De verloochening van Petrus.
Lucas 22 vs. 54—62
II.
Petrus stort zich in den afgrond. En zoo dat geschiedt aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden ? De hel lacht, de macht der duisternis triumfeert. Den Heere Jezus boort het door 't hart, al wist hij tevoren, dat het geschieden zou. Uw beste discipel verloochent U! Waarom laat gij niet los? Wat bemoeit gij u nog met die menschen I Het is toch alles verloren. Is het alles verloren? Verneemt bet, die hier de hand op den mond moet leggen, die moet erkennen '• Petrus driemaal, ik hoe menigmaal! Hoe menigmaal heb ik mij den Naam des geschaamd ! Ja, hoe heb ik Hem getergd in mijn hoogmoed, en mij niet onderworpen aan Zijn getuigenis! Ik ben verloren!
Verneemt, wat er gebeurt. De afgrond zou Petrus verslinden, maar de Heere riep Zijn: tot hiertoe en niet verder! Hij deed het op tweeërlei wijze. Vooreerst door den haan, het redelooze dier. De haan kraaide. Dat was eane ontzaglijke prediking : Wie heeft nu gelijk. Petrus? Wie sprak de waarheid ? De Heere. of gij ? O, ontwaak uit uwen slaap en droom, waarin gij meent, dat het met u niet zoo slecht staat, dat gij zooiets nooit doen zoudt! Ontwaak, en zie, in welken afgrond gij u stort.
En nog iets anders. Dat is een van die bijzonderheden van Lucas den medicijnmeester, die er ook een oog voor had, welke medicijn er noodig is voor doodkranke zielen.
En Jezus, Zich omkeerende — en hoe lezen wij nu? Hier moest slaan naar alle recht: wendde zich van Petrus af! Ja, zoo denkt de mensch in zijn hoogmoed, als hij een ander ziet vallen en liggen in zonde en dood : Nu moet God Zich ook van hem afwenden. En men kan boos zijn, als aan zulken ontferming gepredikt wordt, totdat God ons zelf/verbrijzelt en tot verloren zondaren maakt, die niets meer hebben — ja dan, dan zou men willen hooren, hoe hier de Heere Jezus met dezen Petrus gedaan heeft.
Verneemt het, hier staat: En Jezus, Zich omkeerende, zag Petrus aan. Lezen wij goed ? Ja, zoo staat er ! We lezen het, we lezen er over heen. Maar wie zijne zonde heeft leeren kennen, wie heeft leeren kennen, welk een gruwelijk, verachtelijk voorwerp hij is in de oogen des Heeren, die verwondert zich met eeuwige verwondering, die kan het niet gelooven, en toch is het eeuwige waarheid : En Jezus, Zich omkeerende, zag Petrus aan.
Ja, zoo sprak eenmaal Hagar; Gij God des aanziens, heb ik ook bier gezien naar Dien, Die mij aanziet? Wij zagen niet naar Hem, wij vloden Zijn aangezicht. Wij verloochenen Hem, wij storten ons in (ie hel, als 't kon — luaar deze eeuwige, verwonderlijke liefde! Hij denkt niet aan hetgeen Hem aangedaan wordt ;de valsche getuigen spreken tegen Hem, de Overpriesters beschuldigen Hem van godslastering, men bespot Hem, men slaat Hem, men spuwt Hem in het aangezicht, en zijn meestbekende discipel doet Hem de grootste schande aan; maar Hij, 'in plaats van Zich voor eeuwig van dezen discipel terug te trekken. Hij keert om en ziet hem aan. Deze blik der eeuwige ontfermingen ! Deze blik, die tot in de ziel boort, bestraft, werpt terneer in den den diepsten afgrond. Voor dezen bhk is niets bestand, niets! Voor dezen blik versmelt alles; niets zijn wij met al onze aanmatigingen en beweringen; hij dringt door alles heen : Wie heeft gelijk o mensch, gij of ik? Wat zijt gij nu? En toch, het is zulk eene ontferming, zulk eene innerlijke barmhartigheid. Ja, hier is het: van onderen eeuwige armen (Deut. 33 vs. 27). Hl], Die Zelf voor de schuld lijdt, op Wien alle ongerechtigheden aanloopen als een stroom. Hij komt met een machtige, overwinnende, verzoenende liefde. Alleduivelen zeggen : hij is verloren Al wie rechtvaardig en vroom is in eigen oog, zegt: hij is verloren. De Heere laat Zich niet terughouden. Hij ziet den zondaar aan, en daar is iets in, dat met almachtige kracht den zondaar terughoudt van het verderf.
Wat is het geweest, dat Petrus verhinderde om nu te doen als Judas, om in wilde vaart, in vreeselijken wanhoop, weg te gaan, te schreeuwen, zich de haren uit te trekken, zich op te hangen, voor eeuwig verloren te gaan ? Hijzelf was bezig zich in de hel te storten, aan hem lag het niet, maar het is de eeuwige liefde! Het is die grondelooze ontferming! Het is de macht der genade des Heeren alléén.
Die redt hem, maar hoe? Was het nu: o, de Heere heeft mij aangezien, het is vergeven, ik ben het kwijt? Neen, dat gaat niet zoo bij den oprechte. Nadat David het Woord ontvangen had: de Heere heeft uwe zonden van u weggenomen, gij zult niet sterven — daarna kwam het eerst, het geween, de droefenis, de 51ste Psalm.
En nu juist, nu Petrus dien blik heeft ontvangen, nu gaat het eerst met hem in de diepte van nood en verbrijzeling, en hij gaat naar buiten, en weent bitterlijk!
Was het dan alleen de zonde van nu? Neen, wij lezen : Petrus werd indachtig het Woord, dat de Heere tot hem gesproken had. Dit was het, dat hij den Heere niet had willen gelooven, dat hij zich had gehandhaafd tegen des Heeren getuigenis, en zóó was het zoover gekomen, dat hij den Heere in het openbaar, tot driemaal toe, schande had aangedaan. Hem had verloochend. Het was niet om de straf, niet om de schande, niet: Had ik dit maar niet gedaan — maar het was om der zonde wil, om d* moederzonde, het ongeloof. En toch in dit weenen openbaart zich zijn geloof, en straks zal het wel doorbreken. De Heere had immers gezegd : Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude.
Hoe staat het met ons? Er zullen in deze dagen weder velen belijdenis afleggen. In de kerk gaat dat. Dat is zoo de vorm. Maar in het leven! Wie Mij belijden zal voor de menschen, zal Ik belijden voor mijnen Vader. Waar blijven wij met onze belijdenis ? Hoe dikwijls is ze verloochend ? Op zulk een dag heeft men wel soms eene zekere ontroering, goede voornemens. Velen dat niet eens, ze vragen maar naar de wereld! Maar hoe staan wij eronder? Laten wij het niet zoo licht opnemen; dat Woord des Heeren is waar, daarnaar zullen wij geoordeeld worden. De tijden zijn ernstig. Wie weet, er kan nog wel eens meer aan verbonden zijn om den Naam des Heeren te belijden. Als de Naam des Heeren wordt aangetast! Een hond blaft als zijn meester wordt aangerand, en wij'?
Waar moet dat heen ? Als de Heere Zich onzer schaamt, wat dan ? Laten we ons toch niet met Petrus' voorbeeld geruststellen en denken: Die kwam terecht, met mij zal 't ook wel gaan. Ja, hij heeft het gedaan, en nog eens later zich met valsche schaam te teruggetrokken van de geloovigen uit de Heidenen, maar het is door diepe wegen gegaan, en hij heeft straks dien Naam leeren belijden vóór den Joodschen Raad, die macht had hem te dooden, en is later den marteldood gestorven, den dood voor het getuigenis van Christus.
Maar het komt op ons aan. Den Heere verloochenen is eene gruwelijke zonde. Maar wat nog dieper gaat, wat er achter is, dat is dat handhaven van ons zelf tegen den Heere, dat denken : Ik ben nu bekeerd, nu zal ik wel blijven staan, nu ben ik iets. Dat we dit toch eerst leeren: Ik ben niets, met mij is het uit.
Is er raad, is er troost, is er uitkomst voor die dan aldus terneer ligt, die het geheim van den Heiligen Doop moet aanvaarden ; ik ben onrein door en door, ik heb den eeuwigen dood verdiend? Ja, er is nog raad en uitkomst! Er is nog behoudenis. Daar komt de Heere met de macht Zijner ontferming. Daar komt Hij met Zijn blik. Hij ziet neer op zulk een zondaar. Hij wendt Zich niet van hem af. Hij zendt tot hem het Woord der ontferming, het Woord dat terneerslaat en doodt, dat uit den afgrond optrekt en levend maakt. Het is het Woord van Christus, Die gekruist en uit de dooden opgewekt is. Dat hebben wij Hem aangedaan, en zóó leed Hij voor ons.
Ja, de Heere geeft uilkomst. Hij ziet naar zulken om. Al juicht de hel, vertwijfel niet De Heere schelde u gij satan! Is deze niet een brand uit het vuur gerukt ? Daar is eeuwig behoud En zóó leeren we ook Zijn Naam belijden. Hem verheerlijken.
L.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 3 maart 1929
Kerkblaadje | 4 Pagina's