Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Thomas, de eenzame, de ongelovige.*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Thomas, de eenzame, de ongelovige.*

23 minuten leestijd

Text: Johannes 20 : 24, 25.

Gemeente des Heeren !

In het Schriftgedeelte, dat wij daar lazen ^), legt de apostel Paulus krachtig de nadruk op de opstanding van Jezus Chris;tus uit de doden, waaraan wij op het Paasfeest weer. opzettelijk'herinnerd zijn. Aan de uiteenzetting van de betekenis der opstanding heeft hij dit lange hoofdstuk geheel gewijd, opdat toch de Gemeente te Korinthe en daarmee ook de Gemeente Gods van alle lijden zou mogen weten, wat zij aan de opstanding van Jezus Christus heeft.

in het gedeelte, dat wij hiervan gelezen hebben, wijst de Apostel met alle ernst op verschillende verschijningen van de verrezen Heiland Hij geeft geen volledige opsomming van de verschijningen, maar doet er grepen uit, zodat wij niet verwonderd behoeven op te zien, dat hier meer dan één ons van elders bekende verschijning des Heeren ontbreekt. Deze verschijningen zijn van groot belang, omdat zij zoveel bewijzen zijn voor de waarheid der opstanding van Jezus Christus uit de doden, en dus even zoveel getuigen tegen allen, die in de loop der eeuwen de opstanding van Jezus Christus geloochend hebben, gelijk tegen degenen, die dit ook nu nog doen. Daarom is het ook geen wonder, dat van oudsher in de samenkomsten der Gemeente na het Paasfeest de aandacht gewijd wordt aan de verschijningen des Heeren. Oudergewoonte wordt vandaag alom de verschijning des Heeren op de achtste dag na Zijn verrijzenis aan de orde gesteld en dus de geschiedenis van Thomas behandeld. Dat willen wij ook doen. Maar om de rijkdom van deze geschiedenis willen wij haar in twee gedeelten bespreken. De loop van het verhaal, zoals wij dit bij Johannes vinden, doet ons deze verdeling zelf aan de hand. De Evangelist spreekt immers eerst over Thomas' ongeloof, om daarna te verhalen, hoe zijn ongeloof in geloof is omgezet. Gij vindt onze text in Johannes 20 : 24, 25. Over het ongeloof van Thomas gaan wij dan spreken en letten daarbij achtereenvolgens 1 op Thomas in zijn eenzaamheid, 11 op Thomas tegenover de discipelen, 111 op Thomas tegenover de Heere Jezus, IV op Thomas tegenover God, en V op God tegenover Thomas.

1.

Hetgeen wij daar zongen ') was heel geen lied voor Thomas, zoals onze text hem ons tekent. Reeds de eerste regel paste volstrekt niet in zijn mond. Van een lofzang was zijn hart verre. Naar een lofzang had zijn ziel volstrekt geen begeerte. Maar het zou hem ook om een andere reden onmogelijk geweest zijn, die eerste regel over de lippen te krijgen. Dat „Komt" en dat telkens terugkerende „onze" en „ons" kon hij niet uilspreken en zou hij ook niet hebben willen uitspreken. Dat veronderstelt immers gezelschap, en van gezelschap was Thomas volstrekt niet gediend. Johannes meldt ons: „En Thomas, één van de twaalven, gezegd Didymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam." Thomas in zijn eenzaamheid staat hier vóór ons.

Hoe komt Thomas zo eenzaam ? Och, dat is zijn eigen wil en begeerte geweest.

Och, dat is zijn eigen wil en begeerte geweest. Het was de derde dag na de kruisdood des Heeren. Thomas had een benauwde sabbat doorgebracht, evenals al de andere discipelen : de Meester was gestorven en begraven. En nu was hij alles kwijt: zijn enige Hoop en Troost. De derde morgen was aangebroken, maar in zijn ziel was het nog nacht. Zijn Heiland was er niet meer, dat was alles, wat hij wist. Wel waren er in de vroege morgen berichten gekomen, die grote beroeringteweegbrachten. Er waren vrouwen





Ja, 't was met Thomas nog erger gesteld.

Hij had er een zekere rust bij gevonden, dat hij wist, dat zijn Meester in het graf lag. Hoe treurig het ook was, de zaak was thans beslist. De vijandschap van de Joden en van hun Oversten had gezegevierd. Misschien heeft Thomas zich bij ogenblikken getroost met de gedachte, dat de Heere Jezus nu van die vijanden geen last meer zou hebben, dat Zijn ziel de zaligheid Gods genoot en Zijn lichaam de grote dag van de opstanding der doden verwachtte. Maar met data!, hij miste Hem, op Wie al zijn hoop gevestigd was. Dit ene wist hij zeker: hierbeneden zou hij Jezus niet meer zien. En deze zekerheid drukte loodzwaar op zijn ziel.

Daarom bleef hij verre van de discipi^len.

De Emmaüsgangers waren ook de discipeikring ontvlucht en zochten wat verademing buiten Jerusalem. Zij waren tenminste nog met zijn beiden. Maar Thomas meed ieder gezelschap. Hij wilde alleen zijn, geheel alleen met zijn smart. Van niets anders wilde hij weten dan van een Jezus-in-het-graf. Het was hem bepaald hinderlijk, telkens weer nieuwe berichten te vernemen, die van opstanding en leven spraken. Die verbraken immers de smartelijke zekerheid, die in zijn binnenste leefde. En dat verzwaarde zijn leed. Het waren in zijn oog slechts inbeeldingen, die toch weer op teleurstelling moesten uitlopen. En daarom wilde hij maar liever niets horen. Derhalve schoot hem niets anders over dan de eenzaamheid te zoeken. En zo hield Thomas zich schuil. Misschien heeft hij zich wel in zijn woning opgesloten of buiten de stad rondgedwaald ... hij moest alleen zijn, alleen met de dode Jezus, Die hem voor ogen stond !

Arme Thomas !

Wat loopt ge daar toch te zwoegen onder een last, die allang van uw schouders afgenomen kon zijn ! Waarom werpt ge toch moedwillig weg, wat God u tot uw vertroosting gegeven heeft! Hij heeft u immers geplaatst in een kring, waar ge uw hart kunt uitstorten en ook nog wel een bemoedigend woord kunt horen, waar ge tenminste nog door mensen omringd zijt, die het leed met u dragen. Maar neen, Thomas moet er niets van hebben. Die anderen denken nog over dingen, waar hij niet over denken wil. Die verstaan toch niets van zijn leed en beoordelen hem daarom ook geheel verkeerd. Hij moet uit die kring weg, om alleen te zijn met God, om aan Hem zijn smart te klagen en Hem te vragen, waarom het met zijn Heiland nu toch zo moest aflopen en al zijn verwachting in de dood moest verzinken.

Geloof maar vrij, dat de arme Thomas op die dag het sterven welkomer was geweest dan het leven, eo omdat hij dan tenminste met zijn Heer verenigd zou zijn.

Zo droevig was het met Thomas gesteld ! Laat ons echter hierover ons niet al te zeer verwonderen. Want wij zijn waarlijk niet anders dan Thomas. Hoe menigeen gaat het evenzo bij het verlies van een geliefde : men staart zich blind op het gemis, zodat alle levensmoed gedoofd wordt. En dat, terwijl God nog zoveel gegeven heeft, wat tot vertroosting kan dienen, als er maar acht op geslagen wordt! Maar men wil van geen vertroosting horen en blijft klagen over zijn gemis. — En zo gaat het niet alleen in dagen van droefheid en rouw, maar ook in allerlei andere omstandigheden des levens : er wordt iets afgebroken, waar wij het hart op gezet hebben .... wij blijven met voorbijzien van alle andere dingen bij de puinhopen staan en willen van niets anders horen. Het maakt ons tenslotte wrevelig, zodat wij niets beters weten te doen dan de mensen maar te laten praten of alle gezelschap te ontvluchten, om ons zo te meer met onze eigen gedachten te kunnen bezig houden. Wat wij ons eenmaal in het hoofd gezet hebben, is er met geen mogeliikheid uit te praten.

II.

Zo ging het ook Thomas.

Dat blijkt ons, als wij hem gadeslaan in zijn houding tegenover de discipelen.

Thomas komt weer met de anderen in aanraking. Op welke wijze, wordt ons niet gemeld, al geeft het verhaal van Johannes ons wel iets te vermoeden. Wij lezen immers: „De andere discipelen dan zeiden tot hem : „Wij hebben de Heere gezien !" Dit wekt de indruk, dat de discipelen gezamenlijk tegenover Thomas stonden, toen zij zo tot hem spraken Thomas is dus vermoedelijk op de late avond tot hen teruggekeerd. Zwervensmoe. Ook in de eenzaamheid heeft hij het tenslotte niet kunnen vinden. Ook de eenzaamheid werd hem te benauwd. Zijn hart trekt toch weer naar de broeders heen.

Daar hoort hij van hen iets nieuws : „Wij hebben de Heere gezien !" Eigenlijk zeggen zij: „Gezien hebben wij de'Heere !" De volle nadruk ligt op het woord : „gezien." Wij kunnen ons voorstellen, met welk een blijdschap zij dit hebben uitgesproken. Beschaamd was hun vrees, hun twijfel, hun ongeloof. God had grote dingen gedaan, hen heerlijk verrast. Wat zij uit de mond der vrouwen gehoord hadden, maar niet konden geloven, was toch werkelijkheid gebleken : Jezus leeft' Met eigen ogen hebben zij Hem aanschouwd. De onzekerheid, waarin zij verkeerden, was weggenomen ; de angst, die hun ziel vervulde, geweken. Grotelijks waren zij verblijd.

Doch zij waren ook verheugd om Thomas. Hij moest het ook weten, dadelijk weten, opdat hij niet langer bedroefd zou zijn. „Broeder Thomas I het is toch waar, wat de vrouwen ons verteld hebben : de Heere leeft! Wees dan blijde met ons!" — dat ligt opgesloten in de uitroep, waar-mee zij hem begroetten. Zij wilden zo graag de rimpels uit zijn voorhoofd zien verdwijnen. Zij wilden hem zo graag van vreugde zien opspringen. Nu zouden wij denken, dat Thomas door dit bericht verrast werd, blij verrast, — en zich zijn domheid zou hebben verweten, dat hij niet bij de broeders gebleven was. Hij kwam nu iminers te weten, wat hij door zijn verkeerde manier van doen gemist had. Was hij in de discipelkring gebleven, dan had ook hij de Heere gezien. Nu had hij echter de zegen gemist, die zij ontvangen hadden. Zij hadden in hun nood elkanders gezelschap gezocht — en zie, aan hen was de Heere verschenen, met hen had Hij gesproken, aan hen Zijn vrede geschonken en hen vervuld met de Heilige Geest, Die hun droefheid in blijdschap verkeerde. — En Thomas stond daar nog altijd met zijn droefheid en gemis, rnet zijn dode Jezus.

Het m?akt evenwel op hem niet de minsie indruk. Hij verandert er in het geheel niet door. Hij blijft in zijn eigen gedachtenkring steken. En nu geeft hij de discipelen een antwoord, dat zij volstrekt niet verwachten : „Indien ik in Zijn banden niet zie het teken der nagelen en mijn vinger steke in het teken der nagelen en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven''. Thomas werpt dus geheel weg, wat zij hem in blijdschap des harten meedelen. Zo beslist mogelijk verklaart hij, niet te willen geloven, wat zij hem vertellen. Hij vraagt niet eens nadere inlichtingen, informeert niet naar plaats, tijd, omstandigheden of wat ook, maar verwerpt alles, wat zij hem van een levende Heiland zeggen. Zal hij geloven, dat het werkelijk Jezus is, Die zij gezien hebben, dan moeten er drie dingen gebeuren : hij moet het teken der nagelen zien in Zijn handen, hij moet zijn vinger steken in het teken der nagelen en hij moet zijn hand steken in Zijn zijde. Thomas acht het ten enenmale onmogelijk, dat zij de Heere gezien hebben. Hij houdt het er voor, dat hun verbeelding hen parten gespeeld heeft. Daarom wil hij zien, en — omdat hij zijn eigen ogen niet vertrouwt, ook nog tasten. Eerst als hij door zien en tasten de zekerheid verkregen heeft, dat het werkelijk Jezus is. Die vóór hem staat, zal hij geloven.

Ziedaar hardnekkig ongeloof!

Thomas toont niet de minste begeerte om te geloven. Hij zegt niet: „Ik wenste wel, dat ook ik mocht zien wat gij gezien hebt, dat de Heere ook aan mij verscheen. En als dat gebeuit, dan hoop ik het teken der nagelen in Zijn handen te mogen zien en mijn vinger in het teken der nagelen en mijn hand in Zijn zijde te mogen steken ; want ach, hoezeer ik er mij ook over verblijd, dat gij Hem aanschouwd hebt, ik heb geen rust, zolang ik niet zeker weet, dat Hij het is !" Neen, hij zegt eigenlijk zo boud mogelijk : „Gij kunt Hem niet gezien hebben, gij hebt het u slechts verbeeld ; het is onmogelijk, want Hij is dood en Hij blijft dood !" Thomas volhardt in zijn ongeloof en verzet zich met alle macht lege degenen, die hem uit dit ongeloof willen opheffen. Waaruit komt toch dit ongeloof voort ? Gemeente ! het heeft niets te maken met het ongeloof van hen, die de opstanding van Jezus verwerpen, omdat zij van de Christus der Schriften niet gediend zijn en geen Middelaar begeren, Die met Zijn bloed hun zonden uitgedelgd en hun schuld betaald heeft; van hen, die eigenlijk blij zijn, als zij gronden voor de loochening der opstanding vinden, om zo van de Christus der Schriften Zelf ontslagen te zijn.

Verte vandaar! Thomas hing met zijn ganse hart aan de Heere Jezus, omdat hij — bij alle onverstand — in Hem alleen zijn heil erkende en al zijn hoop voor tijd en eeuwigheid op Hem alleen gebouwd was. Daarom was de dood van zijn Heiland het smartelijkste, wat Thomas ooit kon overkomen. En hij zou geen blijder ervaring kennen dan Jezus levend vóór zich te zien.

Maar Thomas was geheel in de war, omdat hij alleen zag op hetgeen voor ogen was. Al had de Heere Jezus nog zo duidelijk Zijn jongeren onderricht, toch begreep Thomas zomin als één der anderen de samenhang der dingen. Hij verstond nog niet, dat de dood van Jezus als de Christus nodig was tot verzoening der zonden, — en dat daarom de dood het laatste woord niet kon hebben. Thomas verstond niet, wat de Heiland aan het kruis had uitgeroepen : „Het is volbracht." Hij zag de gebeurtenissen geheel op zichzelf. Daarom meende hij, dat met de kruisiging, het sterven en begraven van de Heiland alles afgelopen was. Daarom vreesde hij een schrikkelijke ontgoocheling, als hij zou aanvaarden wat zijn medediscipelen hem vertelden. En daarom wilde hij daar niet het minste van weten, maar gaf zijn volslagen afkerigheid onbewimpeld ie kennen in het op de keper beschouwd toch zo ontzettend woord : „Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen en mijn vinger steke in het teken der nagelen en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven."

lil.

Ja, het is werkelijk een ontzettend woord. Het wordt ons duidelijk, als wij letten op Thomas in zijn houding tegenover de Heere Jezus. „Maar" — zegt iemand — „daar lees ik niets van in onze text. De Heere Jezus was er immers niet!" Het getuigt echter van kortzichtigheid om zo te spreken. Het spreekt toch wel vanzelf, dat de houding van Thomas tegenover de Heere Jezus heel zijn houdmg tegenover de discipelen bepaalde. Het was per slot van rekening niet de vraag, of Thomas al dan niet geloofde, dat de discipelen de verrezen Heiland gezien hadden, maar: of de Heere Jezus al dan niet verrezen was, of Hij al dan niet leefde. Voor de beantwoording van deze vraag had ook Thomas van de Heere Jezus materiaal genoeg ontvangen. Hoe menigmaal had de Heiland Zijn opstanding voorzegd! Vooral op Zijn laatste reis naar Jerusalem, nog zo kort geleden, had Hij dit gedaan. Steeds had Hij hierbij lijden en opstanding samengevoegd en duidelijk aangegeven, dat Zijn lijden en sterven op Zijn opstanding zou uitlopen. Denk maar eens aan de eerste openlijke aankondiging van Zijn lijden, toen zij nog waren in de delen van Caesarea Filippi, waar Hij na de heerlijke belijdenis van Petrus Zijn discipelen „begon . . . te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jerusalem, en veel lijden van de Ouderlingen en Overpriesters en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden" (Mt. 16:21). En denk verder ook nog aan hetgeen de Heere Jezus op de weg naar Oethsemané hun voorgehouden had : „Oij zult allen aan Mij geërgerd worden in deze nacht ; want er is geschreven : Ik zal de Herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. Maar nadat Ik zal op gestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea (Mt. 26 : 31, 32).

Thomas had echter zomin als de andere jongeren deze woorden begrepen. Toen zij van de berg der verheerlijking afkwamen en de Heere hun gebood, niemand iets te zeggen van hetgeen zij daar beleefd hadden „dan wanneer de Zoon des mensen uit de doden zou opgestaan zijn", hadden zij onder elkander gevraagd, wat het was : uit de doden opstaan (Mk. 9 : 10). Zij wisten alleen van een opstanding ten laatsten dage. Zij konden anders wel beter weten door hetgeen zij beleefd hadden op een ogenblik, dat in het tjijzonder voor Thomas onvergetelijk was, n.l. bij de opwekking van Lazarus. Toen de Heere Jezus, ondanks de waarschuwing van de discipelen tegen de lagen der Joden, naar Judea ging, had Thomas tot zijn medediscipelen gezegd : „Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven !"(Joh. 11 : 16). Bij die '.gelegenheid hadden zij gezien, wat opstanding uit de doden was, toen de Heere Jezus Lazarus uit het graf tevoorschijn riep, ofschoon zijn dood lichaam al riekte. Toen had de Heere gesproken : „Ik ben de Opstanding en het Leven" en met deze woorden Zichzelf aangeduid als de Overwinnaar van de dood.

Maar ach, dat alles was de jongeren, ook Thomas, voorbijgegaan : hun bewustzijn had het niet gegrepen. Thomas was het allang weer vergeten. Klaarblijkelijk had' de Heere Jezus voor Thomas dit alles tevergeefs gesproken. Zijn woorden waren voor hem geweest als ijdel geklap.

En dan ligt er in onze text nog iets verscholen, dat licht werpt over de houding van Thomas tegenover de Heere Jezus. Er staat n.l. méér in dan onze vertaling doet vermoeden. Thomas heeft eigenlijk gezegd: „Indien ik niet te zien krijg in Zijn handen het teken der nagelen en niet mag steken mijn vinger in het teken der nagelen en niet mag steken mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven".

Met deze woorden heeft Thomas dus de Heere 92 Jezus de weg voorgeschreven, die Deze te bewandelen had, zou Thomas geloven, dat Hij leeft. Is dit geen vermetelheid, geen aanmatiging? In plaats van dat het een genadebewijs van de kant van de Heere Jezus zou zijn, maakt Thomas het tot een moeten.

Gemeente ! laat ons bij al deze dingen Thomas toch niet veroordelen, maar de hand in eigen boezem steken ! Hoe menigmaal komt bij ons dezelfde vergeetachtigheid aan de dag ten aanzien van het Woord des Heeren, dat ons gegeven is in onze nood ! Hoe menigmaal staat het bij ons precies zo : wij willen niet geloven, dat er uitkomst voor ons is, tenzij onze ogen het te zien krijgen. IV.

IV. Thomas' besliste betuiging is niet alleen ontzettend

Thomas' besliste betuiging is niet alleen ontzettend in zijn houding tegenover de Heere Jezus, maar evenzeer in zijn houding tegenover de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. Ook hiervan spreekt onze text niet opzettelijk. Maar tóch worden wij, over het gedrag van Thomas nadenkend, vanzelf hierbij bepaald. In de eerste plaats kunnen wij ook hier zeggen, wat wij zoeven reeds ten aanzien van de Heere Jezus hebben opgemerkt. Thomas wil hier feitelijk God de weg voorschrijven, die Deze te bewandelen heeft. God moet de dingen zó voegen, dat Thomas naar eigen believen zien en tasten kan, en anders gelooft hij er niets van, dat Jezus leeft. Komt Thomas niet tot het geloof aan de opstanding, dan is God dus eigenlijk hiervan de schuld.

In de tweede plaats letten wij er op, dat Thomas ook heel geen oog heeft voor het Profetisch Woord, waarin de opstanding van de Christus aangekondigd is. Thomas leed aan hetzelfde euvel als de Emmaüsgangers, wie ook de ogen eerst door de Heere Jezus geopend moesten worden, eer zij de profetische verkondiging van Christus' opstanding verstonden, b.v. in het bekende woord uit Jesaja 53 aangaande de lijdende Knecht des Heeren: „Hij zal de dagen verlengen, en het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan" (vs. 10).

In de derde plaats merken we op, welke verkeerde gedachten Thomas koesterde omtrent Gods doen tegenover de Heere Jezus, al heeft hij zich hiervan niet bepaald rekenschap gegeven. Als Christus toch in de dood gebleven is, dan is God Zijn Zoon ontrouw geworden, dan heeft de ongerechtigheid getriomfeerd. Maar dan is ook de ganse Raad Gods tot verlossing van zondaren verijdeld. Maar dan heeft God ook feitelijk afstand gedaan van Zijn Troon en de macht overgegeven aan satan. Hoe vreemd zag het er dus eigenlijk in Thomas'

Hoe vreemd zag het er dus eigenlijk in Thomas' binnenste uit!

Wie zou zulk een verwarring van gedachten bij een discipel des Heeren verwacht hebben ? Gemeente ! laat ons met deze dingen tot onszelf inkeren ! Want waarlijk, het staat met ons niet beter dan het met Thomas stond.

o zeker, wij belijden allen van harte de opstanding des Heeren. Maar hoe vaak is de praktijk met onze belijdenis in strijd ! Hoe menigmaal zitten wij, de een op deze, de ander op die wijze, zó in de nood, dat wij, geen uitkomst ziende, voortleven alsof er geen uitkomst meer mogelijk was ! Maar wat doen wij dan anders dan door heel onze houding te kennen geven, als zat God niet meer op Zijn Troon, als was Jezus Christus niet uit de doden opgestaan ?

En komt het ook bij ons niet vaak voor, dat wij God eigenlijk wel de weg willen voorschrijven, waarlangs Hij ons helpen moet in onze nood ? Al spreken wij het niet altijd zo onomwonden uit als Thomas het deed, toch leeft het in ons hart meer dan eens zo. Waarlijk, als wij Thomas aanschouwen in zijn

hardnekkig ongeloof, dan blijft ons niets anders, over dan ons eigen onverstand, onze eigen dwaasheid, ons eigen ongeloof te belijden en met erkentenis van onze eigen zonde en schuld neer te vallen voor de hoge God.

V.

Zo hebben we dan tot onze eigen verootmoediging Thomas gadegeslagen in zijn eenzaamheid en in zijn houding tegenover de discipelen, tegenover de Heere Jezus, tegenover God. En nu vraag ik nog enkele ogenblikken uw aandacht voor de laatste gedachte, die ik u aankondigde : God tegenover Thomas.

Misschien denkt iemand : Maar hoe komt ge er toe, om hierover te spreken ? Er wordt immers in onze text zelf geen enkel woord over gerept. Hoe ik ook speur, ik merk hierin niets van God. Zelfs de Naam van God komt er niet in voor. Ogenschijnlijk hebt ge geen ongelijk. En toch is er in onze text genoeg te vinden wat naar God heenwijst, als ge maar eens goed tussen de regels kijkt en ook eens even verder leest.

Om met het laatste te beginnen. — Wat staat er in het vers, dat onmiddellijk op onze text volgt? „En na acht dagen waren Zijn discipelen wederom binnen, en Thomas met hen ..." Wacht eens even ! Is er in deze woorden niet iets, dat u treft?

Niet?

O, wat zijn wij toch aan deze geschiedenis zo gewend, dat wij er niets treffends in vinden ! Zeg eens, verwondert het u niet, dat Thomas er nog was? Had hij het niet ten volle verdiend, dat de Heere zijn mond voor eeuwig gesloten had, nadat die aanmatigende woorden door hem gesproken waren ?

O, als ge de dingen zo neemt, ja dan .... Maar moeten wij ze dan zo niet nemen ? Moeten wij dan met de zonde geen ernst maken ? Het was toch waarlijk geen kleinigheid, wat Thomas daar met gedachten, woorden en werken gedaan had.

En toch is Thomas er acht dagen later nog! Wat er op die achtste dag geschiedt, laten wij op dit ogenblik rusten. Wij blijven alleen staan bij het feit, dat Thomas er toen nog was. Hoe wordt hier de lankmoedigheid Gods openbaar ! God heeft aan Thomas het leven nog gelaten, terwijl deze ongetwijfeld de dood had verdiend. God zou Thomas geen onrecht gedaan hebben, als Hij hem om zijn ongeloof uit het leven had weggerukt.

Waarom heeft Hij hem gespaard ?

Niet omdat Thomas zijn leven gebeterd had, want als de Heere Jezus straks aan Thomas verschijnt, moet Hij hem nog toevoegen : „en zijt niet ongelovig, maar gelovig !" — God heeft dus Thomas gedragen ondanks zijn ongeloof. Er is slechts één antwoord op de vraag, waarom God Thomas gespaard heeft. En dit antwoord luidt: Omdat Hij hem aangezien heeft in Christus Jezus, Die toch leefde, ook al hield Thomas Hem voor dood en al wilde Thomas van Zijn leven niets weten. Omdat God Zijn genade aan Thomas wilde verheerlijken en hem wilde brengen tot de volle zekerheid des geloofs, tot de ware kennis van de verrezen Christus.

Hier hebt ge tevens het antwoord op de vraag, waarom de Heere ook ons tot op deze dag gespaard heeft. Waarlijk, als ieder van ons zijn eigen levensweg eens nagaat, dan moeten wij er wel over verwonderd staan, dat wij er nog zijn. God heeft immers redenen te over om ons de adem af te snijden. Reeds in het feit, dat wij in zonde ontvangen en geboren zijn, en dus geheel in strijd met Zijn wil en Wet handelen. Maar ook in al het ongeloof, waarmee wij Hem keer op keer vermoeid hebben, meer dan wij misschien zelf wel weten. En toch zijn wij er nog. Dit moet ons wel met een heilige verwondering vervullen. Gewoonlijk verwonderen wij er ons wél over ten aanzien van de wereld, die zich om God noch Zijn gebod bekommert of zelfs leeft in uitgieting van allerlei ongerechtigheid — en dan vergeten wij onszelf, omdat wij onszelf rekenen onder de liefhebbers van Gods Woord en Zijn Christus.

Maar wij moeten met onszelf beginnen Het is alleen de lankmoedigheid Gods over ons, die ons nog draagt en spaart. En deze lankmoedigheid vindt haar middelpunt in de Heere Jezus Christus, Die met onze ionden beladen in de dood ging en met Zijn dierbaar bloed voor onze zonden verzoening aanbracht.

Dal wij deze lankmoedigheid dan niet gering achten. Wie dit doet en zich van deze zonde niet bekeert, die zal ondervinden, dat God niet met Zich laat spotten. Zijn ongeloof voert hem ten verderve, onvermijdelijk. Maar wie met zijn ongeloof God te voet valt, die zal bij Hem ontferming vinden. En nu moeten wij nog eens even tussen 'de regels door lezen. Thomas heeft die volle week in zijn ongeloof volhard.

Waarom heeft God met Zijn verlossende macht niet éér ingegrepen ? Waarom heeft Hij Thomas die acht dagen lang met zijn ongeloof laten voort- 93lopen ? Waarom heeft Hij niet verhoed, dat die vreselijke woorden over Thomas' lippen kwamen ? Gemeente ! dat heeft de hoge Ood om onzentwil gedaan. Wij maken ons gewoonlijkzulkeverkeerde voorstellingen van Gods heiligen, van waarlijk bekeerde mensen. Wij denken zo heel iets groots van hen. En met zulke hoge gedachten staan wij onszelf in de weg. Want dan staren wij ons op zulke voortreffelijke mannen en vrouwen blind en willen wachten, totdat wij aan hen gelijk zijn, eer wij op het Evangelie Gods amen durven zeggen. En zo blijven wij verre van Christus. Daarom heeft God het ook aan Thomas openbaar laten worden, wie Zijn heiligen in zichzelf zijn : arme, zwakke mensenkinderen, die voortdurend struikelen, die telkens weer verstrikt zijn in de banden van hun eigen ongeloof en alleen uit genade daaruit verlost worden.

Moet gij dan uzelf aanklagen vanwege uw ongeloof, vanwege uw vastzitten in hetgeen toch niet anders is dan uw geestelijke dood, — word toch niet moedeloos, geef het de duivel, die u zo graag ziet omkomen, niet gewonnen, maar werp u als een verlorene neer voor die God, Die Zich over zulk een ongelovige Thomas ontfermd heeft, Die hem uit de strikken van het ongeloof verlost en hem gebracht heeft tot de blijde belijdenis van het oprechte geloof: „Mijn Heere en mijn God !" AMEN.

Gelezen: Wet des Heeren en 1 Kor. 15 : 1—8. Gezongen: Ps. 65:1,2; Gez. 139:1,2,3; Ps. 143:2; Ps. 138:3.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1948

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Thomas, de eenzame, de ongelovige.*

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1948

Kerkblaadje | 8 Pagina's