Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Om de eere gods in het publieke leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Om de eere gods in het publieke leven

22 minuten leestijd


Bij het voorgelezen hoofdsfui< (Il Kron. 17) w^erd mijn aandacht bijzonder bepaald, toen in de laatste dagen verschillende gedachten mijn hoofd en hart vervulden.

De gedenkdag der Kerkhervorming ligt reeds weer enkele weken achter ons. De dag, die ons opnieuw herinnerde aan de groote daden Gods in het verleden; daden, die nog heden voor ons van groote beteekenis zijn.- Omdat onze Kerkeraad bij die gelegenheid een aparte godsdienstoefening heeft doen houden, kan het nu onze bedoeling niet zijn, ons daar vanmorgen opzettelijk in te verdiepen. Toch is dit niet een beletsel, om u een enkel stuk in herinnering te brengen.

De beteekenis van de groote beweging, die wij Kerkhervorming noemen, wordt nog altijd niet recht verstaan door zoovelen, die er den juisten blik op missen. Ik denk in de eerste plaats aan de Roomsche kerk, die de Hervorming steeds oorstelt als een beweging om de vrijheid te verkrijgen tot een leven, waarin van geen enkelen band sprake is; tot een leven naar eigen lusten begeerte; een leven van eten en drinken en vroolijk zijn. Maar ik denk ook aan zoovelen, die zich Protestanten noemen, en die in de Hervorming niet anders zien dan een beweging, die vrijheid van geweten gebracht heeft, en wel in dezen zin, dat de wettige voortzetting van deze beweging gevonden wordt bij hen, die van geen gezag der Heilige Schrift willen weten en zich alleen willen richten naar wat in hun eigen binnenste aangaande God en goddelijke dingen leeft.

Dat is een groot misverstand. Bij de Hervorming ging het niet om een vrijheid, die met bandeloosheid gelijk staat. Evenmin stond de Hervorming boven de Schrift, 't Is juist de in de Schrift neergelegde waarheid, die de harten getroffen heeft, zoodat het den mannen der Hervorming om deze vragen gegaan is : hoe zal ik rechtvaardig voor God zijn ? én : hoe zal ik naar Zijn wil leven ? Daarom is het ook den waren kinderen der Hervorming steeds te doen om een leven naar Gods wil en niet naar eigen lust en inzicht. En juist in dit opzicht is ons texthoofdstuk van groote beteekenis. Het teekent ons Koningjosafat van juda als iemand, die leefde naar 's Heeren wil. Daarop heeft ook betrekking wat onze text zegt: „En zijn hart verhief zich in de wegen des Heeien."

Dat ziet er op het eerste gehoor wel wat vreemd uit. Wij denken immers aan opkomenden hoogmoed, als er sprake is van een zich verheffen des harten. Maar wij begrijpen ook wel uit hetgeen dit hoofdstuk ons bericht, dat het hier in het geheel niet over hoogmoed gaat. De uitdrukking: „zijn hart verhief zich" wordt nader bepaald door : „in de wegen des Heeren". Wij zouden t ook zoo kunnen zeggen : hij ging hooger óp in de wegen des Heeren, hij ging met betrekking tot de wegen des Heeren nog verder dan wat tevoren vermeld is. De verklaring daarvan ligt in hetgeen in de tweede helft van ons textvers volgt: „en hij nam verder de hoogten en de bosschen uit Juda weg." Josafat onderscheidde zich niet alleen door persoonlijke godsvrucht,

maar hij trad ook in het openbare leven op in het belang van die godsvrucht. Zoo staat hij dan vóór ons als een man, die den wil Gods hooghoudt, en zich zoowel in zij,n particulier als in zijn ambtelijk leven in de wegen des Heeren beweegt. En zoo willen wij hem dan vanmorgen gadeslaan, terwijl wij met toepassing op onszelf overdenken, I II III hoe Josafat in zijn persoonlijk leven was, hoe Josafat als koning handelde, en welke vrucht dit voor zijn volk droeg.

I Als wij willen weten, hoe Josafat in zijn persoonlijk leven was, dan hebben wij slechts te letten op hetgeen de Kroniekschrijver ons in vs. 3 en 4 bericht: „En de Heere was met Josafat; want hij wandelde in de vorige wegen van zijn vader David, en zocht de Baals niet; maar hij zocht den God zijns vaders, en wandelde in Zijn geboden, en niet naar het doen van Israël".

Een schoon getuigenis, nietwaar ? Welk een voorrecht voor een volk, zulk een vorst of vorstin te bezitten, die ^voor zichzelf niet den dienst der wereld, ook niet den godsdienst der wereld, verkiest, maar wandelt in de vreeze Gods. Wij spraken daar van den godsdienst der wereld.

Want ook de wereld houdt er zoo haar eigen godsdienst op na. Zoowel heden als in lang vervlogen eeuwen. Duidelijk is dit te zien aan Israël, het Rijk der Tien Stammen. Israël had zich — ongetwijfeld naar Gods bestel, als gericht over Davids huis vanwege Salomo's afwijkingen, maar toch ook naar eigen wil — van Rehabeam losgescheurd en Jerobeam koning gemaakt. Een daad, die verder strekkende gevolgen had dan zij zelf wel bevroedden, omdat zij méér deden dan zich losmaken van een persoon of zelfs van een koningsgeslacht. Als zij geen deel wilden hebben aan David, hadden zij óók geen deel aan de beloften, door den Heere aan David geschonken, waarvan de groote Davidszoon, de Christus, het middelpunt vormde. Zóóver waren hun gedachten natuurlijk niet ge

Zóóver waren hun gedachten natuurlijk niet gegaan, omdat het bij hen in dit opzicht niet zoo heel diep zat. Anders zou Jerobeam hen ook niet zoo gemakkelijk meegekregen hebben op de wegen, die hij weldra insloeg. Uit vrees, dat zijn onderdanen op den duur weer naar Davids huis zouden getrokken worden, als zij driemaal 's jaars opgingen naar Jerusalems tempel, ging hij een aparten eeredienst inrichten voor de bewoners van zijn rijk, n.1. den kalverendienst te Dan en Bethel. Het volk liet zich misleiden en volgde zijn pas gekroonden koning op dien heilloozen weg. En het ging van kwaad tot erger. De kalverendienst werd nog beschouwd als dienst

De kalverendienst werd nog beschouwd als dienst des Heeren. Maar in den loop der jaren kwam daar de dienst van Baal bij ; van Baal, den afgod uit Fenicië, den god, aan wien men alle vruchtbaarheid toeschreef. De afgoderij was in Josafats dagen in Israël in vollen gang; we behoeven slechts de namen van Achab en Izebel te noemen, die er honderden priesters en profeten van Baal op na hielden.

Met dat doen van Israël had Josafat geen gemeenschap. Hij wandelde in de eerste wegen van zijn vader David ; wegen van godsvrucht, die David bewandeld had, toen hij met zijn gansche hart aan den Heere hing en naar Zijn geboden leefde. Josafat dacht aan geen Baals, maar hij zocht den God zijns vaders — om het even, of hier Asa of David bedoeld is, — naar dien God strekte zijn ziel zich uit, in Hem vond hij al zijn vermaak. En hij wandelde in Diens geboden, overeenkomstig 's Heeren Wet.

Het spreekt wel vanzelf. Gemeente! dat dit alles Josafat niet aangewaaid was. Josafat is niet als een wonderkind ter wereld gekomen, maar als een gewoon mensch. Ook hij is in zonde ontvangen en geboren ; ook hij was onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad. Maar daar is in zijn leven ingegrepen. Al kennen wij de bijzonderheden niet, hierop komt het aan, dat hij den levenden God heeft leeren kennen. Opmerking verdient hier de uitdrukking : „den God zijns vaders". Dien God heeft hij gezocht, naar dien God begeerte ontvangen. Hij heeft dus geweten, wat die God voor zijn vader was, hetzij dan Asa, hetzij David. Hij heeft dus van dien God gehoord, m.a.w. hij is opgevoed in de vreeze des Heeren, en die opvoeding heeft bij hem vrucht gedragen. Natuurlijk door de werking van den Geest des Heeren, die deze opvoeding vruchtbaar maakte en het hart van Josafat bewogen heeft. Maar de opvoeding is toch middel geweest,

om hem zoover te brengen. Een heerlijke bemoediging en een aansporing tevens voor alle/ ouders, om hun kinderen toch vroeg bekend te* maken met dien God, die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft. Josafat heeft dien God liefgekregen, in Diens gemeenschap zijn leven gezocht, en daarom ook gewandeld in Zijn geboden. In zijn persoonlijk leven ging hij zijn volk voor in de vreeze des Heeren.

Hier komen wij allen voor een ernstige vraag te staan, n.1. of dat ook van ons gezegd kan worden, of ook wij den God onzer vaderen zoeken en in Zijn geboden wandelen.

Laten wij ons van deze vraag niet afmaken onder het één of ander voorwendsel, want het is een belangrijke vraag, ja de belangrijkste van heel ons leven. Wel en wee hangt daarvan af voor jong en oud, voor aanzienlijk en gering. Het komt er niet op aan, wat wij in deze wereld zijn, wat wij in deze wereld hebben, wat wij in deze wereld vermogen, maar het komt aan op onze verhouding tot den Heere, op de vreeze des Heeren en het wandelen in Zijn geboden.

Misschien zijn wij wel aanstonds bereid, de ge-T stelde vraag bevestigend te beantwoorden. Menigeen is al heel spoedig tevreden, zelfs met bidden en danken, alsof dat op zichzelf reeds bewijs was van ware vreeze Gods ! Zeker, wie God vreest, kan gebed noch dankzegging missen; maar daaruit volgt niet, dat wie bidt en dankt den Heere in waarheid vreest! Hoevelen zijn er niet, wier gansche godsdienst daarin bestaat, dat zij bij opstaan en naar bed gaan, evenals bij de maaltijden, bidden en danken, terwijl zij overigens leven naar eigen lust, zonder den minsten ernst. Neen, aan de ware godsvrucht zit heel wat meer vast. Opmerkelijk is hetgeen in vs. 16 van één der oversten van Josafat gezegd wordt, n.1. van Amasia, den zoon van Zichri : „die zich vrijwillig den Heere overgegeven had." Daar hebt ge in een anderen vorm gekleed dezelfde zaak als bij Josafat: het gaat om de volkomen overgave aan den Heere, om de toewijding van hart en leven aan Hem, zoodat er slechts één is, die in ons leven alles te zeggen heeft, n.1. de Heere. Als wij hieraan denken, dan zijn wij met de beantwoording van deze vraag maar niet zoo aanstonds klaar. „Den Heere zoeken", dat is niet: zoo af en toe eens tot Hem roepen, als de nood ertoe dringt, maar het is : Hem van ganscher harte aanhangen, zoodat niets zich tusschen ons en Hem indringt. „In Zijn geboden wandelen", dat is niet alleen : een onbesproken levenswandel leiden, maar ook : Zijn wil betrachten, Zijn wil alleen,

maar ook : Zijn wil betrachten, Zijn wil alleen, in het openbaar en in het verborgen, waarbij alle eigen lusten en begeerten terzijde gesteld worden. Als ons dat klaar voor oogen staat, dan wordt het ons werkelijk bang te moede. Als wij het zóó nauw moeten nemen, wie zoekt dan den Heere, wie wandelt dan in Zijn geboden ? Hier heeft inderdaad niemand eenigen roem. En toch zijn er, die den Heere zoeken en in Zijn geboden wandelen. Eén daarvan is Josafat. Maar is deze dan wellicht een volmaakt mensch geweest ? Vol- C strekt niet. Reeds het volgende hoofdstuk levert er het bewijs van : hij verzwagert zich met Achab en laat zich straks meetronen in een strijd, dien Achab onderneemt om Ramoth in Oilead weer aan Israël te brengen, ondanks de duidelijke waarschuwing van Micha, den profeet! Maar Josafat heeft, zooals uit vs. 9 blijkt, het Wetboek des Heeren in eere gehouden. Hij heeft zich door de Wet van Mozes laten onderrichten. Hij heeft zich voor Gods heilige Wet veroordeeld. Hij is als zondaar genaderd tot Gods genadetroon met de door den Heere Zelf aan Zijn volk geschonken offeranden. Hij heeft bij Gods genade geleefd en is zoo door die genade geleid in 's Heeren wegen. — Mij dunkt, nu verstaat gij het wel: den Heere zoeken, dat doen we, wanneer wij ons als zondaren aan

dat doen we, wanneer wij ons als zondaren aan Christus vastklemmen en bij Hem blijven, om door Hem van onze zonden gereinigd en in gemeenschap met God gesteld te worden. Daarmee gaat een wandelen in 's Heeren geboden gepaard, want de Geest van Christus leert ons daarin wandelen. Op de gemeenschap met Christus komt het

Op de gemeenschap met Christus komt het aan. Al de dagen onzes levens. Heden! Want wij moeten allen uit dit leven scheiden. En wie weet, hoe spoedig. „Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur." Op aangrijpende wijze wordt het ons telkens weer onder de aandacht gebracht. Wie in Christus is, behoeft den dood niet te vreezen, ook niet een plotselingen dood. Want van hem geldt : „Zalig zijnde dooden,die

Want van hem geldt : „Zalig zijnde dooden,die in den Heere sterven, .... en hunne werken volgen met hen." Maar wie buiten Christus sterft, die is verloren, omdat hij in zijn zonden uit het leven scheidt. Dat wij dan bedenken wat tot onzen vrede dient! zooals Josafat, de koning van Juda, gedaan heeft.

II Hebben wij Josafat nu gadegeslagen in zijn persoonlijk leven, onze text richt onzen blik ook op zijn ambtelijk leven. Hoe hij als koning gehandeld heeft, vraagt in de tweede plaats onze aandacht.

Ook als zoodanig heeft hij den wil des Heeren hooggehouden. Hij heeft den wil des Heeren ook op het publieke terrein gehandhaafd. Hij heeft verstaan, wat de Wijsheid in de Spreuken zegt: „Door Mij regeeren de koningen, en stellen de vorsten gerechtigheid". Gerechtigheid, niet alleen overeenkomstig de Tweede Tafel van Gods Wet, maar ook overeenkomstig haar Eerste Tafel, die ons leert, hoe wij ons jegens God zullen houden. Hij nam immers de hoogten en de bosschen uit

Hij nam immers de hoogten en de bosschen uit Juda weg. De „hoogten" waren hooge plaatsen, door de natuur gevormd of kunstmatig aangelegd, waarop offeranden werden gebracht aan den Heere óf aan afgoden, waarop dus valsche godsdienst óf afgoderij werd gepleegd. En de „bosschen" waren heilige boomen, wellicht beelden van Astarte, de vrouwelijke afgod, die met Baal overeenkomt. Josafat heeft ze weggenomen, de hoogten geslecht of ve. woest, de bosschen uitgeroeid. Hij heeft dus de gelegenheid afgesneden, om in het openbaar valschen godsdienst en afgoderij te plegen.

Hij heeft intusschen meer gedaan dan dat. Hoor maar wat de Kroniekschrijver zegt: „In het derde jaar nu zijner regeering zond hij tot zijn vorsten, tot Ben-chail, en tot Obadja, en tot Zecharja, en tot Nethaneël, en tot Michaja, opdat men zou leeren in de steden van Juda. En met hen de Levieten : Semaja en Nethanja, en Zebadja, en Asaël, en Semiramoth, en Jonathan, en Adonia, en Tobia, en Tob-Adonia, de Levieten, en met hen de priesters Elisama en Joram. En zij leerden in Juda, en het Wetboek des Heeren was bij hen ; en zij gingen rondom in alle steden van Juda, en leerden onder het volk". Josafat heeft dus in

en leerden onder het volk". Josafat heeft dus in zijn koninklijk ambt zijn volk niet aan het lot overgelaten, maar voor het geestelijk welzijn van zijn volk gedaan wat hij kon. Hij heeft hen laten onderwijzen. Hij heeft hun den inhoud van het Wetboek des Heeren bekend laten maken. Den inhoud van de Wet van Mozes, die Wet en Evangelie bevatte ; want in de Wet van Mozes ontbreekt het Evangelie niet, maar ligt duidelijk opgesloten zoowel in de beloften aangaande den Christus als in den ceremoniëelen dienst, waardoor God Zelf in schaduwbeelden aan Israël leerde, hoe het met Hem in gemeenschap kon komen

hoe het met Hem in gemeenschap kon komen en in gemeenschap kon blijven. Door de Wet werd kennis van zonde en verlorenheid gewekt ; door het Evangelie de weg der verlossing gewezen, met name door de offeranden, die tot verzoening der zonden gebracht werden. Er was josafat veel aan gelegen, dat het volk met deze dingen bekend zou zijn. Natuurlijk, omdat hij voor eigen persoon de dierbaarheid daarvan had leeren kennen. Daarom spande hij alle krachten in, daarvoor spaarde hij moeite noch kosten. Want hij liet degenen, die hij uitzond, overal rondgaan in alle steden van Juda, opdat zij het volk zouden leeren. Wat leeren ? Te doen, wat hij zelf deed, n.l. den Heere zoeken en in Zijn geboden wandelen. Is dat niet heerlijk, Gemeente? Hier hebben wij dus een Overheid, die voor de geestelijke belangen van het volk waakt; niet alleen door aan die geestelijke belangen geen hinderpalen in den weg te leggen, maar door juist die geestelijke belangen, met name ae prediking des Woords,

te bevorderen. Een Overheid, die handelt, zooals Art. 36 van onze N.0 B. het ambt der Overheid teekent: „En hun ambt is niet alleen acht te nemen en te waken over de politie — d. w. z. over de staatkundige aangelegenheden — maar ook de hand te houden aan den heiligen kerkedienst : om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst, om het rijk van den Antichrist te gronde te werpen, en het Konmkrijk van Jezus Christus te bevorderen, het Woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt".

Als wij over deze dingen dieper nadenken in verband met de toestanden, zooals die bij ons heerschen, dan staan wij beschaamd. Het ziet er bij ons immers heel anders uit. De Overheid staat bij ons geheel en al in het teeken der neutraliteit. Als Overheid doet zij niets, om de prediking van het Evangelie te bevorderen. Onder den invloed van nieuwere denkbeelden natuurlijk, houdt zij zich onzijdig. Waar dit op neerkomt, is b.v. duidelijk gebleken uit het bedroevende feit, dat reeds jaren geleden de Bijbel van de Openbare Scholen werd weggenomen : de Overheid mocht immers in den strijd der geesten geen partij kiezen. Alsof daarmee niet juist toch partij gekozen was, en wel tegen Gods Woord. En al is thans door de financiëele gelijkstelling van Openbaar en Bijzonder Onderwijs de positie van de Scholen met den Bijbel gemakkelijker geworden, het standpunt van de Overheid is hierdoor niet veranderd: de Christelijke Scholen worden niet door den Staat gesteund, omdat daar Christelijk Onderwijs gegeven wordt, maar alleen omdat zij behooren tot de groep van Bijzondere Scholen, waaronder er immers ook kunnen zijn, die regelrecht tegen het Christendom ingaan. Waarheid en leugen staan voor de Overheid op één lijn. En dat in een land,

dat aan het Evangelie van Gods genade in Christus Jezus heel zijn bestaan te danken heeft! Onder de schoone leuze van vrijheid heeft men het verleden verloochend en een knieval gedaan voor den god dezer eeuw. Van een handhaven en bevorderen van de eere Gods is in de wetten van ons land geen sprake. Straffeloos kan men de eere Gods in woord en daad aantasten. Het rijk van den Antichrist kan zich ongestoord uitbreiden, zooals het dan ook zienderoogen uitgebreid wordt. Wie daarvan iets verstaat en ook hier eigen schuld

Wie daarvan iets verstaat en ook hier eigen schuld erkent, omdat hij zijn stem daartegen niét krachtig genoeg verheven heeft, ja zelfs onnadenkend zich in de omstandigheden heeft geschikt, die kan niet anders dan zich voor God verootmoedigen en Hem om Zijn ontferming aanroepen. Ill Tot zulk een bede worden wij nog des te meer gedrongen, wanneer wij nu met toepassing op onszelf letten op de vrucht, die het optreden van Josafat in zijn persoonlijk en ambtelijk leven voor zijn volk heeft gedragen.

„De Heere was met Josafat". Dat was de vrucht, die zijn vreeze Gods voor hem persoonlijk droeg. Maar diezelfde vrucht werd ook in zijn koninklijk ambt openbaar. Wij lezen immers in VS. 5 : „En de Heere bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en ganschjuda gaf Josafat geschenken ; en hij had rijkdom en eer in menigte".

Josafat kwam dus hoe langer hoe vaster te zitten op zijn troon, die door de liefde van zijn volk geschraagd werd. Zijn onderdanen verblijdden zich in zulk een koning, terwijl zij de zegeningen van zijn regeering ondervonden. Het kan niet anders, of een koning, met wien de Heere is, regeert goed. Doch ook zijn optreden voor de eere Gods in het publieke leven heeft vrucht. gedragen voor zijn volk. v Daarvan zegt de Kroniekschrijver vooreerst in

Daarvan zegt de Kroniekschrijver vooreerst in VS. 10: „En een verschrikking des Heeren werd over alle koninkrijken der landen, die rondom Juda waren, dat zij niet krijgden tegen Josafat." Hoe oorlogzuchtig de omringende vorsten ook mochten zijn en hoe begeerig ook naar het bezit van Juda, zij strekten er de hand niet naar uit. Dat durfden zij niet doen, omdat zij bang waren voor Juda. Zij lieten het volkomen met rust, zoodat het volk van Josafat zich in vrede verheugde. Maar de Kroniekschrijver zegtnogmeer (vs. 11):

Maar de Kroniekschrijver zegtnogmeer (vs. 11): „En van de Filistijnen brachten zij Josafat geschenken met het opgelegde geld ; ook brachten hem de Arabieren klein vee, zevenduizend en zevenhonderd rammen, en zevenduizend en zevenhonderd bokken." |osafat werd dus ook geëerd, want op deze wijze brachten die buitenlandsche vorsten hem hulde toe. Geen wonder, dat de schrijver eraan toevoegt: „Alzoo nam Josafat toe en werd ten hoogste groot" (vs. 12a). Zoo stond het naar buiten. Maar ook niet min )

Zoo stond het naar buiten. Maar ook niet min ) der naar binnen. Hij bouwde in Juda burchterf en schatsteden, d.w z. hij bracht zijn land in geduchten s'aat van tegenweer. Ook had hij een machtig leger tot zijn beschikking, dat over het millioen manschappen telde. Er stond dus een energiek, krachtig volk om hem heen, dat bereid was, den vaderlandschen tand te verdedigen. bodem met hand en

Of óns volk ook zulk een krachtige positie in de wereld heeft ? Wij weten wel beter. Dat heeft de Duitsche en Japansche overheersching wel anders bewezen.

En velen onzer hebben het aan den lijve gevoeld. Er is een groote tegenstelling tusschenjuda onder Josafat en ons. Natuurlijk behoeven wij ons niet voor te stellen, dat het gansche volk van Juda den Heere is gaan vreezen en in den Heere sterk is geworden; in het 20ste hoofdstuk meldt de Kroniekschrijver zelf: „Evenwel werden de hoogten niet weggenomen ; want het volk had nog zijn hart niet geschikt tot den God zijner vaderen" (vs. 33), zoodat het werk van Josafat niet werd doorgezet, zooais hij dat begeerde. Maar het ging toch na het optreden van den koning in opgaande lijn. Bij ons lijkt het echter veel meer op daling en inzinking, op achteruitgang in razend tempo. Jarenlang is ons volk vergiftigd met theorieën, die ingaan tegen Gods getuigenis. Jarenlang zijn van de kansels denkbeelden verkondigd, die met Wet en Evangelie in strijd zijn. Jarenlang heeft men eigenlijk niet anders gedaan dan ons volk losmaken van zijn Bijbel. De gevolgen zijn niet uitgebleven. Ons volk is geworden als een open stad, waar elke vijand gemakkelijk kon binnentrekken. En de vijand is binnengetrokken in allerlei gedaante, zoowel op godsdienstig, als zedelijk en maatschappelijk terrein. En al is het waar, dat door Gods genade de prediking der waarheid is toegenomen en velen daardoor weer tot Christus gebracht zijn, niet minder waar is ook dat andere, n.l. dat ongeloofstheorieën diepe wortels hebben geschoten en velen op het dwaalpad zijn geraakt.

Hoevelen onder het hedendaagsche jongere geslacht zijn van God en Zijn dienst vervreemd, ook al hebben zij van hun ouders andere dingen geleerd. Hoevelen zoeken hun wijsheid bij hetgeen niet anders dan modern heidendom kan worden genoemd. Hoevelen hebben zich geworpen in één der vele vertakkingen van den revolutionairen stroom. Daar moet het ook wel op uitloopen, als Gods Woord verlaten wordt; dan komt de mensch op den troon, de zelfzuchtige mensch, die ook onder den naam van gemeenschap niet anders dan zichzelf zoekt.

Wat steekt ook Rome het hoofd op. Het is u bekend, welk een hardnekkige strijd door haar gevoerd wordt om te komen tot opheffing van het processie-verbod, dat haar een doorn in het oog is. Een strijd, die — wie weet hoe spoedig — uitloopt op een overwinning aan den kant van Rome, alle protesten ten spijt.

Daar gaat het heen, als de Overheid neutraal moet wezen, als zij geen onderscheid meer mag maken tusschen de waarheid en de leugen, als het volk in de wetten des lands de Overheid bindt. Wij zijn nu al gebonden met de banden van onze eigen zonde. Waar moet dat op uitloopen, zoo God het niet verhoedt. Aan den eenen kant het ongeloof, aan den anderen kant het bijgeloof, als beider belang het meebrengt in hechten bond met elkander — wat blijft er over van ons Protestantsche Nederland en dus van het vrije Vaderland ?

Hoe komen wij er uit ? Zeker niet door alles maar op zijn beloop te laten, of zelfs nog een beetje goed te praten. Neen, aan de waarheid moet getuigenis worden gegeven. Het moet van de daken verkondigd worden, dat wij op den verkeerden weg zijn. absoluut op den verkeerden weg. Volk en Overheid beiden moeten geroepen worden tot terugkeer naar het Woord, opdat de Overheid weer worde wat zij naar haar ambt behoort te zijn, n.l. Gods dienaresse ten goede van het volk; opdat zij weer doe wat in het hoogste belang van het volk is : de prediking van den Christus der Schriften bevorderen.

O, ik weet het wel: wie deze leuze opheft, kan er op rekenen, dat hij overal gesmaad wordt, omdat hij te veel de praktijk, de werkelijkheid uit het oog verliest. Maar dat doet niet terzake. Er is geen andere weg.

Op den Heere, onzen God, zij het oog geslagen. Op Hem alleen. Want Hij alleen is in staat, ons terug te leiden in het rechte spoor. Van onszelf behoeven wij het waarlijk niet te verwachten. Een verpletterende meerderheid staat aan de overzijde. De strijd is naar het zichtbare nog hachelijker dan die van David tegen Goliath. Maar wat onmogelijk is bij de menschen, is mogelijk bij God. Van Hem alleen kunnen wij de uitkomst afsmeeken.

Ja, afsmeeken. Want wij kunnen alleen pleiten op Zijn genade. Met al onze afwijkingen van Hem heblDcn wij niets anders verdiend dan dat Hij ons overgeeft aan allerlei machten der duisternis. Maar wie den nood voelt, die verheffe zijn stem tot God in den Naam van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij onze banden verbreke, dat Hij onze Overheid weer make tot Zijn dienaresse, die ook in het publieke leven Zijn eer handhaaft en zoo ons volk in de rechte sporen leidt. Alleen in dezen weg is waarlijk heil te wachten.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1946

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Om de eere gods in het publieke leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1946

Kerkblaadje | 8 Pagina's