Deze is Mij een uitverkoren vat.*
Texi: Handelingen 9 : 10~19a. „Sta op, en ga in de stad, en aldaar zal u gezegd worden wat gij doen moet". Hierop was nu voor Saulus het wachten, maar waar bleef de vervulling van deze belofte, door de Heere Jezus aan hem gedaan, toen hij op de weg naar Damaskus, vlakbij het doel van zijn reis, verschrikt ter aarde gevdut^n wdbr Onze text beschrijft ons, hoe deze belofte van de Heere Jezus vervuld werd, hoe het antwoord np de brandende vraag van Saulus' hart tot hem kwam. Wanneer wij de hoofdgedachten van dit Schriftgedeelte op de voorgrond stellen, zien wij Saulus in drieërlei licht, eerst als voorwerp van de zorg, d.'n als voorwerp van de liefde, en tenslotte als voorwerp van de verlossing van de Heere Jezus.
I.
Onze text laat ons Saulus in de eerste plaats zien als voorwerp van de zorg van de Heere Jezus Hiervan had Saulus zelf niet het minste besef. Hij was er naar zijn gedachten ellendig aan toe. Hij gevoelde zich eenzaam en verlaten. Aan zijn reisgenoten had hij niets. Die begrepen niet wat er gaande was, ofschoon zij wonderlijke dingen hadden gezien en gehoord. Hoe goed zijn gastheer Judas ook voor hem zorgde, hij was niet bij machte hem te helpen in zijn diepe nood. En niemand was daartoe in staat.
Saulus zat daar in eenzaamheid en duisternis. Alles wat hem overkomen was op de weg naar Damaskus en alles wat vanuit de hemel tot hem gezegd was, trok telkens opnieuw aan zijn geest voorbij. Vol verlangen zag hij uit naar de vervulling van het woord van de Heere Jezus: „aldaar zal u gezegd worden wat gij dopn moet". Ach, werd het hem nu maar gezegd ! Doch in zijn omgeving was er niemand en verscheen er ook niemand, die dit deed Een dag verstreek, — en nog één, — reeds was de derde dag aangebroken, doch Saulus wist nog niets. Het was duisternis van buiten, en donkerheid van binnen, en stilzwijgen van rondom Nu begon Saulus te roepen uit de nood, te schreien om ontferming, te schreeuwen naar de vervulling van 's Heeren beloften, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen. En dat roepen werd menigvuldiger en sterker want aanvechiing bleef natuurlijk niet uit: was het geen zinsbegoocheling geweest wat hij op de weg had ondervonden ? . . . maar zijn blindheid was toch geen zinsbegoocheling ! — zou Jezus hem soms vergeten ? of moest hij misschien ergens elders zijn in Damaskus ?, want Jezus had slechts in het algemeen gesproken : „aldaar zal u gezegd worden wat gij doen moet", of eigenlijk nog korter: „u zal gezegd worden wat gij doen moet" och, wist hij maar, waar hij wezen moest! doch dat was juist de grote vraag, waarvoor hij stond. Saulus moest wachten, wachten, in duisternis, in diepe nood .... ach Heere ! hoe lang nog ?
Gemeente! waarom laat de Heere Jezus die arme Saulus zo lang in de ellende zitten ? Drie dagen — dat is in vergelijking met een mensenleven een kleinigheid Maar voor wie in nood naar uitkomst smacht, lijkt het een eeuwigheid ! De Heere had hem toch ook wel ogenblikkelijk kunnen helpen, zodra zijn voeten binnen Damaskus' poorten stonden of zodra hij Judas' huis was binnengetreden ! — Zeker, maar de Heere deed dat niet, omdat Hij met Saulus te werk ging naar Zijn wijsheid. Die drie dagen waren een leerschool voor Saulus. Een leerschool, waarin ook de laatste gedachte aan eigen kunnen en willen verdween. Toen heeft Saulus leren verstaan, dat de mens in de zaak zijner zaligheid volkomen lijdelijk is. Toen is hem duidelijk geworden hetgeen hij later zelf in Efeze 2 : 8 e. v. heeft uitgesproken : „Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloot; en dat niet uit u, het is Gods gave .... want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus". Dat !S de reden, waarom de Heere Jezus ook nu
Dat !S de reden, waarom de Heere Jezus ook nu nog mensen, die uitzien naar Zijr heil, meermalen lang laat wachten. Hij doet het om hen geheel te verootmoedigen, om hen ter aarde te werpen, zo ia! zij alleen van genade uitkomst verwachten.— En als «ij zelf misschien in zulke nood verkeert, geeft het de duivel dan niet gewonnen ! De duivel ziet graag, dat gij dan maar ophoudt met verwachten en roepen. Laat het echttr niet na! Uw Hecre en Heiland vergeet u niet. Hij weet, hoe lang gij reeds wacht. En Hij zal u geen seconde langer laten wachten dan nodig is. Niet tevergeefs ziet gij naar Hem uit. Dat zien we duidelijk aan Saulus.
Terwijl Saulus in zulke diepe nood verkeert, is de Heere Jezus reeds bezig voor hem te zorgen. Daarvan getuigt Lukas aldus : „Nu was er te Dnmaskus een discipel, genaamd Ananias ; en de Heere zeide lot hem in een gezicht: Ananias! En hij zeide : Zie, hier ben ik, Heere ! En de Heere zeide tot hem : Sta op en ga naar de straat, die de Rechte heet, en vraag ten huize van Judas naar iemand uit Tarsen, genaamd Saulus ; want zie, hij bidt! en hij heeft in een gezicht gezien, dat een man, genaamd Ananias, binnenkwam en hem de handen oplegde, opdat hij weer zou kunnen zien". Daar gaat de Heere Jezus dus aan het werk om Zijn woord te vervullen : „u zal gezegd worden wat gij doen moet". Hij roept hier de man om dit Saulus te gaan mededelen.
Het is „een discipel", deze Ananias. Veel wordt ons van hem niet vermeld. Hij zal dus wel geen man geweest zijn, die veel van zich deed spreken. En toch is ons iets van hem bekend, dat meer zegt dan roem van kennis, beschaving en wat dies meer zij : a's Paulus later vóór het volk der Joden staat, getuigt hij van Ananias, dat hij was „een godvruchtig man naar de Wet, van wie alle Joden, die daar woonden, een goed getuigenis gaven" ( 22 : 12). Een man dus, van wie zijn vijanden-om-Christus'-wil uit de mond van hun eigen geloofsgenoten te Damaskus niets dan goeds konden vernemen ; wiens levenswandel met zijn belijdenis in overeenstemming was en in het leken der ware godsvrucht stond.
Deze Ananias nu moet naar Saulus toe. Nauwkeurig wordt hem diens verblijfplaats aangewezen. En niet alleen zijn verblijfplaats, maar ook de omstandigheden, waarin hij zich bevindt: „Zie, hij bidt! en hij heeft in een gezicht gezien, dat een man, genaamd Ananias, binnenkwam en hem de handen oplegde, opdat hij weer zou kunnen zien". — Of de Heere Jezus ook het oog op Saulus hield! Of Hij dus ook met zorg voor hem vervuld was ! Zó, dat Hij Saulus zelf in een gezicht hef resultaat van die zorg aankondigt. Zó, dat Hij voor Ananias de beletselen uit de weg ruimt en hem een gebaande weg opent: als 162 Saulus toch bidt, en zó zijn hart uitstort voor God, dan moet hij wel ontvankelijk zijn voor alles wat van genade getuigt; en als hij reeds in een gezicht gezien heeft, dat Ananias hem de handen kwam opleggen om hem weer ziende te maken, dan ziet Saulus natuurlijk reeds reikhalzend naar de komst van Ananias uit.
Waarom moet nu juist Ananias naar Saulus toe ? Waarom heeft de Heere Jezus Zelf niet aan Saulus gezegd, wat hem te doen stond ? Hij had toch ook reeds op de weg naar Damaskus tot hem gesproken en met forse greep de hand aan hem gelegd ? Dat zijn van die vragen, die onwillekeurig bij een mens opkomen! We zouden zo denken: het zou veel indrukwekkender geweest zijn, wanneer de Heere Jezus het Saulus Zelf gezegd had! — Maar de Heere Jezus heeft hierover blijkbaar anders geoordeeld. Alweer naar Zijn wijsheid. Saulus moest in deze weg de gehoorzaamheid des geloofs leren, die afziet van ai het zichtbare en zich alleen onderwerpt aan het Woord des Heeren, in hoe nederige gestalte dit Woord ook moge komen : gebracht door een mens, in menselijke klanken, met menselijke mond !
Waarom juist een mens? Waarom heeft de Heere Jezus geen engel gezonden om Saulus bekend te maken wat hem te doen stond ? Dat was toch ook indrukwekkender geweest ? Zeker, maar dan was die arme Saulus de schrik op't lijf gevallen ! Jezus zond een mens van gelijke, beweging als Saulus. Een mens, die zelf uit genade deel had gekregen aan dat grote heil, waarvan hij Saulus te spreken had. Die dus, door eigen ervaring geleerd, met de moede een woord ter rechter tijd zou kunnen spreken.
Jezus zendt Ananias tot Saulus.
D. w. z. de eenvoudige discipel tot de man, die opgevoed was aan de voeten van Gamaliel, en dus onderricht in alle wijsheid der Joden ! De ongeleerde tot de geletterde ! O daad van wijsheid van onze Heere Jezus: Saulus moet al zijn wijsheid gewonnen geven. Niet het uitwendige, de schoonheid of de sierlijkheid der rede, of het sluitende van het betoog — met keur van geleerdheid gevoerd — zal het doen, maar het Woord alleen ; het Woord, door Ananias gebracht, maar van Jezus Zelf afkomstig !
Ook dit moet ons tot lering strekken. Geen menselijke welsprekendheid komt hier in aanmerking. Als het er ons waarlijk om te doen is, uit zondenood verlost te worden, dan is er slechts één middel, dat helpen kan, n.1. het Woord van de Heere Jezus ! En dat Woord komt gewis tot ons op de tijd, die de Heere als de juiste bekend is. En dan zó, dat geen mens er enige roem van zal hebben, dat dit Woord ingang vindt in onze ziel. Jezus alleen doet het. En juist daarom bedient Hij Zich van middelen, waardoor al onze hoogheid ineenstort en waarvoor al onze wijsheid afgelegd moet worden.
Wie van zijn wijsheid geen afstand wil doen, die wordt ook niet uit de nood gered. Maar wie zich op genade en ongenade overgeeft, die ziet zich een heerlijke uitkomst bereid op een ogenblik, waarop hij het allerminst zou verwachten.
II.
De trouwe zorg, die de Heere Jezus voor zulke mensen draagt, komt voort uit Zijn liefde. Daarvan getuigt het tweede deel van ons textverhaal, dat ons Saulus laat zien als voorwerp van de liefde van de Heere Jezus. Daar had Ananias intussen geen kijk op.
Daar had Ananias intussen geen kijk op. Dat blijkt wel uit de bezv/aren, die hij inbrengt tegen de opdracht, die de Heere hem geeft. Hij antwoordt immers : „Heere ! ik heb van velen over deze man gehoord, hoeveel kwaad hij Uw heiligen te Jeruzalem aangedaan heeft; en hier heeft hij volmacht van de overpriesters om allen te binden die Uw Naam aanroepen".
Dit bevreemdt u misschien. Want Ananias heeft daar straks, toen de Heere hem riep, onverwijld geantwoord : „Zie, hier ben ik, Heere !" — wat zoveel betekent als : ik sta geheel tot Uw dienst... En nu de Heere hem de lastbrief geschreven heeft, komt hij met tegenwerpingen !
Och, het kan ons alleen bevreemden, wanneer wij onszelf niet kennen, omdat wij onszelf niet leerden kennen, aangezien wij nooit in dergelijke omstandigheden geweest zijn. Maar als wij weten, wat de mens is, dan verwondert het ons allerminst. Wij zouden in Ananias' plaats niet anders gedaan hebben.
Wat Ananias van Saulus van Tarsen afwist, was wel geschikt om fiem, reeds bij het horen van diens naam alleen, de schrik op 't lijf te jagen. Dat was immers de grote vervolger uit Jeruzalem, van wie nu het ene, dan het andere boze stuk ruchtbaar werd, die de heiligen des Heeren zoveel kwaad had aangedaan, de huizen langs gaande om dat ketters gebroed te binden en in de gevangenis te werpen, hierbij zelfs vrouwen niet ontziende ! Hiermee nog niet eens tevreden, was hij als gevolmachtigde van de overpriesters naar Damaskus gekomen, om allen te binden die de Naam des Heeren aanriepen . .. Een vreselijk man dus ! En daar moest Ananias heen ... en Jezus Zelf zond hem daarheen. — Heere ! vergist Gij U niet ? Moet ik dan zomaar het hoofd in de muil van de leeuw steken ?
Och, -wat is die Ananias toch een zonderling dienstknecht des Heeren ! Een discipel, die niet eens goed' futstert naar het onderricht van zijn Meester ! De Heere heeft anders ter verklaring van Ananias' zending tot Saulus tweërlei aangevoerd': vooreerst, dat hij bidt; ten andere, dat hij in een gezicht gezien heeft, dat een man, genaamd Ananias, tot htim kwam en hem de handen oplegde, opdat hij weer zou kunnen zien. Ananias heeft daar de oren blijkbaar niet voor open gehad. Als Saulus weer ziende zal worden, dan is hij dus op het ogenblik van het gezicht beroofd : wat voor kwaad kan hij dan doen ? En als hij bidt, als hij daar als een smekeling ligt voor Oods Troon, wat boosaardigs heeft hij dan in de zin, wat voor kwaad wil hij dan doen ? Dan heeft hij immers eigen vA\ er aan gegeven en is in alles van de Heere afhankelijk geworden. Een heel ander man dus dan die zich opmaakte naar Damaskus, om daar — we zouden haast zeggen — Ie paard, met het zwaard in de vuist, aan hel hoofd van een gewapende stoet de poort binnen te rijden en zo spoedig mogelijk aan het uitroeien van de Nazareners te gaan .'Maar Ananias heeft daar heel geen erg in : hem staat slechts die vreselijke man voor ogen, die met alle ijver en alle kracht woedt tegendeOemeentedesHeeren. Ananias ziet slechts aan hetgeen voor ogen, hetgeen hem bekend is. Precies zoals wij, die ouk aan het zichtbare gekluisterd zijti en geen idee hebben, dat de zaken heel anders kuniien staan ! De Heere Jezus helpt Ananias echter spoedig uit de droom: „Ga heen, want deze is Mij een uitverkoren vat (werktuig) om Mijn Naam uit te dragen voor heidenen en koningen en kinderen Israels; want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet voor Mijn Naam".
De Heere handhaaf; dus de opdracht, aan Ananias gegeven. Neen, Ananias ! Ik vergis Mij nitt : Ik weet heel goed, wat Ik doe. Zeker, die Saulus van Tarsen heeft veel kwaad gedaan aan Mijn heiligen en is hierheen gekomen met zeer boze bedoelingen — doch Ik zal u nog iets anders zeggen : die Saulus is „Mij een uilverkoren vat", een instrument, dat Ik Mij uitverkoren heb lang vóórdat het bestond, reeds van vóór de grondlegging der wereld, en waarvan Ik Mij bedienen ga tot een heerlijk doel, waarover ook gij u zult verblijden. Die Saulus zal Mijn Naam uitdragen : hij zal de banier van Mijn heerlijkheid onirollen voor de ogen van heidenen, van koningen, van kinderen Israels. Die Saulus wordt dus van grote betekenis voor de gehele wereld : voor heidenen in de eerste plaats, maar ook voor Joden; ni ' alleen voor volken, maar ook voor hun overhedc. — ten voordeel of ten oordeel '
En hij zal niet alleen Mijn Naam uitdragen, maar ook voor Mijn Naam lijden, opdat die Naam verheerlijkt worde en ingang vinde in mensenharten. Vraagt ge, Gemeente ! hoe dit zal geschieden — denk dan maar eens aan het gevleugelde woord : het bloed der martelaars is het ?nad der Kerk! De kracht van de Naam van Christus komt immers het duidelijkst aan het licht, wanneer iemand smart en smaad duldt en zelfs de dood niet schroomt, enkel en alleen om maar met Christus verbonden te blijven.
Zo stelt de Heere Jezus Saulus aan Ananias voor als voorwerp van Zijn liefde. Vooreerst doet Hij uitkomen, dat Hij Zijn liefde over Saulus heeft uitgebreid, als Hij hem „een uitverkoren vat" noemt. Want met deze aanduiding wijst Hij op de aanvang van die liefde, die alleen te zoeken is in Hem. Omdat Saulus Hem een uitverkoren vat was, heeft Hij hem op de weg naar Damaskus staande gehouden, met blindheid geslagen en 'n diepe nood gebracht. — Maar verder doet de Heere Jezus ook uitkomen, wat Zijn liefde van Saulus maken zal: een man, die daar staat als een banierdrager, opdat vorsten en volken, heiden en Jood, de Naam van Christus leren kennen ; ja, een man, die voor de Naam van de verachte Nazarener zal lijden !
Daarom moet Ananias naar Saulus toe. Daarom moet hij alle ingebrachte bezwaren terugnemen. Daarom moet hij hem enkel bezien in het licht van de liefde zijns Heeren.
O Gemeente ! die liefde des Heeren is zo wonderlijk. Want de liefde van de Zoon is dezelfde als de liefde van de Vader. Zij heeft zulke wonderlijke voorwerpen. Voorwerpen, die totopzekere tijd iiiemand voor voorwerpen der liefde van God en Zijn Christus zou houden. Een ernstige waarschuwing voor ons om ons te hoeden voor harde oordeelvellingen omtrent mensen, die tot onze verbazing door het licht der genade bestraald worden, b.v. onder de prediking des Woords. Wie weet, hoevelen wij reeds verworpen hebben, die toch voorwerpen van 's Heeren liefde zullen blijken, omdat zij naar de verkiezing der genade voorwerpen van Zijn liefde zijn ! Het stemt ons tot diepe verootmoediging en oprechte belijdenis van zonde en schuld, ook in dit opzicht. Alleen de vergeving der zonden kan ons hier redden. De vergeving der zonden, die ook alle waanwijsheid bedekt.
Maar verder ligt hier ook alweer een bron van troost, wanneer wij onszelf hebben leren kennen als verloren zondaren. — Dat woord „uitverkoren" heeft in onze oren een vreselijke klank, zolang wij onszelf voor vrome mensen houden, die minstens evenveel recht hebben als alle anderen : bij het horen van dat woord krijgen we dan een gevoel, alsof wij aan willekeur waren overgeleverd, alsof ons onrecht werd aangedaan Hierin komt alleen verandering door rechte kennis van zonde en ellende. Dan worden wij in eigen oog mensen, die evenmin als anderen enig recht hebben en even verwerpelijk zijn als alle anderen, zo niet nog verwerpelijker. En dan is het een troost te zien, wat voor iemand dit voorwerp van 's Heeren liefde was: Saulus, die niet anders verdiend had dan de eeuwige dood! Zie, dat geeft moed om midden in onze verlorenheid op de Heere te hopen : dat is onze troost, dat de Heere geheel vrijwillig liefheeft. Hij alleen is ons heil. Hij alleen is te prijzen. Die God alleen is onze hoop. Die Zich in Christus Jezus geopenbaard heeft als de God van het verlorene, het Begin van alle heil!
III.
Wij hebben Saulus nu leren kennen als een voorwerp van de zorg en van de liefde des Heeren, — onze text plaatst hem tenslotte nog in een ander licht, door hem ons voor ogen te stellen als voorwerp van de verlossing van de Heere Jezus. Zal Saulus Zijn Naam uitdragen en voor Zijn Naam lijden, dan moet die Naam in de eerste plaats bij Saulus zelf, in diens eigen ziel, verheer- 164lijkt worden. M. a. w. Saulus moet uit de nood gered, uit de banden bevrijd worden. De laatste loodjes wegen het zwaarst.
Dat zal Saulus ook wel ondervonden hebben op die derde dag, die hij binnen Damaskus' muren doorbracht. Zijn ziel schreide om ontferming .. .. Daar wordt het hem wonderlijk temoede hij ziet de deur van zijn verblijf opengaan .. .. daar komt een man binnen „Ananias", zo klinkt het in zijn binnenste deze legt hem de handen op om hem het gezicht terug te geven ... Heerlijk ! Maar als dat gezicht voorbij is, is Saulus nog blind. Wel is hij met blijde hoop vervuld, want waar kan dat gezicht vandaan komen, waarin zelfs de naam van die man wordt genoemd ? Hij zit te wachten, doch Ananias komt maar niet. Wij weten de reden, waarom hij nog niet kwam, n.l. dat de Heere bezig was met Ananias om hem toe te bereiden tot Zijn boodschapper. Dat wist Saulus echter niet. Hoe benauwd zal het hem geworden zijn ! Hoe zal zijn ziel nog luider geroepen hebben tot de Heere !
De trouwe zorg des Heeren komt echter spoedig aan het licht. Hij heeft met Zijn genadige onderwijzing de bezwaren weggenomen, waarmee de kortzichtige Ananias te worstelen had. Het Woord des Heeren. dat Saulus tekende als een voorwerp van Zijn liefde, was Ananias genoeg. Als de Heere zo over die man denkt, welnu, dan gaat Ananias er graag heen.
De „Rechte Straat" is spoedig bereikt, het huis van Judas eveneens. Jazeker, Saulus van Tarsen was daar. In die en die kamer kon Ananias hem vinden.... Daar hoort Saulus de deur opengaan daar treedt iemand binnen „Saul, broeder!", zo klinkt het hem tegen. Tegelijkertijd rusten daar op zijn schouders een paar handen, waar de liefde uit wordt gevoeld .... Wie mag dat zijn ? Lang behoeft hij niet in onzekerheid te verkeren, want dezelfde stem gaat voort: „de Heere heeft mij gezonden, n.l. Jezus, Die u verschenen is op de weg, die gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met de Heilige Geest vervuld zoudt worden".
O, wat zal Saulus blij zijn geweest: daar was nu de man, die hij in dat gezicht had gezien. Gezonden door Jezus. Dus was de belofte vervuld : „u zal gezegd worden wat gij doen moet". Maar wat een wondere vervulling is dat : van een doen van Saulus is hier geen sprake : „opdat gij weder ziende en met de Heilige Geest vervuld zoudt worden". Dat zijn toch dingen, die alleen vrucht zijn van werking Gods. Het zijn enkel beloften, die hem worden toegebracht! En deze belofte gaat aanstonds in vervulling: „terstond vielen af van zijn ogen gelijk alsschellen, en hij werd terstond wederom ziende". Daar had hij dus opeens het gezicht weer terug! — Het was een gewaarwording, alsof daar „schellen", d. w. z. schilfers, van zijn ogen vielen. Of er iets tastbaars van zijn ogen viel, b.v. wat door het opdrogen van tranen na veel wenen een korst vormt aan de oogleden. of dat het alleen een gewaarwording was als die wij krijgen, wanneer een op de ogen gelegde hand plotseling wordt weggenomen in het volle licht, — wij weten het niet. Maar dit ene weten wij wel: Saulus had het gezicht terug. Hij kon weer zien. Wat zal hij die Ananias aangekeken hebben !
Doch er is nog meer.
Saulus staat op en wordt gedoopt. Door hetgeen Paulus later in zijn verantwoording aan het Joodse volk volgens Hand. 22 gezegd heeft, wordt op deze dingen het volle licht geworpen. Hoort maar, hoe hijzelf verhaalt: „En op hetzelfde ogenblik werd ik weder ziende en zag hem En hij zeide:„De God onzer vaderen heeft u voorbestemd om Zijn wil te leren kennen en de Rechtvaardige te zien en een stem uit Zijn mond te horen ; want gij moet getuige voor Hem zijn bij alle mensen van hetgeen gij gezien en gehoord hebt. En nu, wat aarzelt gij nog ? Sta op en laat u dopen en uw zonden afwassen onder aanroeping van Zijn Naam" (vs. 13—16). Saulus heeft zich dus op aanwijzing van Ananias laten dopen. Hij heeft in de Doop de afwassing zijner zonden ontvangen, d. w. z. hij is door de besprenging met het water voor zijn eigen bewustzijn verzekerd, dat al zijn zonden hem vergeven waren ; vergeven door Hem, Die op Golgotha Zijn zie! had uitgestort in de dood.
En nog hebben wij het einde niet.
Lukas deelt nog mede : „en als hij spijze genomen had, werd hij versterkt". Door de geweldige zielestrijd en het vasten tengevolge daarvan was Saulus uitgeput. Hij begon weer op te leven en kwam weer op krachten door de spijze, die hij tot zich nam.
Hij nam dus spijze.
Voor het eerst na drie dagen. Daar hebt ge het volledig bewijs, dat de nood uit zijn ziel was geweken en dat de Heere hem in de ruimte had gezet. Misschien vraagt ge, hoe het gegaan is met hetgeen Ananias heeft gezegd: „opdat gij .... met de Heilige Geest vervuld zoudt worden". Daar zegt Lukas hier niets van.
Neen, tenminste niet met zoveel woorden. En toch zegt hij er wel wat van. Hier reeds, waar hij de vrede tekent, die Saulus mocht smaken blijkens het nemen van spijze; want die vrede is vrucht des Geestes. En straks, als hij ons verhaalt, hoe Saulus terstond in de synagogen Jezus als de Zoon van God ging verkondigen. Zo staat daar Saulus dan vóór ons als een voor
Zo staat daar Saulus dan vóór ons als een voorwerp van de verlossing van de Heere Jezus. Hoe vol vertroosting is dit voor het verslagen hart! „Aldaar zal u gezegd worden wat gij doen moet". Laat ons daarop nog eens terugkomen. Hoe bleek dat er bij de vervulling uit te zien ! Van doen was geen sprake. Enkel van ontvangen van genadegoederen.
Zo is het heden nog !
Het is Jezus Zelf, Die verlost, d. w. z. deelachtig maakt wat Hij aan het kruis heeft verworven.
Door de Heilige Geest, Die Hij zendt van de Vader op alle vlees, op al wat als vlees daar ligt: met zonde en schuld beladen, terwijl het niets in kan brengen voor het aangezicht Gods, doch alleen om ontferming kan smeken. Die Geest schenkt de schuldvergeving, die daar
Die Geest schenkt de schuldvergeving, die daar is in het bloed des Lams. Hij doet dit door de prediking des Woords, die de vergeving verkondigt. Hij doet het ook door het Sacrament, dat de vergeving verzegelt. Zo doet Hij vrede nederdalen in het hart en vervult dat met goede moed, waar alle treurigheid voor wijkt.
Hier worden geen lasten opgelegd, te zwaar om te dragen. Hier geldt : „Breng hier geen werken mee bij deze volle zee !"
't Is enkel genade. Een stroom van genade, die hier vloeit, en waardoor gewis alle hongerige en dorstige zielen op Gods tijd worden verkwikt.
AMEN.
Gelezen : Wet des Heeren en 1 Tim. 1 : 1 —17.
Gezongen: Ps. 103 : 4, 5 ; Ps. 25 : 3, 8, lO;
Gez, 52 : 10.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1947
Kerkblaadje | 16 Pagina's