De Kinderdoop.*
Uitleg van Held. Cat. Vr. en Antw. 74.
1. „Zal men ook de jonge kinderen dopen ?"
„Zal men ook de jonge kinderen dopen ?" Deze vraag van onze Catechismus heeft haar ontstaan te danken aan de botsing met de Doopsgezinden, die de Kinderdoop bestreden, en omdat zij degenen, die reeds als kind gedoopt waren, op latere leeftijd nog eens doopten, door onze vaderen ook Wederdopeis-) genoemd werden. Zij waren niet de eersten, die de Kinderdoop
Zij waren niet de eersten, die de Kinderdoop verwierpen, want reeds in de eeuwen, die onmiddellijk op de apostolische tijd gevolgd zijn, komt bestrijding van de Kinderdoop voor. Zij zijn ook niet de enigen, die van de Kinderdoop niet willen weten. Ook onder niet-Doopsgezinden, zelfs onder Hervormden, worden dezelfde denkbeelden gevonden, die zij koesterden en koesteren. Ja, in onze dagen treffen wij overal mensen en groepen van mensen aan, die de Kinderdoop een dwaling achten. Ik denk aan verschillende secten, zoals Darbysten, Baptisten, Apostolischen e. a. Maar vooral denk ik aan de kritiek, die door de grote Zwitserse theoloog Karl Barth op de Kinderdoop geoefend wordt. Daarom is de vraag naar het goed recht van de Kinderdoop nog steeds een vraag van groot belang. En met „Kinderdoop" — dit moeten we wel voor ogen houden — wordt niet de Doop van kinderen in het algemeen bedoeld, maar de Doop van kinderen, die in de Christelijke Gemeente geboren zijn, van „de kleine kinderen der gelovigen", zoals het opschrift van ons Doopsformulier zegt.
Het gaat om de vraag, of de kleine kinderen der gelovigen gedoopt mogen worden. Deze vraag wordt door de Doopsgezinden en
Deze vraag wordt door de Doopsgezinden en door allen, die met hun denkbeelden instemmen, zo beslist mogelijk ontkend. Vooreerst op grond van een bloot menselijke overweging. Zij redeneren aldus : kleine kinderen hebben geen besef van hetgeen er met hen gebeurt, omdat hun verstand nog niet ontwikkeld is; zij verstaan dus niets van de Doop; daarom heeft de Doop voor hen volstrekt geen waarde en daarom heeft het ook geen zin, aan kleine kinderen de Doop te bedienen. Verder beroepen zij zich op de Heilige Schrift om te betogen, dat de Kinderdoop ongeoorloofd is. En wel op de woorden van de Heere Jezus : „Gaat dan heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden". Uit deze woorden leiden zij af, dat het geloof ten allen tijde aan de Doop vooraf moet gaan — en nu ligt de gevolgtrekking voor de hand : kleine kinderen geloven niet, en dus mogen ze ook niet gedoopt worden. En in de derde plaats zeggen de tegenstanders van de Kinderdoop : in de Heilige Schrift wordt nergens gezegd, dat kleine kinderen gedoopt mogen worden en gedoopt moeten worden, en wordt ook nergens vermeld, dat kleine kinderen gedoopt zijn.
Er schijnt dus nogal heel wat bewijsmateriaal tegen de Kinderdoop aanwezig te zijn. Wat zullen wij tot deze dingen zeggen ?
Wat zullen wij tot deze dingen zeggen ?
Allereerst dit, dat dit bewijsmateriaal heus niet zo sterk is, als de tegenstanders van de Kinderdoop wel doen voorkomen. Wat de bewering aangaat, dat kleine kinderen
Wat de bewering aangaat, dat kleine kinderen van de Doop geen verstand hebben, en daarom de Doop ook niet mogen ontvangen — laat ik eens vragen : verstaan volwassenen, ja verstaan wij de Doop zo opperbest ? Ach, wanneer de de Heere op ons „verstaan" moest wachten, dan zou de Heere wel kunnen wachten tot het uur van onze dood en zouden wij allen wel ongedoopt mogen blijven !
En wat betreft het beroep op het woord van de Heere Jezus : „Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden", moeten we opmerken, dat hier misverstand in het spel is. Dit woord heeft met de vraag naar het goed recht van de Kinderdoop absoluut niets te maken. De Heere Jezus zegt hier tot Zijn discipelen niet, wie al of niet gedoopt mogen worden, maar: wie al of niet zalig zullen worden. Zalig wordt hij, die hef Evangelie gelooft en zich aan de Doop onderwerpt — verdoemd wordt hij, die het Evangelie niet gelooft. Als wij het textverband in Mark. 16 nagaan, moet dit ons wel duidelijk worden. De Heiland beval Zijn jongeren, heen te gaan in de gehele were'd en het Evangelie te prediken aan alle creaturen, aan Jood en Heiden — want van een geordende Christelijke Gemeente was toen nog geen sprake — nu spreekt het vanzelf, dat wie dat Evangelie niet gelooft, verdoemd wordt omdat hij geen vergeving van zonden heeft, en dus door eigen schuld onder de toorn Qods blijft liggen. Maar wie het Evangelie wel gelooft en zich laat dopen, wordt zalig. Maar waarom heeft de Heiland er dan zo uit
Maar waarom heeft de Heiland er dan zo uitdrukkelijk bijgevoegd : „en gedoopt zal zijn" : „Die geloofd zal hebben én gedoopt zal zijn, zal zalig worden" ? Opdat niemand zich bedriege en zich met een dood geloof tevreden stelle, met een geloof, dat niet door de liefde werkzaam is 1 De Doop was een „op zich nemen" van de smaad van Christus. Wie tot het geloof kwam, maar zich niet liet dopen, verzuimde de Doop uit mensenvrees om niet genoodzaakt te zijn, de smaad van Christus te dragen. Wie zich niet liet dopen, weigerde dus, in het openbaar voor Christus uit te komen : op hem was het woord des Heeren van toepassing : „Wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is". Om dus te voorkomen, dat iemand zou denken : „Ik kan wel geloven, zonder er nu juist zo openlijk voor uit te komen !" heeft de Heere Jezus gezegd : „Die geloofd zal hebben én gedoopt zal zijn, zal zalig worden' — opdat ieder, die tot het geloof kwam, zich ook zou laten dopen en de smaad van Christus op zich nemen. Omtrent het al of niet geoorloofd zijn van de Kinderdoop is hier niets gezegd. Dit woord moet dan ook bij de vraag naar het goed recht van de Kinderdoop buiten beschouwing blijven en is geheel ten onrechte door de tegenstanders van de Kinderdoop er bij betrokken.
En wat nu tenslotte de bewering aangaat, dat in de Heilige Schrift nergens gezegd wordt, dat kleine kinderen gedoopt mogen worden en gedoopt moeten worden, en dat ook nergens vermeld staat, dat kleine kinderen gedoopt zijn_ dienen wij het volgende in aanmerking te nemen_ Vooreerst dat er dingen zijn, die zo vanzelf spreken, dat het volstrekt onnodig is, hieromtrent een voorschrift te geven. Zo staat het ook met de Kinderdoop. Wij moeten nooit uit het oog verliezen, door Wie en onder welke omstandigheden de Doop is ingezet, n.1. door de Heere Jezus Christus, Die naar het vlees behoorde tot het zaad van Abraham, tot het volk van Israël. Zoals wij vroeger gezien hebben, was de Doop niet iets volstrekt nieuws, maar sloot zich aan bij bestaande Israëlietische gebruiken. Onder Israël was de proselietendoop in zwang. Wanneer iemand uit het Heidendom kwam tot de kennis van de enige en waarachtige Ood en in Israël wenste ingelijfd te worden, dan moest hij zich allereerst aan een doop onderwerpen — en dan werden niet alleen hijzelf, maar ook zijn jonge, onmondige kinderen gedoopt, gelijk niet alleen hijzelf, maar ook zijn jonge zonen besneden werden. Voor een Israëliet ging de doop van de vader steeds gepaard met de doop van zijn kinderen, voorzover zij niet mondig waren. Daarom zou het voor de apostelen en al de jongeren des Heeren, die Israëlieten waren, iets vreemds, iets geheel nieuws geweest zijn, wanneer de kleine kinderen van hen, die tot het geloof in de Heere Jezus Christus kwamen, niet gedoopt mochten worden, en had de Heiland de Kinderdoop uitdrukkelijk moeten verbieden.') Vervolgens moeten wij zeggen, dat ook de be
wering : in het Nieuwe Testament vinden we geen enkel spoor van de Doop van kleine kinderen, geen bewijskracht bezit. Gesteld al, dat deze bewering juist was, dan zou het nog niet aangaan, te zeggen : dus mogen kleine kinderen niet gedoopt worden. Want in heel het Nieuwe Testament staat ook nergens, dat vrouwen aan het Heilig Avondmaal mogen deelnemen of deelgenomen hebben. Zou nu iemand het wagen, hieruit de slotsom te trekken, dat de zusters der Gemeente niet mogen aanzitten aan de Dis des Heeren ? Immers neen — dat zou toch al te dwaas zijn 1 Maar wij weten allen, dat in het Nieuwe Testament wel degelijk sporen van de Kinderdoop gevonden worden. In het Boek der Handelingen wordt toch duidelijk genoeg gezegd, dat Cornelius, Lydia en de stokbewaarder te Philippi de Doop ontvingen met hun huis. En Paulus zegt in I Kor. 1 : 16, dat hij het huis van Stefanas gedoopt heeft. Tot het „huis" werden zowel de kinderen als het dienstpersoneel gerekend. Wie zal nu bewijzen, dat zowel Cornelius als Lydia en de stokbewaarder en Stefanas geen jonge kinderen gehad hebben ? Wie niet overtuigd wil worden, zal zich natuurlijk ook door deze voorbeelden niet laten overtuigen — maar wie het om de waarheid te doen is, die zal wei geredelijk toestemmen, dat het ongerijmd is, om, waar sprake is van iemands „huis", zonder enige grond aan te nemen, dat hiertoe geen kinderen behoorden.
Ook in de oud-Christelijke Kerk vinden we al vroeg speren van de Kinderdoop. Justinus de Martelaar, die omstreeks het jaar 165 na Christus stierf, spreekt van oude mensen, die hij gekend heeft, en die als kind gedoopt waren — terwijl in de volgende eeuwen de Kinderdoop ook voortdurend vermeld wordt.
Wat tegen de Kinderdoop ingebracht wordt, houdt geen steek. Daarom blijven wij met onze Catechismus het Doperse gevoelen ten aanzien van de Kinderdoop, en we mogen ook wel zeggen : de opvatting van Karl Barth inzake de Kinderdoop, verwerpen, en beantwoorden wij de vraag: „Zal men ook de jonge kinderen dopen ?" in overeenstemming met ons leerboek met een beslist „ja", temeer, omdat dit antwoord van de oude Heidelberger op goede gronden rust.
II.
Een viertal stukken wordt ons in het antwoord op vraag 74 ter overweging aangeboden, waaruit het goed recht van de Kinderdoop blijkt:
1. de kinderen der gelovigen zijn in het verbond Gods en in Zijn Gemeente begrepen ;
2. hun wordt door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder dan aan de volwassenen toegezegd ;
3. daarom moeten zij ook door de Doop, als door het teken des verbonds, in de Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden ;
4. dat geschiedde reeds in het Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis, waarvoor in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is. Aan deze vier stukken willen we in het kort de
Aan deze vier stukken willen we in het kort de aandacht schenken.
Vooreerst dan : de kinderen der gelovigen zijn in het verbond Gods en in Zijn Gemeente begrepen.
Dat getuigt de Heilige Schrift duidelijk, zoals ik u straks zal aantonen. Met het verbond Gods is bedoeld het verbond
Met het verbond Gods is bedoeld het verbond der genade, waarin de Heere aan verloren mensenkinderen belooft, dat Hij hun God is, Die aan hun zonden om Christus' wil niet meer gedenkt, maar hun het eeuwig leven uit genade schenkt.
Dit genadeverbond richt God niet alleen met volwassenen op, maar ook met hun zaad. De kinderen van Zijn bondgenoten behoren eveneens tot Zijn verbond. Of heeft de Heere niet uitdrukkelijk tot Abraham gesproken : „Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u, in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God en uw zaad na u" ? En nu werpe hier niemand tegen : „Ja, maar dat ziet niet op de jonge kinderen; de Heere bedoelt, dat Hij ook de zonen en kleinzonen en verdere afstammelingen van Abraham in Zijn verbond zal opnemen, wanneer zij tot het geloof gekomen zijn!" Neen, wantIzak ontving reeds toen hij acht dagen oud was het teken, dat hij tot 's Heeren verbond behoorde, n.1. de Besnijdenis.
Ge kent ook de Wet der tien woorden. Hoe luidt de aanhef daarvan ? „Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb". En leest nu eens het vijfde gebod ! „Eert uw vader en uw moeder". Is dit gebod niet juist tot de kinderen gericht? Ziet ge dus wel, hoe de Heere de kinderen, evengoed als de volwassenen, rekent tot Zijn verbond en Zijn Gemeente? Wie zal dan zo vermetel zijn, de kinderen daar buiten te sluiten? Meermalen worden dan ook de kinderen uitdruk
Meermalen worden dan ook de kinderen uitdrukkelijk genoemd in de vergadering van het volk Gods. B.v. in Deut. 29. Daar zegt Mozes tot Israël (vs. 10 e, v.): „Gij staal heden ailen voor het aangezicht des Heeren, uws Gods: uw hoofden uwer stammen, uw oudsten, en uw ambtiieden, alle man van Israël; uw kinderkens, uw \/rouwtn, en uw vreemdeling die in het midden van uw leger is... . om over te gaan in het verbond des Heeren, uws Gods ... ." Merkt verder op, hoe de Heere Zelf bij monde van Ezechiël het volk van Israël bestraft, omdat zij hun kinderen aan de afgoden der Heidenen opofferden : Gij hebt Mijn kinderen geslacht" (16 : 21); en voorts, hoe Hij door Joel een verbodsdag laat uitroepen : „Verzamelt het volk, heiligt de Gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderen en die de borsten zuigen'' (2 : 16). Evengoed ais de volwassenen moeten dus de kinderen en zuigelingen deelnemen aan de verootmoedigingen het roepen om genade, waartoe de Heere Zijn volk opriep. En zelfs heeft de Heere „uit de mond der kinderkens en der zuigelingen Zich sterkte gegrondvest", zoals David zegt in Psalm 8. En opdat wij nu niet zouden denken, dat Gods
gedachten over de kinderen en zuigelingen onder het Nieuwe Verbond minder genadig zijn, heeft de Heere Jezus het Hosanna-geroep der kinderen tegen het afkeurend oordeel van Israels vromen in goedgekeurd en Zich daarbij op Psalm 8 beroepen, zeggende: „Hebt gij nooit gelezen: uit de mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof toe bereid?" (Matth. 21 ; 15, 16). Ook heeft Hij tegen de mening van Zijn vrome discipelen in de moeders met haar kinderkens tot Zich laten komen, deze kinderkens omarmd en gezegend, met de boodschap er bij, dat „derzulken is het Koninkrijk Gods" en dat de vrome discipelen moesten worden als die kinderen (en niet omgekeerd) om in dat Koninkrijk Gods te kunnen ingaan (Mark. 10 : 13—16). De apostel Petrus zegt uitdrukkelijk op de grote Pinksterdag te Jerusalem tot de aldaar verzamelde Joden en Jodengenoten : „Aan u komt de belofte toe, en aan uw kinderen, en aan allen, die daar verre zijn, zovelen als er de Heere, onze God, toe roepen zal". En de apostel Paulus noemt in 1 Kor. 7 : 14 de kinderen „heilig", ook al was alleen de moeder of alleen de vader een gelovige : „Want — zo zegt hij — de ongelovige man is geheiligd door de (gelovige) vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door de (gelovige) man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn ze heilig", d. w. z. ze zijn met de gelovige moeder of met de gelovige vader overgebracht op het terrein van Oods genadeverbond. Dezelfde apostel spreekt in zijn brieven steeds de kinderen aan, niet als staande buiten —, maar als behorende tot het verbond Gods en Zijn Gemeente. Ook onder het Nieuwe Verbond, dat immers het verbond der genade in volkomen vervulling is, behoren in Gods ontferming de kinderen, hoe jong ze mogen zijn, er bij.
2. Hierbij komt nu in de tweede plaats, dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder dan aan de volwassenen toegezegd wordt. Dat volgt uit het feit, dat de Heere de kinderen rekent tot Zijn verbond. Zij delen in de weldaden van het verbond — en dat zijn toch niet anders dan de schatten der genade, die door Christus verworven zijn, n.1. de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt.
Deze weldaden van het verbond worden aan de kinderen evengoed als aan de volwassenen toegezegd. Of heeft de Heere niet door Jeremia gesproken : „Dit is het verbohd, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de Heere: Ik zal Mijn Wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven ; en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste en een iegelijk zijn broeder Ieren, zeggende : Kent de Heere !, want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af toi hun groolste toe, spreekt de Heere; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonden niet meer gedenken" (31 : 33, 34)?
En heeft de Heere niet door Jesaja gesproken : „Mij aangaande, dit is Mijn verbond met hen, zegt de Heere : Mijn Oeest, Die op u is, en Mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, die zullen van uw mond niet wijken, noch van de mond van uw zaad, noch van de mond van het zaad uws zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toe (59 : 21)? En heeft de Heere Jezus de kleine kinderen niet
En heeft de Heere Jezus de kleine kinderen niet omhelsd, de handen opgelegd en gezegend, en tot Zijn discipelen gezegd : „Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods" ? En omvat Zijn zegening niet alle heil, dat in Hem te vinden is ? Daarom wijst ons Doopsformulier ook volkomen terecht op de zegening der kinderen door de Heere Jezus om te bewijzen, dat de kinderen der gelovigen deelhebben aan de weldaden van het genadeverbond.
En tenslotte : heeft Petrus op de Pinksterdag niet betuigd : „Aan u komt de belofte toe en aan uw kinderen" ? Wat omvat die belofte anders dan het heil in Christus Jezus, door God aan Zijn arm en ellendig volk toegezegd ?
3. Daar de kinderen der gelovigen dan in het verbond Gods en in Zijn Gemeente begrepen zijn, en de weldaden van het verbond hun niet minder dan aan de volwassenen toegezegd wordt, zo moeten zij ook door de Doop, als door het teken des verbonds, in de Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden.
Zij mogen niet alleen gedoopt worden, maar zij moeten ook gedoopt worden. Zij moeten het teken des vebonds ontvangen. Daarvoor bestaat een inwendige noodzakelijkheid. Even noodzakelijk als het voor een soldaat is, dat hij de uniform van zijn koning draagt, even noodzakelijk is het voor een kind des verbonds, dat het het teken des verbonds ontvangt en voor aller oog in de Christelijke Kerk ingelijfd wordt.
Of staan misschien de kinderen der gelovigen volkomen gelijk met de kinderen der ongelovigen ? Immers neen ! Niet alleen zijn zij van de kinderen der ongelovigen hierdoor onderscheiden, dat zij in een omgeving leven, waarin Gods Woord wordt gekend, maar bovenal hierdoor, dat de Heere hen onder de Zijnen rekent en hun Zijn heerlijke beloften schenkt. Daarom moeten zij ook uiterlijk van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, en wel door het teken, dat de Heere Zelf voor Zijn gelovigen verordend heeft, n.1. door de Heilige Doop. Zij moeten op zichtbare wijze in de Christelijke Kerk worden ingelijfd door de Doop, gelijk zij op onzichtbare wijze daarin ingelijfd zijn door 's Heeren belofte. 4. Dat is dan ook in het Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied, waarvoor in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is.
Dat dit onder het Oude Verbond door de Besnijdenis geschied is, is ons allen welbekend. De Heere heeft immers tot Abraham gesproken : „Gij zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en tussen u. Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat manlijk is in uw geslachten .... En wat manlijk is en de voorhuid heeft, wiens voorhuidsvlees niet zal besneden worden, dezelve ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden : hij heeft Mijn verbond gebroken" — het verbond, dat Ik met hem had opgericht! (Gen. 17 : 11 e. v.). Zo wordt dus de Besnijdenis door de Heere
Zo wordt dus de Besnijdenis door de Heere Zelf noodzakelijk verklaard als teken van Zijn verbond. En voor die Besnijdenis is nu in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet. Dat willen de Dopersen en hun medestanders niet
Dat willen de Dopersen en hun medestanders niet erkennen. Zij zeggen : „Nergens staat geschreven, dat de Besnijdenis door de Doop vervangen is". Letterlijk genomen is dat waar; en toch is het een onwaarheid en heeft onze Catechismus volkomen gelijk.
Vooreerst heeft de Heere Jezus nergens van de Besnijdenis gesproken, maar wel de Doop bevolen.
Verder wordt ook door de Aposteivergadering te Jerusalem na ernstige beraadslaging de Besnijdenis niet noodzakelijk geacht voor de Heidenen, die gelovig zijn geworden, maar als een ondragelijk juk afgewezen. Ja zelfs waarschuwt de apostel Paulus met alle ernst de Galaten, dat zij zich niet zullen laten besnijden, daar Christus hun dan niet nut zal zijn (5 : 2).
Duidelijk spreekt ook dezelfde apostel hierover in zijn brief aan de Colossenzen, hoofdstuk 2. In deze Gemeente waren ook al dwaalleraars ingedrongen, die de Colossenzen besneden wilden zien en hun daarmee het juk der ceremoniële wet wilden opleggen. Zij maakten de Colossenzen wijs, dat zij zonder besnijdenis niet zalig zouden kunnen worden. Maar Paulus schrijft hun : „Gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht; in Welke gij ook besneden zijt me\een besnijdenis, diezonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus; zijnde met Hem begraven door de Doop, in welke gij ook met Hem opgewekt zijt" (vs. 10—12). Hij houdt hier aan de Colossenzen voor, dat zij in Christus alles hebben wat zij hebben moeten; dat zij ook in Hem besneden zijn met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, d. i. de Doop, waarin zij met Christus begraven en opgewekt zijn. Daar zegt de apostel dus met zoveel woorden, dat de Doop in de plaats van de Besnijdenis gekomen is: wat de Besnijdenis onder het Oude Verbond was, dat is de Doop onder het Nieuwe Verbond.
De Heilige Schrift staat dus niet aan de zijde van hen, die de Kinderdoop verwerpen. Zij veroordeelt de Kinderdoop volstrekt niet, maar wettigt die geheel en al.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1947
Kerkblaadje | 8 Pagina's