Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

wee u, Chorazin !, wee u, Bethsaida ! . . . En gij, Kaperna�m ! . .

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

wee u, Chorazin !, wee u, Bethsaida ! . . . En gij, Kaperna�m ! . .

20 minuten leestijd


Text: Mattheüs 11 : 20—24. Onze text verplaatst ons in de dagen, waarin geschied is wat in de voorafgaande verzen van ons hoofdstuk beschreven staat. Ge herinnert u wel de bekende vraag van Johannes de Doper, waarmee hij twee van zijn discipelen tot Jezus zond: „Zijt Gij degene, die komen zou, of verwachten wij een ander ?" Het waren de dagen,

waarin de Heere Jezus Zijn grootste kracht ontwikkelde en het land gewaagde van Zijn wonderwerken, vooral op het gebied van genezing en opwekking van doden. Dat waren altemaal werken van de Christus, zoals die aangekondigd waren door het Profetische Woord, zodat de luister van de Christus aan alle kanten de beschouwer tegenstraalde,n.l. de verlossende macht der genade Gods, in Hem verschenen.

In die dagen „begon Hij de steden, in welke Zijn krachten meest geschied waren, te verwijten, omdat zij zich niet bekeerd hadden". Opmerkelijk is hier het woordje „begon". Hierin ligt opgesloten de gedachte, dat de Heere Jezus in later tijd meermalen zulke harde woorden gesproken heeft. En ai wordt ons in het Evangelie geen nader bericht dienaangaande gedaan met betrekking tot de hier bedoelde Galilese steden, wij herinneren ons wel dat ernstige woord over de Heilige Stad : „Jerusalem, Jerusalem ! gij, die de

Heilige Stad : „Jerusalem, Jerusalem ! gij, die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en gij hebt niet gewild!...." (Lk. 13 : 34). Hij begon haar „te verwijten", zo lezen wij.

Hij begon haar „te verwijten", zo lezen wij. Over het verwijt van de Heere Jezus aan die Galilese steden willen wij vanmorgen nader spreken, terwijl wij letten op I de inhoud, II de kracht. III de ernst, en IV de betekenis van dit verwijt.

I. De inhoud van het verwijt, dat de Heere Jezus aan de Galilese steden Chorazin, Bethsaida en Kapernaüm gericht heeft, vraagt allereerst onze aandacht. De inhoud ervan leren we kennen uit hetgeen de Evangelist in vs. 20 schrijft: „Toen begon Hij de steden, in welke Zijn krachten meest geschied waren, te verwijten, omdat zij zich niet bekeerd hadden".

Het verwijt was dus : gij hebt u niet bekeerd ! De Heere Jezus heeft hierbij het oog op de massa der inwoners. Daar zijn wel enkelen onder, die tot bekering zijn gekomen ; wij denken b.v. aan de hoofdman van Kapernaüm, wiens geloof de Heere Jezus Zelf geroemd heeft; wij denken ook aan discipelen als Petrus, Andreas en Phiiippus, die uit Bethsaida afkomstig waren. Maar dat waren uitzonderingen, die de regel slechts bevestigden. De grote massa heeft zich niet bekeerd. De overgrote meerderheid bleef nog altijd op dezelfde weg, die zij bewandelden vóórdat Jezus in hun midden verscheen. De prediking van Johannes de Doper, die opriep

De prediking van Johannes de Doper, die opriep tot bekering, was hun niet onbekend gebleven. Ook Galilea was daarvan vervuld ; hei gerucht ervan ging immers als een lopend vuur rond, zoals ook de Heere Jezus Zelf op het gerucht ervan Zich naar de Jordaan begeven heeft om door Johannes gedoopt te worden. De rechte uitwerking van die prediking bleef echter uit. Er kwam geen verootmoediging voor God, geen

Er kwam geen verootmoediging voor God, geen erkentenis van zonde en schuld. Daarom kwam er ook geen toevlucht nemen tot de genade Gods, in Jezus Christus verscheneri. Daarin bestaat toch de waarachtige bekering, dat men zijn zondeen schuld met een berouwvol hart belijdt en de verlossing van de zonde zoekt bij Hem, Die God als Verlosser in de wereld gezonden heeft. Geen spoor daarvan viel in die Galilese steden te ontdekken.

Ook niet, toen de Heere Jezus Zelf in hun midden optrad met de prediking: „Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen" (Mt. 4 : 17). Er was geen sprake van neerzinken aan Zijn voeten, van erkentenis van Hem als de door de Vader in de wereld gezonden Zaligmaker van het verlorene. Bij al wat men hoorde bleef men in zijn oude doen.

Galilea stond bij de Joden niet te best aangeschreven. Er was; zo zei men, nog nooit een profeet uit Galilea opgestaan: het was dus een geesteloos land, dat met betrekking tot godsdienstzin achteraan kwam. Wij weten ook, hoe het reeds door Jesaja genoemd is: „Galilea der Heidenen" (8 : 23), een „volk, dat in duisternis wandelt",

„degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods" (O : 1). De ware kennis van God was er niet inheems, zodat wij ons niet al te zeer moeten verwonderen over Nathanaëls bekende uitroep: „Kan uit Nazareth iets goeds zijn ?!" Nu moeten wij er wel op letten, dat geen bizondere gruwelen aan die steden ten laste worden gelegd ; och neen, 't was er zoals 't overal was. De mensen leefden daar heen naar het goeddunken van hun hart, bij alle uiterlijke godsdienstigheid, want uiterlijke godsdienstigheid was er ook wel in die Galilese steden : er waren immers ook synagogen, b.v. in Kapernaüm !

Maar dit was de fout: God was niet de alles beheersende in hun leven ; het eigen „ik" stond in het middelpunt, bij de één in grover, bij de ander in fijner vorm. Er waren tollenaren en zondaren, maar er waren ook Parizeen en Schriftgeleerden (vgl. Mt. Q : 3, 11). Van blakende vijandschap, zoals b.v. na de eerste prediking des Heeren in Nazareths synagoge tegen Hem losbarstte, horen wij niet. Wel van ergernis, bij de Parizeen gewekt, toen Jezus in het huis van de door en tot Hem bekeerde Levi aanzat met tolieiiaren en zondaren, die daar tot Hem kwamen,

door zielenood gedreven Ja, wij lezen zelfs, dat zij God verheerlijkt hebben over de genezing van die geraakte, die door het dak werd neergelaten vóór Jezus voeten (9 : 8). Bij dat alles was 't echter het rechte niet. Ook niet bij die verheerlijking van God. Zij verheerlijkten God, „Die zodanige macht de mensen gegeven had".

Zij bleven dus staan bij het uitwendige wonder der genezing van de geraakte, maar voor de binnenkant daarvan — de vergeving der zonden — hadden zij geen oog. Zij kwamen niet tot de erkentenis, dat Jezus de Uitdelger der zonden is.

Van behoefte aan Hem voor hun eigen ziel was geen sprake. Hoezeer zij ook onder de indruk kwamen van Zijn grote daden, toch bleef hun leven voortgaan in het oude spoor. Zij bleven najagen hetgeen, waarin zij hun genot gevonden hadden. In het beste geval bleven zij zich aftobben om door het naleven van allerlei voorschriften tot gerechtigheid voor God te komen en dus zelf zich de zaligheid te verwerven (vgl. VS. 28—30). Vandaar het verwijt van de Heere Jezus, dat zij zich niet hebben bekeerd ! Zou er ook reden zijn. Gemeente! om zulk'een verwijt ook lot ons te richten ? Dat is een vraag, die wij wel met alle ernst onder het oog mogen zien. Want op bekering komt het aan. Anders is toch de genade Gods in de prediking des Woords tevergeefs tot ons gekomen. De prediking bedoelt immers, ons van alle verkeerde wegen af te trekken en te leiden op de enige weg der gerechtigheid en des levens.

Hoe staan wij zelf met betrekking tot de Christus Gods ? Wij zelf — ja ! Wij moeten op dit ogenblik maar niet te veel denken aan de massa, in wier midden wij leven, dienaar God noch gebod vraagt en liever zich vermaakt met uitgaan dan de prediking van het Evangelie te horen. Het is goed, dat wij aan hen denken om hen zo mogelijk van die doolweg terug te halen. Maar de eerste vraag, vooral als wij anderen willen leren, is : of wij zélf op de rechte weg wandelen, of wij zélf ons bekeerd hebben !

O, ik weet wel, dat wij ons al heel spoedig verwonderen, als zulk een vraag tot ons gericht wordt. Wij zijn immers vol waardering voor de Christus! Wij horen graag van Hem; daarom zijn wij toch ook vanmorgen opgegaan naar Gods Huis. Wij worden zelfs meer dan eens geroerd door de woorden, die nog heden als uit Zijn mond door het Evangelie tot ons komen ; woorden van vergeving der zonden en van eeuwig leven voor verloren mensenkinderen ! — Ik weet echter ook, dat wij daarmee niet klaar zijn. Want het is de grote vraag, of wij wezenlijk tot Hem doorgebroken zijn, of wij werkelijk als verloren zondaren aan Zijn voeten liggen, of wij werkelijk alle kwade paden verlaten hebben om achter Hem aan te gaan op de weg der gerechtigheid !

In de hemel willen wij allen wel komen. Daarom willen wij allen de Naam van de Heere Jezus wel noemen en bij Hem gerekend worden. Maar is werkelijk ons eigen „ik" van de troon af? Staat werkelijk God in het middelpunt van ons leven, zodat wij alleen Zijn wil laten gelden, afstand doen van eigen lust en begeerte en liever alles — ook het liefste — laten varen dan iets tegen Zijn heilige wil te doen ? Of leven ook wij misschien, bij alle waardering voor Jezus, maar voort zoals wij tevoren geleefd hebben, naar het ingeven van ons natuurlijk hart? Of beseffen wij wellicht niet eens, dat wij niet naar Gods wil leven ? Of zetten wij ons over de af en toe opkomende onrust van ons hart heen met de hoop,

dat Gods genade het toch nog wel goed met ons maken zal? Of zijn wij er misschien op uit, ons bij de mensen aangenaam te maken door niet alles even nauw te nemen, maar de scherpe puntjes van Gods waarheid wat af te slijpen of naar de achtergrond te brengen ?

Gemeente ! als wij met deze vragen ernst maken, dan zal er waarlijk wel één en ander zijn, dat ons raakt en waarvan wij moeten bekennen: daaraan sta ik schuldig ! Bovendien zullen wij, ieder in eigen leven, meer dan eens de ontdekking doen, dat er allerlei hebbelijkheden zijn, in strijd met Gods heilige Wet, die wij nog altijd niet hebben afgelegd. Maar dan moet ons ook de bekentenis van het hart: het verwijt, door de Hccie Jczas tot die Oalilese steden gericht, moet ook ons treffen. Wij, wijzelf hebben ons dit verwijt wel degelijk aan te trekken !

II. Maar heeft dat verwijt eigenlijk wel kracht ? Mocht de Heere Jezus er die steden wel een verwijt van maken, dat zij zich niet bekeerd hadden ? Mag dat ook ons wel tot een verwijt gemaakt worden ? Is er geen verontschuldiging voor te vinden ? Het antwoord op deze vragen ontvangen wij, als we letten op hetgeen Mattheüs 'schrijft in vs. 20, waar hij spreekt van „de steden, in welke Zijn krachten meest geschied waren". De kracht van het verwijt ligt in hetgeen de Heere Jezus binnen de muren dier steden gedaan heeft. „Zijn krachten", dat zijn Zijn wonderwerken van genezing, opwekking, uitwerpen van duivelen, in het algemeen van reddende liefde.

Ze worden hier „krachten" genoemd, omdat daarin openbaar werd de kracht van de Heere Jezus, die Hij had als Gezondene des Vaders ; de macht der genade tot verlossing van zondaren. Het duidelijkst was dit wel uitgekomen in de genezing van de geraakte te Kapernaüm, in Matth. Q beschreven. Daar komt het verband tussen zonde en ellende zo klaar mogelijk aan de dag : de genezing van de geraakte is de proef op de som voor de waarheid van de vergeving der zojiden, die Jezus hem geschonken heeft.

Wij lezen immers : „doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde de zonden te vergeven (toen zeide Hij tot de geraakte): Sta op, neem uw bed op en ga heen naar uw huis !" (9 : 6).

Zo trad in die wonderwerken Jezus vóór hen als Degene, Die van de zonde verlost, zowel van haar schuld als van haar macht. Die wonderwerken nu waren merendeels in die Galilese steden geschied. Wat is ons dienaangaande niet in het Evangelie opgetekend! Denk maar aan de genezing van de knecht van de hoofdman te Kapernaüm (8:5 e.v.), van Petrus'schoonmoeder in Bethsaida (8 : 14 e.v.), van de geraakte (9: 1 e. v.), de opwekking van Jaïrus'dochtertje (9 : 18 e. V.), de genezing van de bloedvloeiende vrouw (9 : 20 e. v.), van de blinden in Bethsaida (9 : 27 e. V.), van een stomme (9 : 32 e. v.) 1 Waarlijk, een opeenhoping van wonderen in zo'n betrekkelijk kleine kring. Zij hebben dus wel gelegenheid genoeg gehad om te weten, wie zij in Jezus vóór zich hadden.

Zij konden zich dus niet verontschuldigen. In geen enkel opzicht. De roepstem tot bekering was uit Jezus' eigen mond tot hen gekomen. Maar ook al wat tot bekering nodig was hebben zij, om zo te zeggen, in Jezus bij de hand gehad, daar Hij Zelf de Verlosser van de zonden is. Zij hebben echter dat alles ongebruikt gelaten. Zij hebben de dag hunner bezoeking niet bekend.

En hoe ttaat het met ons, Gemeente ? O, wij willen zo graag met verontschuldigingen komen. De e>-rste is wel deze, dat wij 't toch niet in de macht hebben, ons te bekeren. Maar zulk een verontschuldiging is niet dan een uitvlucht. Zij zinkt ons onder de voeten weg, als wij staan voor de figuur van de Heere Jezus. In Hem is ook voor ons aanwezig al wat nodig is om tot waarachtige bekering te komen, omdat Hij Zelf het is, Die de banden der zonde slaakt, welke wij zelf onmogelijk kunnen verscheuren. Een tweede verontschuldiging is wel deze, dat

Een tweede verontschuldiging is wel deze, dat wij toch niet in dezelfde conditie verkeren ais die Galilese steden, omdat wij zulke „krachten" niet hebben aanschouwd. Daaruit leiden wij graag af, dat in elk geval dat verwijt tegenover ons minder kracht heeft. Maar ook deze uitvlucht zal ons niet baten.

Het Evangelie heeft ons in elk geval voor die krachten geplaatst, want uit het Evangelie weten ook wij, dat ze geschied zijn.

Het zal daarenboven nog de vraag zijn, of wij werkelijk onkunde kunnen aanvoeren : er zijn ook in onze dagen nog wel genezingen, die niet bewerkt worden door wetenschap en kunde van doktoren, ingevallen, waar zelfs geen dokter raad mee wist.

Ja, in de grond der zaak is elke genezing werk van de Christus, al wil men dat niet geloven, vrucht van de uitdelging der zonde aan Zijn kruis. Want elke genezing is opheffing der ellende, die om der zonde wil bestaat; opheffing om de verzoening, die Hij aanbracht 1

En eindelijk, de kracht van Jezus Christus is overal openbaar, waar een mens gevonden wordt, die uit de afgrond der verlorenheid door het geloof in Hem verlost is en in vrede ontslaapt, met het uitzicht op de heerlijkheid Gods. Zie Gemeente', dat alles getuigt tegen ons, indien wij ons niet hebben bekeerd: de Helper is er, maar waarom hebt gij u niet tot Hem gewend? Zo heeft niemand enige verontschuldiging, maar staat het verwijt van de Heere Jezus in volle kracht tegenover ieder, die zich niet bekeert.

111. Ook de ernst van dit verwijt verdient onze volle aandacht. Daarvan spreekt hetgeen wij lezen in vs. 21—24.

De Heerejezus roept een „Wee u !" over Chorazin, Bethsaida en Kapernaüm uit. Chorazin en Bethsaida hebben 't erger gemaakt dan Tyrus en Sidon. Dat waren heidense steden, gelegen in Fenicië, dat grensde aan het Joodse land. Bekend door gerichten, die naar het Profetische Woord over haar gekomen zijn. Zij waren minder beweldadigd dan die Galilese steden, omdat zij de krachten van Jezus niet aanschouwd hebben. Zonder God heeft men daar geleefd, in afgoderij. Wel zijn er woorden Gods tot haar gekomen om haar te waarschuwen: door Jesaja (23), Jeremia (47 : 4), Ezechiël (26, 27, 28) (vgl. ook Zach. 9 : 3 e.v.). Ze zijn echter voortgegaan op hun wegen. Hadden zij evenwel zulke dingen gezien als in Chorazin en Bethsaida geschied zijn, dan zouden zij niet onaandoenlijk gebleven zijn, maar zich allang „in zak en as" bekeerd hebben, d. w. z. ze zouden zich voor God in het stof hebben gebogen. — Kapernaüm staat insgelijks ver beneden Sodom, dat berucht is geweest om de vreselijke zedeloosheid en dat volkomen uitgeroeid is door het oordeel Gods, waardoor het van de aardbodem weggevaagd werd. Had Sodom gezien wat Kapernaüm gezien heeft, het zou er nog staan, want het zou zich bekeerd hebben !

Daarom zullen ook Chorazin, Bethsaida en Kapernaüm er slechter aan toe zijn dan Tyrus en Sidon en Sodom. Als de grote dag van het eindgericht aangebroken is, zal het voor Tyrus en Sidon dragelijker zijn dan voor Chorazin en Bethsaida.

Het oordeel, dat eeuwige rampzaligheid insluit, zal voor die beide Galilese steden veel pijnlijker zijn dan voor Tyrus en Sidon, om het zelfverwijt, dat hen zal kwellen. Ja, het oordeel, dat eeuwige rampzaligheid insluit. Dat blijkt uit hetgeen de Heere Jezus tot Kapernaüm zegt. Kapernaüm is tot de hemel toe verhoogd, tot de hoogste luister gebracht, juist door de wonderen van Jezus Christus — of (dit kan ook de bedoeling zijn :) het is in eigen oog vanwege die wonderen zo hoog verheven —, maar het zal „tot de hel toe nedergestoten worden", in de plaats der eeuwige pijn (vgl. Lk. 16 : 23).

Ziedaar het lot van allen, die zich niet bekeerd hebben en in onbekeerde staat sterven. Ook ons lot, indien wij in onze verkeerde wegen volharden. Zo wij Jezus niet te voet vallen om in Hem de verzoening onzer zonden te hebben en de bevrijding uit de macht der zonde, — Gemeente ! dan kan niets ons baten, geen godsdienstigheid, geen ijver voor het Koninkrijk Gods. Dan schiet er ook voor ons niets anders over dan de plaats der wening en knersing der tanden.

IV. Zo hebben wij dan leren kennen de inhoud, de kracht en de ernst van het verwijt, dat de Heere Jezus de Galilese steden deed. Laat ons tenslotte nog stilstaan bij de betekenis van dit verwijt. Het is altijd van belang, er op te letten, wié iets zegt Dat weten we wel uit het dagelijkse leven.

De waarde van een uitspraak kan verhoogd, maar ook verlaagd worden door de persoon, die haar doet. Er zijn woorden, waarvan wij ons niets aantrekken, omdat wij degene, die ze uitspreekt, niet lellen en ook niet behoeven te tellen. Er zijn er echter ook, die te meer indruk moeten maken, omdat de persoon, die ze uitspreekt, een bizondere positie inneemt.

Zo staat het ook met het verwijt, dat de Heere Jezus tot die Galilese steden richtte. Het gewicht daarvan wordt verhoogd, de betekenis daarvan is voor ons des te groter, omdat Jezus zo heeft gesproken.

Wij weten allen wel, hoeveel mensen er zijn, die altijd de mond vol hebben over de liefde van Jezus, die voor niets anders oo:j hebben dan voor Zijn liefde, voor wie Hij de „Man der liefde" is. — Gelukkig, dat de liefde van de 44 Heere Jezus inderdaad zo groot is, dat geen mensentong haar naar waarde kan bezingen, geen pen in staatishaar naar waarde te beschrijven. Het is volkomen waar, dat Hij in de wereld gekomen is, niet om te verderven, maar om te behouden. Volkomen waar, dat Hij uit liefde tot zondaren Zijn leven uitgestort heeft in de dood, opdat zondaren aan de dood ontrukt en het eeuwig leven deelachtig zouden worden. Wanneer men het echter doet voorkomen, alsof de liefde het enige is, dat aan Jezus te vinden is, dan dwaalt men zeer. Die liefde heeft ook een keerzijde, n.1. de toorn.

Daar wil men in de grond van de zaak liever niet van horen, omdat men voor die toorn bang is en er zelf niet graag het voorwerp van wordt. Daarom grijpt men alles aan om die toorn weg te cijferen of aan de blik te onttrekken. Dat is echter een ijdel pogen. God is liefde en het is die liefde Gods, die ook in Jezus Christus leeft en uit Hem spreekt. Het allerheerlijkst spreekt zij wel in het kruis van Golgotha. Maar zeg eens : waartoe toch dat kruis, waartoe toch dat ontzettende lijden, waartoe toch dood en graf van onze Heere Jezus ? Waarom gaat over Hem dat ontzettende gericht des doods in heel zijn omvang? is het niet om zondaren van de toorn Gods te verlossen ? Ge weet immers wel, wat er staat aan het slot van Joh. 3: „Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwig leven ; maar die de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem". Die toorn wordt dus enkel door de Zoon weggenomen.

Ziedaar de betekenis van Zijn dood en bloedstorting ! Wat buiten de gekruisigde Christus leeft, buiten Hem, Die Zijn ziel gegeven heeft tot een losprijs voor velen, dat ligt onder Gods toorn, die zich tenslotte geheel ontlast in het eeuwig oordeel. Op die toorn Gods tegen de zonde wijst ook

Op die toorn Gods tegen de zonde wijst ook onze text. Het zijn harde woorden, die de Heere Jezus hier doet horen. Hij spreekt hier niet als Rechter, Die het vonnis velt en Zelf de toorn over de schuldige uitstort. Hij spreekt hier als Profeet, Die het oordeel van Gods toorn met de meeste nadruk aankondigt. Maar ge weet wel, dat er in de Openbaring van Johannes gesproken wordt van „de toorn des Lams", in die wanhoopskreet tot de bergen en tot de steenrotsen : „Valt op ons en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op de Troon zit en van de toorn des Lams ; want de grote dag Zijns toorns is gekomen en wie kan bestaan?" (6 : 16, 17).

Welk een tegenstelling in die woorden „de toorn des Lams !" Dat Lam liet Zich slachten tot behoud van zondaren. En datzelfde Lam toornt zó geweldig, dat de voorwerpen van die toorn geen uitkomst meer zien !

Mij dunkt, Gemeente ! gij voelt wel, welk een klem dat bijzet aan het verwijt, dat de Heere Jezus tot die Galilese steden richt; aan het verwijt, dat ook ons treft, zo wij voortgaan op onze verkeerde wegen. Hoe worden allen beschaamd, die zich met de liefde van Jezus Christus willen dekken, alsof er van toorn en van oordeel geen sprake was! Hij Zelf, Die enkel liefde is, heeft dat ontzettende woord gesproken: „Doch Ik zeg u, het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in de dag des oordeels dan u !"

De dag des oordeels is aanstaande, al redeneert men die dag op allerlei manier weg. Er is geen ontkomen voor wie zich niet bekeert. Eri de dood voert zulkeen het oordeel tegemoet. Vreselijk zal het dan zijn, als eigen geweten moet toestemmen : gij hebt niet gewild ! Gemeente ! het wordt ons voorgehouden tot ons behoud.

Nog laat God het ons in Zijn lankmoedigheid prediken. We zouden zeggen : hoe is 't mogelijk, onder de prediking van deze dingen koud te blijven. We moesten immers ontroeren tot in het diepst van onze ziel' — En toch leert de ervaring, dat ook die ernstige prediking langs ons heen kan glijden : wij horen haar, stemmen haar verstandelijk toe, maar blijven er dezelfde onder. Zo diep is onze ellende !

Waar moet het dan met ons heen ? Hier is slechts één redmiddel : dat het stenen hart bij ons wordt weggenomen en door een vlesen hart vervangen ; een hart, dat niet onaandoenlijk, maar voor indrukken vastbaar is. En — behoef ik 't nog uitdrukkelijk te zeggen ? — dat kan God alleen doen. Wie dat beseft, wordt gedreven tot het gebed.

Wie dat beseft, wordt gedreven tot het gebed. Een gebed, dat dagelijks nodig is en dat dan ook dagelijks zal worden opgezonden. Want de behoefte wordt hoe langer hoe sterker gevoeld. Zulk roepen is niet tevergeefs. De Heere Zelf heeft reeds bij Ezechiël beloofd, hef stenen hart bij Zijn volk weg te nemen en het een vlesen hart te geven. Zo zal het Evangelie bij ons een plaats vinden. Het Evangelie van de Christus.

En dan zal er een worsteling der ziel zijn om Hem in waarheid te bezitten. Een worsteling, waarin het licht gewis zal doorbreken, zodat wij aan Christus' hand in alle gerechtigheid geleid worden. AMEN.

Gelezen: Wel des Heeren en Joh. 3 : 16—21. Gezongen: Ps. 66 : 1, 2; Gez. 9Q : 2 na de Wet; Ps. 81 : 9, 12, 13, 15; Ps. 21 : 8; Ps. 142 : 7.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1948

Kerkblaadje | 8 Pagina's

wee u, Chorazin !, wee u, Bethsaida ! . . . En gij, Kaperna�m ! . .

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1948

Kerkblaadje | 8 Pagina's