Bij de Heilige Doop.
„En geef mijn zoon Salomo een volkomen hart om te houden Uw geboden, öw getuigenissen en Uw inzettingen; en om alles te doen, en om dit paleis te bouwen, hetwelk ik bereid heb!'
Het is wel een woord van bizondere aard, dat hier vóór ons ligt. Een bede, bij een bizondere gelegenheid en naar aanleiding van bizondere omstandigheden uitgesproken. Het is immers een bede van een koning voor een koningszoon, van David voor Salomo, met het oog op het grote werk, dat Salomo wachtte, n.1. de bouw van het Huis des Heeren, waarvoor de koning zelf en de oversten en het volk met een vrijwillig hart en met een ruime hand een overvloed van geld en kostbaarheden geschonken hadden.
Het is dus wel een zeer bizondere bede, die niemand van ons ooit zal behoeven over te nemen of zelfs ook maar kan overnemen, zoals zij daar ligt. En toch een bede, die ook voor ons betekenis heeft, omdat zij ons ten voorbeeld kan strekken.
Er is een koning aan het woord. Doch niet alleen een koning, maar ook een vader. Onder de koningsmantel klopt een vaderhart. Let maar eens op die éne uitdrukking: „mijn zoon." Als vader staat David vóór de toekomst van zijn zoon Salomo. Een grootse toekomst, omdat een groots werk hem wacht. Dat is het juist, wat zijn vaderhart in beweging brengt en hem dringt om met al de liefde van zijn hart tot de Heere te gaan met de bede, in ons textwoord vervat.
Er zijn vanmorgen in ons midden ouders verschenen met kinderen, die Gods goedheid hun schonk, — opdat deze kinderen het merkteken des Heeren zullen ontvangen in de H. Doop, het teken en zegel van Zijn genadeverbond. Ook deze kinderen liggen hun ouders na aan het hart. Wie zijn kind aanziet als een geschenk van God zit hier niet zonder ontroering neer. Maar nog meer ontroering zal er zijn bij sommige ouders, wier gedachten teruggaan naar vroeger dagen, waarin bittere smart iiun deel was; wier droefheid echter in blijdschap verkeerd is of heerlijk verhelderd wordt, nu zij heden met een kostbaar pand ten Doop mogen komen. In gedachten zien zij hun kinderen langzamerhand groter worden en allengs naderen tot het ogenblik,
waarop zij de hun van God bestemde plaats in de samenleving zullen innemen. Welke die plaats is, weten zij nu nog niet. Maar het is toch de begeerte van hun hart, dat zij deze plaats mogen innemen tot eer van God en tot heil van de naaste. Als de gedachten zó in beweging komen, rijzen er allerlei vragen in het binnenste op. Vragen, die zich met het voortschrijden der jaren vermenigvuldigen. Daarom zijn het ook niet alleen deze ouders, wier harten met vragen vervuld zijn, maar bij alle hier aanwezige ouders doorkruisen tal van vragen het brein,
in zulke omstandigheden vinden wij in David, zoals onze text hem ons doet aanschouwen, een goede voorganger. Hij dringt al de vragen van zijn hart samen in de bede, die hij tot de Heere opzendt. Zo mogen ook wij alle vragen van ons hart met betrekking tot onze kinderen in zulk een bede samendringen. Dat is de prediking, die van deze bede tot ons uitgaat. David is in zijn voorbede voor Salomo een wegwijzer voor alle ouders.
Overdenken wij dan aan de. hand van het textverband met toepassing op onszelf: I wat David van de Heere bidt, Il waarom hij alzo bidt, en 111 waaraan hij zich bij zijn voorbede vastklemt. Alzo prediken wij u in dit uur van Doopsbediening.
I. Wat David van de Heere bidt, geeft onze text zelf aan: „En geef mijn zoon Salomo een volkomen hart om te houden Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw inzettingen, en om alles te doen, en om dit paleis te bouwen, hetwelk ik bereid heb". Inderdaad een veelomvattend gebed met een inhoud, die in meer danéénopzichtmerkwaardigis.
Allereerst is opmerkelijk, dat David voor Salomo vraagt om „een volkomen hart". Dat zouden wij niet zo aanstonds verwacht hebben. Heel Davids gebed, waarvan de voorbede voor zijn zoon een klein onderdeel is, staat immers in verband met de tempelbouw. Naar ons oordeel zou een eerste vereiste hiervoor wijsheid geweest zijn. Het zou ons dan ook zeker heel natuurlijk zijn voorgekomen, wanneer David voor Salomo wijsheid van God begeerd had. Salomo zelf heeft zulks dan ook gedaan in het bekende gezicht, dat hem te Oibeon ten deel viel. Daar horen wij de jonge koning bidden : „Geef mij nu wijsheid en wetenschap, dat ik voor het aangezicht van dit volk uitga en inga ; want wie zou dit Uw groot volk kunnen richten ?" (11 Kron. 1 : 10). Voor de fempelbouw waren wijsheid en wetenschap niet minder nodig dan voor de regering des volks.
En toch zijn het niet wijsheid en wetenschap, die David voor Salomo vraagt. Niet op het verstand is zijn aandacht gericht, maar op het hart. — Als wij hierover even nadenken, wordt het ons wel duidelijk. Salomo zelf heeft later in zijn Spreuken gezegd : „uit het hart zijn de uitgangen des levens". Het hart is het grote middelpunt van ons ganse bestaan. De gesteldheid des harten is beslissend voor de gesteldheid van heel ons bestaan. Daarom bidt David dan ook voor zijn zoon om „een volkomen hart". Om een hart, dat geheel is zoals het wezen moet en werkt zoals het werken moet.
Om de draagwijdte van deze uitdrukking te verstaan, moeten wij maar eens even denken aan hetgeen in de boeken der Koningen geschreven staat van verschillende koningen, dat hun hart al of niet „volkomen" was „met de Heere", hun God (b.v. I Kon. 15 : 3, 14). Een volkomen hart is een hart, dat geheel op de Heere gericht is, dal naar Hem luistert en aan Hem hangt.
Een hart, dat niet verdeeld is tussen de Heere en iets anders: eigen ik, mensen, afgoden en wat meer in die richting genoemd kan worden, maar dat geheel en al aan de Heere is toegewijd. Zulk een hart begeert David van de Heere voor zijn zoon Salomo.
Niet minder opmerkelijk is hetgeen David hierop laat volgen : „om te houden Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw inzettingen; en om alles te doen, en om dit paleis te bouwen, hetwelk ik bereid heb". Het is wel duidelijk, dat David hier heel Salomo's levensroeping voor ogen heeft. „Om alles te doen" — onwillekeurig voegen wij hier al achter: wat hij doen moet, waartoe hij als koning van Israël geroepen wordt. Het heeft betrekking op alles, wat tot het regeren behoort: het leiden van het volk, het oefenen van recht en gerechtigheid, het bevorderen van welvaart 122 en bloei. Als bizonder deel van deze roeping wordt dan in verband met de omstandigheden genoemd : het bouwen van het paleis, dat David bereid heeft, dat is: van het door David op goddelijke aanwijzing ontworpen Huis Gods.
Maar vóórop staat: „om te houden Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw inzettingen". Ge verstaat wel, dat hierin alles samengevat is, wat de Heere aan Zijn volk gegeven heeft om er geloof en wandel naar te richten. Het is de ganse inhoud van Guds Woord aan Zijn volk. Gods geboden, getuigenissen en inzettingen „houden" betekent hetzelfde als: wandelen in de vreze des Heeren, naar Zijn wil vragen en alles, wat tot het volbrengen van Zijn wil nodig is, van Hem alleen verwachten. Het is niets minder dan diepafhankelijk van de Heere zijn weg gaan in gerechtigheid.
Dat noemt David in de eerste plaats. Klaarblijkelijk heeft hij dat dus onmisbaar geacht voor de rechte vervulling van het koninklijk ambt, ook voor het uitvoeren van het grote werk van de tempelbouw. David zelf is dus wel doordrongen geweest van de grote waarheid, die Salomo later belichaamd heeft in zijn bekende spreuk: „De vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid". Als de vreze des Heeren er is in de praktijk van het leven, dan gaat alles in de aardse roeping goed.
Want dan is er niets, dat de «emeenschap met de Heere stoort. En dan wordt in deze gemeenschap alles gevonden, wat nodig is om de aardse roeping recht te volbrengen.
Hier komen alle ouders vooreen vraag te staan : Gaat gij in al deze dingen met David mee ? Denkt gij ook zo over de verhouding van geestelijke gesteldheid en vervulling van de roeping in het dagelijks leven ? Staat in uw schatting het hart ook in het middelpunt? Is uw eerste en uw dagelijkse bede voor uw kinderen ook de bede om een volkomen hart ?
Helaas kunnen wij niet zeggen, dat het in de tegenwoordige wereld over het algemeen zó gesteld is ; zelfs niet bij degenen, die de naam van christenen dragen en daar prijs op stellen. O zeker, wij wensen van harte, dat het onze kinderen wél gaat. Maar waaraan wordt hierbij gewoonlijk het eerst en het meest gedacht? Aan veel geld verdienen en aan een mooie positie in de wereld ! En daarom wordt weer het meest gedacht en de meeste zorg besteed aan hetgeen
men „ontwikkeling" noemt. Op het vergaderen van kennis is alle aandacht gericht. En ongetwijfeld ligt er een waarheid van grote betekenis in het bekende spreekwoord: „Kennis is macht". Maar hiermee is nog niet gezegd, dat deze macht ook „ten goede" is. Wij behoeven alleen maar in de wereld rond te zien om er van overtuigd te worden, dat veler kennis slechts verderfelijke vruchten draagt. Op het „hart" wordt veel te weinig gelet. Op een „volkomen hart", dat aan God hangt, nog veel minder. Als de kinderen maar diploma's halen, zijn de ouders in hun schik. Op het houden van 's Heeren geboden, getuigenissen en inzettingen wordt weinig acht geslagen, althans geen bizondere nadruk gelegd. De vreze des Heeren wordt door velen als iets aparts beschouwd, dat er altijd nog wel bij kan komen.
Arme ouders, die zo denken! Arme kinderen, die van zulke denkbeelden het slachtoffer worden ! Onze plaats en ons werk in de samenleving staan niet los van onze verhouding tot God. Verre vandaar! Zij zijn ons door God Zelf beschikt en aangewezen. Het natuurlijke en het geestelijke zijn op wonderbare wijze dooreengestrengeld. God heeft Zijn doel met de plaats en het werk, die Hij ons aanwees. Het komt er op aan, dat dit doel ook bereikt wordt. Daarom is het niet hetzelfde, hoe wij onze plaats vervullen en ons werk uitvoeren. Het gaat per slot van rekening om de wil Gods. Daarom spreekt ons huwelijksformulierook van ons „goddelijk beroep".
Dat hebben wij uit te oefenen op een wijze, die met de eer van onze God niet in strijd, maar hiermee in overeenstemming is. Wie dat verstaat, die zal ook verstaan, dat het allereerst aankomt op de vreze des Heeren, op het onderhouden van Zijn geboden, getuigenissen en inzettingen, op het wandelen in Zijn vreze. En daartoe is nodig een hart, dat in waarheid aan de Heere hangt. Wie dat beseft, zal van ganser harte instemmen met David, als hij de Heere smeekt: „En geef mijn zoon Salomo een volkomen hart om te houden Uw geboden. Uw getuigenissen en Uw inzettingen; en om alles te doen, en om dit paleis te bouwen, hetwelk ik bereid heb".
II. Waarom bidt David alzo ? — Omdat hij er ten diepste van overtuigd is, dat Salomo uit zichzelf niet opgewassen is tegen de taak, die hem wacht. Met betrekking tot de tempelbouw heeft David het met zoveel woorden uitgesproken, toen hij ds Gemeente aldus aansprak : „God heeft mijn zoon Salomo alleen verkoren, een jongeling en teder; dit werk daarentegen is groot, want het is geen paleis voor een mens, maar voor God de Heere" (I Kron. 29 : 1).
David weet wel, dat Salomo uit zichzelf geen volkomen hart heeft. Want Salomo is Davids eigen zoon. Hij is vlees, uit vlees geboren. Hij heeft geen ander hart dan zijn vader. Geen hart, dat geheel en alleen voor de Heere openstaat, maar een hart, waarin allerlei met de Heere strijdende machten en gevoelens wonen. David heeft hiervan in zijn lange leven smartelijke ervaringen opgedaan. Denk maar eens aan de geschiedenis van Bathseba en Uria, waarin David zelf op een vreselijke manier van de Heere afweek en tegen Hem inging op een pad van overspel en moord. Denk ook aan de bekende volkstelling, waarbij David door hoogmoed gedreven werd om te weten, over welk een krijgsmacht hij wel beschikken kon.
David weet evenzeer, dat Salomo uit zichzelf niet in staat is, 's Heeren geboden, getuigenissen en inzettingen te houden. Juist omdat Salomo een loot is van dezelfde stam als David, die het op zijn lange levensweg wel ondervonden heeft, dat hij onbekwaam was tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Ja, dat hij niet eens in staat was, temidden van moeilijkheden het hoofd omhoog te houden. Hij heeft immers zelf weleensgeklaagd, hoewel hij een God in de hemel had. Die hij menigmaal op de heerlijkste tonen loofde en prees: „Nu zal ik één der dagen door Sauls hand omkomen !"
David is er van overtuigd, dat alles alleen van de Heere kan komen en moet komen, omdat Deze alleen alles in handen heeft. Hoor maar, hoe hij in de aanhef van zijn gebed spreekt: „Geloofd zijt Gij, Heere, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot in eeuwigheid ! Uwe, o Heere ! is de grootheid, en de macht, en de heerlijkheid, en de overwinning, en de majesteit;
want alles, wat in de hemel en op de aarde is, is Uwe : Uwe, o Heere ! is het Koninkrijk, en Gij hebt U verhoogd tot een Hoofd boven alles. En rijkdom en eer zijn voor Uw aangezicht, en Gij heerst óver alles; en in Uw hand is kracht en macht; ook staat het in Uw hand alles groot te maken en sterk te maken" (vs 10—12).
Hieraan gedachtig smeekt hij de Heere voor Salomo: „Geef mijn zoon Salomo een volkomen hart om te houden Uw geboden. Uw getuigenissen en Uw inzettingen ; en om alles te doen, en om dit paleis te bouwen, hetwelk ik bereid heb". Met onze kinderen staat het niet anders. Die zijn uit zichzelf ook niet opgewassen tegen de taak, die hen wacht.
Het leven is niet gemakkelijk. Het is zwaar. Het is ingewikkeld en het wordt hoe langer hoe ingewikkelder. De toestanden wijzigen zich gedurig. De vragen vermenigvuldigen. Daarom wordt het, reeds door de uitwendige omstandigheden, ook hoe langer hoe moeilijker, zijn plaats in de samenleving op de rechte manier in te nemen. Daarbij komt nog, dat de duivel tegenwoordig niet minder dan vroeger rondgaat als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden. De wereld is vol van verleidende geesten, die de mensen aftrekken van God en Zijn Woord, verkeerde leringen verbreiden en verkeerde praktijken volgen. Bij hoevelen is
het verantwoordelijkheidsgevoel aanmerkelijk verslapt, om niet te zeggen zoek geraakt! Hoevelen zien in de levenstaak geen goddelijke roeping meer, zodat deze voor hen geen lust is, maar een last! Hoe groot is daarom het gevaar, dat onze kinderen in de maalstroom meegesleept worden ! Het wordt hoe langer hoe moeilijker te wandelen in de vreze des Heeren. Dat ervaren wijzelf hoe langer hoe meer bij het klimmen der jaren. Want wij ondervinden steeds meer, dat de zonde in ons hart woont.
Dat is het juist, wat ons met zorg voor onze kinderen vervullen moet. Want ook die kinderen zijn in zonden ontvangen en geboren. Hoe spoedi» komt het aan het licht, dat de zonde ook in hun hart woont ! En wat vermogen wij daartegen, als het er op aankomt ?
O zeker, wij kunnen onze kinderen onderrichten en waarschuwen. Helaas, dat zovelen dit nalaten en hun kinderen groot brengen buiten de sfeer van Gods Woord, hen maar laten opgroeien zoals het loopt. Geen wonder, wanneerdiekinderen dan straks op verderfelijke paden wandelen en door de geest des tijds worden meegesleept! Maar wie God vreest zoals David, kan dat niet doen. Die zal alle zorg aan zijn kinderen besteden,
hen onderwijzen in de geboden, getuigenissen en iiizeltmgen des Heeren, en hen waarschuwen tegen alle verkeerde wegen. En toch — hoeveel ouders komen voor bittere teleurstellingen te staan! Geen • ader of moeder, ook met de innigste liefde vervuld, heeft het hart van zijn kind in de macht om het te maken tot een volkomen hart, dat aan de Heere hangt met al zijn krachten. Daarom is er ook geen andere uitkomst dan in het gebed tot de Heere, dat Hij het hart onzer kinderen omzette en hun een volkomen hart geve. En dat is een bede, die niet voor een enkele maal nodig is, maar die dagelijkse behoefte wordt, hoe meer wij onze kinderen gadeslaan en leren kennen.
III. Maar al is dat behoefte, mogen wij werkelijk met deze bede tot God naderen ?
Als wij op onszelf zien, dan kunnen wij deze vraag niet bevestigend beantwoorden. Want wie zijn wij, dat de hoge en heilige God ons deze gunst bewijzen zou .? Ons eigen leven veroordeelt ons immers, terwijl elke dag van nieuwe zonden spreekt. En als wij op onze kinderen zien, dan hebben wij evenmin grond om met vrijmoedigheid zulk een bede tot God op te zenden Want wat is er voor de heilige God voor aantrekicelijks in die kinderen ? Hoe lief ze ook mogen zijn, ze zijn in zonden ontvangen en geboren. Wij
ze zijn in zonden ontvangen en geboren. Wij merken dat wel niet aanstonds, maar het is de alwetende God bekend. Hoe kunnen wij dan verwachten, dat Hij Zijn heilige handen over zulke onreine schepselen zal uitbreiden ? Wanneer wij als ouders daar recht inkomen, drukt het loodzwaar op ons gemoed. Want wij kunnen bij onszelf geen grond vinden, waarop wij met zulk een bede tot God durven naderen.
Welk een voorrecht, dat wij bij zulke sombere gedachten niet behoeven te blijven staan ! Laat ons maar eens lezen, hoe David Hem aanspreekt, tot Wie hij met zijn voorbede voor Salomo nadert: „O Heere! Gij God onzer vaderen Abraham, Izak en Israël!" (vs 18).
Deze aanspraak richt onze aandacht op een lijn, die door de historie heenloopt. Op de lijn van het verbond der genade, dat God met Abraham heeft opgericht. Ge herinnert u immers wel, hoe de Heere tot Abraham gesproken heeft: „Ik zal 124 Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u" (Oen. 17 : 7). Hier is vrije genade aan het woord, want Abraham was een mens als alle andere mensen, een kind des toorns als alle anderen. En toch is God met hem in verbond getreden en heeft Zichzelf aan hem gegeven om voor hem te zijn tot een God, om voor hem te zijn de Bron van alle goed. En niet alleen aan hemzelf, maar ook aan zijn zaad. Het is wel eigenaardig, dat naast Izak hier „Israël" wordt genoemd en niet voor Abrahams kleinzoon de naam „Jakob" gebruikt wordt. Ge weet, wanneer Jakob deze nieuwe naam Israël ontvangen heeft, n.1. in die nacht, waarin hij met God worstelde om de zegen en deze ook verkreeg. Dat plaatst ons wederom voor Gods vrije genade. Want Jakob heeft zich in die nacht op aangrijpende wijze een kind des toorns gevoeld vanwege zijn zonde. En toch heeft hij de zegen verkregen. ,
Was dat geen genade ? ^ Ook de naam „Izak" heeft ons in dit verband iets te zeggen. Herinnert gij u niet, dat de Heere eens tot Abraham sprak : „In Izak zal u het zaad genoemd worden' ? De lijn van het verbond loopt over Izak ; niet over Ismaël, de zoon van Abram en Hagar, maar over Izak, de zoon v m Abraham en Sara, die God door het onmogelijke heen geschonken had. En waarom ? Omdat God uit Izaks nageslacht dat éne Zaad tevoorschijn deed treden, waarin alle geslachten des aardrijks gezegend zouden worden: onze Heere Jezus Christus. Daar ziet ge, op welke grond het genadeverbond Gods rust. Wantwiejezus Christus noemt, die sprtekt van Golgotha's kruis, waar de zonde verzoend, de schuld betaald, al wat de mens van God scheidt weggenomen is. Ziende op Christus heeft God Zijn genadeverbond opgericht met de belofte: „Ik zal u tot een God zijn".
Daar hebt ge dan de grond, Gemeente ! waarop wij voor onszelf en voor onze kinderen tol God mogen naderen. Ais het gevoel ons drukt, dat (, wij zelf en onze kinderen zondaren zijn en daarom vloekwaardigen, dan mogen wij ons vastklemmen aan de Heere Jezus Christus als onze grote Schuldverroener en zó tot God naderen met de bede voor onze kinderen : „Geef Gij, o God der genade! hun een volkomen hart".
Laat ons dat niet vergeten ! Zenden wij dagelijks ons gebed voor onze kinderen op I Pleiten wij op Gods genade, en op die genade alleen, die ons in onze Heere Jezus Christus verschenen is ! In Zijn genade laat God onze kinderen dopen. Iaat Hij hen zetten op Zijn driemaal heilige Naam en geeft Hij hun daarin het teken en zegel, dat Hij ook hun Zijn kostelijke belofte schenkt: „Ik zal u tot een God zijn !" Dat geeft ons de vrijmoedigheid van Godswege om voor onze kinderen Zijn aangezicht te zoeken, opdat Hij hun „een volkomen hart" geve en zij zelf de Heere Jezus Ieren kennen als hun Zaligmaker en zó in en door Hem Ood vinden als hun God. Laat ons daarbij echter ook iets anders niet vergeten, n.1. onze kinderen in overeenstemming met die bede op te voeden. Alles te doen, wat in ons vermogen is om hen met de Heere Jezus bekend te maken. Spreekt hun van Hem, leest met hen Gods Woord, neemt hen mee naar de kerk, stuurt hen getrouw ter catechisatie, opdat zij ook onderwezen worden in de leer des heils en der zaligheid. Dat is uw roeping. Dat is de weg, waarlangs God Zijn Woord tot heerschappij wil brengen in de harten uwer kinderen. Want Hij wil, dat ze onderwezen worden in Zijn waarheid, opgevoed in hetgeen de Schrift noemt „de lering en vermaning des Heeren". Gemeente! wie aan al deze dingen denkt, die
Gemeente! wie aan al deze dingen denkt, die ondervindt steeds meer, dat hijzelf onbekwaam is tot zijn r.,ep!ng ten aanzien van zijn kinderen. En hij eindigt hiermee, dat hij naast zijn kinderen gaat staan en uit de grond van zijn hart de bede voor zijn kinderen ook opzendt voor zichzelf: „Geef ons een volko,men fiart om alles te doen wat Gij, o Heere ! ons op de handen gelegd hebt!" AMEN.
Gelezen: Wet dei Heeren en I Kronieken 29 : 10—19. Gezongen: Ps. 103 : 1, 2; Gez. 55 (N.B. 185) : 1, 2, 3; Ps. 86 : 6 ; Ps. 22 : 16 en Ps. 121:4 bij de Doopsbediening ; Ps. 105 : 24.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1948
Kerkblaadje | 8 Pagina's