Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Die hel verlorene zoekt en wederbrengt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Die hel verlorene zoekt en wederbrengt

20 minuten leestijd


Onze text laat ons zien, hoe de Heere Jezus verloren mensenkinderen, die tot Hem komen, niet afstoot, maar in genade aanneemt. Laat ons tot onze vertroosting letten op de tollenaars en zondaars, die I. tot Jezus naderen om Hem te horen, II. door Parizeen en Schriftgeleerdenverworpen, maar 111. door Jezus bemoedigd en vertroost worden.

I. „En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem om Hem te horen". Zo vangt Lukas in alle eenvoud zijn geschiedverhaal aan, waarin de heerlijkste dingen gepredikt worden en de rijkdom der genade over verloren zondaars wordt tentoongespreid.

Waar het geschied is, weten we niet; doch dat doet er ook volstrekt niet toe. Het gaat alleen maar om het feit, dat in de plaats waar de Heiland Zich bevond, van alle kanten tollenaars en zondaars kwamen toestromen om Hem te horen : er bleef er niet één achter. „Tollenaars en zondaars", wie deze namen uit

„Tollenaars en zondaars", wie deze namen uitspreekt, noemt nu juist niet de beste klassen der maatschappij, niet zulken, die aanspraak kunnen maken op eer bij Qod en de mensen. De tollenaars waren bij het Joodse volk niet in tel ; met diepe verachting zag men op hen neer. En dat niet zonder reden. Zij waren beambten bij de belasting, en als zodanig berucht om hun onrechtvaardigheid. De belastingen werden door de Romeinen verpacht aan verenigingen of particuliere personen, die ze weer in onderafdelingen verpachtten aan mensen, die „oversten der tollenaars" genoemd werden en degewone„tollenaars" in hun dienst hadden. De hoge sommen, voor de pacht betaald, moesten zij — natuurlijk met winst, liefst zo groot mogelijk — van de Joodse burgers terug zien te krijgen. Vandaar dat zij op alle mogelijke manieren de mensen geld afpersten zoveel zij maar konden. Wie in hun handen viel, was" werkelijk, zoals wij zeggen, aan de heidenen overgeleverd. De tollenaars

aan de heidenen overgeleverd. De tollenaars waren lieden, die zich om God noch Zijn gebod bekommerden, in onverschilligheid voortleefden en alleen maar op geld bedacht waren ! En wat zij op deze wijze verkregen, werd ook gewoonlijk weer doorgebracht in de dienst van de wereld en haar begeerlijkheid. Daarom worden de tollenaars ook in één adem met de „zondaars" genoemd. Het woord „zondaars" is hier niet in algemene zin gebruikt, maar heeft een bizondere betekenis : het zijn mensen, die in openlijke overtreding van het zevende gebod leefden en zich dus aan echtbreuk en allerlei onkuisheid schuldig maakten. Zulke mensen, die dus niet zonder reden bij het

Zulke mensen, die dus niet zonder reden bij het volk in kwade reuk stonden, kwamen nu tot Jezus. Dat was een heel waagstuk voor hen. Zij wisten immers wei, welke onheilige, onreine, goddeloze schepselen zij waren. Zij wisten ook, dat de Heere Jezus rein en heilig was en de zonde haatte in het diepst van Zijn ziel. Zij wisten, hoe het volk over hen dacht en hen overal meed ; hoe licht kon Jezus met hen niets te doen willen hebben ! — Wat mag die tollenaars en zondaars dan toch wel gedreven hebben ? Hoe komen zulke mensen, die van de vreze Gods geheel vervreemd waren, er toe, zich te begeven tot Hem, Die overal en ten allen tijde de Naam des Heeren hooghield en gerechtigheid handhaafde ? Zij naderden tot Hem „om Hem te horen". Zij

Zij naderden tot Hem „om Hem te horen". Zij kwamen dus om te vernemen wat Hij leerdeen te luisteren naar de woorden, die van Zijn lippen vloeiden. En dat niet uit nieuwsgierigheid, maar uit zielsbehoefte. Zij hadden rust noch vrede in hun hart. Hun geweten was ontwaakt. Er was door Gods ontferming zo'n eigenaardig gevoel in hun binnnenste wakker geworden ; een gevoel, dat er toch nog iets hogers was dan de zich'- bare wereld met al haar goed en genot ; een gevoel, dat -het niet goed met hen stond en heel hun bestaan niet deugde, dat zij eens moesten sterven en dan rekenschap geven van al hun doen en laten. Onrust en angst hadden zich van hen meester gemaakt bij het bewustzijn, dat zij toch ellendige schepselen waren, zondaren dóór en dóór, die niets dan vloek en verdoemenis verdiend hadden. — Maar nu hadden zij gehoord van Jezus, Wiens gerucht het ganse land doorging.

Zij hadden vernomen, dat Hij zo geheel anders was en deed dan de Parizeen en Schriftgeleerden ; dat Hij Zich wél met zondaars inliet, ja hun de zonden vergaf. Dat wierp een straal van hoop in de duisternis vai hun ziel. Zij werden met een onuitsprekelijk verlangen vervuld om die Jezus te ontmoeten. Daarom namen zij aanstonds de gelegenheid te baat. Van alle kanten stroomden zij toe om Hem te horen. Zij konden het in hun zonden en ellende niet uithouden, maar begaven zich tot Hem, of Hij ook misschien nog raad voor hen wist, of zij ook wellicht uit Zijn mond nog een woord van redding en zaligheid mochten opvangen.

Zo naderden zij dan tot de Heere Jezus Christus met heilbegerige harten, in het besef van zonde en schuld en met waarachtige veroordeling van zichzelf. — En de Heiland liet hen tot Zich naderen. Hij stootte hen niet af, maar was met ontferming over hen bewogen en verheugde Zich erover, dat zij tot Hem kwamen om Zijn Woord te horen. Hij zette Zich zelfs met hen aan tafel, n'et alleen om spijs met hen te nuttigen, maar bovennl om hun de heerlijke geestelijke spijs

maar bovennl om hun de heerlijke geestelijke spijs te bieden, waaraan hun ziel behoefte had : om hun woorden des levens te brengen en hun te verkondigen, dat er genade bij God is ook voor de aUersnoodste zondaar, die het erger gemaakt heeft dan al de anderen. Zo ontving de Heere Jezus Christus de tollenaars en zondaars om balsem te gieten in de wonden hunner ziel.

Gelukkige tollenaars en zondaars, die tot Jezus naderden om Hem te horen ! Ja zeker, en gelukkig allen, die tot Hem naderen evenals zij, in het bewustzijn van zonde en schuld, die niet verbergend, maar die eerlijk voor God belijdend ! Gelukkig wie zich niet te hoog acht om zich met tollenaars en zondaars neer te zetten aan de voeten van Jezus ! — Met tollenaars en zondaars ? Ja, Gemeente ! met tollenaars en zondaars !

Wij hebben immers voor Gods aangezicht niels op hen voor. Al hebben wij ons aan zulke grove uiterlijke overtredingen als zij niet schuldig gemaakt, al staan wij in hel maatschappelijk leven als hoogst fatsoenlijke en eerzame mensen bekend, toch kunnen wij ons daarom niet boven hen verheffen. Wij zijn immers evenals zij in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren en dus even doemwaardig. Alleen Gods genade in Jezus Christus kan ons redden.

Jawel — zegt iemand — daar zingt ge weer het oude lied, dat ons al zo vaak in de oren geklonken heeft; dat weten we nu eindelijk wel! — Uit- stekend, dat gij het weet. Maar zeg mij : heeft dat u dan al aan de voeten van Jezus gebracht, zodat gij ook begerig zijt, een woord des levens uit Zijn mond te horen ? Zijt gij dan ook over uw zonden bekommerd, en zoekt gij de verlossing daarvan bij Hem ? Zeg nu niet : „natuurlijk ! anders zaten we niet in de kerk" — want ge kunt helaas heel goed ' een trouw kerkganger zijn, zonder toch over uw zonden bekommerd te zijn en de verlossing daarvan bij Jezus te zoeken ! Ach, wanneer dat het geval is, dan ziet het er wel dubbel treurig met u uit; want dan loopt ge met uw zonden voort, en wanneer gij met uw zonden blijft voortlopen, dan t.ioet gij ook in uw ongerechtigheid sterven en zult gij ook in uw ongerechtigheid in het oordeel Gods gesteld worden, en waar moet het dan met u heen ? Met Gods gerechtigheid valt toch niet te spotten.

God ziet niets door de vingers, en Hij weet alle dingen ! Verblijd u dan veeleer, dat uw zonden en ellende u heden nog onverbloemd vóórgehouden worden, en spoed u tot Jezus om Hem te horen en te vernemen, of er ook voor u nog vrede is !

Gemeente! wie eigen zonden en ellende heeft leren kennen en zich van zijn vloek- en doemwaardigheid bewust is, die zal het daarin niet kunnen uithouden, maar zich in ware nood der ziel tot de Heere Jezus Christus wenden, gelijk die tollenaars en zondaars deden. En die zal rijke troost putten uit het feit, dat Jezus Christus hen niet versmaad, maar Zijn vriendelijk aangezicht tot hen gewend en hun het Evangelie der zaligheid verkondigd heeft.

II. Dat tollenaars en zondaars tot Jezus naderen en door Hem niet afgestoten worden, dat is intussen niet ieder van hen, die er getuigen van zijn, naar de zin. We lezen immers: „En de Parizeen en de Schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars en eet met hen".

De Parizeen en Schriftgeleerden waren naar het zichtbare te oordelen de tegenvoeters van tollenaars en zondaars. Leefden dezen zonder God en Zijn gebod in de wereld, genen waren ijveraars voor God en Zijn dienst, zo sterk als het maar kan. Niet tevreden met de Wet, zoals God haar gegeven had, hadden zij door tal van inzettingen als het ware om die Wet heen nog een omtuining gemaakt, n.l, allerlei geboden van „raak niet en smaak niet en roer niet aan". Op wettische reinheid waren zij bizonder gesteld ; ze zouden voor geen geld van de wereld met het onreine in aanraking willen komen. Geen wonder, dat het doen van de Heere Jezus hun volstrekt niet aanstond. Zij murmureren. Niet rechtstreeks spreken zij hun misnoegen uit jegens de Persoon, Wie het gold ; daartoe misten zij de moed. Dat is een gewoon verschijnsel, dat helaas ook in ons midden niet onbekend is : wanneer iemand iels heeft tegen zijn naaste, wordt het zo bitter weinig op behoorlijke toon de naaste in het aangezicht gezegd, maar gewoonlijk achter zijn rug uitgesproken. Dat is niet eerlijk, niet met de aard der liefde in overeenstemming en getuigt van gebrek aan de ware moed Zo ging het ook de Parizeen en Schriftgeleerden. Zij mompelden onder elkander, maar dan toch luid genoeg om door anderen te worden verstaan : „Deze ontvangt de zondaars en eet met hen !"

„Deze" — hoe minachtend klinkt dat! Evenals uit de mond van Simon de Parizeer het woord : „Deze, indien hij een profeet was, zcu wel weten, wat en hoedanige deze is, die hem aanraakt, want zij is een zondares !" De Heere Jezus was bij de Parizeen en Schriftgeleerden op éénmaal Zijn crediet kwijt, zouden wij zeggen. Aanvankelijk koesterden zij nog wel achting voor Hem, zodat zij Hem steeds omringden, maar nu Hij zulke dingen deed, was er niets dan minachting in hun gemoed, die zich uitte in hun woord : „Deze ontvangt de zondaars en eet met hen !" Dat betekent zoveel als: „Deze wil nu een heilig man, een profeet, de Christus zijn, — en hij heeft gemeenschap met zulke ellendige wezens als die zondaars !'

Zulk gezelschap was de Parizeen en Schriftgeleerden veel te min. Als zij een tollenaar of zondaar in de verte zagen naderen, dan liepen zij liefst een straat om, om maar niet door zijn nabijheid besmet te worden. En nu ging die Jezus hen ontvangen en zelfs met hen eten. Dat was veel te erg. Zij voelden zich helemaal achteruitgezet. Naar hun gedachten waren zij, en zij alleen, de personen, met wie Jezus in aanraking mocht komen en wier gezelschap Hij zoeken moest, wilde Hij de roep van rechtvaardigheid en heiligheid handhaven en aan de ere Gods niet te kort doen. Die tollenaars en zondaars had Hij met een gebaar van afschuw van Zich moeten stoten. Hun had Hij moeten toevoegen :

„Wijkt van Mij ! voor u is er geen hoop, voor u is er geen zaligheid, voor u blijft alleen de eeuwige verdoemenis over !" De Parizeen en Schriftgeleerden achtten de tollenaars en zondaars veel te slecht om door God in genade aangenomen te worden; de hemel mocht alleen openstaan voor zulke brave mensen als zij waren. — En in hun hart beschuldigden zij Jezus, dat Hij met de zonde geen ernst maakte, alsof Hij het bedrijf der tollenaars en zondaars goedkeurde. Zij verstonden er niets van, dat het er Hem om ging, die arme mensen voor eeuwig uit de macht der zonde te bevrijden, opdat zij in gerechtigheid en heiligheid God zouden dienen al de dagen huns levens.

„Deze ontvangt de zondaars en eet met hen". Zo murmureren ze, niets verstaande van de barmhartigheid Gods, Die geen lust heeft in de dood des goddelozen, maar daarin een welbehagen schept, dat de goddeloze zich bekere en leve. Er was geen grein barmhartigheid bij de Parizeen en Schriftgeleerden te vinden. Hadden zij niet »an vreugde moeten opspringen bij het aanschou'.v;.n var. het zo heerlijke feit, dat die toll.- naars en zondaars met heilbegerige harten in het besef van zonde en ellende tot Jezus kwamen ? Zeker, maar daar hadden ze geen begrip van, omdat zij zelf niet met zulke oren naar Jezus' prediking hoorden. Van liefde tot de naasie geen spoor! De gedachte, dat die tollenaars en zondaars een ziel te verliezen hadden, bewoog hen zelfs geen ogenblik. Als zij maar zalig werden, wat konden hun dan die rampzalige tollenaais en zondaars schelen ? Daar was toch niets mee te beginnen ; die mocht de duivel hebben !

Ja, Gemeente ! zo gaat het een mens, zolang hij in zijn eigengerechtigheid staat. Dan oordeelt hij zo bitter haid over degenen, die hij ver beneden zich acht. Dan heeft hij geen oog voor de zielsbehoeften der ellendigen, omdai hij zelf zulke zielsbehoeften niet kent. Dan verstaat hij niets van de zelfveroordeling en zielestiijd van hen, die met hun zonden te kampen hebben, omdat hij zichzelf niet veroordeelt en van geen zielestrijd weet. — De Parizeen en Schriftgeleerden zagen de tollenaars en zondaars met de nek aan ;

en zo wotden ten allen tijde door het eigengerechtige vlees met de nek aangezien allen, die als zondaren hun heil zoeken bij de Heere Jezus Christus. Het eigeugerechtige vlees ziet uit de hoogte op hen neer en denkt: „Wal wil die? Wil die ook zalig worden ? Dat moest er nog bij komen ! Dan kan iedereen wel in de hemel komen en komt het er niets meer op aan, hoe men leeft. Die ? Maar die staat er immers helemaal buiten !" Zo worden altijd boefvaardige zondaars door heteigengerechtige vlees verworpen. „Deze ontvangt de zondaars en eet met hen".

Dit woord van veroordeling en minachting is ook wel door de tollenaars en zondaars opgevangen. We kunnen ons voorstellen, hoe hun dit woord door de ziel gesneden heeft en met wat angstige gezichten zij de Heere Jezus hebben gadegeslagen. Ze zullen wel gebeefd hebben bij de gedachte aan de mogelijkheid, dat de Heere Jezus door die schouderophalende spot van Parizeen en Schriftgeleerden er toe gebracht kon worden om hen van Zich te stoten — Ach, zij moesten het zelf erkennen, niet waardig te zijn, dat Hij hen aanzag, want zij waren toch maar ellendige tollenaars en zondaars. Evenwel, zij moeten bij Jezus zijn. Zijn Woord moeten zij horen. Daardoor alleen wordt hun ziel verkwikt, daarin alleen vindt hun ziel rust. O, als zij dat Woord maar mogen horen, dat Woord vangenade, dat daar van Zijn lippen vloeit!

Vreest maar niet, gij tollenaars en zondaars! Jezus Christus laat Zich niet door een zwart gezicht of een boos woord van Parizeen en Schriftgeleerden van de wijs brengen. Hij heeft u eenmaal ontvangen, Hij blijft u ontvangen ; gij moogt in Zijn gezelschap blijven om de honger van uw ziel te stillen Hij is met barmhartigheid jegens u vervuld. Hij verwerpt u niet, maar zal integendeel uw ziel liefelijk vertroosten. Als een Herder wil Hij trouw 't schaap, in een woestijn aan t dwalen, waar 't zichzelf verliezen zou, van de doolweg wederhalen, brengen op de rechte baan : Jezus neemt de zondaars aan !

lil. „Jezus neemt de zondaars aan". ja, dat doet Hij, ook al wordt Hij daarover door Parizeen en Schriftgeleerden gehoond, al worden zij — de zondaars — door Parizeen en Schriftgeleerden verworpen. Hij wil de zondaars liefelijk vertroosten. Dat doet Hij in een gelijkenis, waarin Hij tevens de Parizeen en Schriftgeleerden terechtwijst : „Wat mens onder u, hebbende honderd schapen, en één van die verliezende, verlaat niet de QQ in de woestijn, en gaat naar het verlorene,

totdat hij het vindt ? En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde; en tehuis komende roept hij de vrienden en de geburen tezamen, zeggende tot hen : weest blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was. Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert, meertian over QQ rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben".

De Heiland stelt het geval, dat één van hen honderd schapen heeft. Daaruit verliest hij er één, dat afdwaalt. Wat doet die man nu ? Denkt hij nu : „O, dat komt er niet op aan ! Laat dat éne schaap maar omkomen ! Ik houd er toch nog Q9 over! Dat is de verdiende straf voor zijn weglopen"? Neen! Hij trekt al zijn liefde op dat éne schaap samen. Hij verkeert in grote angst over dat éne schaap. Hij beraadt zich niet lang, maar laat de QQ in de woestijn achter en gaat het éne zoeken. Nu moet ge u die woestijn nie: al te verschrikkelijk voorsteilen en nietdenken,

dat de herder die QQ schapen daar ten prooi Iaat aan de wilde dieren. Met de woestijn is eenvoudig het vrije veld bedoeld, waar hij zich met zijn kudde bevond. Daar laat hij hen een ogenblik alleen, onder bewaking van de trouwe herdershond. Hij gaat het verloren schaap zoeken, totdat hij het vindt. En als hij het gevonden heeft, dan is hij uitermate verblijd en legt het op zijn schouders om het terug te brengen.

En hij geeft zijn blijdschap lucht door zijn vrienden en buren saam te roepen, opdat zij zich met hem verblijden. — Wat mens is er onder u, die dit niet zou doen? Dat zoudt ge immers allen doen. Ge zoudt allen gaan zoeken, totdat gij uw verloren schaap gevonden hadt. En als gij het gevonden hadt, dan zoudt ge uitermate verblijd zijn en ieder zou zich met u verblijden. Welnu, alzo zal er ook blijdschap zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert, meer dan overQQ rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.

Het is wel duidelijk, aan wie de Heere Jezus gedacht heeft, toen Hij sprak van de éne zondaar, die zich bekeert, n.1. aan de tollenaars en zondaars, die tot Hem naderden om Hem te horen. En eveneens is het duidelijk, dat Hij, toen Hij sprak van de QQ rechtvaardigen die de bekering niet van node hebben, aan de Parizeen en Schriftgeleerden gedacht heeft.

Maar — zo vraagt iemand —hoe heb ik het nu ? Zijn er dan inderdaad rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben ? Ik heb altijd gemeend, dat er niemand was, die de bekering niet van node heeft. Is dat dan niet zo ? Voorzeker is dat zo ; de Heere Jezus heeft immers uitdrukkelijk gepredikt, zonder enige uitzondering te maken: „De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen ; bekeert u en gelooft het Evangelie 1" Daarom hebben velen gemeend, dat die QQ mensen waren, die al bekeerd waren. Dat is echter niet zo, want over bekeerde mensen

Dat is echter niet zo, want over bekeerde mensen juicht en jubelt de hemel zeker zo luid als het maar kan. De Heere Jezus gebruikt hier, om zo te zeggen, een geijkte uitdrukking en plaatst Zich hier voor een ogenblik op het standpunt der Parizeen en Schriftgeleerden. Die waren in de ogen van het volk, evengoed als in hun eigen oog „de rechtvaardigen", omdat zij niet in uiterlijke overtreding gevallen waren. Daartegenover stonden de tollenaars en zondaars als „de zondaars". De Heere Jezus wil nu dit zeggen : „Gij staat daar

De Heere Jezus wil nu dit zeggen : „Gij staat daar als de rechtvaardigen, voor wie de bekering niet nodig is, nietwaar? — Die tollenaars en zondaars staan daar als de zondaars, die de bekering hoognodig hebben. Welnu, weet dan dit, dat er groter vreugde is in de hemel, bij de engelen Gods, over één zondaar, die zich bekeert, dan over u, rechtvaardigen! die de bekering naar uw gedachten niet nodig hebt". Zo bevat dan dit woord een ernstige terechtwijzing aan het adres van de Parizeen en Schriftgeleerden, n.1. deze terechtwijzing: „Wat gij veracht en

n.1. deze terechtwijzing: „Wat gij veracht en verwerpt is voorwerp van de liefde Gods en van de blijdschap, de onuitsprekelijke blijdschap der heilige engelen. Ik wil u voor een ogenblik toegeven, dat gij in leer en leven veel goeds en voortreffelijks hebt, dat blijdschap wekt in de hemel. Gij hebt echter nog niet die grotere blijdschap daarboven gewekt, daardoor dat gij over uzelf de staf breekt en naar genade leert vragen. Zolang die grotere blijdschap over u niet heerst bij de engelen Gods, zolang staat het niet goed met u".

Tegelijkertijd vertroost de Heere Jezus op lieflijke wijze de tollenaars en zondaars, terwijl Hij hun doei horen, dat er over hen, die zich bekeren, grote blijdschap is in de hemel bij Gods heilige engelen. En waarom verheugen de engelen Gods zich dan met zo grote blijdschap over degenen, die zich bekeren, die tot Jezus naderen om Hem te horen ? Omdat zij in zo iemand een verloren schaap zien, dat door de grote Herder gezocht en gevonden is en gebracht wordt in de eeuwige schaapskooi. Omdat zij weten, dat het met zo iemand goed staat, dat hij de weg des Heeren bewandelt, dat Gods genade in hem verheerlijkt wordt, dat hij door Jezus Christus zalig wordt gemaakt. Want wie in ware verslagenheid des harten tot Jezus Christus komt, die is in waarheid op de rechte plaats.

Daarom, gij allen, die met uw zonden tot Jezus Christus de toevlucht genomen hebt om uit Zijn mond een woord van leven en zaligheid op te vangen, vreest niet, maar hebt goede moed. Hij stoot u niet van Zich, maar is met ontferming over u bewogen. Er is waarlijk hoop voor u.

Zo hopeloos kan het er met u niet voorstaan, zo erg kunt gij het niet gemaakt hebben, of er is voor u, die in ware verslagenheid des harten uw zonden erkent en het in uw zonden niet kunt uithouden, bij Hem een woord des levens — een woord, dat licht werpt in uw duistere nacht en uw ziel levend maakt.

De engelen Gods verblijden zich over u, ja God Zelf verheugt Zich over u. En de blijdschap des Heeren, die is uw sterkte. De uitkomst is u hierdoor gewaarborgd. Terwijl gij geen grond meer voelt onder uw voeten en u vanwege uw zonden voelt wegzinken in de wateren des toorns van de lieilige God, zet Jezus Christus u op een onwankdbare grond, de grond der verzoening,

die Hij in Zijn Zelfofferande gelegd heeft; terwijl gij vraagt: „Is er nog genade, is er nog hoop, is er nog leven voor mij, doemwaardig zondaar ?", spreekt Hij uit Zijn heilig Getuigenis tot u: „Dit is de wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar het opwekke ten uitersten dage.

En dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage" (Joh. 6 : 39, 40). Leven zult gij, eeuwig leven.

Vreest dan niet, gelooft alleenlijk. Loof de Heere, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heilige Naam. AMEN. Gelezen: Wet des Heeren en Jes. 42 : 1—7. Gezongen : Ps. 63 : 2 ; Ps. 86 : 3, 4, 7 ; Gez. 39 : 3; Ps 146 : 1.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1947

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Die hel verlorene zoekt en wederbrengt

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1947

Kerkblaadje | 8 Pagina's