Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Op den Hemelvaartsdag.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Op den Hemelvaartsdag.

Luc. 24 : 50 en 51.

11 minuten leestijd

De gedachtenis aan de glorierijke hemelvaart onzes Heeren Jezus Christus is voor alle geloovigen een oorzaak tot blijdschap in den Heiligen Geest, tot loven en danken den Heere.

De discipelen, nadat zij van deze hemelvaart getuigen geweest waren, keerden immers wederom naar Jeruzalem met loven en danken. Door de hemelvaart des Heeren is Zijn koningrijk bevestigd, en de boden des Heeren mochten van nu af roepen tot Zion: Vrees niet, uw God is koning, gij zijt niet meer in de macht des duivels en des doods:

Daarom is ook Zijne kerk gegrond op Zijn werk ; Hij Zelf is de hoeksteen en het fondament tegelijk, en in haar wordt het gepredikt tot zaligheid aan een iegelijk, die daaraan gelooft.

Nu moeten wij echter niet meenen, dat alles reeds voleindigd is. Neen, de kerk is veeleer een huis met twee verdiepingen, de eene is boven in den hemel, de andere is hier op de aarde. Daar boven is reeds alles volkomen ; maar hier op aarde is alles dikwijls overhoop. Daar boven is vrede en rust, hier op de aarde is er strijd en nood. Zóó wil het de Heere hebben, opdat wij des te meer waardeeren, wat Hij (de Heere) ons gegeven heeft.

Wanneer hier op aarde ook onrust, strijd en nood is, zoo heeft ons de Heere nochtans eene gave geschonken, die ons vertroost, en waardoor wij hoop ontvangen. Dat wij de overwinning zullen behalen, dat is 's Heeren zegen. Hij heeft hem ons gegeven, juist toen Hij naar den hemel opvoer. Daarom aanschouwen wij bij Zijne hemelvaart twee wonderen en daden : De voleindigiog van Zijn verlossingswerk, en Zijne zegening.

Wij spreken eerst over de beteekenis der hemelvaart. Wij hebben vernomen, dat de Heere Jesus na Zijne opstanding van de dooden 40 dagen lang aan de discipelen verschenen is, en hen onderwezen heeft in de dingen, die het koningrijk Gods aangaan. Daarna vergaderde Hij hen te Jeruzalem, leidde' hen naar Bethanië, hetwelk een vlek was, gelegen aan den Olijfberg; en Hij gaf hun het Woord en de belofte des Heiligen Geestes en breidde Zijne handen uit om hen te zegenen. Toen kwam eene wolk en nam Hem op in den hemel.

De hemelvaart van Christus hebben wij te beschouwen in verband met Zijn verlossingswerk. Door Zijne mensch-wording kwam Hij op de aarde, door Zijn wandel op de aarde vervulde Hij Zijn proletisch ambt, verkondigende , bekeering en vergeving der zonden. Door Zijnen Naam, door Zijn lijden op^e aarde in't bijzonder aan Zijn einde, vertoonde Hij Zich als Hoogepriester, Die Zijn eigen lichaam ten offer bracht vooralle zonden van Zijn volk; door Zijne opstanding toonde Hij, dat Hij rechtvaardig was en geen zondaar, en dat in Hem ook allen rechtvaardig zijn en leven, die in Hem gelooven. Doordat Hij opgenomen werd in den hemel, heeft de Vader verklaard, dat Hij Zijne offerande aangenomen heeft, en dat dus alles in Hem voleindigd is. Zoo is dan in de hemelvaart de gewisheid gelegen, dat wij, die in Hem gelooven, niet in de hel nederstorten, maar genade vinden in 's Heeren oogen, en dat Hij ons vaderland in den hemel gereed gemaakt heeft, gelijk Hij gezegd heeft. Joh. 14, 26 : Ik ga heen om u plaats te bereiden.

Bovendien is Hij gezeten ter rechterhand Gods en bidt altijd voor ons, pleitende op Zijn verg.)ten bloed, dat ons de Vader alle zonden vergeve en ons dit hemelsche Vaderland schenke.

Daarom zegt ook onze Catechismus, (Gat. Z. 18, vr. 49) dat wij Zijn vleesch in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij ons, Zijne lidmaten, tot Zich zal nemen. Dus is het hemelsche huis gereed, de bovenverdieping, waarvan wij gesproken hebben. Het is de hemelsche, onverderfelijke, onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die ons in den hemel bewaard wordt. (I Petr. 1, 4.) En allen die in dit aardsche leven in Jesus gelooven, maar te strijden hebben met hunne zonde, die in hen woont, met den duivel en de wereld, die hier alles overhoop zien, die dikwijls moedeloos worden, die ook met krankheid en den dood te doen hebben, en de hope haast niet kunnen vasthouden, mogen moed vatten. Hier boven is er geen zonde, geen duivel, geen schuld noch beschuldiging, geen gekrijt, noch tranen meer. Hier boven is er vrede en rust en zaligheid ; men looft den Heere en zingt Hem eeuwiglijk dankliederen. O, welk een geluk na al dat leed van deze aarde; hoe verlangen mijne nieren zeer in mijnen schoot, om Hem te zien en te loven!

Deze hoop der eeuwige gerechtigheid en des levens heeft de Heere den zijnen geschonken. Daarom moet er overal gepredikt worden : bekeert u toch tot Hem 1 Want dat alles moet de mensch missen, die niet in Hem is noch in Hem gelooft. Denkt niet, dat gij die [zaligheid beërven zult; gij, die Hem verwerpt, en hunkert naar den disch van het Egypte der wereld. Weet, dat 'gij den Heere tergt, die u evenals Israël van uwe vroege jeugd af, wil tot Zich trekken en u vermaant, vroeg op zijnde en Zijne boden tot u zendende : laat u met Mij verzoenen, en Ik zal u van uwe afkeerigheden genezen. Wat zal het u eens spijten, als gij eens sterft en in de eeuwigheid ontwaakt! Gij hebt hier gedacht: ik ben zulk een groot zondaar niet; of gij meent, dat uwe afkeerigheid van 's Heeren woord geen zonde was, of gij hebt uwe bekeering telkens en telkens uitgesteld en u met eigene gedachten gerust gesteld. Of gij hebt u zelven vroom gemaakt en verbeeld, bekeerd te zijn, maar gij hebt nooit recht gevoeld, wat zonde is. O, hoe verdwijnen al deze huizen en lucht kasteelen, wanneer de naakte werkelijkheid u onder de oogen komt. En o, als het te laat is, als de hel hare deur open doet, om u te ontvangen in hare eeuwig durende vlammen! En welk een spijt, als gij de arme Lazarussen, die u de waarheid gezegd hebben, maar die door u met haat bejpgend werden, gelukzalig in Abrahams schoot ziet. Daarom zij dit Evangelie van 's Heeren hemelvaart u van nieuws eene vermaning, om te keeren van uwen boozen weg, en u neder te werpen voor den Heere Jezus, dien gij gedurig doodt met uwe ongehoorzaamheid.

Intusschen, hoewel degenen, die des Heeren zijn, eene blijde hoop hebben, om eens in den hemel te komen, zoo wordt het hun toch zeer zwaar hier op de aarde. Opdat zij nu hun hoop niet zouden verliezen, maar bij den Heere blijven, heeft de Heere hen gezegend. Hij breidde de handen over de discipelen, hetgeen het teeken der zegening is; want daardoor heeft Hij als het ware zijne zegening op hen gelegd.

Wat is «zegening» ? Wanneer de Heere ons zegent, spreekt Hij het over ons uit, dat het ons wel zal gaan. Zegenen is het tegenovergestelde van vervloeken; want wien de Heere vervloekt, van dien zegt Hij, dat het hem kwalijk zal gaan, dat Zijn zwaar oordeel over hem uitgesproken is, en dat hij in het aardsche leven geen voorspoed zal hebben, en ook in de eeuwigheid niet zalig maar rampzalig zal wezen. Wat hebben wij allen nu verdiend, den zegen des Heeren of den vloek? Den vloek, want wij zijn allen van den Heere afgeweken, tezamen zijn wij onnut geworden. Wij hebben alle geboden Gods overtreden en zijn dus schuldig. De Heere had toch gezegd : vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet, omdat te doen. Wij weten ook, dat sedert Adams val God de Heere den aardbodem vervloekt heeft. Distelen en doornen zal hij ons voortbrengen. En hoe zuchtten de oudvaders daaronder, daar Lamech zeide toen Noach geboren werd : deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de Heere vervloekt heeft, Gen. 3, 29. Zoo heeft een ieder zijn nood, zijne ziekten, zijne moeite en arbeid, en niemand is er, die den vloek van ons weg neemt. Wie de afgoden der wereld dient, gevoelt hem wel niet, totdat de straf komt; maar wie den Heere toebehoort, gevoelt hem wel, hij verschrikt, hij beeft door 's Heeren woord. Ja zelfs als Hij hem komt verlossen, meent hij, dat Hij den vloek over hem brengt. Zóó de herders in de velden van Bethlehem. De mensch kan den hemel niet verdragen; hij kent zich onrein, een zondaar, en hij meent, dat de Heere met hem niets anders kan te doen hebben, dan den vloek en de straf zijner zonde over hem te brengen. En hij is ook schuldig, hij heeft Gods toorn en ongenade verdiend. Maar nu heeft de Heere eene eeuwige verzoening aangebracht; Hij gaat naar den hemel, en daar is geen vloek, geen toorn meer, maar louter genade. Wat hier boven waar is, daarvan deelt Hij ons daar Zijne zegening mede, opdat wij vertroost worden. Daarom zegende Hij Zijne discipelen en in hen ook allen, die door hun woord in Hem gelooven. Zijne zegening gaat over de geheele kerk, over oud en jong, over allen, die Hem toebehooren.

Deze zegening hebben wij wel is waar niet verdiend, zelfs de discipelen niet Wij mogen hen wel heilige Apostelen noemen, maar zondaars waren ook zij. De Heere had hen na Zijne opstanding bestraft wegens de hardigheid hunner harten. Nog kort voor dat Hij ten hemel voer, toonden zij hun onverstand. Nochtans zegende Hij hen, omdat hunne namen in de hemelen aangeschreven staan. Alzoo, indien wij de zegening des Heeren deelachtig zijn, zoo hebben wij ze volstrekt niet verdiend ; wij toonen nog veel meer hardigheid des harten en onverstand dan de Apostelen. Het goede te doen, vinden wij niet.

Des te meer blinkt hier de trouw en liefde des Heeren uit, dat Hij al onze zonden bedekt met Zijn lijden en sterven. En waarin bestaat Zijn zegen? Hoe zal het ons kunnen welgaan ? Daarin, dat de Heere met ons is, dat Hij ons behoedt, dat Hij Zijnen Geest over ons zendt. Zijn aangezicht over ons laat lichten, dat Hij ons genadig is en ons vrede geeft in onze arme verscheurde harten. Is de Heere met ons, dan zal het ons aan niets ontbreken, noch aan brood noch aan kleeding, noch aan de penningen, die wij noodig hebben. Wij mogen op deze aarde arm zijn. Hij zorgt voor ons, de wereld en het vrome vleesch mogen ons van onze aanstelling berooven, of alle mogelijke hinderpalen in den weg leggen, de Heere zal nochtans met ons zijn, en ons weder eene uitkomst geven. Het zal daarmee gaan, als toen Israël het land Kanaan innam: hoe meer tegenstand de Kananieten boden, des te meer werden zij verslagen. Ook zal de Heere ons uit duizend nooden, verlegenheden en krankheden verlossen.

De Heere is met ons met Zijn Geest en genade, en schenkt ons het geloof; en dat hebben wij vooral noodig, om getroost te worden in onze aanvechtingen, wanneer wij onze zonden gevoelen ; want dan mogen wij zeggen : Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het. Die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt ? Christus is het. Die gestorven is, ja wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ter rechterhand Gods is. Die ook voor ons bidt. Diezelfde Geest leidt ons in alle waarheid ; Hij geeft ons de goede werken en den wandel, en weten wij niet, wat wij moeten spreken, Hij geeft het ons in dezelfde ure. Hij leert ons zoeken wat boven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods ; Hij verwekt in ons de verwachting van onzen Zaligmaker, dat wij zeggen: Kom haastelijk, Heere! Zoo is Hij ook het pand van Gods genade en door Hem laat God Zijn aangezicht over ons lichten, dat wij bij alle tranen en nooden nochtans goedsmoeds worden en onze zielen zelfs in den dood in Zijne handen bevelen. Eindelijk geeft Hij ons vrede in het hart, dat wij gevoelen, dat we met Hem verzoend zijn, en dat geene zonde ons meer scheidt van Hem.

Al deze dingen zijn in den zegen des Heeren opgesloten ; en daarmee zond Hij Zijne discipelen en zendt Hij ook ons in eene wereld, waar de zonde woont. Het schijnt nu, dat waar de Heere de Zijnen heen zendt, er nog veel meer onrust en zonde en strijd ontstaat, dan er reeds is. Maar wij hebben ons niet te verwonderen ; want de geheele macht des duisternis staat op, waar het Licht komt. Duivel en dood verteren onze lichamen ; menschen zeggen: weg met hen I De Heere geeft echter volharding door Zijnen zegen en de overwinning. Hij is de doorbreker onzer banden ; Hij strijdt voor ons en zal ook zegepralen. Dat wij dus stil zijn en onze oogen in allen nood opheffen tot Hem, Die in den hemel zit! Amen. G. W. L. f

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 mei 1923

Kerkblaadje | 4 Pagina's

Op den Hemelvaartsdag.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 mei 1923

Kerkblaadje | 4 Pagina's