Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De klop op de deur.*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De klop op de deur.*

24 minuten leestijd

Text: Openb. 3 : 20.


Het is ons wel niet onbekend. Wie deze woorden gesproken heeft. Ze zijn ons immers van der jeugd af aan niet vreemd. Hoe vaak hebben wij ze al niet hooren lezen of uitspreken. Maar zelfs al hadden wij ze nog nooit gehoord, dan behoefden we toch niet te vragen, uit Wiens mond ze gevloeid zijn. We krijgen onmiddellijk het gevoel : dat moet een Vv'oord van on^cn Heere Jezus zijn ! En dat gevoel bedriegt ons niet. De aanhef van den Brief, waarin het voorkomt, zegt het ondubbelzinnig : ,,Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het Begin der Schepping Gods", (vs. 14).

Gelijk heel den Brief heeft Hij deze woorden door Johannes laten richten aan ,,den Engel van de Gemeente der Laodicenzen", die de Gemeente van Laodicea vertegenwoordigt. Laodicea was een stad in Klein-Azië, bekend om haar wolmarkt, gelegen in een vruchtbare streek, waar de veeteelt en met name de schapenteelt in eere was. Een stad, zóó rijk, dat zij zich, toen zij in het jaar 60 of 61 na Christus door een aardbeving verwoest was, in korten tijd uit eigen middelen herstelde. De Gemeente van Laodicea is ook bekend uit Paulus' Brief aan de Gemeente te Kolosse, die naar zijn uitdrukkelijke begeerte ook door de Laodicenzen gelezen moest worden, gelijk zijn Brief aan de Laodicenzen door de Gemeente van Kolosse (Kol. 4 : 16).

Dus zijn de woorden van onzen text allereerst bestemd voor de Gemeente van Laodicea, zoowel in haar geheel als voor elk harer leden in het bijzonder. Dat elk lid der Gemeente ter harte heeft te nemen wat de Brief aan heel de Gemeente zegt, blijkt wel duidelijk uit de uitdrukkingen : ,,Zoo wie " (vs. 19), ,,Indien iemand " (vs. 20), ,,Die " (vs. 21), die zoo persoonlijk mogelijk tot de leden spreken. Daarom zegt de Heere Jezus tot élk lid dezer Gemeente : ,,Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijne stem zal hooren, en de deur opendoen. Ik zal tot hem inkomen en Ik zal avondmaal met hem houden, en hij met Mij".

Doch niet alleen de leden der Gemeente van Laodicea worden hier aangesproken. Want ook deze Brief eindigt met het bekende woord, dat in deze eerste hoofdstukken van de Openbaring als een refrein klinkt : ,,Die ooren heeft, die hoore, wat de Geest tot de Gemeenten z-ej't", Wat g'»ldt di>salle Gemeenten van Klein-Azië en daarom ook alle leden dier Gemeenten.

Doch juist daarom is de kring, waarvoor dit woord bestemd is, nog breeder. Het geldt alle Gemeenten van Christus, waar ter wereld zij ook gevonden w^orden en tot welke eeuw zij ook behooren. AI die Gemeenten en al haar leden persoonlijk. Wat de Heere Jezus in onzen text den Laodicenzen zeide, dat zegt Hij ook tot óns. Christenen van de 20ste eeuw.

En wanneer gij onzen text nauwkeurig leest, dan bespeurt ge al dra, waar het om te doen is. Laat mij het maar heel in 't kort zeggen : De Heere Jezus wil binnenkomen in ons hart. Daarom is het ook een woord dat uitstekend past in den Adventstijd. Het is om zoo te zeggen de Adventsboodschap van den Heere Jezus Zelf.

Overdenken wij : I. Wat de Heere Jezus er mee beoogt, en II. hoe wij er tegenover staan.

I.

Wat beoogt de Heere Jezus met de boodschap, die Hij richt tot de Gemeente, die naar Zijn Naam is genoemd ?

Het antwoord op deze vraag is niet moeilijk, als wij den inhoud van deze boodschap nader in het oog vatten : ,,Zie Ik sta aan de deur, en Ik klop ; indien iemand Mijne stem zal hooren, en de deur opendoen. Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij".

Een vriendelijk beeld rijst daar voor ons oog op, zooals dit op een bekende plaat in teekening is gebracht. Daar staat een man voor de gesloten deur van een woning. Hij klopt op deze deur met den knokkel van zijn vinger. Geen geweldenaar is aan het werk, maar iemand, die vriendelijk gezind is en met welwillende bedoelingen komt. In halfgebogen houding luistert hij, of daarbinnen ook beweging komt, gereed om zijn kloppen te herhalen. Het verlangen naar antwoord in ontsluiting van de deur staat op zijn gelaat te lezen. Hij wil graag daarbinnen zijn, om den bewoners van dat huis mee te deelen wat hij voor hen heeft.

Zoo is het ook met den Heere Jezus tegenover de Gemeente van Laodicea. Hij staat voor de deur van haar woning, om binnengelaten te worden. Hij wil binnen zijn, bij élk van haar leden. Hij heeft het bijzonder goed met hen voor : Hij w^il met hen avondmaal houden, met ieder van hen persoonlijk.

„Avondmaal houden". Hierbij hebben we niet te denken aan het Sacrament van het Avondmaal, maar aan een maaltijd. Hij wil met hen aanzitten aan één tafel, genieten 'van één en dezelfde spijs, en wel in laatster instantie van spijs, die Hij Zelf brengt. Hij zegt immers : ,,Ik zal tot hem inkomen, en I k zalmet hem avondmaal houden, en hij met M ij" — eerst ,,Ik met hem", dan ,,hij met Mij", zoodat op dit laatste de volle nadruk valt. Een liefelijk beeld. De maaltijd behoort tot de intiemste dingen van het leven. Daar zitten wij in den intiemsten kring van ons huisgezin. Daarbij ontvangen wij geen vreemden. Willen wij daarom iemand eer bewijzen, dan behoort tot de middelen die daartoe dienen, ook dikwijls een noodiging aan den maaltijd, liefst aan den hoofdmaaltijd. De maaltijd vertegenwoordigt de vertrouwelijkheid en is uitdrukking van gemeenschap. Dezelfde spijs te gebruiken-, denzelfden drank te genieten, dat is zooveel als : één leven met elkander te willen leiden.

Als wij hieraan denken, dan verstaan wij, wat het bijzondere is in de belofte van den Heere Jezus : ,,Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij". Het is de volkomen gemeenschap, die de Heere Jezus ons toezegt ; Hij met ons en wij met Hem. Ja, wij met Hém, dat is wel het toppunt. Hij wil Zich aan ons geven met al wat Hij is en met al wat Hij heeft.

Het beeld van den maaltijd, van het avondmaal houden, is in de sfeer van het Koninkrijk , Gods niet onbekend. Wij vinden het reeds bij David, in den 23sten Psalm o.a., in de bekende belijdenis vol verrassing : ,,Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijne tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende". Wij vinden het ook bij )esaja (25 : 6); „En de Heere der heirscharen zal op dezen berg allen volken een vetten maaltijd maken, een maaltijd van reinen wijn, van vet vol merg, van reine wijnen die gezuiverd zijn". En hoe menigmaal heeft niet onze Heiland Zelf in gelijkenissen gebruik gemaakt van het beeld van den maaltijd ! Ge weet ook wel wat Hij daarmee heeft willen voorstellen, nietwaar? Het genieten van de heilsgoederen, in het Koninkrijk Gods bereid. Daaraan hebben wij ook hier wel te denken. Als de Heere Jezus met een mensch avondmaal wil houden, dan is het er Hem om te doen, met dien mensch in de iflnigste gemeenschap te treden, ten einde dien mensch het zalig genot te schenken van het heil, in Hem bereid. Wilt gij de beeldspraak vérder uitspinnen, vraagt ge, wat de Heere Jezus dan in dat avondmaal schenkt, — dan vindt ge het antwoord in bekende woorden : vergeving van zonden, gerechtigheid, eeuwig leven, gemeenschap met God, die zich uit in vrede en vreugde !

Daartoe wil _de Heere |ezus binnen zijn, in onze woning, ja nog meer, nog dieper naar binnen : in ons hart. H ij wil daar binnen zijn. Op dat woordje ,,H ij" leggen wij allen nadruk. Want . wij moeten Hém hebben, zullen wij het heil des Heeren hebben, de zaligheid onzer ziel. Dat is hier juist het eigenaardige : het heil des Heeren is aan Zijn persoon gebonden. Het is onmogelijk Zijn gaven te genieten, als wij niet Hemzelf hebben. Waar Hij niet is, daar is ook Zijn heil niet. Want dat heil is onafscheidelijk van Hém. Vandaar de blijde boodschap van den Engel aan de herders in Efratha's velden : ,,Vreest niet, want ziet, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal, namelijk, dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids". Vandaar dat machtige ,,Amen" van het hemelsche heirleger op die blijde boodschap in den heerlijken lofzang : ,,Eere zij Gód in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de menschen een welbehagen !" Vandaar die innige blijdschap van Simeon, toen hij het kindeke Jezus in de armen had en dat mocht drukken aan zijn hart : „Nu laat Gij, Heere, Uwen dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord, want mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien". In Jezus is het heil des Heeren. Ja, Hij Zélf is dat heil. In Hém zien wij den mensch, door de zonde van God ge- scheiden en onder Zijn heiligen toorn, tot God teruggebracht, met een oog vol vreugde en innig welbehagen door den heiligen God aangezien ! O, het is een lange weg, waarlangs het zoover is ge- komen. Het begin daarvan ligt voor ons in het feit, dat wij op het komend Kerstfeest weer hopen te gedenken, nl. in Zijn komst in het vleesch 1 En wat ligt daarin niet een diepte van genade en ont- ferming besloten : God heeft Zijn eeniggeboren Zoon gezonden in de wereld, om aan te nemen, zooals onze N.G.B, zegt, ,,de natuur, in welke de zonde begaan was". Uit het vleesch en bloed der maagd Maria heeft Hij aangenomen het vleesch van Abraham, maar óók het vleesch van David, van Bathseba, van Ruth, van Rachab, van Thamar, het vleesch van Adam en van al zijn nakomelin-gen; het vleesch van den gevallen mensch, waarin zoo ontzettend veel en zoo ontzettend zware ongerechtigheid is gewrocht ! Dat vleesch heeft Hij aangenomen, om al die zonden te dragen en uit te delgen, om de macht der zonde te breken en de heerschappij der gerechtigheid op te richten : om den dood te verslinden en het eeuwige leven aan te brengen. Onwillekeurig richt onze blik zich daarbij weer op het Kruis. Daar ligt het toppunt van Zijn arbeid, dien moeilijken arbeid Zijner ziel. Daar is alles volbracht. Het bewijs ervan ligt in Zijn opstanding en hemelvaart, gevolgd door en bekroond in de uitstorting van den Heiligen Geest. Op het Pinksterfeest zien wij het zichtbaar resultaat van Jezus' arbeid : daar staan menschenkinderen, in Adam gevallen, in Jezus Christus tot God teruggebracht, terwijl zij in blijdschap des harten de groote werken Gods verkondigen ! Zoo ligt het bewijs er, dat het heil i s gewrocht. Maar zullen wij voor onszelf daaraan deel hebben, dan moet H ij bij ons wonen, dan moet H ij bij ons ,,binnen" zijn, door Wien dat heil is gewrocht, in Wien het aanwezig en van Wien het onafscheidelijk is. Dat is de waarheid, verkondigd in het van ouds bekende :


Daarom wil de Heere Jezus tot ons inkomen, wil Hij bij ons binnen zijn, wil Hij plaats hebben in ons hart, wil Hij ,,de" plaats hebben in ons hart, de allesbeheerschende plaats.

En let er nu eens op. Gemeente ! welk een arbeid Hij aanwendt om die plaats in ons hart te verkrijgen. Hoort, wat Hij zegt : ,,Zie, I k s t a aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijne stem zal hooren, en de deur opendoen. Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden en hij met Mij".

Daar rijst voor ons oog weer op het beeld van den man, die aan de deur der gesloten woning staat te kloppen. Hij laat het niet bij een enkelen klop op de deur, maar laat zijn knokkel herhaaldelijk op de deur vallen, om gehoor te krijgen. Zoo doet ook de Heere Jezus: Hij staat te kloppen aan de deur des harten, om binnengelaten te worden. Hij klopt éénmaal en andermaal, vele, vele malen.

Waarom doet Hij dat toch ? Waarom wacht Hij op ontsluiting van de deur van binnen uit ? Hij kon immers Zelf ook wel de deur openen en binnentreden ! O, zeker kon Hij dat, maar — in het gewone leven stapt men toch ook maar niet zóó eens anders woning binnen ; dat doet alleen de dief, maar niet iemand, die met goede bedoelingen komt. Wij wachten fatsoenlijk af, tot wij binnengelaten worden. Dan zijn wij zeker, dat wij welkome bezoekers zijn. De Heere Jezus wil alleen als welkom bezoeker bij ons wezen. Hij werkt niet — laat mij zeggen — machinaal met Zijn heil ; Hij behandelt ons ook niet als dieren, maar als redelijke wezens. Hij wil ontvangen worden met een gewillig hart. Daarom stelt Hij Zich op aan de deur van ons hart en staat daar, al maar kloppend, of de deur Hem ook open wordt gedaan ! Gemeente ! let er nog eens op, wie Hij is, die zóó doet. Hoort, hoe Hij in den aanhef van Zijn Brief Zichzelf karakteriseert : ,,Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het Begin der Schepping Gods'. Let vooral op die laatste woorden : „het Begin der Schepping Gods". Dat beteekent zooveel als : het uitgangspunt der Schepping Gods. Denkt aan hetgeen Paulus in zijn Brief aan de Kolossenzen schrijft aangaande den Christus : ,,En Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan te zamen door Hem" (1 : 17). Die hier spreekt is Degene, aan Wien alles ontstaan zoowel als bestaan te danken heeft; ook de Gemeente zelf, ook elk van haar leden. Hij is het, zonder Wien wij geen adem zouden hebben, noch in geestelijken noch in natuurlijken zin ! Hij is het, van Wien Johannes schrijft in den aanhef van zijn Evangelie : ,,In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder hetzelve is geen ding demaakt, dat gemaakt is. In hetzelve was het leven, en het leven was 't licht der menschen". Die hoogverheven Persoon is het. Die aan de deur van ons hart klopt, terwijl Hij nederig wacht op ontsluiting der deur. Welk een nederbuigende goedheid !

Waarom staat Hij daar zoo volhardend te kloppen ?

O, Hij weet, hoe het er bij Zijn Gemeente uitziet. Hoort maar, wat Hij den Laodicenzen Iaat schrijven ; „Want gij zegt : Ik ben rijk en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt". Het zag er jammerlijk uit. Zij waren er treurig aan toe en daarom beklagenswaardig, zonder dat zij het zelf wisten. Hun geestelijke toestand wordt geteekend in de woorden : ,,arm, blind, naakt". Wat een droeve trits, nietwaar ? Denkt u dat eens even in het natuurlijke in — dan verstaat ge, in welk een jammerstaat zij verkeerden. En dan te meenen, dat men rijk en verrijkt is en in geen enkel opzicht behoefte heeft! Leven van een waan ; in zelfgenoegzaamheid, terwijl alles ontbreekt : middelen om van te leven, oogen om te zien, kleederen om aan te trekken. Arme zielen I Welk een ontgoocheling moet daar op volgen !

Daar mag de Heiland niet aan denken. Tegen zulk een ontgoocheling wil Hij Zijn Gemeente, die naar Zijn Naam genoemd is, beveiligen. Hij w^il haar in goede conditie brengen, haar rijk maken in geestelijke schatten, haar een open uitzicht verschaffen in Gods genade, haar bekleeden met gerechtigheid. Daarom roept Hij haar toe : ,,Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte kleederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde ; en zalf uwe oogen met oogenzalf, opdat gij zien moogt'. Daaruit vernemen wij tevens, hoe wij dat ,.kloppen" des Heeren moeten verstaan het geschiedt m het Woord, dat Hij tot haar doet komen , heel deze Brief is te beschouwen als een kloppen des Heeren aan de deur des harten En wat wi] daaruit genoemd hebben, is om zoo te zeggen de zachte tik op de deur. Er is echter ook een luider en harder neerkomende klop ,,Zoo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik , wees dan ijverig en bekeer u' . Bestraffen en kastijden, dat heeft de Heere Jezus de Laodicenzen m dezen Brief óók gedaan. Hoort maar, wat harde woorden daar uit Zijn mond zijn gekomen ,,Ik weet uwe werken, dat gij noch koud zijt, noch heet och of gij koud waart, of heet' Zoo dan, omdat gi) lauw zijt. en noch koud noch heet. Ik zal u uit Mijnen mond spuwen", — d i Ik zal u verachtelijk wegwerpen '

Het IS de liefde, die zóó spreekt. Laat ons daar wel op letten Uit enkel liefde bestraft en kastijdt de Heere Jezus, geli)k ook Zi)n Vader. Uit liefde treedt Hij hard op, om niet door als zacht heelmeester te handelen, stinkende wonden te maken Hij wil tot inkeer brengen. Enkel om maar ,,avondmaal" te kunnen houden met een menschenkmd. Onze Heere Jezus Christus is er niet mee tevreden, dat Hij het heil heeft aangebracht. Hij redeneert niet zoo . ,,Ik heb het Mijne gedaan, nu moeten de menschen het zelf maar weten", Neen, Hl] spant alle krachten m. om menschen te bewegen, dat ZIJ de deur des harten toch voor Hem openen, opdat Hij met Zijn heil kan binnentreden. HIJ draagt niet alleen den Naam Zaligmaker, maar doet ook als Zaligmaker. Het is Zijne vreugde fnenschenkinderen te mogen inzetten m Zijn heil ' Zoo doet Hl) nog heden. Van het heilig Bijbelblad roept Hl] ons nog toe , Zie. Ik sta aan de deur, en Ik klop; mdien iemand Mijne stem zal hooien en de deur opendoen. Ik zal tot hem inkomen en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij' Hij klopt nog heden door Zijn Woord zacht aanradend, vriendelijk maar ernstig vermanend, doch ook scherp bestraffend, opdat wij toch luisteren naar Zijn stem opdat wij Hem binnenlaten Zoo komt HIJ ook tot ons in het Adventsevange

Zoo komt HIJ ook tot ons in het Adventsevangelie hel Evangelie der geboorte van Christus, van Zijn komst m het vleesch Dat roept ons met den meesten klem toe Hier is uw heil ' Doet open de deur van uw hart, opdat ge uw Koning moogt ontvangen. Die gerechtigheid en vrede brengt'

II

Hoe staan wij nu tegenover deze Adventsboodschap '^ Aan deze vraag moeten wij in ons eigen be

Aan deze vraag moeten wij in ons eigen belang de aandacht wijden. Want deze boodschap is gekomen uit den mond van Hem, Die Zich noemt ,,De Amen. de getrouwe en waarachtige Getuige' (vs. 14), Wiens Woord dus bestaat, tegenover Wiens Woord wij ons ook eenmaal te verantwoorden hebben m den Grooten Dag. Want ook hier geldt, wat de Heere Jezus eenmaal den Joden voorhield ..Die Mij verwerpt en Mijn woorden niet ontvangt, heeft die hem oordeelt het woord dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordeelen ten laatsten dage" (Joh. 12 48).

Hoe staat het dan met het hooren van Zijn stem en het opendoen van de deur des harten •? Daar komt het toch op aan '

O, als wi) rondzien in de wereld, waarin wij ons bewegen, hoe treurig is dan de aanblik ! Wat blijven er een deuren gesloten. Van hoevelen moet getuigd worden, dat zij de stem des Heeren met eens opmerken, en niet eens bespeuren, dat er geklopt wordt. In een vroolijk gezelschap wordt menigmaal niet opgemerkt, dat er gebeld wordt aan de voordeur : het rumoer binnenshuis maakt dit onmogelijk Zoo staat het er bij een breede schare voor 't Is van binnen veel te rumoerig, om de stem des Heeren ook maar op te merken. Men houdt van een blij leven en zoekt daarin zijn vermaak

O, er IS en er wordt door den Heere genoeg geklopt. Niet alleen m de prediking des Woords. die nog altijd doorgaat, al zwijgen velen haar dood ; maar ook m de harde kastijdingen, waarmee God de wereld bezoekt. Maar waar is de uitwerking? De wereld leeft voort, vragend naar eten en drinken en vroolijk zijn, als ware er nooit een oordeel geweest Ja, men zoekt zich zóó boven het gevoel van de ellende te verheffen, zooals menigeen zich een roes drinkt om niet te merken, hoe jammerlijk het er met hem voorstaat. Want wij moeten niet alleen spreken van een met-opmerken van het kloppen des Heeren. maar ook van een niet-willen-opmerken. Men weet. dat het Woord er IS ; men weet ook, dat de oordeelen er zijn Doch men wil er met de aandacht aan schenken. Want als de aandacht er aan gewijd wordt, dan wordt het onrustig van binnen vooral wanneer men daarbij moet denken aan den dood. Men voelt, dat men zijn leven verhezen moet — en dat leven is veel te,' dierbaar men wil het behouden ( en maakt nu zichzelf wijs. dat men het behoudt door zich niets van al die somberheden aan te trekken Woord Gods en oordeelen Gods verwijst men naar het rijk van die dingen, die enkel m de fantasie van sommige menschen leven !

Droevig, ja rampzalig bestaan ' Wordt geen acht gegeven op de stem des Heeren, wordt de deur des harten met opengedaan, dan komt Jezus niet binnen En als Hij buiten blijft, dan blijft het heil des Heeren buiten, dwz dan is er geen leven, maar enkel dood Een vreeselijk ontwaken na een schijnbaar aangename roes '

Daarom is die Adventboodschap ook zoo ernstig voor de Gemeente, die zich noemt naar den Naam van Christus.

O, het is niet voldoende. Christenen te heeten en den Naam van Christus in den mond te hebben, zelfs met dien Naam als een banier omhoog te heffen temidden van de wereld Jezus Christus moet in ons hart wonen en leven. Ja, Hij Zelf. En ziet, daarvan zijn velen toch niet gediend. O, van de wereld, die buiten de goddelijke sfeer leeft, moeten zij niets hebben. Zij willen wel genieten wat de Heere Jezus in Zijn avondmaal, dat Hij met ons wil houden, schenkt : zaligheid in Gods gemeenschap, vrede en vreugde in het hart. Maar zij willen niet den Christus, Dien Gods Woord predikt. Niet den eengeboren Zoon Gods, Die onze natuur aannam, Die zóó onze zonden droeg. Die ze zóó verzoende aan Zijn kruis, met Zijn dood ; niet den uit de dooden Verrezene, den ten hemel Opgevarene, Die aan de rechterhand Gods is en eenmaal wederkomt om te oordeelen de levenden en de dooden ! — Maar Dié, en geen ander, is het. Die aan de deur staat en klopt; met Hém, en met geen ander, i's dat avondmaal te houden, dat een voorsmaak geeft van het hemelleven. Buiten dézen Christus komt men om, zooals de Baaispriesters omkwamen met hun hoogvereerden Baal!

Een iegelijk onzer onderzoeke dan zichzelf, of hij werkelijk de deur zijns harten ontsloten heeft, om Jezus te ontvangen !

O, er zijn er velen, die dit wel willen, volgens hun zeggen zelfs graag willen. En daar behooren wij zeker ook onder ! Maar het komt er niet toe. Per slot van rekening is het ook bij hen van binnen veel te druk om naar Jezus' kloppen te hooren ; veel te vol om de deur open te kunnen doen en Hem binnen te laten ! De wereld en haar begeerlijkheid nemen hen veel te veel in beslag. Ook de beslommeringen van het dagelijksche leven. Anderen hebben het veel te druk met ,,christelijke" werkzaamheden. Het resultaat is, dat de deur des harten voor Jezus niet opengaat, al heeft men het nóg zoo druk over Hem. Jezus blijft een Heer, Die verre van ons woont, daarboven in den hemel; er is geen aanraking der ziel met Hem, ook al verneemt men Zijn kloppen en al hoort men Zijn stem.

Gemeente ! er is een proef op de som. De Heere Jezus zegt immers : ,,indien iemand Mijn stem zal hooren, en de deur opendoen. Ik zal tot Hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij". In dat ,.avondmaal houden" ligt de proef op de som. Wij komen dus voor een nieuwe vraag te staan : Kent gij dat ? Kent gij het genot van het heil des Heeren, de blijdschap in Hem, de zekerheid van uw zaligheid ?

O, er is menigeen, die daar nog nooit over gedacht heeft. Hij heeft altijd meegeloopen met den grooten stroom, godsdienstig geleefd, den Bijbel gelezen, de prediking bijgewoond, de sacramenten gebruikt, den armen christelijke handreiking gedaan, gebeden zooals gebruikelijk is .... en verder gedaan, alsof nu alles in orde was ! Maar hoe staat het nu met dat ,,avondmaal houden" ? Schrikt gij op bij de ontdekking, dat gij dit niet kent, o, dank God, dat Hij u wakker heeft gemaakt. Het is wel een vreeselijke ontdekking, want zij plaatst u in de rijen der Laodicenzen, die lauw waren'! ,,Lauw" heeft wel eenige overeenkomst met ,,heet", inzooverre er eenige warmte is. Het is echter niet dan schijn ! En daarom zoo vreeselijk, omdat de Heere met de lauwen geen gemeenschap heeft, maar hen uit Zijn mond spuwt. O, laat ons het oor niet afwenden en ons er overheen zetten, maar het schuldig hoofd buigen onder de bestraffing des Heeren. Er is nog raad. De Heere Jezus roept immers dien lauwen Laodicenzen in Zijn groote liefde nog toe : ,,indien iemand Mijne stem zal hooren, en de deur opendoen. Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij".

Doe toch open de deur ! Zoo roept dit Evangelie ons toe.

Ach, zegt iemand, daar zit ik juist mee. Mijn hart is als een steen, er is geen beweging in te krijgen. Dat ervaar ik juist als mijn diepe ellende. Hoe kom ik daar uit ? O, geliefden ! wanhoopt niet. Daar is een belofte des Heeren voor zulke menschen : ,,Ik zal het steenen hart uit uw vleesch wegnemen en Ik zal u een vleeschen hart geven". Klaagt uw nood aan uw God. Hij zal u geven wat gij met geen mogelijkheid zelf u verschaffen kunt. En weet ge hoe het gaat, als de Heere ons een vleeschen hart schenkt ? Dan krijgen wij hoe langer hoe meer oog voor onze zonde en ellende. Dan hebben wij niets meer te roemen. Dan zijn al onze gerechtigheden als een wegwerpelijk kleed. Dan liggen wij in onze schaamte en overdekt ons onze schande. Wij kunnen niet anders dan onszelf veroordeelen voor Gods rechterstoel.

Maar dat is juist, wat de Heere Jezus wil ! Dat is bekeering ! Dan staat de deur van ons hart open. Voor den ellendige is het een groote verrassing, dit te hooren, en hij kan alleen de genade Gods roemen : ,,niet ik, maar Gij, o almachtige en barmhartige God, hebt de deur van mijn hart ontsloten". Dan is het ook toe aan de vervulling der belofte : ,,Ik zal tot Hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij'.

Hier hoor ik opnieuw een stem, die mij toeroept : ,,Maar dat mis ik nog altijd, dat avondmaal houden; want helaas, de ervaring van de genade Gods heb ik niet; o, dien vrede en die vreugde !" — Mijn broeder of zustei:, die zoo klaagt, let nog eens op die eigenaardige zegswijze van den Heere Jezus : ,,I k zal met hem avondmaal houden, en h ij met M ij". Eerst : ,,Ik met hem", dan : ,,hij met Mij'. Merkt ge daar niets bijzonders aan ? Houdt de Heere Jezus met ons avondmaal, dan zijn wij gastheer, dan is Hij bezig met hetgeen wij hebben voor te zetten. En wat kunnen wij anders ter tafel brengen dan zonde en schuld ? Hij zet Zich met ons neder bij die zonde en schuld. Daar is Hij bij u mee bezig. Hij is dus al binnen ! Maar Hij is daar mee bezig, terwijl Hij ze met u deelt, om daarna als uw Gastheer op te treden en u te brengen tot hetgeen Hij u voor te zetten heeft : de verzoening, door Hem aangebracht in uw vleesch ; de gerechtigheid en het eeuwige leven ! Vrees dan niet, want het laatste blijft n<et uit, waar Hij het eerste ter hand heeft genomen. Denk er aan : wat hier staat, is de Adventsboodschap van den ,,Amen, den getrouwen en waarachtigen Getuige, het Begin der Schepping Gods". Hij vervult Zijn belofte. Hij brengt u gewis tot het volle genot van Zijn gemeenschap, van de gemeenschap Gods. Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den Heer ! Amen. v. H.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1947

Kerkblaadje | 8 Pagina's

De klop op de deur.*

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1947

Kerkblaadje | 8 Pagina's