Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ben ik het, Heere ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ben ik het, Heere ?

21 minuten leestijd

Text: Matth. 26: 22: „En zij zeer bedroefd geworden zijnde, begon een iegelijii van lien tot Hem te zeggen: Ben ik /iet Meere?"

Onze text bepaalt ons bijeen aandoenlijkoogenblik uit een aangrijpend tafereel, dat niemand van ons onbekend is. Een tafereel, waarop zoo volkomen van toepassing is wat wij daareven hebben gezongen (Ps 11 : 1). Want die woorden zijn ongetwijfeld uitdrukking van hetgeen in dat ontzaglijk uur de ziel van den Heere Jezus vervuld heeft. Het was immers het uur, waarin het verraad aan het werk was. Hij zag in den geest „den boog door goddeloozen stellen, men spant de pees, men schikt den pijl, en schiet, om onverwacht d' oprechten neer te vellen !" En temidden van dit alles was Zijn oog gericht op God. In een opperzaal te Jerusalem —naar sommiger meening in het huis van Maria, Johannes Markus' moeder — lag de Heere Jezus met Zijn jongeren aan den Paaschmaaltijd. Aan den maaltijd, die zoo luide sprak van Oods ontfermende liefde over Abrahams nakroost in de verlossing uit het Egyptische slavenhuis. Daar werd het lam gegeten, dat voor Israël het leven beteekende; de geschiedenis der eerste Paaschviering, die naar de wet aan tafel verteld werd, bracht immers steeds in herinnering, dat het dooden van dat lam naar 's Heeren genadig bestel de Israëlieten verschoonde van den dood, door den slaanden engel over Egypte's eerstgeborenen gebracht ; het eten van dat lam, al de eeuwen door naar Gods bestel in stand gehouden, was hun een heenwijzing naar de verschoonende genade des Heeren, die ook hen nog altijd spaarde ' — Zoo was het feest voor Israël, ook op dien dag, ofschoon geen enkel nakomeling van Jakob het rechte oog had voor de diepste beteekenis van deze dingen.

Slecht Eén was er, die het goed besefte. Dat was

Hij, Die in dien kleinen kring de plaats van den huisvader innam : de Heere Jezus. Hij wist, wat dat lam beduidde, n.1. dat Hij Zelf met Zijn leven betalen zou voor het leven van een volk, dat de Heere uit de macht van zonde, duivel en dood zou verlossen. Daarop ziende, had Hij Zijn jongeren de boodschap in den mond gelegd :„Mijn tijd is nabij."

Maar juist de kennis van deze dingen vervulde Zijn ziel met bijzondere gedachten. Hij was Zich bewust van heel den gang, dien de zaken zouden nemen. Hij licht een tip van den sluier, die er voor Zijn dischgenooten over heen hing, op in dat ontzettende woord : „Voorwaar, Ik zeg u, dat één van u Mij zal verraden."

Het is deze aankondiging van het verraad, die den discipelen de vraag op de lippen brengt: „Ben ik het, Heere ?"

Deze vraag openbaart geweldige ontsteltenis. Laat ons overdenken :

I van welken aard deze ontsteltenis was,

II of er reden is voor zulke ontsteltenis, en

III hoe de aldus ontstelde ziel tot rust komt.

I

Van welken aard was de ontsteltenis der discipelen ?

Om deze vraag te beantwoorden, moeten wij allereerst letten op het woord van den Heere Jezus, dat die ontsteltenis heeft gewekt : „Voorwaar, Ik zeg u, dat één van u Mij zal verraden." Wat moet het den Heere Jezus gekost hebben, dit woord uit te spreken ! Het is immers een vreeselijke zaak, die hierin wordt bekend gemaakt. „Verraden" — het woord alleen reeds vervult ieders gemoed met afschuw. Het spreekt immers van een op laaghartige wijze overleveren in de handen van vijanden, die het Hebben toegelegd op het verderf van hem, die hun in handen wordt gespeeld. Het is werk van iemand, die met haat is bezield of door zucht naar gewin wordt gedreven, maar bovendien niet eerlijk voor den dag komt. Verraad is verbreking van de trouw en staat daarom terecht overal gebrandmerkt. Het neemt alle vertrouwen weg en maakt allen omgang onmogelijk. Het voorwerp van dat verraad zal Hij Zelf zijn.

Het voorwerp van dat verraad zal Hij Zelf zijn. Hij, Wiens geheele leven niet anders dan liefde tot verloren menschen ademde. Die om zulke verlorenen te redden de heerlijkheid verlaten heeft, die Hij bij den Vader had, éér de wereld was. Die bovenal in dezen tijd vervuld was met gedachten aan — en begeerte tot — dat heil van verlorenen. Die bezig was, den smartelijken weg te betreden, waarlangs dat heil zijn beslag zou krijgen.

En dan „één van u." Neen, de verrader schuilde niet onder de heffe des volks, die om geld tot alles in staat wordt geacht. Ook niet onder degenen, die Hem van het begin af den voet dwars hebben gezet. Maar juist onder die menschen, die Hem nu drie jaren lang hadden omringd, die door Hem ingewijd waren in de geheimen van het Koninkrijk Gods en getuigen waren geweest van de wonderen Zijner reddende liefde ; juist onder hen, die Hij tot Zijn intiemen kring had gemaakt en in wier tegenwoordigheid Hij meermalen Zijn hart had uitgestort. Wie wordt hier niet herinnerd aan hetgeen wij zooeven zongen uit den 55sten Psalm : „Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen ; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben. Maar gij zijt het, o mensch ! als van mijn waardisjheid, mijn leidsman en mijn bekende!" Dat moet immers voor den Heere Jezus wel het allerzwaarste zijn geweest : „één uit u !".... al trachtte Hij Zich geen oogenblik te verbergen, maar ging Hij vastberaden het naderend leed tegemoet. Het moet ook voor üe discipelen des Heeren

Het moet ook voor üe discipelen des Heeren een verschrikkelijk woord zijn geweest.

Was dat dan het einde, was dat dan de vrucht van al den arbeid, dien Hij aan hen had verricht ? Was het nog een buitenstaander geweest, desnoods iemand van degenen, die meeliepen, ofschoon ze niet diep in Zijn onderricht doordrongen, — dat was al verschrikkelijk genoeg, maar het was te dragen geweest, — doch één uit hén, dat was wel het toppunt van laaghartigheid. Het verwondert ons dan ook niet, dat wij in onzen text lezen : „En zij zeer bedroefd geworden zijnde, begon een iegelijk van hen tot Hem te zeggen : Ben ik het, Heere ?" — Deze laatste vraag is in den grondtext nog iets anc'ers gekleurd dan onze vertaling laat uitkomen : „Ik ben het toch niet, Heere ?" Uit deze vraag spreekt de geweldige ontsteltenis, die zich van hen meester maakt bij de gedachte : dat moest ik eens zijn 1 De vraag is hoogst opmerkelijk. Deze vraag zouden wij niet zoo aanstonds hebben verwacht. Natuurlijker zou het hebben geklonken, wanneer zij gevraagd hadden : „Wie is het, Heere ?" Dat lag, zouden wij zoo zeggen, meer voor de hand. En toch stellen zij deze vraag niet, maar spreken : „Ben ik het, Heere ?" — „Ik ben het toch niet, Heere?" Daar schuilt dus meer achter. Merkt ge niet dadelijk het verschil ? Zij denken onmiddellijk aan zichzelf. En zij doen dat met groote droefheid, want zij werden „zeer bedroefd."

Dit laatste onderscheidt hen van Judas.

Die vraagt straks ook: „Ben ik het. Rabbi?", met dezelfde woorden, die uitdrukken : „Ik ben het toch niet?" Doch hij vroeg het niet in droefheid. Het zag er heel anders uit in zijn ziel. Het is opmerkelijk, dat Judas eerst zoo iaat met zijn vraag voor den dag komt. Als de discipelen onmiddellijk na de aankondiging van het verraad de één na den ander die angstige vraag stellen, houdt Judas den mond. Hij behoeft niets te vragen, hij wist immers wel, wat reeds achter den rug was, n.1. de onderhandeling met de Overpriesters (vs. 14—16). Het kwade geweten belet hem, den mond open te doen. Maar als de Heere Jezus op eigenaardige wijze den verrader heeft aangeduid, beweegt datzelfde kwade geweten hem, nu ook met zulk een vraag aan te komen.

Doch deze omstandigheid geeft aan die vraag een heel andere bedoeling en daarom ook een heel anderen toon. Judas voelt zich ontmaskerd, hij wil echter niet ontmaskerd wezen en tracht nu de aandacht van zich af te leiden met de brutale vraag : „Ik ben het toch niet. Rabbi ?", een vraag van gelijke kracht als : „Qe bedoelt mij toch niet ?" Zoo tracht de boosheid meermalen den schijn te bewaren, b,v. in een moordenaar, die om de aandacht af te leiden zich achter de lijkbaar van zijn slachtoffer schaart onder de rouwdragenden. Judas heeft geen oogenbiik den ernst van de vraag zijner medediscipelen gedeeld. Er was niet de minste weemoed in zijn ziel. Diepe droefheid heerscht bij die discipelen. Dat is het juist, wat op hun vraag aan den Heere een bijzonder licht werpt en ons den aard doet verstaan van de ontsteltenis, die zich van hen meester maakt. De vraag: „Ik ben het toch niet, Heere?" in

De vraag: „Ik ben het toch niet, Heere?" in het licht van deze droefheid spreekt boekdeelen. En omgekeerd, ook de droefheid in het licht van deze vraag. Op zichzelf beschouwd, zou deze droefheid haar oorzaak hierin kunnen hebben, dat de Heere Jezus met zulk een aankondiging kon komen, dat Hij ook maar één oogenbiik kon denken aan de mogelijkheid van verraad in dezen kring : dan zou het de teleurstelling of de verontwaardiging zijn geweest, die hen griefde tot in het diepst van hun ziel en hen daarom zoo bedroefd maakte. Maar dan was een heel andere vraag als antwoord op 's Heeren aankondiging gevolgd, n.1. : „Hoe kunt Gij zóó spreken, o Heere?" — Dat zij echter spreken, de één voor en de ander na : „Ik ben het toch niet, Heere ?" bewijst, dat zij zichzelf wantrouwden, dat zij deze gedachte koesterden : Ik kon het wel eens zijn ! ach, als ik het maar niet ben, want dat zou het vreeselijkste zijn van alles wat mij kan overkomen !

II

Is er reden voor zulke ontsteltenis ?

Dat is de tweede vraag, waarbij wij de aandacht bepalen. Een vraag, die ook voor onszelf van groote beteekenis is

Oppervlakkig beschouwd zouden we zeggen, dat er voor die discipelen niet de minste reden was om zoo ontsteld te zijn. Voorzoover wij toch die discipelen kennen uit

Voorzoover wij toch die discipelen kennen uit hetgeen het Evangelie ons omtrent hen verhaalt, zouden wij nooit op de gedachte gekomen zijn, onder hen een verrader te zullen vinden of zelfs de mogelijkheid daarvan te veronderstellen. Wij vinden hen immers altijd in de omgeving van den Heere Jezus, en wel met toegenegen hart, ja met de grootste aanhankelijkheid. Of heeft niet — om maar iets te noemen — Petrus op de vraag van den Heere Jezus : „Wilt gijlieden ook niet weggaan ?" onmiddellijk met een ontroerd gemoed geantwoord : „Heere ! tot wien zullen wij heengaan ? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens; en wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods !" (Joh. 6 : 68, 69). Of hebben niet Jakobus en Johannes op den weg naar Jerusalem, toen Samaritanen Jezus en den Zijnen onderdak weigerden, vuur van den hemel willen laten dalen om die beleediging van hun Meester te straffen ?

En die discipelen zelf waren zich toch van geen kwaad bewust. Niemand van hen had ook maar het minste gedaan, dat zulk een veronderstelling bij den Meester kon wekken. Zelfs geen gedachte van dien aard was bij hen opgekomen !

En toch komen al die discipelen zonder een enkele uilzondering voor den dag met de vraag der diepste ontsteltenis : „Ik ben het toch niet, Heere ?" Het woord van den Meester had zoo beslist mogelijk geklonken : „Voorwaar.... één uit u I" Eén van hen moest het dus zijn — onzeker was alleen: wie. En nu hebben zij niet elkander aangezien en in hun hart gevraagd : „Zou die het ook zijn ?", maar zij hebben onmiddellijk zichzelf geplaatst voor dat verschrikkelijke feit.... en geen oogenblik de mogelijkheid uitgesloten, dat zij zelf in eigen persoon dat gruwelstuk zouden bedrijven. Integendeel, juist de gedachte aan de mogelijkheid heeft hen ten diepste bedroefd.

Hoe is dat toch mogelijk ?

Zoo roepen wij onwillekeurig uit. Maar, Gemeente! die uitroep pleit niet voor ons. Die ui'roep bewijst immers dit: hadden wij daar in de plaats van die discipelen gestaan, dan waren wij niet onmiddellijk met die vraag der ontsteltenis voor den daggekomen ' Wij hadden heel den kring eens rondgezien met de gedachte : wie van die allen, die ik onder de oogen krijg, zou het toch wezen ? Aan onszelf zouden wij niet hebben gedacht! Natuurlijk zouden wij daar goede redenen voor weten aan te voeren !

Wij zijn immers geloovige menschen, die den Heere Jezus hoogschatten, omdat Hij onze Zalig

maker is. Zulke gruwelijke gedachten hebben wij nog nooit gekoesterd. En als zij ons van buitenaf, door satan of dienstknechten van satan, werden ingegeven, zouden wij ze onmiddellijk uit onze ziel bannen, al was het alleen maar, omdat wij onze zaligheid niet willen verspelen.

Daarbij komt, dat er toch ook nog een volharding der heiligen is, nietwaar? „De oogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien" (Jes. 32 : 3), zoo staat er immers geschreven.

En dan — zulke dingen doen is immers zelfverlaging, zoo groot als zich maar denken laat. Wie kan ook de mogelijkheid maar veronderstellen, zonder het respect voor zichzelf te verliezen ? En tóch — bij dat alles en wat er misschien nog verder aangevoerd kan worden, blijft het feit ongerept, dat de discip len ieder voor zich bij eigen persoon zijn blijven staan en de mogelijkheid niet hebben weggecijferd !

Hoe zijn zij daartoe dan gekomen ?

Hier zien wij de werking van het machtige onderricht van den Heere Jezus. Die was altijd bezig, de menschen van zichzelf en van vertrouwen op zichzelf af te brengen. Zoo had Hij ook aan Zijn discipelen gearbeid. Denkt maar eens aan den aanhef van het antwoord, dat Hij gaf op de schijnbaar zoo ootmoedige bede van Zijn jongeren: „Vermeerder ons het geloof!" : „Zoo gij geloof hadt als een mosterdzaad ... !" (Luk 17 : 6). Denkt ook aan een ander bekend woord : „Uit het hart komen voort booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringen...." (Matth. 15 : IQ). Hier toonen zij in de praktijk, hun Meester te gelooven ; te gelooven, dat ook zij onbekwaam waren tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad. Daarom vertrouwen zij zichzelf niet, maar maken in angst der ziel ieder voor zich de toepassing.

Hier zien wij — terloops zij het opgemerkt — een stukje heiligmaking in de praktijk. En dat ziet er heel anders uit dan het vrome vleesch wel droomt. Het vrome vleesch denkt altijd aan een weg van heiligmaking, waarop men aan zichzelf duidelijk kan bespeuren — zij het den eenen tijd ook wat duidelijker dan den anderen tijd —, dat men goede vorderingen maakt in de godsvrucht en de zonde langzamerhand aardig onder de knie krijgt. Hier krijgen wij een kijkje in de ziel van mannen, die in waarheid geheiligd worden door den Heiligen Geest. Die achten zich allesbehalve te ver gevorderd op den weg der godsvrucht om ook maar een oogenblik aan de mogelijkheid te denken, dat zij zoo'n gruwelstuk zouden kunnen bedrijven. Integendeel, hier zien wij een open oog voor de macht der zonde en voor eigen zwakheid. En dat is het juist, wat de Heilige Geest vóór alle dingen, maar ook voortdurend leert in het stuk der heiligmaking, d. i. der vrijmaking uit de macht der zonde.

Hiermede is tevens al de richting gewezen van het antwoord op de vraag, of er ook voor óns reden tot zulke ontsteltenis is, als bij die discipelen van den Heere Jezus door de aankondiging van het verraad werd gewekt. Neen, wij zijn niet in de gelegenheid, die zonde

Neen, wij zijn niet in de gelegenheid, die zonde te bedrijven in den vorm, waarin de Heere Jezus haar toen aankondigde. Dat is klaar als de dag. Jezus Christus is immers in heerlijkheid gezeten aan de rechterhand des Vaders en dus buiten bereik van alle vijandschap.

Doch daarmede kunnen wij er ons niet afmaken. Wat den discipelen des Heeren Jezus wordt aangedaan, dat wordt Hem Zelf aangedaan. En wat een mensch met de zaak des Heeren Jezus doet, dat raakt Hem Zelf. De discipelen des Heeren Jezus, — wanneer men die om allerlei persoonlijke redenen in den steek laat, al voegt men hun nog zoo vriendelijke woorden toe, dan is dat niets minder dan verraad, aan Jezus Zelf gepleegd ; men speelt ze zoo den vijanden in handen ! En de zaak des Heeren Jezus, — wanneer men die uit gemakzucht of door hoop op voordeel laat schieten, zoodat de vijanden triomfeeren, ,. .. wat is Jiet anders dan verraad jegens Hem ? Niemand denke toch : zoo ver zal het met mij

Niemand denke toch : zoo ver zal het met mij niet komen ; daarvoor ben ik veel te groot voorstander van Hem, zooals ieder weet. Zulk een reputatie genoot ook Judas. Is het niet

Zulk een reputatie genoot ook Judas. Is het niet opmerkelijk, dat niemand van de andere jongeren aan Judas dacht, toen de Heere dat snood bedrijf aankondigde? Zelfs de eigenaardige houding van Judas bij de zalving in Bethanië, waar hij juist de man was, die in spijtigheid de waarde der z. i. verkwiste zalf nauwkeurig berekende, heeft hun oogen niet geopend voor zijn geldgierigheid, dien wortel van alle kwaad. In argeloosheid hadden zij voor hem ingestaan als voor zichzelf, dat hij een waar discipel des Heeren was! Judas heeft zich tevoren niet zoo duidelijk in zijn ware gedaante geopenbaard. Hij heeft het tevoren ook niet van zichzelf geloofd. Heeft er ook geen plan op gehad vóór zeker tijdstip. Hij heeft ook gepredikt en in den Naam des Heeren Jezus krachten gedaan.

Dat strekt ons tot ernstige waarschuwing. Hier blijft niets anders over dan acht te geven op het welbekende, maar te veel vergeten woord van den Spreukendichter: „Welgelukzalig is de man, die geduriglijk vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen" (28 : 14).

111.

Hoe komt de aldus ontstelde ziel tot rust? Dat is de laatste vraag, waarop wij onze aandacht richten.

De laatste, maar niet de minst belangrijke ! Het kwaad, dat de ontsteltenis wekt, is toch ontzettend. Wij weten immers, wat de Heere Jezus straks zegt: „ .. . wee dien mensch, door welken de Zoon des menschen verraden wordt! Het ware hem goed, zoo die mensch niet geboren ware geweest". Hiermede teekent de Heere Jezus ten duidelijkste, hoe ellendig die mensch er aan toe is. En als wij denken aan het ontzettende uiteinde van Judas, gaat ons hierover een licht op. Hij heeft immers in wanhoop eigen leven aangetast en is ten verderve gegaan, zooals Petrus zoo aangrijpend zegt: „naar zijn eigen plaats" (Hand. 1 : 25). Zoo weten wij dan, welk lot hem wacht, die den Zoon des menschen verraadt en zonder bekeering sterft. Op dit laatste leggen wij nadruk: zonder bekeering sterft. Was Judas, in plaats van tot de Overpriesters tot God gegaan, had hij zich nog laten vinden aan den voet van het kruis, dan was er voor hem nog uitkomst geweest. En zoo is er nog uitkomst voor ieder, wiens geweten hem aanklaagt — want er staat Qode zij dank niet tevergeefs geschreven: „Het bloed van Jezus Christus, Oods Zoon, reinigt ons van alle zonden". Maar juist dan dringt zich, bij het bewustzijn, dat er alle reden is om ontsteld te worden bij het hooren van die aangrijpende woorden van den Heere Jezus, met te meer klem de vraag op : Hoe komt de ziel tot rust ?

Letten wij, ter beantwoording van deze vraag, op hetgeen die discipelen van den Heere Jezus hebben gedaan.

Zij spraken: „Ben ik het, Heere?".... „Ik ben het toch niet ?"

Zij hebben dus niet alleen niet aan anderen gedacht, maar zij hebben ook niet stil gezeten of in eigen ingewand gewroet; zij hebben zich gewend tot den Heere Jezus, ja zij hebben zich als het ware tegen Hem aangedrongen, of Hij toch die pijnlijke onzekerheid wilde wegnemen, opdat zij toch bewaard mochten worden voor zoo'n gruwelstuk.

Zij deden dit niet tevergeefs. Zij hebben antwoord ontvangen, dat hun rust gaf in het binnenste. Hoort, wat de Heere Jezus zegt: „Die de hand met Mij in den schotel indoopt, die zal Mij verraden". Hoe straalt ons de liefde van Jezus hier tegen!

Hoe straalt ons de liefde van Jezus hier tegen! De aanwijzing was duidelijk, — voor den betrokken persoon ; maar overigens nog bedekt, daar geen naam werd genoemd. De Evangelist heeft n.1. zóó geschreven, dat wij ook kunnen vertalen : „Die de hand met Mij in den schotel ingedoopt heeft.. .." Onder den maaltijd had iemand tegelijk met den Heere Jezus de bete gedoopt in de schaal met bittere saus. De Heere Jezus, Die dat zeer goed heeft opgemerkt, terwijl het den anderen ontgaan was, maakt hiervan gebruik om den verrader alleen voor hemzelf duidelijk aan te wijzen. Hij spaart hem nog. Was dat niet nog een laatste waarschuwing tot bekeering?

Hiermede is tenminste in overeenstemming wat Hij er op laat volgen : „De Zoon des menschen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is ; maar wee dien mensch, door welken de Zoon des menschen verraden wordt! Het ware hem goed, zoo die mensch niet geboren ware geweest". Hierin legt Hij heel even den achtergrond der dingen bloot: alles geschiedt, zooals geschreven is. Het lijden, dat over Christus komt — ook de overlevering door verraad — is uitvoering van

Gods Raad. Dat gaf den Heiland Zelf rust temidden van alle ontroering; dat moest ook dienen tot vertroosting van Zijn jongeren, die dorstten naar Zijn heil: het zeide hun immers, dat het diende tot verlossing van zondaren. Maar juist daarom is het ook nog een roepstem voor den verrader, om toch, terwijl de beteekenis van Christus zoo duidelijk wordt aangegeven, tot Hem de toevlucht te nemen.

En het ernstig karakter van zijn misdrijf wordt hem voorgehouden in die schokkende woorden : „maar wee dien mensch, door welken de Zoon des menschen verraden wordt! Het ware hem goed, zoo die mensch niet geboren ware geweest" — opdat hij alsnog zou terugschrikken. Alle verontschuldiging wordt hem hier immers ontnomen ! Judas zelf wordt nu aanleiding, dat de ontstelde discipelen nog duidelijker taal te hooren krijgen. Hij lokt zelf de volkomen onthulling uit met zijn vraag : „Ben ik het, Rabbi ?"

Opmerkelijk : dat „Rabbi" tegenover het „Heere" van de anderen. Judas erkent Jezus niet als „Heer". Hij doet het af met den titel, die ook door anderen dan discipelen werd gebruikt. „Ben ik hef, Rabbi?", dat beteekent zooveel als : „Bedoelt Ge mij soms ?" Hoe komt Judas daartoe ?

Dat wordt ons duidelijk, wanneer wij — zooals wij straks reeds aangaven — de aanwijzing, die de Heere Jezus van den verrader gaf, aldus lezen: „Die de hand met Mij in den schotel ingedoopt heeft, die zal Mij verraden". De anderen had dit — tegelijk —indoopen niet getroffen, maar Judas wist het des te beter. Hij voelde zich door dit woord ontmaskerd, maar wilde niet ontmaskerd zijn. Daarom ging hij er brutaal tegen in met de schamper bedoelde vraag: „Gij bedoelt mij toch niet?"

Hiermede dwingt hij den Heere Jezus, open en bloot het antwoord te geven : „Gij hebt het gezegd", — uw eigen mond sprak het uit.

Voor de jongeren des Heeren, die in diepe droefheid en angst der ziel de vraag hadden gesteld : „Ik ben het toch niet, Heere ?" lag hier volkomen geruststelling.

In dienzelfden vorm verkrijgen wij nu wel niet de geruststelling — maar toch is ons hier duidelijk de weg gewezen om rust te vinden voor onze ziel, als zij bij de aankondiging van den Heere Jezus ontsteld is.

De eerste stap is deze : dat wij niet hoog bij onszelf opzien, maar onszelf wantrouwen en de oogen open houden voor de macht der zonde en voor onze eigen zwakheid.

Daar komt als tweede stap dan bij: dat wij ons alzoo werpen in de armen van den Heere Jezus. Wie dat doet, wie zich in den nood van zijn ziel aan Jezus vastklemt, die vindt rust voor zijn ontstelde ziel in Hem. Zóó worden wij gevrijwaard tegen de zonde,

Zóó worden wij gevrijwaard tegen de zonde, ook tegen dien bepaalden vorm der zonde, in verraad van Jezus in Zijn discipelen of in Zijn zaak. Wij zijn zwak, ja machteloos in onszelf. Maar niet in de gemeenschap van den Heere Jezus, want dat is niets minder dan de gemeenschap van den levenden God. Daar is de kracht van den Almachtige om ons te beveiligen. Ook hier geldt het woord, waarmee de Goede Herder Zijn schapen troostte en sterkte : „Niemand zal ze uit Mijn hand rukken. De Vader, Die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders".

Wie tot Jezus vlucht met zijn zonde en ellende, die krijgt Hem te aanschouwen zooals Hij is : als den Redder van het verlorene, Die naar Gods Raad Zijn ziel in den dood uitstort, om kinderen des doods te maken tot kinderen des levens. Die krijgt de wonderbare liefde te zien van den Vader en den Zoon. Die wordt door die hefde met onverbrekelijke banden aan Jezus verbonden en zoo gezet midden in Zijn heil; op dat gebied, waar de Heilige Geest heerschappij voert. Die bij de Zijnen scheiding maakt tusschen gerechtigheid en ongerechtigheid. Aan hem wordt vervuld, wat Judas — niet de Iskarioth, maar de broeder des Heeren — aan het slot van zijn Brief in die heerlijke lofzegging uitspreekt: „Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid in vreugde, — den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen". (Vs. 24, 25).

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1947

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Ben ik het, Heere ?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1947

Kerkblaadje | 8 Pagina's