest, en spoedde zich thans naar den kruisheuvel. Onderweg voegt zich nog een tot hiertoe verborgen gebleven discipel bijjhem. Het wasNicodemus, die «des nachts het eerst tot Jezus gekomen was». In het 3de hoofdstuk van hel Evang. van Joh. lezen wij van hem ; hij was «een uit de Farrizeën, een overste der Joden, een leeraar in Israël». De Heerè Jezus had met hem gesproken over de noodzakelijkheid zijner wedergeboorte, over geloof en bekeering. Dat gesprek, dat onderwijs des Heeren heeft dus goede vruchten bij Nicodemus gedragen; het heeft zich op Gods tijd geopenbaard. Had oók hij zich den Heere geschaamd, nu beleed hij, door den Geest Gods geleerd en geleid, den Zoon Gods als Zijn eeuwig leven. En zoo kwamen die twee, die beiden tevoren zich den Heere Jezus geschaamd hadden, door denzelfden Geest gedreven, in éénheid des geloofs, der hoop en der liefde te zamen, om hun Heer en Heiland teeeren. Of nog andere discipelen, door hun \oorbeeld aangemoedigd, zich bij hen gevoegd hebben, wordt ons wel niet vermeld, maar is waarschijnlijk, althans wij lezen van «sommige vrouwen» die mede gekomen zijn.
Opmerkelijk echter is het, dat de Evangelisten alleen deze twee vroeger zoo vreesachtige mannen en eenige vrouwen noemen. Dat heeft toch beteekenis. Ja, het is de prediking de.s Heiligen Geestes, dat het alléén de Heere is. Die verstand, sterkte en moed geeft, en dat w^ dus nooit op ons goed inzicht, op onze vrijmoedigheid en geestelijke kracht kunnen steunen. Neen, in het Koninkrijk Gods geldt geen menschelijke grootheid en wijsheid, maar God verheerlijkt zich in datgene, wat niets is. Als nu het lichaam van den Heere Jezus van het kruis was afgenomen en] grafwaarts gedragen werd, geschiedde het begraven op de meest eervolle wijze volgens de gewoonte van aanzienlijke Joden. Geen geld werd gespaard. Jozef en Nicodemus droegen daar ook een schat, die niet te vergelijken is met al de schatten der wereld. En al beseften zij dit wel niet ten volle, — de Heilige Geest, de Geest der liefde dreef hen om dien overeenkomstig te handelen. De een bracht een mengsel van mirryhe en alöe, omtrent 100 ponden gewicht, —- een buitengewone kostbare gave. De ander kocht zuiver ^fijn lijnwaad, niet minder kostbaar. Samen kostte het duizenden guldens. En toen hebben zij Jezus' lichaam ontdaan van de kruisnagelen en den doornenkroon, het door de wonden bezoedelde lichaam gewasschen, en daarna in het heldere linnen gewikkeld, en gelegd in het graf, — in een nieuw graf, — hetwelk Jozef in een steenrots uitgehouwen had, in een hof, gelegen in de nabijheid van den kruisheuvel. Het was geen oud, reeds gebruikt graf; neen, er was nog nooit iemand in gelegd geweest!
De Heere God beschikte het alzoo Het graf van den «Heilige Israels» moest een vorstelijk, rein en onbesmet graf wezen. En «nieuw» moest het zijn, ten teeken van het nieuwe leven uit en in Hem. En uitgehouwen in eene steenrots, was ze van alle zijden veilig, de rustplaats van dezen geliefden doode. Die is de eeuwiglevende. Die voor de Zijnen is «een Rotssteen, om daarin te wonen, om geduriglijk daarin te gaan» (Ps. 71 : 3). En nu, nadat Jozef een grooten steen tegen de deur des grafs gewenteld had, ging hij weg. Alles is goed met zorg der liefde volbracht. De discipelen gaan van het graf naar huis, om in stilte te weenen over het gemis van den geliefden Meester. En is er bij al de discipelen — ook die bij de begrafenis niet tegenwoordig mogen geweest zijn, wel donkerheid in de ziel geweest, aanvechting en bestrijding, o niet weinig bij Petrus; bij Jozef en Nicodemus zal het wel niet aan de zelfbeschuldiging ontbroken hebben en hun smart hebben gedaan, dat z\j den Heere Jezus bij Zijn leven onder hen, uit bange, zondige vrees niet geëerd hadden, zooals Hij het zoo waardig is. Maar niemand van hen zal den dierbaren doode ooit kunnen vergeten. Hij is hun toch het Leven geworden. Hoezeer zij ook door alles, wat geschied is, in droefenis en hopeloosheid ter nederzitten, hun hart trekt naar Hem heen, hunne ziel is met Hem vervuld.
Intusschen zijn er van de vrouwen nog in den hof gebleven. Maria Magdalena, uit wie de Heere zeven duivelen had uitgeworpen, en de andere Maria, de moeder van Jacobus en Jozes, zij zitten tegenover het graf. Zij kunnen nog niet heengaan. Ach, hoe diep bedroefd zijn ze I hoe zullen zij ook zonder Hem leven en verheugd zijn 1 — Doch ook zij moeten na^^i" huis. En «wedergekeerd zijnde bereidden zij specerijen en zalven» (Luc. 23 : 56). Die willen zij later nog naar Zijn graf brengen. O, de eene en de andere wilde eer bewijzen aan Hem, over Wiens sterven zij zoo van harte treuren. Wat zij echter daarvoor ook over hadden in oprechte liefde tot den Heere, — het hart, door smart en nood bezwaard, is vervuld van gedachten aan dood en graf. Er is een zien op het graf; en mogen zij ook over dood en graf hebben heen gezien naar Boven, hebben zij ook troost gevonden in de hoop des weerziens op den dag der opstanding des vleesches, wanneer elk graf zijne dooden zal weergeven, — aan de opstanding van Christus ten derden dage denken zij niet, daarvoor zijn zij blind, gelooven die niet.
«En» schrijft Lucas; «op den Sabbat rustten zij naar het gebod».
De Heere Jezus ligt in het graf, en Hij geeft de Zijnen rust. aMaar de goddeloozen, zegt mijn God, hebben geen vredeD. Mo^e ook de Sabbat, de feestdag voor de vrienden des Heeren een stille, droeve dag geweest zijn ; zullen zij geslingerd zijn geworden als tusschen hoop en vrees, door ongeloof en twijfelingen, — zal de duivel niet nagelaten hebben hunne ziel te kwellen, — toch was er een groot verschil tusschen hen en de vijanden des Heeren. Dezen hebben, bij al hun helsche vreugde over den dood des Heeien Jezus, geen rust. Op den Sabbatdag zijn zij, die zoo prat gaan op hun bewaren der Wet, vol van booze werken. Wij lezen vs. 62—65: «Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de O verpriesters en Farizeeën tot Pilatus, zeggende : Heer, wij zijn indachtig, dat deze verleider nog levende, gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik opstaan. Beveel dan, dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat Zijne discipelen misschien niet komen bij nachten Hem stelen en zeggen tot het volk : Hij is opgestaan van de dooden. En zoo zal de laatste dwaling erger zijn dan de eerste».
Nietwaar ? welk een goddeloos verzinnen en doen 11 Maar juist zoo verraden zij zichzelven, dat zij met leugen en bedrog zyn omgegaan, toen zij valsche getuigen tegen den Heere Jezus hebben ingebracht. En in hun verdenken van de discipelen openbaren zij slechts hun eigene huichelarij. En hoe godlasterlijk, dat zij Hem een «verleider» noemen, «Wiens goddelijke kracht en luister nog pas te voren door zoovele wonderen en teekenen krachtig bevestigd waren» (Galvijn). Zoo vol haat en bitterheid zijn zij, dat zij den Heere Jezus nog in Zijn graf verraden. O, het is een echt duivels doen ! ach, de vorst der duisternis kan niet anders dan woeden tegen de waarheid en gerechtigheid Gods. Maar de hel zal niet zegepralen, en al hare dienaars worden te schande. Er staat geschreven: «De Heere vangt de wijzen in hun arglistigheid, dat de raad der verdraaiden gestort worde» (Job 5 : 13) De stadhouder nu stond hun verzoek toe. «Püatus zeide tot hen : Gij hebt eene wacht, gaat heen en verzekert het, gelijk gij het verstaat». Zoo sprak hij spottend met der Joden dwaasheid en nijdigheid. Maar, is het niet alsof wij des Allerhoogsten stem hooren in Zijn toorn over alle verwerpers van deii Heere en Zijn Gezalfde zooals de 2de Psalm getuigt: «Die in den hemel woont zal lachen, de Heere zal hen bespotten?! Moest niet hetgeen de Overpriesters en Farizeeërs gedaan hadden, n.1. «dat zij heengaande, het graf verzekerden met de wacht, de deur verzegeld hebbende», juist dienstbaar zijn in de hand des Heeren tot verheerlijking van den Zoon Gods, en den luister Zijner Majesteit verhoogen! Immers, des te glansrijker treedt de zekerheid van Christus' opstanding aan het licht, en hebben de goddeloozen en ongeioovigen des te minder verontschuldiging, als zij zich met eene leugen van hare waarheid trachten af te maken.
O, aanbidden wij Gods raad en voorzienigheid. Het moest alzoo geschieden, opdat het ledig graf des Heeren ten 3den dage Hem verheerlijke als den waarachtigen God en het eeuwige leuen. Geen zware steen, geen verzegeling er van, geen wacht van soldaten konden Hem in het graf houden, Hem, Die dood en graf en hel heeft overwonnen, Die is de Opstanding uit iederen dood voor allen, die in Zijnen Naam gelooven.
«Ik geloof de vergeving der zonden, de opstanding des vleesches en een eeuwig leven», zoo belijdt de gemeente des Heeren. Die weldaden heeft de Heere Christus voor haar verworven.
Hiermede zij gewezen op de beieekenis van Christus' begrafenis voor het geloof.
In een hof, den lusthof Eden stond de eerste Adam, prijkende in de heerlijkheid van Gods beeld. In gemeenschap met Zijn Schepper en Weldoener, den Heere des hemels en der aarde, bezat hij leven en overvloed. Indien hij volhardde in gehoorzaamheid aan het goede gebod, dat hem ten eeuwigen leven gegeven was, dan bleef de zaligheid van het Paradijs zijn deel.
Maar de satan is er tusschen gekomen. Door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid heeft de mensch zich van de goddelijke gaven beroofd. In opstand tegen Zijn Maker, wilde hij meer zijn dan hij was, wilde «als God wezen», en hij stortte zich in naamlooze ellende. De bezoldiging der zonde is de dood. En de zichtbare zijde van dezen dood is deze : dat het pronkstuk van Gods schepping, de schoone mensch, weerkeert tot de aarde, waaruit hij genomen is, uit kracht van het oordeel Gods over den gevallen zondaar: «Stof zijt gij, en tot stof zult gij weder keeren».
En wat den eersten mensch geldt, dat raakt ons allen. Wij heeten en zijn in Zijne gemeenschap, als ons aller hoofd, het hoofd der gevallene menschheid, de oude mensch, de mensch, die voor Gods aangezicht geheel onrein en verdorven is; een buit van dood en graf, epn buit der hel. Wilt gij weten, o mensch, waarop al uw willen en loopen buiten God, uwe wijsheid en kracht, uwe schoonheid en heerlijkheid uitloopt? Aanschouw een ziek- en sterfbed ; zie een doode, een lijk, dat in het graf wordt gelegd; aan ontbinding en verderf overgegeven! Verder f enis,^dail is het schrikkelijk, onzalig einde van den mensch, die eens in zóó groote eer en heerlijkheid was!
Maar, Gode zij eeuwig dank en eere I üp den gedenkdag van 's Heilands dood en begrafenis wordt u verkondigd de blijde boodschap der zaligheid, van eeuwige behoudenis van in zonde en dood verlorene menschenkinderen.
In een hof lag éénmaal, in het stof des doods, in het graf, onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus! Hij, de tweede Adam, de nieuwe Mensch, de Heere uit den hemel, Hij kwam op aarde om Gods heiligen toorn tegen de zonde te dragen, weg te nemen, om de werken der duisternis te verbreken. Geworden uit eene vrouw, geworden onder de Wet, heeft Hij onze zonde en schuld, onzen vloek en onze verdoemenis op Zich genomen. Hij vervult alle gerechtigheid, verzoent ons ongeloof, onzen hoogmoed, onze ongehoorzaamheid. Zelf draagt Hij onze zonden in Zijn lichaam, op het hout, het hout der vervloeking; lijdt en sterft en gaat in het graf, om onze zonden voor eeuwig te begraven! In Zijn vleesch wordt ons vleesch, met al zijne vijandschap en booze lusten, gedood. Het lichaam der zonde van onzen ouden mensch wordt in Zijn graf gelegd. Alzoo met de aarde gelijk gemaakt, is het teniet gedaan!
Verstaat gij het nu, waarom wij in de Heilige Schrift ook op de begrafenis van Christus met allen nadruk gewezen worden ? Zij drukt als 't ware het zegel op de waarachtigheid van Christus' dood als de verzoening onzer zonden, als de betaling onzer schuld, als den dood van onzen dood. Zij verzekert ons, dat bij allen, die in Hem gelooven, niet heerschen zal de zonde, maar de genade, die heerscht door gerechtigheid ten eeuwigen leven. Ons oog richtende op Christus' graf als het graf onzer zonden, troost de Heilige Geest alle naar God bedroefden o.a. met dit woord van den profeet Micha (7:18,19): «Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbij gaat? Hij houdt Zijnen toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid. Hij zal Zich onzer weder ontfermen. Hij zal onze ongerechtigheden dempen ; ja, Gij zult al hunne zonden in de diepste der zee werpen !
Zoo zijn dan al onze zonden en schulden voor eeuwig, eeuwig w-eggedaan ! Voor ons, arme en verlorene zondaren is weer een lusthof bereid : het nieuwe Paradi.js onzes Gods! Ja, dat staat vast, is eeuwig waar voor het geloof. Zoo slaat de zaak bij God in den hemel; wij hebben leven en overvloed in Christus Jezus onzen Heere. •Maar, zegt iemand: «Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit hel lichaam dezes doods?» dat is en blijft toch de klacht des geloovigrn, "zoolang hij hier beneden is? Zeker is dat zoo. De zonde toch, in Christus graf begraven, is niet uit ons weggenomen ; integendeel, zij woelt en tiert in onze leden heel ons leven lang. Het geloof echter doet betuigen : «Ik danke God door Jezus Christus onzen Heere», als ik van hier ga, dan leg, sterf ik de zonde af gelijk ik met Christus haar reeds afgestorven ben In dit aardsche jammerdal houdt de strijd met zonde, dood en duivel niet op. En ofschoon vloek en verdoemenis in Christus Jezus van ons zijn weggenomen, moeten wij toch de uiterlijke gevolgen van onzen afval dragen. Daarom zijn wij aan allerhande ellendigheid van dit tijdelijk leven onderworpen. En éénmaal moeten wij — vroeger of later — sterven. Ons lichaam wordt in het graf gelegd, wij keeren weder tot het stof. Doch, wij gelooven de opstanding des vleesches. Christus is in Zijne begrafenis met de aarde tot één geworden voor ons, opdat wij, wanneer wij tot aarde geworden zijn, evenwel uit de aarde weer opkomen. ^
Zoo zijn dan door Zijn graf onze graven geheiligd; de graven, die anders eene gevangenis des doods zijn, zijn nu stille rustplaatsen voor ons stof tot op den dag der opstanding. Dan krijgt de ziel het lichaam weder. En wij, die in Jezus ontslapen zijn, zullen met lichaam èn ziel de volkomene zaligheid bezitten, welke wij in ons leven op aarde in het geloof deelachtig waren, en die voor onze ziel bij ons sterven begon, als zij werd opgenomen in heerlijkheid.
De beteekenis van Christus begrafenis voor ons geloof, dat is het testament van onzen dierbaren Heiland en Zaligmaker Jezus Christus, Die naar de Schriften gestorven is voor onze zonden, die begraven is en opgewekt ten derden dage. En het feit Zijner verrijzenis uit het graf verkondigt ons luide : Deze ditigen zijn gewisselijk waar. En allen, die zonder Hem niet kunnen leven, die om Zijn gemis treuren, — het moge er bij hen uitzien als de donkerheid van het graf, — o, op het onverwachts, blij verra.-isend, ontvangen zij Zijn Opstandingsgroet : «Vrede zij ulieden ! Ik leef en gij zult leven» !
A. E.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 9 april 1922
Kerkblaadje | 4 Pagina's