Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Dr. H. F. Rohlbrugge en de Afscheiding.*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dr. H. F. Rohlbrugge en de Afscheiding.*

24 minuten leestijd


De veertiende October van het jaar 1834 kan met recht een historische datum genoemd worden Toen is er iets geschied, dat verstrekkende gevolgen heeft gehad en van groote beteekenis is geworden voor de geschiedenis der Gereformeerde Kerk m Nederland, waaronder ik versta : de Kerk, die door de Reformatie m ons Vaderland is ontstaan, geboren uit het Evangelie van Jezus Christus, den eenigen en volkomen Zaligmaker.

Op die bewuste datum werd namelijk door de groote meerderheid der lidmaten van de Nederduitsche Hervormde Gemeente te Ulrum de ,,Acte van Afscheiding of Wederkeering" onderteekend, die 's daags tevoren door de Ouderlingen en Diakenen dier Gemeente onderteekend was m een Kerkeraadsvergadering, waarin de pastor loei, Ds Hendrik de Cock, had verklaard, zich af te scheiden van het Bestuur der Ned. Herv. Kerk Dat zulks afscheiding van de Ned Herv. Kerk als zoodanig, en niet enkel van haar Bestuur beteekende, blijkt duidelijk uit het laatste gedeelte van genoemde Acte, dat aldus luidt :



Dit was het begin der beweging, die als ,,de Afscheiding" bekend staat. Al spoedig kreeg zij tal van aanhangers, die, waar d:t ook maar eenigszms mogelijk was, afzonderlijke Gemeenten vormden Sedert de Middelburgsche Synode, m 1869 gehouden, voerden zij den naam ,,Christelijke Gereformeerde Kerk' Onder dien naam bestaat nog heden de Kerk, die geformeerd is door degenen, die uit principe niet konden meegaan met de in 1892 tot stand gekomen vereeniging met de Doleerende Gemeenten van 1886 onder den naam ,,Gereformeerde Kerken m Nederland"


Er was zeer zeker voldoende aanleiding, waardoor Dr. Kohlbrugge op den weg der Afscheiding gedreven kon worden. De Gemeente, waarin hij geboren en opgegroeid was, n 1. de Hersteld-Luthersche Gemeente te Amsterdam, had zich indertijd — m 1791 — afgescheiden van de bvangelisch- Lutheische Gemeente, omdat aldaar, naar het oordeel van hen die heengingen, de Luthersche leer niet zuiver bewaard was gebleven Toen desniettegenstaande ook een predikant der Hersteld- Luthersche Gemeente, Ds Uckerman, van de orthodoxe Luthersche leer bleek af te wijken, diende de proponent Kohlbrugge, die de Gemeente als hulpprediker diende, gezamenlijk met anderen een aanklacht m tegen voornoemden predikant In plaats \an die aanklacht te onderzoeken stelde men Kohlbrugge voor de keuze • deze te herroepen of afgezet te worden als proponent Hij koos het laatste en was nu geheel en al verstoken van de gelegenheid om Gods Woord te verkondigen Daarna overtuigd geworden van de waarheid der Gereformeerde leer inzake de Uitverkiezing en het Avondmaal trachtte hij eerst te Amsterdam, later te Utrecht — waar hij tot Doctor m de Heilige Godgeleerdheid gepromoveerd was — lidmaat der Hervormde Gemeente te worden en zóó tot het predikambt in de Ned. Herv Kerk te geraken ZooaU wi) zooeven optnerkten, werd hem dit op schandeliik willekeurige wi|ze belet (November 1832) Gedurende zijn verblijf m het Wuppertal m den zomer van 1833 was er kans op een beroep m de Rijnsche Landskerk ; doch bij schrijven van den pruisischen minister Altenstem werden hem alle kansels m de Rijnprovmcie ontzegd, omdat hij een tegenstander bleek te zijn van de van regeenngswege opgelegde vereenigmg der Luthersche en Gereformeerde Kerk (Union) en de aan de Kerk voorgeschreven liturgie (Agenda) De gedachte lag nu voor de hand de Ned Herv Keik betoont zich door de wijze waarop zij optreedt tegen de belijders der Gereformeerde leer en ten opzichte van hem m het bijzonder als een valsche kerk waarom niet de belijders der Gereformeerde leer bijeengeroepen en een nieuwe kerkgemeenschap gevormd"^ Dr Kohlbrugge was buiten die Kerk opgegroeid hij werd door haar afgestooten wat gemeenschap had hij dan nog met haar"^ Het zou op zichzelf beschouwd niet te verwonde

Het zou op zichzelf beschouwd niet te verwonderen zijn als de omstandigheden, waarin Dr. Kohlbrugge toentertijd verkeerde, hem op den weg van afscheiding gedreven hadden Als h'j er zich evenwel — en later zelfs fel — tegenover stelt, is ook dit weer een duidelijk bewijs, dat hij zich met door de omstandigheden laat beïnvloeden, maar zelf zijn weg kiest. Bovendien waren er m den krmg welke zich te

Bovendien waren er m den krmg welke zich te Utrecht om Dr Kohlbrugge schaarden, meerderen die hem den weg van afscheiding trachten op te dringen. En zij juist waren het, die hem tijdens de ziekte en het overlijden van zijn vrouw zoo trouw ter zijde hadden gestaan. Toen drie hunner bij haar begrafenis (18 Febr. 1833) de slippen van het lijkkleed droegen, hadden Utrechtsche straatjongens spottend geroepen ,,Daar zijn ze, die ,,domme s in de afgescheiden kerk moeten worden !"

En zoo geschiedde het, dat zich m October 1832 m den reveilkring te Amsterdam het gerucht verspreidde, als zou heel Utrecht m rep en roer zijn, omdat men daar een nieuw e gemeente gesticht had, die Dr. Kohlbrugge als haar predikant begeerde. Deze tijding sloeg als een bliksem in, en van alle kanten meenden zijn vrienden van het réveil hem ernstig te moeten waarschuwen tegen zulk een gevaarlijken stap Alsof Dr. Kohlbrugge nog maar een kiemen stoot noodig zou hebben om rijp te zijn voor leider van een afscheiding — en alsof hij, toen hem de toegang tot de Ned. Herv. Kerk geweigerd was, geen ander doel zou beoogen, dan het stichten van een eigen vrije gemeente ' Vooral da Costa, met wien hij voor de briefwisseling over de preek uit Romeinen 7 14 zeer bevriend was, voelde zich gedrongen, m deze zaak een waarschuwend woord te laten hooren

Weldra bleek het gerucht over een afscheiding te Utrecht sterk overdreven te zijn en al heel spoedig zagen de vrienden uit den reveilkrmg m, dat hun vrees omtrent Dr. Kohlbrugge ongegrond was. Er komen in ieder menschenleven zeer zeker wel oogenblikken voor, waarop men onder invloed van bepaalde omstandigheden op een tweesprong staat. Eerst later leert men inzien, voor welke noodlottige stappen men bewaard bleef, en dat waarlijk niet door eigen inzicht of verdienste. Iets dergelijks zal ook met Dr Kohlbrugge het geval zijn geweest

Men heeft als bewijs, dat Dr. Kohlbrugge een tijdlang naar afscheiding overhelde, zich willen beroepen op een passage uit een — door hem uit het Hoogduitsch vertaald — werkje van Ds. M. Fr Sander, Luthersch predikant te Elbeifeld, getiteld .Jehova Tsidkenu (De Heere onze Gerechtigheid) De Geloofs- en Strijdkracht der Kerkhervormers, 1832" Bedoelde passage luidt aldus ,,Vrede bij God te hebben gaat boven de wereld, boven de uitwendige Kerk Kan een verslagen gemoed dien vrede m de Kerk met vinden, omdat hij na het beluisteren der predikatie niet weet of hij nu door genade of door plicht, door Christus of door de werken moet zalig worden, hij zal het zoeken waar hi) het of meent te zullen vinden óf inderdaad vinden kan. Zoo zijn er velen. Dat nu bij dezulken de zucht ontstaat om zich af te scheiden leert de ondervinding, helaas, maar al te veel. Waar echter Christus, de Gekruiste, en Zijn gerechtigheid gepredikt wordt, daar behoeft men nimmer scheuring te vreezen".

Onderschreef Dr. Kohlbrugge de hierboven aangehaalde woorden van den Elberfeldschen predikant Sander — en waarom zou hij het niet doen ? — dan lag daarin toch nauwelijks meer opgesloten dan het constateeren van een algemeen erkend feit doch niet de principieele erkenning van het recht eener afscheiding Integendeel, wij zien reeds hier, dat hij afscheiding volstrekt afkeurde Het kwam bi) hem in de eerste plaats aan op de prediking van Jezus Christus, den Gekruisigde Zeer spoedig en beslist heeft hij zich tegen afscheiding verklaard, en alle verzoekingen daartoe, ook die welke door middel van trouwe aanhangers tot hem kwamen, afgewezen In dit verband willen WIJ ook nog wijzen op hetgeen hij later — m 1854 — schreef aan een vriendin Mej M Schorer te Middelburg, m antv/oord op haar viaag of zij zich, wegens den droeven roestand m de Kerk niet moest afscheiden Gij vraagt of daar het er m de Kerk zoo uitziet, gij u niet afscheiden moet Ik antwoord daarop ,volstrekt met 1" De Synode en de kwaad zaad strooiende predikanten maken de Kerk niet uit, maar de bedioefden om der bijeenkomst wille welke de Heere wel kent en die God verzameld heeft en verzamelt en verzamelen zal Toen de Lutherschen mij als hulpprediker hadden afgezet boden rijke Engelschen mij 100 000 gulden zoo ik mij aan het hoofd der afscheiding wilde plaatsen Ik nam mijn hoed en vertrok De minister Van Zuylen heeft bij herhaling hetzelfde gewild, ik heb hem steeds geantwoord, dat ik geen halve verlossing kende, dat ik aan het drievoudig snoer (Kerk, Oranje en Vaderland) vasthield, en dat ons land geen afscheiding leed (duldde) Uit het voorafgaande zagen wij, hoe Dr. Kohlbrugge zich tegen afscheiding verklaarde, nog vóórdat de eigenlijke ,,Afscheiding' kwam(1834). HIJ had toen daaromtrent zijn standpunt reeds ingenomen En elke poging om hem daarvan af te brengen, moest bij iemand als Dr Kohlbrugge ongetwijfeld schipbreuk lijden

Toen hl) m het begm van 1834 vanuit Elberfeld naar Utrecht terugkeerde, was de Afscheiding reeds m wording In het voorjaar van 1833 hadden n.1 twee predikanten. Ds Meyer Brouwer te Uithuizen en Ds Reddmgius te Assen elk een geschrift gepubliceerd, 'waarin de gereformeerde leer en haar voorstanders bestreden werden Daartegen schreef Ds. H. de Cock te Uirum m November 1833 een boekje, dat het niet alleen voor de gereformeerde leer opnam, maar ook aanvallend optrad tegen het m die dagen heerschend kerkeliik liberahsme. De titel van dit boekie luidde ,,Verdediging van de ware gereformeerde leer en van de ware gereformeerden, bestreden en ten toongesteld door twee zoogenaamde gereformeerde leeraars, of de Schaapskooi van Christus aangetast door twee wolven en verdedigd door H de Cock gereformeerd leeraar te Ulrum' — Hoewel deze verdediging heftig ja bijna grof was, zoo was zi) nochtans waar. Ds de Cock werd wegens dit geschrift door het Classicaal Bestuur van Middelstum voor onbepaalden tijd geschorst evenwel met behoud van tractement Het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen bevestigde dit vonnis, en verzwaarde het nog, door hem voor den tijd van twee jaar te schorsen maar nu met verlies van tractement

Dr Kohlbrugge had direct na zijn terugkomst uit Elberfeld bovengenoemd geschrift van Ds H. de Cock gelezen en was er diep door getroffen. Hier was iemand, die hetzelfde had aangedurfd als hij Iemand, die ook was opgetreden tegen een leer welke de grondwaarheden der Christelijke Kerk loochende, en die om des Evangelies wil bereid was, schorsing afzetting en mogelijke vervolging op zich te nemen En nadat de geschorste predikant van Ulrum hem om raad gevraagd had, schreef Dr Kohlbrugge hem een zeer hartehjken brief, waarin hij zijn mnige blijdschap uitsprak over het feit, dat hij in hem een beslisten medestrijder gevonden had Deze brief, gedateerd 3 Mei 1834, IS van zoo groote beteekenis, dat wij niet kunnen nalaten, er bieedvoerig op m te gaan, en wel omdat hieruit duidelijk blijkt, welk standpunt Dr Kohlbrugge ten opzichte van deze zaak mnam. Het begin luidt als volgt

Aan Ds de Cock te Ulrum

Eerwaarde zeer geachte en veelgeliefde Broeder m Christus den Eenige, Genade, vrede en barmhartigheid ZIJ U, Uw getrouwe aan den Heere verbonden echtgenoote en al des Heeren lie\e volk dat bij U uit- en ingaat overvloediglijk geschonken en rijkelijk vermenigvuldigd van God onzen Vader en van onzen Heere Jezus Christus Nadat ik uit Elberfeld in mijn ledig huis teruggekomen was, kreeg ik het allereerst Uw boek in handen, hetwelk de Heere U te schrij\en heeft gegeven tegen twee mannen wier namen ik verloren heb wier schriften verloren werk is en wier personen verloren zijn, tenzij de Heere Die rijk is in barmhartigheid Zich over hun zielen nog ontfermei) Ik verblijdde mij zoodanig m den Heere, dat ik Uw geschrift als verslond, voornamelijk omdat gij als een getrouw dienaar m Gods huis niet geraadpleegd hebt met vleesch en bloed, maar gehoorzaam aan de waarheid Gods zoo ernstig gewaarschuwd hebt tegen de paden des inbrekers en als een Pinehas, gedreven door den Ijvergeest des Heeren, te zwaard hebt aangetast de hoereerders m Israel -)

Temeer verblijdde mij dit omdat ik vooral gewaar werd, hoe de Heere U Zijn Vaderhart ontsloten en door Zijn Geest geopenbaard heeft, dat onze eeuwige zaligheid op recht gegrond is en dat recht en gerechtigheid de vaste grondslagen zijn van den troon onzes Gods en dat gelijk de zonde geheerscht heeft tot den dood alzoo ook de genade heerscht tot het eeuwige leven door Jezus Christus onzen Heere

Sedert dien tijd heb ik vurig verlangd, U of te schrijven of liever U van aangezicht te leeren kennen Ik weet niet wat mij tot nog toe belette U te schrijven of liever persoonlijk te bezoeken ; de Heere naar Wiens wil en op Wiens


Vervolgens adviseerde Dr Kohlbrugge hem m dezen brief om door te blijven preeken , Indien ik predikant geweest was, dat is mdien ik handoplegging ontvangen had gelijk gij i k zou mijn bediening blijven waarnemen Niet geschorst waart gij predikant van de Gemeente te Ulrum geschorst, zijt gij het van de Gemeente te Ulrum en van alle Gemeenten waar men U hooren wil Ik zeg niet dat g ij het daarom ook zoo doen moet maar i k zou het zoo doen mdien ik als predikant van een Hervormde Gemeente geschorst was Ik liet het steenen gebouw en den houten preekstoel staan waar ze stonden verzette mij tegen alle geweld dat de een of ander zou willen aanwenden om mij tegen het wettig bestuur te beschermen en liet met mij doen wat men goed achtte De Apostelen hebben immers ook geen geweld gebruikt Kracht of geweld van menschen, vleeschelijke wapenen doen het hem met maar zijn een gruwel in Gods oogen en altoos nadeelig voor de zaak der Waarheid, zooals de geschiedenis der Hussieten duidelijk bewijst — Passief (lijdelijk) moeten wij zijn m alles daarmede verwerven wij ons wel geen vrienden maar dat doet et niet toe Die er op m willen slaan zijn helpers van den duivel De door den Heere geroepen Apostelen gehoorzaamden m alles het wettig gezag, maar hun lippen lieten zij niet bedwingen zij lieten zich geeselen en boeien met een vroolijk gelaat, steenigen en half dood slaan maar in het ambt, hun van den Heere toevertrouwd waren zij getrouw Gij schijnt mijn meening (weergegeven m Het Lidmaatschap bij de Hervormde Gemeente hier te lande mij willekeurig belet) uitgelegd te hebben alsof de Gemeente geweld met geweld moest keeren en gij U aan het hoofd daarvan moest stellen Ik gruw van zulk een leer ' Uw plicht 18 te waken voor de kudde die U toevertrouwd IS U dapper tegen de wolven teweer te stellen gel'jk gij ook doet te protesteeren bij het Kerkbestuur, dat U geschorst heeft, en hun te laten weten, dat gi; niet anders kunt doen dan voortgaan het Evangelie te verkondigen en Uw ambt waar te nemen als voorheen al is het dan ook op buitengewone wijze

De brief besluit met de volgende troostwoorden ,,In eeuwigheid laat de Heere niet beschaamd worden die Hem verbeiden Nog een weinig tijds en HIJ komt Hij komt en wij gaan binnen in het Vaderhuis Daar zullen wij eerst recht heilig lachen ook over onze domheid, dat wij, koningskinderen, een weg, die toch zoo heerlijk was zoo vreeselijk vonden Vervloekt is de man die vleesch tot zijn arm stelt' Gezegend is de man, wiens verwachting de Heere is en die zich sterkt m Jehova, zijn God

Ziehier de hoofdgedachten uit den brief van Dr Kohlbrugge aan den geschorsten predikant van Ulrum Volgens zijn oordeel moest dus Ds de Cock die eenmaal de handoplegging ontvangen had na zijn schorsing doorgaan met preeken, wat daarvan ook de gevolgen mochten zijn maar verder passief blijven 1) Dan zou men het heil des Heeren zien ' — Helaas heeft Ds de Cock zich met aan den weigemeenden raad van Dr Kohlbrugge gestoord, maar den weg van afscheiding gekozen Ds de Cock — aanvankelijk lijdelijker dan Dr Kohlbrugge wilde — preekte met, maar later scheidde hij zich af en gmg hij tot formatie van een eigen vrije kerk over

Intusschen was er nog iets anders voorgevallen. WIJ moeten hier even teruggnipen op een vroegere bladzijde uit de levensgeschiedenis van Dr Kohlbrugge Tijdens zijn verblijf m het Wuppertal preekte hij op Woensdagavond 31 Juli 1833 in de Oude Gereformeerde (dat is Hervormde) Kerk te Elberfeld uit Romeinen 7 14 ,,Want WIJ weten, dat de wet geestelijk is maar ik ben vleescheli|k, verkocht onder de zonde" Die preek was de uiting van den grooten ommekeer, die er m 1833 bij hem had plaats gegrepen van zijn tweede bekeering Op grond van het klare Woord Gods verkondigde hi) met dit, dat we na ontvangen genade van de heilige Wet Gods ontslagen zijn zoodat we zouden kunnen doen wat we willen , integendeel, hi] handhaafde de Wet ten strengste m haar volle heiligheid Maar het streven van den mensch die de Wet nu zelf ter hand neemt om al heiliger te worden, nam hij onder felle critiek Een andere weg wordt hier gewezen aan hem, die bij alle kennis van zijn vleeschelijk-zijn, heilig begeert te wandelen, n 1 de weg des geloofs in den Heere Jezus Christus Die Zelf de planten reinigt welke Hij geplant heeft

Tegen deze preek kwam men van alle kanten op eerst in het Wuppertal, later ook m Holland in den kring van het reveil Niemand minder dan da Costa heelt haar fel bestreden en er ernstig tegen gewaarschuwd Het kwam tusschen da Costa en Dr Kohlbrugge tot een scherpe briefwisseling Deze twee personen, die tot nu toe boezemvrienden waren stonden van nu aan heftig tegenover elkander Willem de Clerq, die met beiden bevriend was, heeft er heel erg onder geleden Nog een twintig jaar later heeft da Costa een verzoekschrift van de vrienden van Kohlbrugge, gericht aan de Synode om Dr Kohlbrugge kerkelijk te


Doch — en daar wijzen wij nu inzonderheid op — ook ZIJ die zich straks zouden afscheiden, sloten zich aan bij de veroordeeling van die preek, omdal ZIJ niet vrij zou zijn van antmomianisme (wetsverwerpmg) Het is vooral Scholte i) — de organisator van de Afscheiding — geweest, die deze beschuldiging uitte Toen Scholte eens tot Dr Kohlbrugge zei ; „Die preek van )ou over Romeinen 7 14 is vervloekt ' kreeg hij ten antwoord Dan zijt gij ook vervloekt met al uw doen '

In later jaren heeft Dr Kohlbrugge zelf over deze beschuldiging geschreven aan een zekeren Lucas Smit te Westmaas ,, in 1833 verscheen van mij een leerrede over Rom 7 14 Zij die spoedig daarop de Afscheiding invoerden, verwierpen die leerrede en beschuldigden mij van antmomianisme of wetsbestnjdmg Ik bestudeerde toen alle boeken, die ooit door de antmomianen uitgegeven zijn Dat noemde ik en dat noem ik nog onschuldig bloed vergieten, om namelijk iemand te beschuldigen van die ketterij aller ketterijen waarvan mijn ziel een afschuw heeft Zij verwierpen m mijn persoon het getuigenis, waarin de redding van land en Kerk lag Tegen al mijn waarschuwen m werd de Afscheiding begonnen en voortgezet Honderden die in twijfel stonden of zij zich zouden afscheiden, vroegen eerst aan mij, hen m den Naam des Heeren te zeggen wat hier de rechte weg was Zij hoorden dit aan, kwamen telkens terug, zeiden eindelijk dat zij maar niet tot klaarheid konden komen en scheidden zich mtusschen spoedig af Zij, die , de Kerk" vormden, gingen kerkjes stichten, lieten zich door onbekeerde jongens drijven om naar vleesch te kunnen wandelen en verwierpen in mij den door God gezonden en door veel lijden toebereiden getuige, die weer met de leer kwam, welke God op het hoogst verhoogt en den mensch op het diepst verootmoedigt Die ik liefhad keerden mij den rug toe en de vijanden kregen hun zin".

Dr. Kohlbrugge heeft dus bli|kens het voorafgaande duidelijk verband gezien tusschen de Afscheiding en de veroordeeling van zijn preek over Rom 7 14 Hieiuit vooral is zijn scherpe afwijzing van de beweging der Afscheiding te verklaren

In het jaar 1839 schreef Ds A Brummelkamp predikant der Afgescheidenen te Hattem, aan Dr Kohlbrugge een brief waarin hij hem vroeg waarom hij zich tot dusverre van hen verwijderd had gehouden, en of hij een eventueel beroep naar een

van hun Gemeenten zou willen aannemen. De hoofdmhoud van dezen brief luidde als volgt • ,,Om welke redenen gij u tot dusverre van ons verwijderd houdt en op uzelf blijft, weet ik niet, maar ik heb steeds gemeend, dat het onze roeping was u te vragen en uit te noodigen om u met onze Gemeenten te vereenigen Daar onze Gemeenten tot dusverre slechts weinig leeraren hebben, heb ik aan verschillende vacante Gemeenten voorgesteld u te beroepen. Dientengevolge ben ik thans door de Classis m den omtrek mijner woning verzocht u te schrijven en te vragen ten eerste, of gij aan ons wilt opgeven de redenen, welke u tot dusverre van onze Gemeenten verwijderd hielden , ten tweede, of gij, een wettig beroep ontvangende, om m een Gemeente van Christus als Herder en Leeraar werkzaam te zijn, dat beroep zoudt moeten en willen aannemen Vriendelijk verzoek ik u, dat gij mij binnenkort op deze vragen antwoordt. Dat onze Gemeenten zulks vooraf vragen, alvorens u te beroepen, zal u wel niet bevreemden, zoo gij u herinnert en bedenkt, dat gij in de laatste jaren zeer verschillend beoordeeld zijt, ja openlijk veroordeeld door de zoodanigen, die vroeger als broeders met ons verkeerden

Dr Kohlbiugge antwoordde in een brief, die voor Ds. Brummelkamp persoonli]k zeer harteli)k was, maar m zijn oordeel over de Afscheiding en hen, die haar op touw hadden gezet, heel scherp We willen enkele passages uit dezen brief naar voren brengen

, Brummelkamp ' voordat er een Afgescheiden Gemeente was, is er een zonde begaan, is er onschuldig bloed vergoten, dat den vloek heeft doen kleven ook op hen, die de Afscheiding begonnen, voortgezet en tot hiertoe tezamen gehouden hebben, hetzij bewust of onbewust Op allen kleeft dat oordeel, die die zonde begaan of zich bij de vergietersvandatbioedaangesloten hebben endien zoolang het eigen ik er niet mede gemoeid was, gehoorzaamd hebben, zonder die zonde w as er zeker geen Afscheiding gekomen, en gi|lieden hadt het heil des Heeren gezien met kracht, met wonderen en met teekenen van den God Israels" ....') Verder noemde Dr Kohlbrugge het gezegde van

Verder noemde Dr Kohlbrugge het gezegde van Ds Brummelkamp, als zou hij zich van de Afgescheidenen verwilderd houden, ongemotiveerd : En zoo IS dan hetgeen gij schrijft, als zou ik mij van ulieden verwijderd hebben tenminste wat de Afgescheidenen van Utrecht en zelfs van vele andere plaatsen m ons land aangaat, een onrechtvaardige gedachte van u Te Utrecht hebben zij allen niet een uitgezonderd voor de Afscheiding persoonlijk omgang met mij gehad — Ik bleef altijd thuis, om een iegelijk met des Heeren Woord en met de vertroostingen, w^aarmede de Heere mij vertroostte te dienen — Zij hebben mij de een 1) Blijkens zijn brief aan Lucas Smit te Westmaas



Dr. Kohlbrugge schilderde zijn toestand in die dagen als volgt : ,,\Vat kon ik, arme man, doen ? Eerst uitgesloten door het Luthersche Consistorie (den Kerkeraad der Hersteld-Luthersche Gemeente te Amsterdam), daarna drie jaren gekweld door alles wat zich heerschappij aanmatigt in de Hervormde Kerk, en ten laatste met vrouw en kinderen uitgesloten van het Lidmaatschap en de Sacramenten, toen door het Pruisische Ministerie voor altijd van den kansel der Rijnprovinciën verbannen, omdat ik geen Union of Agenda goed kon heeten. Bij mijn terugkomst slechts door een enkele getroost, van schier allen verworpen ; toen heeft men een Afscheiding op touw gezet, men heeft mij niet gezocht, niet gevraagd, wat moest ik nu doen ? Moest ik Scholte of een anderen voorganger der Afgescheidenen naloopen en zeggen : ,,Neem mij toch in uw midden op, laat mij meedoen, ik moet mede zitting hebben, mede Synode houden, mede wetten en verordeningen maken 1" ? — Zoo had ik mij ongeroepen moeten indringen, en dat in een tijd waarin men het goede pand, dat de Heere mij heeft toevertrouwd, op het hevigst begon te verachten ; in een tijd, toen de Heere mij deed zien en onbewimpeld getuigen, dat juist zij, die het meest van de gerechtigheid van Christus spraken, zoo weinig tot die gerechtigheid Gods, geopenbaard in het Evangelie des Gezalfden, kwamen"... Met grooten ernst wees Dr. Kohlbrugge in het vervolg van zijn brief Ds. Brummelkamp en de zijnen op het verkeerde van de Afscheiding : ,,Zeg aan die mannen, Brummelkamp ! zeg aan die mannen des Heeren Woord : 1°. De akker waarop, en de zaaier door wien de Afscheiding het eerste gezaaid werd, en de wijze waarop zij gezaaid werd, zijn vervloekt van den Heere Zebaoth, den sterken en geweldigen God, Die met Zijn getuigenis niet laat spotten. Die woont bij degenen, die van een verslagen en verbroken geest is, en die voor Zijn Woord beeft 2°. De leer uwer Gemeente is niet de leer van Christus, is niet een wandelen naar Geest, maar naar vleesch, en de geest, die onder u is uitgegaan, is een leugengeest in den mond van al uw profeten, en uw werken zijn niet vol bevonden voor God ; maar gijlieden hebt des Heeren Wet verlaten en loopt goden na, die geen goden zijn "

En zoo veroordeelde Dr. Kohlbrugge niet alleen heel de wijze, waarop de Afscheiding tot stand was gekomen, maar ook dit, dat ze aan de Regeering verzocht hadden om door haar als ,,Christelijk Afgescheiden Gemeente" erkend te worden.

Zoo Aveinig ik de Afgescheiden Gemeente, in haar ontstaan als zoodanig, ais Gemeente des Heeren erken, erken ik haar allerminst als zoodanig voor het tegenwoordige. Want in de wijze, waarop de Afgescheiden Gemeenten haar erkenning bekomen hebben of deze zoeken, hebben zij zich tot een secte gemaakt en getoond, dat zij zelve niet gelooven de Gemeente des Heeren te zijn. Hoe zal dan de Koning der koningen hen er voor erkennen? Hoe zijn dienaar (dat is Dr. K zélf) ?" Ik kan in geen Afgescheiden Gemeente komen, zooals ze ontstaan, voortgezet en nu erkend is, zonder haar allereerst te prediken, dat haar grond voos en haar geheele bestaan ongerechtigheid is, en dat men naar vleesch wandelt. — Ik kan me er niet in begeven, zonder de Afgescheiden Gemeente als zoodanig af te breken met het getuigenis van Jezus"

Evenwel keurde Dr. Kohlbrugge ten strengste af, dat de Afgescheidenen door de machthebbers gekweld en vervolgd waren : ,,Ik ben ulieden niet vijandig, integendeel, allen, die ulieden vijandig zijn, zullen het oordeel dragen. Het Gouvernement (de Regeering) en de Gouvernementskerk (de Hervormde Kerk) hebben gezondigd door u te vervolgen, te kwellen, te martelen ' Ziehier de hoofdinhoud van Dr. Kohlbrugge's

Ziehier de hoofdinhoud van Dr. Kohlbrugge's brief aan Ds. Brummelkamp. Dr. Kohlbrugge oordeelde dus, dat de beweging der Afscheiding en het van harte beamen van hetgeen hij in zijn preek over Romeinen 7:14 getuigde, niet met elkander in overeenstemming waren te brengen. Hij heeft dus de Afscheiding beschouwd, niet als iets waartoe hij van God geroepen was, maar als een werk des vleesches, waarbij de mensch het zoekt in eigen doen, en daardoor juist door de Wet veroordeeld wordt. Hoewel de Afscheiding hem, den begaafden prediker, zeker gelegenheid zou hebben geboden om Gods Woord te verkondigen, bleef hij liever ambteloos en eenzaam in zijn stillen huiselijken kring te Utrecht, slechts met enkele vrienden correspondeerende, dan mee te gaan met deze beweging. Zoo bleef het tot zijn tweede verblijf in Duitschland, dat zulk een omkeer in zijn lot zou brengen. Daar zou hem langs ongedachten weg de toegang tot den kansel geopend worden.

Hiermede zijn wij aan het einde van ons onderzoek aangaande He houding van Dr. Kohlbrugge ten opzichte van de Afscheiding gekomen. Hetgeen we daarvan gezegd hebben vatten we nu samen in de volgende stellingen :

I. Nog voor de eigenlijke Afscheiding kwam, heeft hij zich tegen afscheiding verklaard, omdat hij — tegen al het zichtbare in — vasthield aan het drievoudig snoer : Kerk, Oranje, Vaderland, — en daarom het oprichten van een tegen-Kerk als een revolutionaire daad beschouwde.

II. Bij het naderen van de Afscheiding heeft hij den geschorsten predikant van Ulrum, Ds. de Cock, geadviseerd, voort te gaan met de verkondiging van het Evangelie, maar overigens passief te blijven.

III. Toen de Afscheiding een feit geworden was, heeft hij haar scherp veroordeeld,

a. omdat Ds. de Cock indertijd aan zijn weigemeenden raad geen gehoor had gegeven ; b. omdat de leiders der Afscheiding (vooral Ds.

b. omdat de leiders der Afscheiding (vooral Ds. Scholte) zijn getuigenis over Romeinen 7:14 verwierpen en hem van antinomianisme beschuldigden ;

•c. omdat de Afgescheiden Gemeenten door de wijze waarop zij door de Regeering waren erkend geworden, zich tot een secte hadden gemaakt — en daarmede de Nederlandsche Hervormde Kerk erkenden als de Gereformeerde Kerk der vaderen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1947

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Dr. H. F. Rohlbrugge en de Afscheiding.*

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1947

Kerkblaadje | 8 Pagina's