De heilige ontvangenis en geboorte van Christus*
Heid. Cat. Zondag 14.
Wij gaan vanmiddag het derde geloofsartikel behandelen, zooals dit ontwikkeld is in den Heid. Cat., Zondag 14, vr. en antw. 35, 36.
I. 1. Het derde geloofsartikel luidt: „Ik geloof in
1. Het derde geloofsartikel luidt: „Ik geloof in Jezus Christus, Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria", Het is gemakkelijk uitgesproken, maar de beteekenis ervan wordt niet zoo spoedig verstaan. Het bevat immers de belijdenis van hetgeen Paulus noemt : ,,de verborgenheid der godzaligheid, die groot is", ,,God is geopenbaard in het vleesch". Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, is als
Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, is als een kindeke ontvangen in den moederschoot van Maria en als een kindeke uit haar geboren. Onwillekeurig worden we bij het uitspreken van deze gedachte herinnerd aan de woorden van Lampe :
De eeuwige Zoon van God, Die waarachtig en eeuwig God is en blijft, heeft een ware menschelijke natuur aangenomen — dat is de hoofdgedachte, waaraan wij allereerst onze aandacht schenken. Om dit recht te verstaan, wijzen we er onmiddellijk'op, dat hier niet staat: .,de eeuwige Zoon van God heeft Zijn goddelijke natuur prijsgegeven, en in plaats daarvan de menschelijke natuur aangenomen". Als dat inderdaad het geval was, dan zou Christus, Die God was, in een mensch veranderd zijn, b.v. zooals de staf van Mozes in een slang veranderde. Toen Mozes op ^ Gods bevel de staf ter aarde geworpen had, werd zij een slang : toen was er geen staf meer, doch alleen een slang ! Zóó is het echter in de verste verte niet met de menschwording van den Zoon Gods. De Zoon heeft bij dat groote feit niet Zijn goddelijke natuur verloren, maar die behouden, zoodat Hij in het vervolg twee naturen heeft, n.1. de goddelijke en de menschelijke.
Een — zwak — beeld kan dit duidelijk maken. Denkt u een koningszoon, een prins van den bloede dus, die geheel vrijwillig, met toestemming van den koning, het paleis van zijn vader verlaat en een werkpak r.^rtrekt om onder en vc\c* de geringste orderdanen te arbeiden, zoodat iemand, die hem niet kent, hem van de anderen niet kan onderscheiden. Blijft hij — hoe diep hij zich ook vernederd heeft — toch niet de koningszoon, de prins van den bloede ? — Zeer zeker ! Zoon geval is ons uit de geschiedenis wel bekend. Peter de Groote, Czaar aller Russen, heeft zijn troon en rijk verlaten om in ons vaderland als gewoon scheepstimmerman te arbeiden op de werven te Zaandam. Toch was en bleef hij de Czaar aller Russen en keerde hij straks terug in den staat, die hem paste. Welnu, zóó is het ook met onzen Heere Jezus Christus gegaan. Hij, de eeuwige Zoon van God, is en blijft God in alle eeuwigheid. Dat kan niet anders, want al wat God is, is onveranderlijk. Zijn goddelijke natuur kon Hij niet verliezen. Daarom is Hij, mensch geworden, toch God gebleven, en blijft het eeuwig. De aanneming der menschelijke natuur heeft Zijn godheid geenszins opgeheven of vernietigd. Wel heeft Hij, Die in de gestaltenis Gods was vóórdat Hij de menschelijke natuur aannam, Zich daarvan ontledigd, d.w.z. Zich ontdaan van den goddelijken glans, de goddelijke majesteit en heerlijkheid — maar Hij bleef bij dat alles God uit God, Licht uit Licht. Daarom heeft Hij ook in de dagen Zijns vleesches beleden de Zoon Gods, Gode gelijk, te zijn. Daarom heeft Hij ook in het hoogepricsterlijk gebed gesproken : ,,En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer 40
de wereld was ', m de veronderstelling, dat deze heerlijkheid Zijn recht was, en Hem toekwam Daarom hebben ook Zijn Apostelen Hem ook na Zijn hemelvaart aan de Gemeente gepredikt als den waarachtigen God, boven allen te prijzen m der eeuwigheid Daarom blijven wij ook, ondanks alle tegenspraak, op grond van de getuigenissen der Heilige Schrift, met onzen Catechismus en de Belijdenis onzer Gereformeerde Kerk, vasthouden, dat Jezus Christus de eeniggeboren Zoon Gods, waarachtig en eeuwig God is en bhjft, ook al heeft HIJ de menschelijke natuur aangenomen
,,De eeuwige Zoon van God, Dié waarachtig en eeuw ig God is en bhjft, heeft een ware menschehike natuur aangenomen".
Op dat woordje ,,ware" moeten wij letten Er zijn immeis menschen geweest, die geleerd hebben, dat de Zoon Gods alleen m schijn mensch geweest is , dat Hij uiterlijk wel op een mensch geleek, maar toch m werkelijkheid geen mensch was. Dat is al in de eerste eeuwen der Christelijke Kerk geleerd, maar het werd ook gepredikt m de dagen, waarin onze Catechismus werd opgesteld, t w. door Menno Simons, den vader der Mennisten, die tegenover den gereformeerden predikant Johannes a Lasco volhield, dat de Heere Jezus ook Zijn vleesch uit den hemel had meegebracht. Tegenover deze dwalingen hebben wij vast te
Tegenover deze dwalingen hebben wij vast te houden, dat de Zoon Gods een ware menschelijke natuui heeft aangenomen. Hij is waarachtig mensch geweest, zooals de Heilige Schrift ons duidelijk leert. Niets menschelijks was Hem vreemd. Hij had een menschelijke ziel en een menschelijk lichaam, evenals wij, Hij kende menscheliike behoeften en menschelijke aandoeningen Vreugde en smart, toorn, droefheid, angst en nood merken WIJ bij Hem op, zooals de Schrift Hem ons teekent Honger en dorst en vermoeidheid heeft Hij gekend, niet anders dan wij. Hij heeft alles doorgemaakt, wat WIJ menschen hier beneden hebben door te maken. Hij was daarin niet van ons onderscheiden, maar ons gelijk Als een mensch heeft HIJ hier beneden geleefd Als een hulpeloos kind heeft HIJ gelegen m de armen van Zijn moeder, IS HIJ opgegroeid als ieder ander kind; als een mensch zwak en onvermogend als wij, heeft Hij geleefd uit de hand van Zijn Vader, m volkomen afhankelijkheid van Hem, als een mensch heeft Hij geworsteld en gebeden; als een mensch heeft Hij geloofd, terwijl Hij Zich vastklemde aan het Woord van Zijn Vader, als een mensch heeft Hij ook aan het hout des kruises den adem uitgeblazen. Kortom, uit alles blijkt, dat onze Heere Jezus Christus een ware menschelijke natuur heeft gehad
2. Hoe IS Hij aan die ware menschelijke natuur gekomen ^
HIJ heeft die aangenomen uit het vleesch en bloed der maagd Maria, door de werking des Heiligen Geestes
Dat is geschied naar den Raad Gods van onze verlossing, naar den Raad, die door den Heere be-kend is gemaakt allereerst m het Paradijs, toen HIJ, den gevallen mensch tot heil, de belofte gaf van het Zaad der vrouw, dat de slang den kop zou vermorzelen Ook door den mond van Jesaja heeft de Heere dezen Raad geopenbaard, toen Hij dezen profeet aan konmg Achaz liet zeggen : ,,Ziet, de maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn Naam Immanuel heeten" — God met ons !
Maria, de maagd uit Davids geslacht, is de maagd, die Jesaja m den geest heeft gezien. God heeft haar uitverkoren, opdat de Christus, de Gezalfde des Heeren, uit haar de menschelijke natuur zou aannemen. Niet omdat Maria een vrouw was, voortreffelijker dan andere vrouwen, o neen . zij was een zondares, gelijk al haar zusters — maar naar Zijn vrijmachtig welbehagen, naar hetwelk de Heere God het oog slaat niet op machtigen, maar op datgene, wat bij de menschen niet m tel is. Jezus Christus is Maria s Zoon geweest, zooals WIJ zonen en dochters van onze moeders zijn, vleesch van haar vleesch en been van haar been. Het vleesch en bloed der maagd Maria heeft Hij aangenomen. Op dat woord ,,maagd" ligt alle nadruk. Het is een wonderlijke zaak, voor het vleeschehjk verstand een groote dwaasheid, dat een ongerepte maagd een zoon baart De Joden uit de dagen van den Heere Jezus hebben dit ook niet geloofd — ja Hem zelfs zijdelings aangewreven, dat HIJ uit hoererij geboren zou zijn. En WIJ weten, dat ook heden velen, niet alleen Joden, maar ook z.g n. Christenen de wonderbare geboorte van onzen Heiland loochenen Maar zoolang Gods Woord Gods Woord zal zijn, zoolang zal het ook waarachtig blijven, dat de belofte Gods, door Jesaja uitgesproken, vervuld is en met één woord daarvan ter aarde is gevallen, en allen, die het loochenen, zijn geen Christenen Zoo lang zal het waarachtig blijven, dat Jezus Christus de Zoon is van de maagd Maria. Het onmogelijke is geschied ! Wat God door den engel Gabriel aan Maria het aanzeggen, is een feit geworden : ,,Vrees met, Maria ! want gij hebt genade bij God gevonden. En zie, gij zult bevrucht worden en een Zoon baren, en zult Zijn Naam heeten Jezus". Ook Maria kwam dit vreemd voor. Hoe dat gebeuren zou, verstond zij met. Evenwel heeft zij met m ongeloof het Woord des Heeren verworpen, maar m alle bescheidenheid gevraagd ,,Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man beken ?' Gabriel antwoordde . ,,De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen, daarom ook, dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden". Hl) wees haar tot haar versterking op hetgeen de Heere aan haar nicht Elisabeth gedaan had in haar ouderdom, en zeide ,,Want geen dmg zal bij God onmogelijk zijn'. — En Maria maakte geen tegenwerpingen, maar onderwierp zich m geloof aan 's Heeren bestel, sprekende : „Zie, de dienstmaagd des Heeren ! mij geschiede naar uw woord '.
Het woord, dat door haar geloofd werd, is ook gekomen, zooals dit altijd het geval is.
„Ais Maria, Zijn moeder — zoo lezen we in Matth. 1 — met jozef ondertrouwd was, eer zij samengekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest". De Heilige Geest kwam over haar met Zijn almachtige werking, met Zijn scheppende kracht — zóó werd zij bevrucht en baarde, ter ure door den Heere bepaald, haar eerstgeboren Zoon. Van den wil des vleesches, noch van den wil des mans is hier ook maar eenigszins sprake — de vinger Gods heeft dit alles gewrocht.
En dat niet naar willekeur, maar naar noodzakelijkheid. De geboorte uit de maagd was voor onzen Heiland noodwendig. Was Hij niet uit de maagd geboren, maar langs den door God aan de menschheid voorgeschreven, natuurlijken weg ter wereld gekomen, dan zou Hij evenals wij in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren zijn; dan zou de Heere Jezus dus ook erfzonde gehad hebben. Dan zou Hij niet in staat zijn geweest, ons te verlossen, omdat Hij Zelf onder de heerschappij der zonde zou hebben gelegen. En juist om ons te verlossen, moest Hij de menschelijke natuur aannemen, om daarin onze zonde, schuld en straf te dragen en uit te delgen door Zijn zeer bitter lijden en sterven. Mensch moest Hij zijn, uit Adams geslacht, om voor den mensch te kunnen intreden bij God — maar tegelijkertijd moest Hij de tweede Adam zijn : er moest een nieuw begin worden gemaakt. Daarom heeft de Heere iets nieuws op de aarde geschapen. Hij deed Zijn Zoon geboren worden uit een maagd, na in haar ontvangen te zijn van den Heiligen Geest.
3. De eeuwige Zoon van God, Die waarachtig en eeuwig God is en blijft, heeft een ware menschelijke natuur aangenomen uit het vleesch en bloed der maagd Maria — opdat Hij ook het ware Zaad van David zij. Zijn broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Het Zaad van David moest Hij zijn, want de
Het Zaad van David moest Hij zijn, want de Heere God had al de eeuwen door, die na David verloopen zijn, verkondigd, dat de Verlosser uit Davids geslacht zou voortkomen. Wij hebben er bij een vroegere gelegenheid eens op gew^ezen, hoe de Heere de belofte steeds binnen altijd enger wordende grenzen heeft besloten : in het Paradijs spreekt Hij alleen van het Zaad der vrouw, zonder eenige nadere aanwijzing. Daarna wordt de belofte beperkt tot het geslacht van Sem, van Abraham, van Izak, van Jakob, van Juda, om ten slotte te worden gehecht aan David en zijn huis. Aan David heeft Hij beloofd : „Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en gij met uw vaderen zult ontslapen zijn, zoo zal Ik uw^ Zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal Zijn Koninkrijk bevestigen. Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal den stoel Zijns Koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid".
Daarom moest de Christus het ware Zaad van David zijn. Het ware Zaad, dat is : het Zaad, waarop de Heere God altijd het oog heeft gehad — en dat in werkelijkheid uit Davids lendenen is gesproten en dus vleesch van zijn vleesch is. Deze belofte kon alleen vervuld worden, doordat de Zoon Gods de ware menschelijke natuur aannam uit het vleesch en bloed der maagd Maria. Maria was immers de laatste uit Davids geslacht in de koninklijke linie, die over Salomo loopt. Dat leeren we uit het geslachtsregister in Matth. 1. Aangezien de Christus als Koning aan David beloofd was. als Koning, Die zitten zou op den troon Zijner vaderen, ligt het voor de hand, dat de belofte in die koninklijke linie lag, dat het beloofde Zaad van David ook het Zaad moest zijn van Salomo, van Rehabeam, van Hizkia en degenen, die na hen gevolgd zijn. En daar Maria, de maagd, naar 's Heeren bestel, de laatste was uit de koninklijke lijn, moest de Zoon Gods uit haar geboren worden, zooals in de volheid des tijds dan ook is geschied. Daarom heeft Christus dus uit Maria, en niet uit een andere vrouw, de menschelijke natuur aangenomen.
Als het ware Zaad van David moest Hij ook Zijn broederen in alies gelijk zijn, uitgenomen de zonde. Daarop wijst de Apostel ons in den Brief aan de Hebreeën, als hij schrijft : „Want zulk een Hoogepriester betaamde ons (hadden wij noodig overeenkomstig de taak, die Hij voor ons vervullen moest), heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hooger dan de hemelen geworden". Hij moest bij eigen ervaring alle moeiten en bezwaren kennen, waarmee Zijn broederen te kampen hebben, zou Hij behoorlijk medelijden kunnen hebben met de onwetenden en dwalenden en met barmhartigheid jegens hen vervuld kunnen zijn.
Dat doel is bereikt, doordat Hij het ware Zaad van David geworden is, doordat Hij vleesch en bloed aangenomen heeft. Daarop wijst ons wederom de Apostel in den Brief aan de Hebreeën, als hij schrijft : ,,Overmits dan de kinderen (dat wil hier niet zeggen : de kleine kinderen, maar degenen, die door God naar Zijn eeuwigen Raad tot het kindschap zijn uitverkoren en tot kinderen Gods worden aangenomen)des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is Hij ook desgelijks derzelven deelachtig geworden" — en ,,waarom Hij ook in alles den broederen gelijk moest worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw Hoogepriester zou zijn".
Hij is den broederen in alles gelijk geworden — in gedaante bevonden als een mensch, met dezelfde behoeften en aandoeningen, terwijl Hij dezelfde ontwikkeling doorloopen heeft van de wieg tot het graf, precies als zij. Maar bovenal is Hij den broederen hierin gelijk geworden, dat Hij in vleesch is gekomen.
Zij toch, die Hij Zich niet schaamt broeders te noemen, zij zijn vleesch, krachtens hun geboorte uit Adam. En wat dat zeggen wil, vleesch te zijn, dat weet ieder wel, die door den Geest Gods wedergeboren is. De ondervinding van eiken dag leert het ons wel Vleesch zijn wij, vervreemd van het leven Gods dood in zonden en misdaden onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad liggend onder den vloek en den toorn Gods
Daarin nu is de Zoon Gods, Die waarachtig en eeuwig God is en blijft, Zijn broederen gelijk geworden HIJ heeft dien toestand, dien staat, geheel vrijwillig aanvaard zoodat onze zonde onze schuld onze vloek op Hem lag en de toorn Gods die tegen ons brandde, op Hem heeft gerust Christus IS m dit opzicht gelijk aan iemand, die de schuld van een ander op zich neemt, zoo iemand staat met den schuldenaar gelijk in zooverre hij de schuld op zich voelt drukken en voor de betaling moet zorgen Intusschen bestaat er een hemelsbreed verschil deze persoon heeft de schuld niet zelf gemaakt maar die overgenomen van een ander Zoó is het ook met Christus Daarom zegt Paulus niet dat God Zijn Zoon gezonden heeft ,,m het zondige vleesch maar in gelijkheid des zondigen vleesches En dat is met hetzelfde ei ib een groot onderscheid ' Ons zondaren, is het vleesch eigen krachtens onze natuur, — maar het vleesch is voor Christus iets dat aan Zijn natuur volkomen vreemd is De verhoudmg van Christus tot het zondige vleesch is een heel andere dan de onze WIJ zijn zelf vleesch Christus heeft het vleesch dat Hem vreemd was, aangenomen om onzentwil Hij is m onzen kerker ingegaan, om ons daaruit te verlossen Om onzentwil heeft Hij ervaren wat het zeggen wil, vleesch te zijn — heeft Hl) de zwakheden des vleesches gekend en de aanvechting des vleesches gevoeld Maar Hi; heeft er niet aan toegegeven, integendeel door den eeuwigen Geest Die op Hem was, het vleesch overwonnen, de macht des vleesches teniet gedaan Hij heeft geen zonde gekend Daarom zegt onze Catechismus ook, dat Hij Zijn broederen m alles gelijk IS geworden uitgenomen de zonde
Gemeente ' welk een diepte van vernedering heeft de Zoon Gods Zich om onzentwil getroost' Denk u dat maar eens een oogenbhk in Hij Die m heerlijkheid was bij den Vader heilig en rem — HIJ is m onzen jammerstaat van zonde vloek en toorn mgedaald Welk een liefde heeft Hij toch ten toon gespreid Een liefde waarvan wij ons geen denkbeeld kunnen vormen Zoolang wij voortleven m een waan van gerechtigheid ontdekken WIJ die liefde niet Maar wanneer wij door den Geest Gods aangeraakt beseffen dat wij menschen zijn vleesch en niets meer — dan is die liefde voor ons zoo groot dat wij er door overweldigd worden zooals de koningin van Scheba overweldigd werd toen zij de heerlijkheid van Salomo zag Dan verheugen wij er ons ook met onuitsprekelijke vreugde over, dat de Zoon Gods een ware menschelijke natuur heeft aangenomen uit het vleesch en bloed der maagd Maria
II
Ja als ons een blik wordt gegund in dit heil-geheim Gods, dan vervult blijdschap onze ziel, want waarlijk hier wordt ons een fontein des heils geopend, waaruit met volle stroomen lafenis toevloeit aan ieder, wiens ziel dorst naar de gerechtigheid die voor God geldt Daarop vestigt onze Catechismus dan ook aanstonds de aandacht Hij vraagt ,,Wat nuttigheid bekomt gij door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus '^ en het antwoord luidt. ,,Dat Hij onze Middelaar is, en met Zijne onschuld en volkomen heiligheid mijne zonde waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt
Allereerst hebben wij dus deze nuttigheid, dat Hij onze Middelaar is Een Middelaar is iemand, die tusschen God en ons m staat, die God bij ons, en ons bij God vertegenwoordigt, die onze zaken bij God m orde brengt Zulk een Middelaar hebben WIJ noodig — zonder een Middelaar kunnen we het met stellen, zooals wi) tevoren uit het onderwijs van den Catechismus hebben gehoord God kan met ons, onremen, die regelrecht met Gods heilige Wet m strijd zijn mets te doen hebben en met m gemeenschap treden Daarom moeten wij een Middelaar hebben — en wel zulk een die waarachtig God is, en tegelijkertijd waarachtig en rechtvaardig mensch Welnu, aan deze voorwaarden beantwoordt Christus volkomen Hij, de eeuwige Zoon van God heeft een ware menschelijke natuur aangenomen — Hij is waarachtig mensch daar Hij het vleesch en bloed der maagd Maria deelachtig is, — maar ook rechtvaardig mensch omdat Hij, ontvangen van den Heiligen Geest geboren uit de maagd Maria, geen zonde heeft En daarbij is en blijft Hij waarachtig God Zoo is HIJ inderdaad de Immanuel God met ons ' Dat is de eerste nuttigheid die wij hebben door A? heilige ontvangenis en geboorte van Christus Deze uitdrukking heilige ontvangenis en geboorte vereischt nog een korte toelichting Christus is heilig ontvangen en geboren De roomsche kerk zegt, dat Hij uit een heilige maagd is geboren doordat Maria ook al onbevlekt ontvangen en geboren was Was dat inderdaad het geval, dan zou Maria zelf Christus niet noodig gehad hebben dan Zou Mana zonder Christus zalig zijn geweest dan behoefde Maria niet verlost te worden Maria echter wordt ons in de Schrift geteekend als een zondares, zij heeft genade bij God gevonden Dat zegt reeds genoeg En ook haar eigen lofzang doet ons gevoelen hoezeer zij zichzelf als een zondares kende
Wij moeten de heilige ontvangenis en geboorte ook niet zoo verstaan, zooals velen heden ten dage doen alsof Christus in het lichaam van Zijn moeder een reiniging had ondergaan Neen niets daarvan Wat ontvangen is van den Heiligen Geest heeft geen reiniging noodig maar is van stonden aan heilig en rem — want hoe zou uit den Heiligen Geest ooit iets onreins kunnen voortkomen ' Aan Christus is nooit iets onreins geweest Daarom heeft de engel Gabriel ook gezegd , Het heilige dat uit u geboren zal worden zal Gods Zoon genaamd worden".
Van deze heilige ontvangenis en geboorte van Christus hebben wij de nuttigheid, dat Hij onze Middelaar is. Daarin ligt eigenlijk.alles reeds opgesloten. Maar om het gewicht der zaak tot onzen troost nog duidelijker in het licht te stellen, voegt ons leerboek er bij : ,,en met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt", ,,Ik ben fn ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen". Dat moeten wij allen met David belijden. En dat is geen kleine zaak. De erfzonde alleen is reeds voldoende om ons voor eeuwig verloren te doen zijn. Want wanneer de Hcere God ons aanziet, zooals wij ter wereld komen, vervreemd van Hem — is Hij dan niet in Zijn recht, als Hij ons voor eeuwig van-Zijn aangezicht verwerpt ?
Wanneer wij daarover bekommerd zijn, dan schenkt het Evangelie Gods ons een liefelijken troost : Christus is heilig ontvangen en geboren. Er heeft een ruiling plaats. Die erfzonde heeft Christus op Zich genomen, met den vloek en toorn, die daarop rusten. En Hij bedekt ons met Zijn onschuld en volkomen heiligheid — zoodat God aan ons, voorzoover wij in Zijn Christus gelooven, geen zonde ziet, maar enkel de onschuld en volkomen heiligheid van Christus. ,,Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft God zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem".
Na al wat wij overdachten, zal het ons wel duidelijk zijn, van hoe groote beteekenis dit derde geloofsartikel is. Waarlijk Gemeente ! zij dwalen wel zeer, die de belijdenis van de vleeschwording des Woords verwerpen, of als een onverschillige zaak beschouwen. Zij dwalen wel zeer, die de wonderbare geboorte van den eeuwigen Zoon Gods uit de maagd Maria loochenen, of meenen, dat men evengoed zalig kan worden, wanneer men niet gelooft dat Jezus Christus ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria. Wie dat niet gelooft, die gelooft de beloften des Evangelies niet, die is geen Christen, al draagt hij ook den Christennaam. En wie de beloften des Evangelies niet gelooft, die gelooft niet het getuigenis, dat God van Zijn Zoon getuigd heeft. Wie God niet gelooft, die heeft Hem tot een leugenaar gemaakt — en hoe zal hij het maken, wanneer hij voor den rechterstoel staat van dien God, Die waarachtig is en Wiens Woord in alle eeuwigheid bestaat ?
Wanneer het derde geloofsartikel niet waarachtig is, dan kan Christus onze Middelaar niet zijn. Dan is de zonde, waarin wij ontvangen en geboren zijn, voor Gods aangezicht niet bedekt, maar staat voor Zijn oogen gegrift met een ijzeren griffel.
Maar Code zij dank, dat-Hij ons nog heden doet hooren, dat de eeuwige Zoon van God, Die waarachtig en eeuwig God is en blijft, een ware menschelijke natuur, uit het vleesch en bloed der maagd Maria, door de werking des Heiligen Geestes aangenomen heeft, opdat Hij ook het ware Zaad van David zij. Zijn broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Dat Hij aldus onze Middelaar is, en onze zonde, waarin wij ontvangen en geboren zijn, voor Gods aangezicht bedekt.
Dat geeft waarlijk troost in leven en in sterven. Tot Hem dan heen, op Hem alleen gezien, gij, die uzelf veroordeelt voor den heiligen God, wien het om gerechtigheid en vergeving van zonden gaat. Laat u niet terughouden door de influistering van satan, dat gij te zondig zijt. Slaat tot uw bemoediging eens een blik in het boek des geslachts van Jezus Christus, en leest daar eens, wat de Heilige Geest daarin deed schrijven. Leest daarin eens de namen van David en Bathseba, wier gruwelijke zonden gij kent. Christus heeft Zich niet geschaamd voor deze zondaren, die met hun zonden tot de genade Gods zijn gevloden, om gereinigd te worden in het bloed des Lams. Hij wilde van hen afstammen. O hoort het tot uw vertroosting, dat Christus in zulk vleesch is gekomen. Is bij u alles uit, zoodat het een hopelooze zaak met u is — zijt gij hoe langer hoe meer aan uzelf openbaar geworden, zoodat gij het niet langer kunt loochenen, maar het met smart belijdt, dat gij vleesch zijt — hoort het Evangelie : ,,Het Woord is vleesch geworden". Houdt u daaraan — hoort, en uw ziel zal leven. Dat ,,vleeschgeworden Woord" heeft al uw zonden gedragen en verzoend — in Hem is er voor u niets dan gerechtigheid en heiligheid. Uw zonde, waarin Gij ontvangen en geboren zijt, is voor Gods aangezicht bedekt. Hij is uw Middelaar — niets zal u scheiden van de liefde Gods — want er is geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den geest, d.w.z. die zich in den nood der ziel als verloren zondaren aan Christus Jezus houden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1947
Kerkblaadje | 8 Pagina's