Saulus in de apostelkring te Jeruzalem
Text: Hand. 9 : 26—31. .... „De discipelen namen Saulus op een nacht en lieten hem door de muur in een mand naar beneden zakken" .... voort gaat het in de duistere nacht.... Waarheen ? — Naar Jerusalem, zoals onze text van vanmorgen ons leert. Komt, laat ons zien, wat hij daar ondervindt. Hij wordt I door de discipelen gewantrouwd. Il met de discipelen verenigd, en III van de discipelen gescheiden.
I.
Door de donkere nacht gaat Saulus voort. Waar zal hij anders heen dan naar Jerusalem, zijn woonplaats? Een lange weg ligt vóór hem. En hij moet eenzaam die weg gaan. Oeen wonder, dat de gedachten zich in zijn binnenste vermenigvuldigen. Hij ondervindt nu zelf iets van het nameloos leed, waarin hij zoveel discipelen des Heeren gestort heeft.... Hij komt te Jerusalem
Heeren gestort heeft.... Hij komt te Jerusalem aan, maar heel anders dan hij er vandaan ging. Hij taalt niet meer naar degenen, op wier omgang hij vroeger trots was. Geen ogenblik denkt hij er aan, zich weer bij de Parizeen aan te sluiten. De Nazareners hebben zijn hart. Hij is één der hunnen geworden. Hij poogt „zich bij de discipelen te voegen".
Doch daar wacht hem een bittere teleurstelling : „maar zij waren allen voor hem bevreesd, daar zij niet konden geloven, dat hij een discipel was". Hij werd dus door de discipelen gewantrouwd. Zij bleven allen op een afstand. Er was er niet één, die het aandurfde, hem te ontvangen. Zij waren allen bang voor Saulus. Zij konden niet geloven, dat hij een discipel was. Begrijpelijk, nietwaar ?
Het ging heel anders dan in Damaskus. Daar was hij aanstonds met blijdschap ontvangen. Hij was immers naar Lukas' bericht „sommige dagen bij de discipelen, die te Damaskus waren" (vs. 19b). Jawel, maar daar wist men door Ananias precies, hoe het met Saulus gegaan was. Daar wist men, hoe de Heere Jezus gewerkt
Daar wist men, hoe de Heere Jezus gewerkt had aan die mensenziel. Daar had men zijn kloekmoedig getuigenis gehoord, de verandering in daden gezien. Daarom kon men daar zo node van hem scheiden .... Maar hier in Jerusalem had men niets van dit alles meegemaakt. Hier had men de herinnering aan Stefanus' dood. Men zag nog die Saulus de klederen bewaren van de getuigen. Men zag hem nog de huizen binnengaan, en mannen en vrouwen er uit slepen naar de gevangenis. Men zag hem nog naar Damaskus reizen, met volmachtsbrieven van de Hogepriester gewapend, om ook daar de discipelen te vangen en te binden .... en nu kwam daar diezelfde man aansluiting bij hen zoeken ?. . .. dat was verdacht! Het wilde er bij hen niet in, dat hij een discipel was. Daar moest bepaald wat achter zitten. Wellicht een list om zich bij hen in te dringen en dan nog meer tegen hen te kunnen woeden ! — Zelfs bij de apostelen staat de zaak niet anders, want in Lukas' verhaal wordt voor hen geen uitzondering gemaakt. Laten we ons de situatie eens goed indenken.
Wij hebben heel de geschiedenis met Saulus doorleefd. Wij hebben ons verheugd over zijn bekering. Wij hebben met grote verwondering en innige blijdschap dat werk der genade van de Heere Jezus gadegeslagen. Wij hebben ons verblijd over zijn prediking. Wij hebben met droefheid in het hart de vijandschap der Joden opgemerkt. Wij hebben ons verkneukeld over Saulus' ontkoming .... en nu hadden wij zo graag gezien, dat hij in Jeruzalem met open armen ontvangen was, dat de broederlijke liefde de verjaagde gekoesterd had .... Zeker — doch zeg eens : is het die discipe'en
zo bizonder kwalijk te nemen ? Was het niet veeleer gebiedende noodzaak voorzichtig te zijn ? Zij konden toch niet in Saulus' hart lezen. Ook de apostelen niet. Hoe konden zij dan weten, of zijn doen oprecht was ? Als zij maar de zekerheid hadden gehad, dat hij een discipel was ! Doch die zekerheid ontbrak hun .... Mij dunkt, als wijzelf in da plaats van die jongeren hadden gestaan, wij hadden gedaan als zij, en wij hadden ook niet anders kunnen en mogen doen ! Dat is de ene kant, Gemeente I
Doch er is ook nog een andere zijde. Die discipelen wisten toch ook wel uit eigen ervaring, dat een mens er niet licht toe komt, aansluiting te zoeken daar, waar de slagen vallen. En niet minder, dat er heel wat gebeuren moet, zal een mens zich scharen onder de kruisbanier. Zij wisten toch ook wel, dat hiertoe almachtige genade nodig is. Bovenal de apostelen, die zoveel hadden ondervonden van de macht van 's Heeren genade Denk maar eens aan Petrus.... Zijn deze mensen dan allen, zonder enige uitzondering, vergeten, wat de macïit des Heeren vermag, dat er maar één wenk nodig is uit de hoge om een tegenstander te veranderen in een vriend, om uit een woedend vervolger een ootmoedig aanbidder, uit een wolf een lam te maken ?
Ach Gemeente ! dat behoort ook al onder die dingen, die geen mens, ook niet de hoogstbegenadigde, uit zichzelf vast kan houden. Zeker, dat hebben de discipelen evengoed als de apostelen van ganser harte beleden — en nu zij er vóór staan, willen zij er niet aan. Zij kunnen niet geloven, dat dit werkelijk met Saulus gebeurd was. Hef staat hier precies zoals het stond met de discipelen in Jerusalem, toen Petrus in de gevangenis was geworpen en de volgende dag ter dood zou worden gebracht (Hand. 12): „van de Gemeente ging aanhoudend een vurig gebed voor hem op tot God". Zij riepen dus voortdurend de Heere aan, dat Hij uitkomst zou geven. Maar toen de uitkomst er was en Petrus aan de voorpoort stond te kloppen, deed Rhode van blijdschap de deur niet open, en zeiden de anderen : „het is zijn engel". Toen geloofden zij er dus niets van, dat de Heere Petrus "verlost had.
En wijzelf hebben waarlijk geen reden om de discipelen er een verwijt van te maken, want wij doen precies eender. Natuurlijk wel in een andere vorm, omdat de omstandigheden anders zijn, maar toch in de grond betzelfde. Of zeg mij: hoe zien wij iemand aan, die wij altijd gekend hsbben als een vurig voorstander van de werken en een heftig vijand van de genade, zoals zij in waarheid genade is, — als wij hem zien verschijnen daar waar de prediking de mens op het diepst vernedert en God op het hoogst verhoogt ? Zijn wij dan ook niet met wantrouwen vervuld ? Denken wij dan ook niet: hoe is dat mogelijk ? vóór kort moest hij er niets van hebben .... en nu ! Maar dan zijn wij zelf evenzeer vergeten, dat God niets in de weg staat, dat Hij maar te spreken heeft! Zo vinden wij hier bij alle erkenni.ig van de noodzakelijkheid om voorzichtig te zijn, toch weer reden te over om ons voor Gods heilig aangezicht te verootmoedigen en de vergeving van deze zonde bij Hem te zoeken.
Saulus door de discipelen gewantrouwd. Daar moeten wij nog eens even op terugkomen. Wij hebben tot nOg toe de zaak alleen beschouwd zoals zij stond aan de zijde der mensen. Maar wij moeten ook op de goddelijke kant letten. Er geschiedt immers niets bij geval, maar alles
Er geschiedt immers niets bij geval, maar alles komt ons toe van Gods vaderlijke hand. Ook door het doen, zelfs door het zondige doen der mensen heen, is het toch God, Die regeert. Wiens wil geschiedt. Wiens raad wordt uitgevoerd. Zo is Hij het dan Zelf, Die Saulus deze bittere teleurstelling bereid heeft. Naar de raad Gods stuitte Saulus op wantrouwen bij dediscipelen des Heeren. Wat mag de bedoeling daarvan geweest zijn ? Gemeente ! wij kunnen het wel vermoeden, als wij eens even bedenken, wat daar bij die ervaring wel moest omgaan in Saulus' binnenste. — Daar heerste teleurstelling, dat spreekt vanzelf. Doch Saulus heeft zeker de vraag wel gesteld, die wij mensen zo spoedig doen : waarom dit ? En dan heeft hij wel moeten bekennen : ik kan het die mensen niet kwalijk nemen, want ik heb het er ook naar gemaakt! M. a. w. : het heeft gediend tot Saulus' verootmoediging, om hem klein te houden. Eigen ondervinding kan ons het nut hiervan Ieren. Met vlag en wimpel ingehaald worden brengt een groot gevaar mee. Het gevaar, dat wij karakteriseren met de uitdrukking: ovet" het paard getild worden. Dat is in het gewone leven al bedenkelijk, maar het is nog veel gevaarlijker in de sfeer van het geestelijke leven. Het is genade, die ons hiervoor behoedt, door ons teleurstellingen te bereiden, die ons in de diepte werpen !
II.
Saulus is er werkelijk door in de diepte geworpen. Daar is een kleine aanwijzing voor, waar wij gemakkelijk overheen lezen. Zij ligt in hetgeen Lukas schrijft in vs. 27 : „Maar Barnabas, hem tot zich nemende . ..." Dat is zoveel te zeggen als: zich over hem ontfermende, of: zich zijn lot aantrekkende.
Hieruit kunnen wij afleiden, hoe het Saulus te moede was. Hij vond geen open harten. Allen hielden hem op een afstand. Daar liep Saulus dan door Jerusaiems straten — en daar zat hij dan weer in zijn huis.... Hoe lang dat geduurd heeft, weten wij niet. Maar wij kunnen er op aan, dat hij zielepijn geleden heeft. Hij was in de Naam des Heeren Jezus gedoopt, hij had in de Doop de verzekering van de vergeving zijner zonden ontvangen, maar hij moest toch ondervinden, dat de gevolgen der zonde jammerlijk zijn. En die gevolgen hielden bij hem de herinnering aan de zonde levendig. Saulus heeft het zichzelf nimmer kunnen vergeven, wat hij jegens de Gemeente en daardoor ook jegens zijn Heer misdreven had. Hij komt er meer dan eens op terug. Ik herinner u aan die aangrijpende betuiging uit I Tim. 1 : „Ik dank Hem, Die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus, onze Heere, dat Hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende, mij, die tevoren een lasteraar was en een vervolger en een verdrukker. Maar mij is barmhartigheid geschied, omdat ik het onwetend gedaan heb in mijn ongelovigheid Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben" (vs. 12, 13, 15). Daaruit kunt ge de stemming afleiden, waarin Sauius verkeerde na zijn vergeefse poging om zich bij de discipelen te voegen.
Hoe graag had hij zijn hart eens uitgestort bij de jongeren des Heeren ! Doch niemand reikte hem de hand. Het voorzichtig doen der discipelen had voor Sauius ingrijpende gevolgen kunnen hebben en hem alle lust en moed kunnen benemen. De Heere echter waakte over hem. En zoals te Damaskus in de nood Ananias tot hem kwam, zo kwam hier ook iemand tothem,n.I.Barnabas.— Deze is ons bekend uit het slot van Hand. 4, waar wij lezen : „En Jozef, die van de apostelen de bijnaam Barnabas gekregen had — wat, vertaald, betekent: zoon der vertroosting—, een Leviet, uit Cyprus afkomstig, die eigenaar was van een akker, verkocht die en bracht het geld en legde het aan de voeten der apostelen" (vs. 36, 37). En in Hand. 11 wordt van hem getuigd: „hij was een goed man, vol van de Heilige Geest en van geloof" (vs. 24). Deze trok zich het lot van Sauius aan.
Hoe dan ? — Hij „leidde hem tot de apostelen, en verhaalde hun, hoe hij op de weg de Heere had gezien, en dat Deze tot hem gesproken had, en hoe hij te Damaskus vrijmoedig gesproken had in de Naam van Jezus" (vs. 27). Het is alweer een eenvoudig man, geen geleerde,
Het is alweer een eenvoudig man, geen geleerde, die de Heere hier gebruikt. Maar een man, die de broederlijke liefde kende. Deze brengt Sauius bij de apostelen.
Deze brengt Sauius bij de apostelen.
Misschien heeft het wel zijn aandacht getrokken, dat Sauius zich zo gelaten gedroeg onder de teleurstelling; dat hij zich niet geraakt toonde, maar de onderste weg ging. Toen heeft hij zeker gedacht: daar is iets bijzonders gebeurd, want het is 's mensen aard niet, onder zulke dingen stil te zijn ; daar moet ik meer van weten. Zo kunnen wij ons voorstellen, dat hij Sauius eens aangesproken of opgezocht of meegenomen heeft naar zijn huis. In elk geval, Barnabas is er achter gekomen, wat Sauius achter de rug had. Daarom bracht hij hem bij de apostelen. En let nu eens op de verdere gang vgn zaken,
En let nu eens op de verdere gang vgn zaken, Gemeente! Niet Sauius gaat daar zijn bekeringsgeschiedenis verhalen, om nu eens goed te doen uitkomen, hoe verkeerd de discipelen hadden gedaan met hem af te stoten. Hij spreekt geen woord. Stil en bescheiden staat hij daar. Hij laat zich door Barnabas leiden. Hij geeft zich geheel aan Barnabas over. Hij zal blij zijn, als deze er in slaagt, de harten der apostelen tot hem te neigen. — Barnabas doet het woord. Hij verhaalt de apostelen, hoe Sauius „op de weg de Heere had gezien", hoe de Heere Zich dus aan hem geopenbaard had ; ook, dat de Heere „tot hem gesproken had". En ook, wat daaropwasgevolgd : „hoe hij te Damaskus vrijmoedig gesproken had in de Naam van Jezus", hoe hij daar dus openlijk gebroken had met zijn verleden, hoe hij in die stad, waarheen hij ais ketterjager getogen was om de discipelen te binden, openlijk had getuigd, dat hij in Jezus de Christus had gevonden, dat Deze zijn Meester was geworden, zijn enige hoop. Deze woorden van Barnabas misten hun uitwerking niet. Lukas geeft dat te kennen, als hij er op laat volgen : „en hij was met hen ingaande en uitgaande te Jerusalem". De bordjes waren ogenblikkelijk verhangen, toen de apostelen zo duidelijk te zien kregen, dat Jezus Zich over Sauius had ontfermd, datjezus in het middelpunt van Sauius' leven stond. Toen was ineens het ijs gebroken De terughoudendheid maakte plaats voor innige gemeenschap, voor broederlijk verkeer. Wat zal Sauius blij geweest zijn : nu laevond hij zich in de kring der broeders. En Barnabas niet minder: nu was die arme man uit zijn drukkende eenzaamheid uit. Niet minder ook de apostelen en de overige discipelen. Zij dachten niet meer met wantrouwen aan het verleden van Sauius. Zij zagen alleen op de Heere Jezus en op hetgeen Hij gedaan had. De harten smolten samen. Sauius is met de discipelen verenigd.
Gemeente ! de Heere is met Sauius wel een bizondere weggegaan. Wat wij hier lezen is een heldere toelichting op hetgeen Paulus later betuigde: „die geacht waren hebben mij niets toegebracht" (Gal. 2 : 6). De Heere alleen heeft dit Zijn uitverkoren vat toebereid, en toen het klaar was, heeft Hij hel met de anderen in gemeenschap gebracht. In deze weg is bij Paulus waarheid geworden, wat hij zo nadrukkelijk uitspreekt in Gal. 1 : 12: „Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door een openbaring van Jezus Christus".
Paulus heeft geleerd, alleen op de Heere te zien, wat hem ook zo bizonder gesterkt heeft in de strijd, die hij menigmaal had te voeren met mensen, die zijn prediking en zijn apostelschap bestreden.
Maar deze dingen hebben ook ons één en ander te zeggen.
Zij bevatten vooreerst een vingerwijzing, hoe te handelen met mensen, die tot onze verbazing de broederlijke gemeenschap zoeken. Zij vermanen ons, niet af te gaan op hetgeen wij van vroeger weten en hun dan de pas af te snijden ; maar eerst eens te onderzoeken, hoe de zaken nu staan. Het werk des Heeren maakt zichzelf openbaar. Als werkelijk Jezus het middelpunt van het leven geworden is, dan zal dat ook blijken. En wanneer dat blijkt, dan zullen wij ons niet op een afstand houden, omdat wij er de hand niet in hebben gehad of omdat het niet precies gegaan is langs de weg, die wij ons gedacht hadden. Neen, Vv'ij zullen ons hart en ons huis openen, ziende op de Heere alleen !
Aan de andere kant is er ook zoveel troost in gelegen, wanneer wij de ervaring opdoen, dat wi} niet voor vol worden aangezien, omdat men dit van ons weet en dat van ons weet. Wij zullen ook deze smartelijke ervaring uit de hand Gods aannemen en het aan Hem overgeven. Hij zal ons in dit opzicht ook niet verlegen laten, maar de harten voor ons openen, zodat wij op de duur toch onze weg niet in eenzaamheid behoeven te reizen. Onze zaak is veilig in Zijn handen !
Wat is het toch een geluk, dat wij alleen op de Heere Jezus mogen zien. Op Zijn verzoenend lijden en sterven, waardoor heel ons verleden voor God verzonken is in de zee der vergetelheid! Zie, wanneer wij daar oog voor hebben, dan is het vanzelf uit met al dat wijzen op het verleden van anderen. Wat moest er van ons terechtkomen, wanneer ons verleden telkens weer in het licht werd gesteld, wanneer bij ons, om een gebruikeh"jke spreekwijze te bezigen, telkens de oude koeien uit de sloot werden gehaald. Onze enige hoop is Jezus Christus. Daarom voelen wij ons één met allen, wier enige hoop eveneens Jezus Christus is.
III.
Saulus door de discipelen gewantrouwd, — Saulus met de discipelen verenigd, — op deze beide taferelen volgt in onze text nog een derde : Saulus van de discipelen gescheiden. Lukas schetst het aldus : „En vrijmoedig sprekende in de Naam van de Heere Jezus, sprak hij ook en handelde tegen de Griekse Joden ; maar dezen trachtten hem te doden" (vs. 29). Saulus kon ook in Jerusalem niet zwijgen. Om
Saulus kon ook in Jerusalem niet zwijgen. Om dezelfde reden als tevoren in Damaskus. De broederlijke liefde dreef hem. Hij had tevoren de dwaalweg bewandeld, anderen op de dwaalweg gesterkt of op de dwaalweg geleid. Nu hij zelf door de genade des Heeren tot kennis der waarheid was gekomen, moesten de anderen het ook weten, opdat ook zij van de dwaalweg mochten terugkeren en het rechte pad betreden. Daarom sprak hij vrijmoedig in de Naam van de Heere Jezus.
Niet zonder reden wordt dat hier weer vermeld. Het was een heel waagstuk, daar in Jerusalem de Joden te spreken van Jezus. Valse schaamte kon zo licht een beletsel zijn : het is toch allesbehalve gemakkelijk, voor aller oor met zijn verleden te breken. Wij weten immers, hoe moeilijk het valt, terwijl wij eerst met grote ijver en zekerheid dit of dat hebben verkondigd, later te bekennen : ik heb gedwaald ! Mensenvrees kon hem ook gemakkelijk weerhouden. Saulus wist immers wel, hoe de gezindheid tegen zulk een prediking was : hij was toch zelf de ziel geweest van de vijandschap. Hoe gemakkelijk kon hij niet denken : hier in Jerusalem moet ik maar zwijgen, ik kan elders genoeg prediken! — Doch zulke gedachten kwamen niet bij hem op. Waarom niet ? Omdat de Naam van de Heere Jezus hem alles, zijn levenselement was. Daarom had hij geen oog voor iets anders. Onbeschroomd getuigde hij van Jezus. Van Jezus.
Van Jezus. Daar moeten we nog eens op letten. Saulus heeft
Daar moeten we nog eens op letten. Saulus heeft niet over zichzelf gesproken. Hij heeft niet zijn bekeringsgeschiedenis verhaald. Maar hij heeft alléén getuigd van Jezus, van Zijn heerlijkheid, van de heerlijkheid van Zijn genade, van de verzoening door Zijn bloed, van de gerechtigheid en het leven, die alleen bij Hem te vinden zijn door het geloof; van de hoop der heerlijkheid, die vastligt in Hem.
Ook dit dient tot onze onderwijzing.
Er zijn mensen, die graag hun bekeringsgeschiedenis vertellen. Is dit dan verkeerd ? Op zichzelf niet. Saulus heeft ook tweemaal — voor zover wij weten — zijn bekeringsgeschiedenis verhaald, n.l. toen hij voor de schare in Jerusalem zich verantwoordde en toen hij voor Agrippa verantwoording deed. Doch het ging hem daarbij er niet om, te laten horen wat een voortreffelijk mens hij wel was, maar om tegenover de beschuldigingen der Joden te laten uitkomen, vanwaar hij de kennis der waarheid had. Hij verheerlijkte daarin dan ook niet zichzelf, maar Jezus alleen. Er is echter aan het bij allerlei gelegenheden vertellen van zijn bekeringsgeschiedenis een groot gevaar verbonden : dit gevaar n.l., dat men ook wat van het licht op zichzelf laat vallen ! Waarachtige bekering leidt de mens tot Christus alleen, zodat hij van niets anders weet te spreken dan van Christus en Zijn genade. Dit alleen kan ook ten nutte der broeders strekken, tot vertroosting in hun nood en bekommering. Saulus sprak van Jezus, van Hem alleen. Zo kwam hij ook in aanraking met de Griekse Joden, d. i. met de Grieks sprekende Joden, uit het buitenland afkomstig, die in Jerusalem eigen synagogen hadden, uit de historie van Stefanus welbekend. Ook met hen „sprak en handelde" hij, d. w. z. hij redetwistte met hen. Niet slechts éénmaal, maar meerdere malen. Klaarblijkelijk gingen zij hem zeer ter harte.
Wij kunnen wel begrijpen, waarom hij zich tot hen aangetrokken gevoelde. Dat waren juist de mensen, uit wier kring Stefanus zo heftig was aangevallen, die het volk en ook de o verpriesters en schriftgeleerden tegen Stefanus in het harnas hadden gejaagd, die hem voor het Sanhedrin hadden gesleept en tenslotte zijn dood hadden bewerkt. Saulus had indertijd aan hun zijde gestaan, toen hij mede een welbehagen had in Stefanus' dood.
Saulus heeft het gevoel gehad van een ereschuld. Vooreerst tegenover Stefanus. Die had de waarheid liefgehad en was voor de waarheid gestorven ; die moest gerechtvaardigd worden. — Maar verder ook tegenover die Griekse Joden, vroeger ook door Saulus zelf op het dwaalspoor geleid. Die moesten weten, dat de door Stefanus gevolgde en gepredikte weg de enig rechte was. — Daarom vat Saulus, om zo te zeggen, de draad op ter plaatse, waar deze Stefanus uit de handen gevallen is. Daarom gaat hij Christus prediken ook aan die Griekse Joden. Dezen blijken intussen nog niet veranderd, en
Dezen blijken intussen nog niet veranderd, en ook niet van plan zich te veranderen : zij „trachtten hem te doden".
Alweer die vijandschap tot de dood toe ! Ach Gemeente! het is zo duidelijk, dat God alleen de mens bekeren kan. Het hart van de mens is zo afkerig van het Evangelie, wanneer het er op aan komt. Het schijnt raadselachtig : wie kan nu toch afkerig zijn van die heugelijke tijding omtrent de verlossing van zonde, vloek en dood? En toch is het zo duidelijk : als er van verlossing van zonde, vloek en dood wordt gesproken, dan wordt uitgegaan van de gedachte, dat wij aan zonde, vloek en dood onderworpen zijn. En die gedachte is zo ondragelijk voor de mens, zoals hij van nature is. Ais wij nog maar iets kunnen vasthouden, al is het nog zo weinig, dan kunnen wij veel verdragen. Als ons echter alles uit de handen geslagen wordt en wij als goddelozen voor God gesteld worden, dan blaakt bij onszelf ook de vijandschap — tenzij de genade ons te machtig wordt, zodat wij ons doodvonnis ondertekenen ! Het was met Saulus slecht afgelopen, als de
Het was met Saulus slecht afgelopen, als de Heere het niet had verhoed. Hij waakte echter over hem. De broeders kwamen er achter. En zij zorgden, dat Saulus spoedig buiten bereik van zijn vijanden kwam. Hij moest Jerusalem verlaten. Zij lieten hem niet alleen reizen, dat vertrouwden zij niet. Zij geleidden hem naar Caesarea, de bekende havenstad aan de Middellandse Zee. Vandaar laten zij hem vertrekken naar Tarsen. Ze zijn eerst rustig, als hij aan boord is. Zo is dan Saulus van de broeders gescheiden.
Zo is dan Saulus van de broeders gescheiden. Hij moet zijn weg weer in eenzaamheid reizen. En straks komt hij in zijn geboorteplaats aan. Ook dat is geschied naar de raad des Heeren. Saulus kwam daar op bekend terrein. En men zal daar wel vreemd hebben opgezien, toen de gevoelens bekend werden van de man, die als jongeling vandaar naar Jerusalem gezonden was om aan Gamaliels voeten onderwezen te worden. Saulus zal het ook daar niet gemakkelijk gehad hebben. Maar het heeft bepaald weer moeten dienen om hem te stalen in de strijd, om hem nog meer toe te rusten tot de taak, waartoe de Heere hem straks zou roepen !
Wat zal de duivel gejuicht hebben, toen Saulus uit Jerusalem was verdwenen en aan boord was naar Tarsen! Nu was die geharnaste strijder van het toneel af. De man, in wie hem zo bittere teleurstelling bereid was. Maar de duivel heeft er geen winst van gehad.
Maar de duivel heeft er geen winst van gehad. Hierop gunt Lukas ons een blik door hetgeen hij op Saulus' geschiedenis laat volgen: „De Gemeenten dan door geheel Judea enGalileaen Samaria hadden vrede en werden gesticht; en wandelende in de vreze des Heeren en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden vermenigvuldigd" (vs. 31). Dat was om zo te zeggen het resultaat van hetgeen de Heere Jezus met Saulus gedaan had. Door de bekering van Saulus had Hij de ziel uit de vervolging weggenomen. De vijanden richtten niets meer uit. Alom kregen de Gemeenten rust. Zij hadden vrede. Zij werden opgebouwd in het geloof. Zij wandelden in de vreze des Heeren. De vertroostingen des Heiligen Geestes verkwikten haar. Zij werden vermenigvuldigd. Het woord van Christus werkte door. De Gemeente breidde zich uit. Het ging hier dus naar de belofte des Heeren uit Jes. 54 : Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en all-; tong, die in het gericht tegen u opstaat, zult gij verdoemen ; dit is de erve der knechten des Heeren, en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de tieere" (vs. 17).
Dat is de troost, die ons blijft ook in de tegenwoordige tijd. De vijand zit niet stil. Alle krachten worden ingespannen om de Gemeente los te maken van het enig Fundament, waarop zij door de genade des Heeren gebouwd is en waarop zij kan staan : Jezus Christus, de Gekruisigde, overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Maar hoe de wereld in haar eigenwillige vroomheid ook woele en woede, Jezus Christus zit op de Troon. En niemand zal Hem daar afrukken of verdringen, in Hem is het leven der Gemeente gewaarborgd. Door alle strijd heen wordt zij nochtans gebouwd, totdat zij eenmaal haar voltooiing bereikt. Daarom zal ook niemand tevergeefs op Christus zijn hoop vestigen. Want: „Israël wordt verlost door de Heere met een eeuwige verlossing ; gijlieden zult niet beschaamd noch te schande worden tot in alle eeuwigheden". AMEN.
Gelezen: Wet des Heeren en Galaten 1.
Gezongen : Ps. 92 : 2, 3 ; Ps. 40 : 5, 6, 8 ; Gez. 52 : 2, 5.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1947
Kerkblaadje | 8 Pagina's