O gij vergadering! gezeten om recht te doen, spreekt gij het recht ?
Text: Markus 14 : 53—65. Gemeente des Heeren ! Het lijden van de Heere Jezus in Oethsemané is doorworsteld ; de ontzettende zielestrijd, die Hij daar onder gebed en smeking gestreden heeft, om toch de smartelijke beker, Hem door de Vader gereikt, te drinken ; om Zich te onderwerpen aan de ontzaglijke scheiding van God,
die om onzer zonden wil over Hem kwam. Hij heeft de zege weggedragen. Als Hij voor de derde maal tot Zijn jongeren gekomen is, keert Hij niet terug naar de plaats van Zijn angstige zieleworsteling : de strijd is volstreden. Hij heeft Zich onderworpen aan de uitdrukkelijke wil Zijns Vaders. Hij gaat met de Zijnen de zondaren tegemoet, in wier handen Hij overgeleverd moet worden.
Het duurt niet lang, of ook dit verschrikkelijke is geschied. Uit de naderende bende treedt Judas naar voren en loopt op Jezus toe om Hem met een „Rabbi, Rabbi!" te kussen. Dat was voor de bende het verraderlijk teken, dat hier de gezochte man was. Zij slaan de handen aan Hem.
Wel poogt één der jongeren voor zijn Meester in de bres te springen. Petrus houwt er immers met het zwaard op in, — maar dat is geenszins in de geest van de Meester gehandeld. Jezus Zelf bedient Zich alleen van het zwaard des Woords om Zijn vijanden in het geweten te treffen, terwijl Hij tot hen spreekt : „Zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken, als tegen een moordenaar, om Mij te vangen ? Dagelijks was Ik bij ulieden in de Tempel, lerende, en gij hebt Mij niet gegrepen ; maar dit geschiedt, opdat de Schriften vervuld zouden worden" (vs. 48, 49). Weldra staat Hij alleen : al Zijn jongeren maken zich zo snel mogelijk uit de voeten ; ja, er is zelfs een jongeling — wie, is onbekend — die met achterlating van zijn gewaad naakt de vlucht neemt. Zo is de Heere Jezus in handen van de bende,
Zo is de Heere Jezus in handen van de bende, gezonden door de Overpriesters en Schriftgeleerden en Ouderlingen. En deze bende brengt Hem naar hun lastgevers : „zij leiden Jezus heen tot de Hogepriester". — Hiermee zijn wij aan een nieuw onderdeel van de Lijdensgeschiedenis onzes Heeren gekomen : Zijn lijden vóór het Saiitfedrin, dat Markus in onze text als in vogelvlucht te aanschouwen geeft. Op drie stukken willen wij de aandacht vestigen,
Op drie stukken willen wij de aandacht vestigen, n.i. op 1 het lijden, dat de Heere Jezus daar verduurd heeft, II de houding, die de Heere Jezus onder dit lijden kenmerkte, en III het resultaat van dit lijden voor ons. Alzo prediken wij u op deze derde Lijdenszondag.
L Op het lijden, dat de Heere Jezus vóór het Sanhedrin verduurd heeft, vestigen wij in de eerste plaats de aandacht.
Het Sanhedrin, d. i. de Grote Raad der Joden, hun hoogste kerkelijke overheid. Een hoogaanzienlijke vergadering, samengesteld uit de keur van het volk : de Overpriesters, een soort van priesteradel; de Schriftgeleerden, die hun leven besleedden aan de studie van Gods Woord ; de Ouderlingen of Oudsten, die regeerambten bekleedden en o. a. de rechterlijke macht uitoefenden. De leidslieden van het volk dus, zowel in geestelijke als in burgeilijke aangelegenheden.—
geestelijke als in burgeilijke aangelegenheden.— Dezen waren bijeen in het paleis van de Hogepriester. Daarheen begaven zij zich allen, terwijl Jezus gevangengenomen werd. Het loopt al maar aan, totdat vrijwel allen aanwezig zijn.
Daar staat dan Jezus voor het geestelijk gericht. Geheel alleen ! — Eigenaardig, dat Markus hier de mededeling inlast, dat Petrus op een afstand de Heere volgde, tot op de binnenplaats van liet hogepriesterlijk verblijf, en daar onder de dienaren zich zat te warmen bij het vuur. Ogenschijnlijk staat deze mededeling hier ietwat vreemd, want eerst een heel eind verder komt de Evangelist op Petrus terug, als hij n.1. de geschiedenis der verloochening verhaalt, in werkelijkheid echter heeft deze mededeling grote betekenis. Zij doet immers zo duidelijk uitkomen, hoe de Heere Jezus daar vóór het Sanhedrin gestaan heeft. Daar was wel één van deZijnen in de nabijheid, —
Daar was wel één van deZijnen in de nabijheid, — maar toch niet bij Hem, toch niet aan Zijn zijde. Petrus, die de kloekmoedigste scheen en zo vurig betuigd had : „Of zij ook allen geërgerd werden, zo zal ik toch niet geërgerd worden" (vs. 2Q), was niet bij zijn Meester te vinden, maar had zich onder de knechten van de Hogepriester begeven. Jezus stond geheel alleen ! En nu vestigt de Evangelist onmiddellijk de aandacht op het goddeloos bedrijf van het Joodse Sanhedrin, als hij schrijft: „En de Overpriesters, en de gehele Raad, zochten getuigenis tegen Jezus om Hem te doden".
„Om Hem te doden". Kan wel vlijmender woord worden neergeschreven? Dus : niet tot onderzoek van een bepaalde aanklacht zijn zij daar bijeen, zoals aan een rechterlijk college betaamt. Neen, een bepaalde uitkomst staat hun van meet af voor ogen: zij hebben het op de dood van Jezus toegelegd. En nu spannen zij alle krachten in om dat doel fe bereiken. — De schijn moet intussen worden gered. Zij willen gronden hebben voor het te vellen doodvonnis, want zonder gronden gaat dit niet. En nu doen zij alle moeite om getuigenis iegenjezuste verkrijgen : getuigenis ten nadele van Hem ; getuigenis, waardoor Hij met schuld wordt belast.
Gemeente! wij kunnen hier zo duidelijk zien, dat stand en beschaving weinig betekenis hebben, wanneer het gaat om gerechtigheid. Hier is de keur van het volk bijeen, en het gaat tegen alle gerechtigheid in. Goddelijk recht wordt hier met voeten getreden. Maar ook het eigen menselijk recht wordt aan kant geschoven, waar het geldt,
zich van Jezus te ontdoen. Volgens hun eigen ordinantiën moest toch in zaken, waar een doodvonnis het einde van kon zijn, allereerst op ontlastend getuigenis gelet worden en dit aan het bezwarend getuigenis voorafgaan. Volgens hun eigen inzetlingen mocht in zo'n zaak niet in dezelfde zitting het vonnis geveld worden ; ja, zij mochten niet eens des nachts vergaderen. Doch wat bekommert het Sanhedrin zich op het ogenblik om deze dingen : Jezus moet zo spoedig mogelijk uit de weg geruimd worden !
Daarom zoeken zij naar bezwarend getuigenis. Zij kunnen het echter niet vinden. — Zij hebben werkelijk moeite genoeg gedaan : „Want velen getuigden valselijk tegen Hem". Er waren mensen genoeg te vinden, die handlangersdienst wilden verrichten. Allerlei werd te berde gebracht. De Evangelist acht het niet nodig, de inhoud der valse beschuldigingen te vermelden. Hij geeft alleen het resultaat aan : „doch hun getuigenissen waren niet eenparig". Zij stemden niet met elkander overeen. Een bepaalde beschuldiging was er dus niet uit te formuleren.
We kunnen ons voorstellen, met wat teleurgestelde blik de leden van de Raad elkander hebben aangezien. Zo kwam er niets van terecht! . . . . Gelukkig, daar staan nieuwe getuigen op. Hun blik zegt, dat zij met deugdelijker materiaal willen werken. Hun woord wekt hoop voor de rechters : „Wij hebben Hem horen zeggen . .. ." — dat zijn dus mensen, die uit de eerste hand iets kunnen meedelen, die niet aankomen met: „Men zegt" of: „Ik heij gehoord". Oog- en oorgetuigen zijn het. Welnu, wat hebben zij in het midden te brengen ? „Wij hebben Hem horen zeggen : Ik zal deze Tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een andere,
zonder handen gemaakt, bouwen" .... Met een gewichtig gezicht wordt het uitgesproken. Maar wat betekent dit getuigenis, wat voor misdaad wordt er in aangegeven ? Als Jezus dat werkelijk gezegd had, wat had Hij er dan mee misdreven, dat met de dood gestraft zou moeten worden ? . . . Tot overmaat van ramp was „ook alzo hun getuigenis niet eenparig". De inhoud der verschillende getuigenissen stemde niet overeen. Per slot van rekening kon de Raad niet eens vaststellen, hoe nu eigenlijk Zijn woorden geluid hadden. Natuurlijk was de bedoeling van de beschuldigers,
Natuurlijk was de bedoeling van de beschuldigers, dat Jezus Zich op strafbare wijze over de Teinpel Gods had uitgelaten, dat Hij de dienst des Heeren verachtte en de Kerk afbrak. Doch wie kon dat er duidelijk uit opmaken ? Reeds het uiteenlopen der getuigenissen deed openbaar worden, dat zij vervalst waren. Ge weet wel, waar deze valse getuigen op gedoeld hebben, n.I. op het woord van de Heere Jezus in verband met de aanmerking van de Parizeen op Zijn tempelreiniging: „Breekt deze Tempel, en in drie dagen zal Ik dezelve weder oprichten!" (Joh. 2 : 19), waarbij Hij gezien had op de Tempel van Zijn lichaam .... Ook met dit vals getuigenis kwam men geen stap verder.
Daar verheft de Hogepriester zich van zijn zetel. Hij staat op „in het midden", d. w. z. hij stapt naar het midden van de zaal, vóór het Sanhedrin ; hij gaat vlak vóór Jezus staan en vraagt Hem : „Antwoordt Gij niets ? wat getuigen dezen tegen U ?" Hij stelt zich dus aan, als was er heel wat gewichtigs voorgebracht, waarvan de Heere Jezus waarlijk wel mocht pogen. Zich te zuiveren. —
Het baat hem echter niet. Jezus bewaart het stilzwijgen. De Hogepriester heeft zeker gehoopt, dat de Heere Jezus met een vloed van woorden de beschuldigingen zou trachten te ontzenuwen : licht dat er dan een woord viel, waar men Hem op zou kunnen grijpen! Er komt ecliter geen geluid uit Zijn mond .... Jezus laat al die getuigenissen, ook dat z.g.n. gewichtige, voor hetgeen ze zijn. De Hogepriester heeft genoeg van deze pogingen. Zo is er met die Jezus niets aan te vangen. Hij verandert van gedragslijn. Hij vraagt niet meer naar getuigen — maar richt zich nu tot Jezus Zelf met een nieuwe vraag : „Zijt Gij de Christus, de Zoon des Gezegenden", d.i. „de Zoon Gods" ? Gespannen aandacht, zowel bij Kajafas als bij de ganse Raad. Wat zal Jezus nu doen ? Zal Hij zwijgen of spreken ?
De onzekerheid duurt niet lang. Ogenblikkelijk komt van 's Heeren lippen het antwoord : „Ik ben het. En gijüeden zult de Zoon des mensen zien zitten ter rechterhand der kracht en komen met de wolken des hemels".
De Hogepriester beeft van vreugde. Wat is het goed, dat hij zelf de hand aan de ploeg geslagen heeft! De Overpriesters, die de leiding hadden genomen, hadden niets bereikt. Nu hij ingegrepen had, was het gelukt. Nu hadden zij het heft in handen .... Hij verbergt echter zijn blijdschap achter een gebaar van verontwaardiging en ontzetting. Hij „verscheurt zijn klederen", d. w. z. hij maakt aan de hals een scheur in zijn onderkleed, en roept uit: „Wat hebben wij nog getuigen van node? Gij hebt de godslastering gehoord !" Daar Iaat Kajafas zo duidelijk mogelijk, zijns ondanks, het boze opzet doorschemeren. Ondanks de geveinsde ontzetting horen wij hierin
Ondanks de geveinsde ontzetting horen wij hierin de jubelkreet: nu zijn wij er eindelijk ! En hij besluit met een vraag aan de rechters: „Wat dunkt ulieden?" —Een vraag, waarop onmiddellijk van alle kanten het antwoord weerklinkt: Hij is des doods schuldig!
Ja, nog meer dan dat. Zij kunnen zich niet meer bedwingen. Alle waardigheid vergetend, springen de naastbijzittenden op van hun zetels, op de Heere Jezus toe. Zij beginnen Hem te bespuwen. Zij werpen Hem een doek over 't hoofd. Zij
Zij werpen Hem een doek over 't hoofd. Zij slaan Hem met vuisten. Zij schreeuwen Hem toe: „Profeteer!". Zij bespotten Hem dus in Zijn profetisch ambt; ze willen hiermee immers zeggen: toon nu maar eens, dat Gij werkelijk Profeet zijt door te vertellen, wie U geslagen heeft!
Dat doen mannen van beschaving en geleerdheid. Is het wonder, dat de knechten dit voorbeeld volgden ? „En de dienaars gaven Hem kinnebakslagen", zo lezen we in het slotvers van onze text; dat wil eigenlijk zeggen : zij wierpen Hem met kinnebakslagen de zaal uit — of, naar een andere lezing: „Zij namen Hem met kinnebakslagen in ontvangst", om met Hem te doen wat hun meesters verder zouden gebieden.
Een ontzettend schouwspel, nietwaar ? Hier zien wij wat het inhoudt: „de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren". De Heere Jezus is een speelbal in de handen van rechters en slaven. Ieder viert zijn moedwil aan Hem bot.
II. Zo komen wij vanzelf tot het tweede stuk, waarop wij de aandacht willen vestigen, n.1. de houding. die de Heere Jezus onder al dit lijden kenmerkte. Wij worden al aanstonds getroffen door het feit, dat de Evangelist geen enkel woord en geen enkele daad van de Heere Jezus vermeldt, als de bende Hem wegleidt naar de Hogepriester en Hij daar vóór die hoge vergadering gesteld wordt. De Heere Jezus is geheel lijdelijk. Hij doet niets om Zich te verzetten. Hij laat alles over Zich komen wat er met Hem gedaan wordt. M.a. w. de houding van de Heere Jezus wordt in de eerste plaats gekenmerkt door het geduld, waarmee Hij alles verdraagt. Voorts worden wij getroffen door het stilzwijgen,
Voorts worden wij getroffen door het stilzwijgen, dat Hij bewaart onder al de valse beschuldigingen, die tegen Hem worden ingebracht ; door het stilzwijgen, dat Hij ook niet verbreekt op de prikkelende vraag van de Hogepriester: „Antwoordt Gij niets ? wat getuigen dezen legen U ?" O, laat ons niet denken, dat dit Hem wel gemakkelijk viel, omdat Hij de Zoon Gods was.
Laat ons er op letten, dat Hij Zich juist in deze schrikkelijke zaak „de Zoon des mensen" genoemd heeft. De Heere Jezus heeft ons vlees en bloed omgedragen. En nu weten wi] uit onze eigen ervaring wel, hoe het met dat „vlees en bloed" staat. Het legt zich allesbehalve neer bij valse beschuldiging, bij vertrapping en miskenning. Het stuift op, het wil zijn recht handhaven, het is er op uit om zich op zijn belagers te wreken. — Geloof maar vrij, dat de duivel alle moeite zal hebben gedaan om het bij de Heere Jezus ook zover te brengen. Maar het is hem niet gelukt. Jezus heeft gezwegen !
Waarom ? — Men heeft gezegd : dat was het beste en het enige antwoord, want die valse beschuldigingen werden door de onderlingetegenspraak vanzelf in hun valsheid openbaar, die weerlegden zichzelf. — Wij zuilen dat niet ontkennen. Er is echter nog een diepere grond aan te wijzen. De Heere Jezus heeft niet op de mensen gezien. Zijn oog is altijd gericht geweest op Zijn God en Vader. Hij heeft alles aangenomen als komende uit Diens hand. Daarom heeft Hij gezwegen op alles wat men tegen Hem inbracht.
Het zou Hem waarlijk niet moeilijk gevallen zijn, de valse getuigenissen te ontzenuwen ; vooral dat ene getuigenis: „Wij hebben Hem horen zeggen : Ik zal deze Tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een andere, zonder handen gemaakt, bouwen". Eén woord, en de waarheid in deze had in het volle licht gestaan ! — Het zou Hem waarlijk niet moeilijk gevallen zijn, de valse getuigen en heel de Joodse Raad voor eeuwig de mond te sluiten.— Maar Hij deed het niet, omdat de wil des Vaders alleen bij Hem gold. Aan Diens wil heeft Hij Zich geheel en al onderworpen.
Hieraan is het ook te danken, dat Hij het stilzwijgen verbreekt, als de Hogepriester Hem de vraag stelt: „Zijt Gij de Christus, de Zoon des Gezegenden ?" Dan luidt het antwoord : „Ik ben het". De Heere Jezus heeft wel geweten, wat er achter deze vraag stak ; Hij wist, dat het een strik was, die Hem om de hals gelegd werd om Hem te verworgen. Hij wist, dat Zijn bevestigend antwoord voor Hem de dood tjetekende. Nochtans hield Hij het antwoord niet terug. Was Hij niet de Gezalfde des Vaders ? Was fiij niet door de Vader gezalfd en in de wereld gezonden om Diens heilsraad tot verlossing van zondaren uit te voeren ? En zou die heilsraad niet juist door Zijn dood heen volvoerd worden ?
Daarom aarzelde Hij ook geen ogenblik, maar sprak het uit met vaste stem : „ik ben het". Maar juist het besef, dat Hij in de wereld gekomen was om de heilsraad Gods tot verlossing van zondaren uit te voeren, bewoog Hem om aan Zijn belijdenis: „Ik ben het" nog toe te voegen : „En gijlieden zult de Zoon des mensen zien zitten ter rechterhand der kracht en komen met de wolken des hemels".
Met deze woorden wijst Hij hen op de glorie, die Hem wacht. Hij zal zitten aan de rechterhand der kracht, op de plaats der ere naast God de Vader, in Diens heerlijkheid. Hij zal komen met de wolken des hemels om gericht te houden.
Het is niet een bedreiging, die de Heere Jezus hier uit, hoeveel dreigends er ook in Zijn woorden Zijn vijanden tegenklinkt. Want er is geen vijandschap in 's Heeren ziel. Hij staat ook hier vóór ons als „de Zoon des mensen". Die niet gekomen is „om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden" (Lk. Q : 56). Het was de liefde, die Hem dreef. De Joodse Raad zag in Hem niet anders dan een mens, Hij stond ook als „Zoon des mensen" vóór hen: als één, die naar het uiterlijk niets boven enig mens vóór had, in zwakheid.
Hij verkondigde hun door Zijn belijdenis, dat Hij nochtans de Zoon Gods was. Hij wist, dat zij dat niet wilden aanvaarden. Daarom waarschuwt Hij hen, dat zij zodoende ten zeerste dwalen. Zij zullen Hem eenmaal zien onder heel andere omstandigheden : aan de rechterhand Gods, in Zijn heerlijkheid ; als Rechter van levenden en doden ! Hij zegt dat, opdat zij nog tot bezinning komen, hun vijandschap jegens Hem afleggen en Hem als de Christus, de Zoon des Gezegenden, erkennen en huldigen. Want als zij dat niet doen, zij zullen geen verontschuldiging hebben.
Zo verbindt de Heere Jezus hier de liefde tot de naaste aan de liefde tot God. Hij laat Gods wil ten volle gelden.
Dat zien wij tenslotte ook in Zijn houding onder de mishandeling en bespotting, die Hem van alle kanten, van hoog en laag, wordt aangedaan.
Gemeente ! het was waarlijk niet te verwonderen geweest, als de Heere Jezus in toorn ontstoken was en Zijn belagers weggeslingerd had. Hadden zij het niet dubbel en dwars verdiend ? Bespuwing was voor het Joodse gevoel het toppunt van smaad (Num. 12 : 14); en die smaad was hier Hem aangedaan. Wiens ganse leven het stempel 68 der gerechtigheid droeg. Bedekking — of omhulling — van het aangezicht drukte uit, dat iemand niet waard was te leven (Esther 7:8); die schande werd hier gelegd op Hem, Die altijd op het welzijn van mensenkinderen uit was geweest. Die vuisten, neerkomend opZijnaangezicht,
spraken van gloeiende haat tegen Hem, Die steeds in liefde tot de naaste gewandeld had. En het sarrende: „Profeteer'" werd gericht tot Hem, Die verloren mensenkinderen het hart Gods had ontsloten. — Doch de Heere Jezus heeft dit alles over Zich heen laten gaan. Hij heeft er zelfs niet met een enkele beweging op geantwoord. Hij heeft het aanvaard als over Hem komende naar de wil Zijns Vaders. M. a. w. waar wij de Heere Jezus in deze ganse handel in het hogepriesterlijk paleis ook gadeslaan, — wij zien Hem overal als de Knecht des HEEREN, zoals Deze ons getekend wordt in de bekende woorden uit Jesaja 50: „De Heere HEERE heeft Mij het oor geopend, en lk ben niet wederspannig; lk wijk niet achterwaarts. Ik geef Mijn rug degenen, die Mij slaan, en Mijn wangen degenen, die Mij het haar uitplukken ; Mijn aangezicht verberg lk niet voor smaadheden en speeksel", (vs. 5, 6).
III. Wat wij daar zongen (Oez. 127 : 2, 3) heeft reeds vooruitgegrepen op hetgeen wij in de derde plaats te beschouwen hebben, n.!. het resultaat van het lijden van de Heere Jezus vóór het Sanhedrin en de betekenis daarvan voor ons.
Hier valt onze aandacht al aanstonds op de onschuld van de Heere Jezus. Als de Onschuldige heeft Hij geleden. —Zijn onschuld treedt onmiddellijk in het licht, als wij letten op heel het doen van het Joodse Sanhedrin. Als Hij daar als een misdadiger wordt binnengebracht in het hogepriesterlijk paleis, moet de aanklacht nog worden opgesteld, ja, er moet nog naar een punt van aanklacht worden gezocht. Ondanks alle moeite slaagt men daar niet in. Om althans iets te vinden,
dat enige schijn heeft, worden valse getuigenissen uitgelokt. Doch ook hiervan blijft schijn noch schaduw over. Jezus staat daar als de Vlekkeloze tot op het ogenblik, dat Kajafas zelf tegen Hem optreedt. — En ook dan komt er niets voor de dag, dat ook maar een ogenblik voedsel geeft aan de gedachte van schuld. Want onze Heiland heeft op de vraag van de Hogepriester niet anders gedaan dan het getuigenis der waarheid verkondigen, dat Hij de Christus is, de Zoon des gezegenden Gods !
En toch is Hij ten dode verwezen. En het vonnis des doods is straks aan Hem voltrokken, als Hij door der Heidenen hand aan het kruis wordt geklonken. Zo is Hij dan onschuldig de dood ingegaan.
Doch, onschuldig, niet alleen omdat alle pogingen der mensen om Hem van schuld te overtuigen hebben gefaald ; maar ook omdat Hij de wil Zijns Vaders volkomen heeft uitgevoerd. Hij heeft zonder enig tegenspreken alles aanvaard, wat de Vader over Hem heeft doen komen. Het is bij Hem, zoals wij daareven gezongen hebben : „Geer. vlek, geen mistred zagen d' ogen der vlekkeloze Majesteit", zodat Hij als de volmaakt-Rechtvaardige is prijsgegeven aan de dood. Hier staan wij alweer voor het geheim, dat wij telkens in de Lijdensgeschiedenis van onze Heiland onder de ogen krijgen, zonder hetwelk de Lijdensgeschiedenis niet verstaan en het heerlijke ervan verdonkerd wordt: de Heere Jezus heeft dat alles geleden als de Drager onzer zonden.
Dat ligt mede opgesloten in de naam „de Zoon des mensen", waarmee Hij Zich ook in dat smartelijk uur vóór het Joodse Sanhedrin genoemd heeft. Hij stond daar vóór het geestelijk gericht als Degene, Die als de Zoon des mensen alles aanvaard heeft wat des mensen is: 's mensen zonde, 's mensen schuld, en daarom ook de straf, die de mens verdiend heeft.
Daarom is de Heere Jezus ook niet bij het zichtbare blijven staan. Hij heeft niet het Sanhedrin voor ogen gehad. Maar Hij heeft verder gezien. Achter het Sanhedrin heeft Hij God gezien, de waarachtige Handhaver van recht engerechtigheid.
Tegenover Hem heeft Hij daar gestaan als Degene, Die beiaden was met onze zonden, Die zonde gemaakt is voor ons. Hij heeft daar gestaan voor de rechtbank der Wet, die haar vloek uitspreekt over onze overtredingen, over heel ons bestaan, dat met haar in strijd is. Deze vloek heeft Hij op Zich genomen. Daarom heeft Hij gezwegen op alle beschuldigingen, die tegen Hem werden ingebracht. Daarom heeft Hij geduld, dat Hij voorgesteld werd als iemand, die zich aan God en Zijn dienst vergrepen had Daarom heeft Hij het verdragen, dat men Hem om Zijn belijdenis van Zijn Zoonschap Gods van godslastering betichtte en om godslastering ten dode verwees
Daarom heeft fiij het verdragen, dat Hij straks in handen van de Romeinse rechter overgegeven en aan het kruis geklonken werd. Het zijn onze zonden, die Hij aan het kruis geboet heeft.
Maar zo is ook dit lijden van de Heere Jezus voor ons een bron van vertroosting. Want het geeft ons de zekerheid, dat God ons om onze zonden niet meer zal treffen met Zijn oordeel, dat Hij ons om onze zonden niet meer zal prijsgeven aan dood en verdoemenis, — maar dat Hij ons zal rechtvaardigen en begiftigen met het eeuwig leven. Want God eist van ons niet voor de tweede maal wat eenmaal door onze Borg en Plaatsbekleder gedragen is.
Gemeente ! gij weet wel, dat wij, hier zo telkens van „wij" en van „ons" sprekende, geenszins een algemene genade of een algemene verzoening prediken. Dat zou een grote misleiding zijn, waarmee wij onszelf zouden bedriegen. De troost, die van de lijdende Christus uitgaat, valt alleen ten deel aan degenen, die oprecht in Hem geloven. Maar dat oprecht geloof kan er niet zijn, wanneer er geen erkentenis is van zonden en van verlorenheid.
Wij zien dat zo duidelijk mogelijk aan het Joodse Sanhedrin. Denk niet, dat het alleen bestond uit mensen, die afdongen op hetgeen God in Zijn Woord geopenbaard heeft. Volstrekt niet. Het telde er ook velen, die naar het uitwendige met Mozes en de Profeten begeerden te leven en te sterven. Volbloed voorstanders van de zuivere leer, die op de beloofde Messias hoopten. Toen echter die Messias verscheen, moesten zij niets van Hem hebben. Omdat Hij niet aan hun verwachtingen beantwoordde. In de diepste grond :
omdat Hij hen niet als de rechtvaardigen eerde en als kinderen des Koninkrijks met onderscheiding behandelde, maar hun hun zonden voorhield en scherp liet voelen, dat zij geen deel hadden in het Koninkrijk der hemelen, zolang zij zich niet bekeerden.
Zo zal het ook ons niet baten, dat wij de geopenbaarde waarheid kennen en verdedigen, wanneer wij niet als zondaren tot de Christus Gods willen komen. Want als wij onszelf niet kennen als zondaren en geheel verlorenen, dan is er geen steunen op Hem, zoals God Hem ons gaf. Dan is er ook bij ons niet anders dan vijandschap legen Hem. Dan moeten wij immers niets hebben van de gerechtigheid des geloofs ;
van de gerechtigheid van Christus, die alléén onze zonden voor Gods aangezicht bede'd en ons met Gods Wet in overeenstemming doet zijn. Dan ergeren wij ons aan hetgeen de kern van het lijden van Christus is : dan willen wij in dat lijden wel zien een betoning van volkomen gehoorzaamheid, ook met opoffering van het leven, — maar niet een dragen van Gods toorn,
een voldoen aan de eis van Gods gerechtigheid in onze plaats en voor ons. Dan stoten wij ons ook aan de prediking, dat Jezus Christus de eniggeboren Zoon van God is. God geopenbaard in het vlees. In één woord : als wij onze zonden en onze verlorenheid niet oprecht erkennen, dan blijven wij, wat de mond ook moge uitspreken, innerlijk vreemd aan de Christus, Die door het Sanhedrin ter dood veroordeeld werd.
Maar dan staat het er jammerlijk met ons voor. Want ook wij zullen eenmaal die Christus, Die als Zoon des mensen geleden heeft en gestorven is, zien, zittende ter rechterhand der kracht en komende met de wolken des hemels. Hij heeft ons lot en leven in handen. En wanneer wij vreemd aan Hem zijn, zoals Hij in de staat Zijner vernedering was, dan zullen wij ook vreemd aan Hem blijven, zoals Hij in heerlijkheid is. D. w. z. dan moeten wij in eeuwige jammer verzinken.
leder onzer beproeve dan zichzelf! Gemeente ! wij behoeven waarlijk niet naar zonden te zoeken. Ze liggen vlak voor de hand. Elke dag spreekt er van. Want de dag is nauwelijks aangebroken, of boze dingen hebben over ons de overhand, al was het alleen maar dit, dat wij aanstonds met de dingen van deze aarde bezig zijn en onze God vergeten. Maar er is nog zoveel anders. Wat verkeerde lusten komen er in ons op, wat boze woorden komen er over onze lippen, wat spreekt er een kwaad uit onze ogen, zodra wij met mensen in aanraking komen, die niet willen wat wij begeren en verwachten ! Om dan nog maar te zwijgen van uitgesproken of verholen wrevel tegen God ! Als wij hiervoor oog krijgen door de genade
Als wij hiervoor oog krijgen door de genade van de Heilige Geest en dan staan tegenover de Christus, Die in Zijn lijden de toorn Gods draagt, dan kan het niet anders, of wij vallen voor God in de schuld, en wij bekennen in oprechtheid des harten :
„Maar 'k wijt het aan geen Parizeen, geen priesterschaar op Hem gebeten, geen rechter over Hem gezeten; 't is onze schuld, 't is d' onze alleen : Wij zondaars, wij, wij zelv', wij schonken U, Heer ' die kelk, zo wrang, vol gal, die Gij aan 't kruis geheel en al, ten bodem toe, hebt leeggedronken.
(Gez. 125 : 4). Maar als wij zo tegenover de lijdende Christus staan, dan wordt ook de bron der vertroosting voor ons ontsloten. Dan roept het Evangelie ons toe: dat lijden heeft de verzoening uwer zonden bewerkt. God heeft u in Christus al uw zonden vergeven en denkt er niet aan in eeuwigheid. Dan vinden wij een toevlucht bij Hem. Dan
Dan vinden wij een toevlucht bij Hem. Dan hangen wij ook met ons ganse hart en met onze ganse ziel aan Hem. En wij zullen niet beschaamd worden. Want wij zullen Hem ook eenmaal zien, zittende ter rechterhand der kracht en komende met de wolken des hemels — om ons voor eeuwig en volkomen binnen te leiden in Zijn heerlijkheid. AMEN.
Gelezen : Wet des Heeren en Jesaja 53 : 1—7. Gezongen : Ps. 138:1; Ps.69: 2,3,4; Gez. 127 : 2,3; Ps. 65:2.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1948
Kerkblaadje | 8 Pagina's