Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Blijdschap in de Heere.*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Blijdschap in de Heere.*

20 minuten leestijd

Text: Philippensen 4:4: „ Verblijdt u in de Heere te allen tijde; wederom zeg ik: verblijdt u!"


Gemeente des Heeren !

Jaren geleden zat ik eens aan tafel bij een Duitse familie, in wier eetkamer aan de wand een spreuk prijkte, die mij trof en daarom altijd bijbleef. Zij luidde aldus: „Frohes Gesicht, bestes Gericht", d.w.z. „Een blij gezicht is de beste schotel". — Ge verstaat, denk ik, de bedoeling wel. Als blijdschap ontbreekt, dan smaakt zelfs de voortreffelijkste spijze of in 't geheel niet, èf niet zoals zij smaken kon ; het ontbreken van blijdschap is een geduchte hinderpaal voor het genieten ook van de kostelijkste gaven Gods. Heerst er daarentegen blijdschap, dan heeft men smaak ook in het minder voortreffelijke, ja de blijdschap gaat de voortreffelijkste spijze te boven. Als er blijdschap is, zit men voor zijn genoegen aan tafel, ook al zou er ik weet niet wat begeerlijks ontbreken. Blijdschap is het hoogtepunt van het leven. Waar

Blijdschap is het hoogtepunt van het leven. Waar blijdschap is, blijft zij niet verborgen. Al openbaart zij zich nu juist niet in luidruchtigheid — blijdschap wordt immers vaak gesmaakt in de vorm van stil genieten! Zij tekent zich af op het gelaat, zij drukt haar stempel zelfs op onze gang en lichaamsbewegingen. Als wij blij zijn, is het aan alles merkbaar, zelfs aan ons ziften en opstaan, dat wij in ons element zijn, dat wij ons geheel vrij bewegen en door niets gehinderd worden. Daarom is de liefde er ook op uit om blijdschap te wekken.

Zo slaat het inzonderheid in het geestelijk leven. Zieleblijdschap is het heerlijkste, wat wij kunnen genieten, gelijk wij dan ook zingen met bekende woorden uit de 68ste Psalm:


Om die zieleblijdschap is het de Apostel in onze text te doen, als hij de Philippensen opwekt, zich te allen tijde in de Heere te verblijden. Als wij deze opwekking tot blijdschap in de Heere nader beschouwen, merken wij drieërlei op, n.1. dat zij ons 1 beschaamt, 11 verbaast, 111 verrast.

1

„Verblijdt u in de Heere te allen tijde!"

Met deze woorden wijst de Apostel de Gemeente van Philippi op de Heere Christus. Dat blijkt wel, als wij letten op de voorafgaande verzen. Daarin heeft hij al tweemaal van „de Heere" gesproken. Eerst toen hij in vs 1 schreef: „Zo dan, mijn geliefde en zeer gewenste broeders, mijn blijdschap en kroon ! staat alzo in de Heere, geliefden 1" Vervolgens, toen hij in vs 2 tot Euodia en Syntyche de vermaning richtte, „eensgezind te zijn in de Heere". De uitdrukkingen „staan in de Heere" en „eensgezind zijn in de Heere" wijzen op de Heere Christus. Hij is dan ook in onze text bedoeld. Op Hem wijst Paulus als de oorzaak en het voorwerp van de blijdschap der Gemeente, en hij wekt haar op, uit die voor haar geopende bron te allen tijde blijdschap te scheppen.

Opmerkelijk is, dat hij op het „Verblijdt u in de Heere te allen tijde" laat volgen : „wederom zeg ik: verblijdt u!" Dat betekent zoveel als: „ik wil het nog eens zeggen : verblijdt u !" Geeft ons dit niet iets te denken ? Waarom deze herhaling? Hier is slechts één antwoord mogelijk: de Gemeente heeft het nodig, dat zij opgewekt wordt, zich in de Heere te verblijden. Zij was in deze zaak dus traag. Zij liet het na, zich te verblijden in de Heere. M. a. w. die opwekking was voor de Gemeente van Philippi beschamend. Die opwekking beschaamt ook ons.

Als wij haar niet gedachteloos lezen of aanhoren, stemt zij ons tot nadenken. Dan rijst de vraag op : Is het nodig, dat ons dit gezegd wordt ? Of verblijden wij ons te allen tijde in de Heere ? leder kere dan ook met deze vraag tot zichzelf in I Wie dat doet, zal weldra beschaamd staan. Blijdschap is een schaars artikel in de tegenwoordige wereld. Niet alleen bij degenen, die daar maar heenleven, als waren wij alleen voor de tijd bestemd, maar ook in de Gemeente, die naar de Naam des Heeren genoemd is. Laat ons maar eens acht geven op onszelf en onze omgeving; dan bespeuren wij al heel gauw, dat allerwege juist het tegenovergestelde van blijdschap wordt aangetroffen. Aan klagen geen gebrek. Luister maar naar de

Aan klagen geen gebrek. Luister maar naar de gesprekken, die er zo al gevoerd worden. Tien tegen één, dat, wanneer twee mensen elkander ontmoeten, er gesproken wordt over de duurte van hetgeen in de tegenwoordige tijd voor het levensonderhoud nodig is : het geld glijdt u door de vingers! Tien tegen één, dat, als mensen bijeenkomen om de meest verschillende belangen Ie behartigen, het eind van het lied toch weer is klagen over de noden van de tijd. De stemming is gedrukt.

Men zit vol zorg en angst. Men roept elkander toe : Waar moet het heen ? Allerlei schrikbeelden doemen uit de nevelen van het verschiet op. Wat moeten wij beginnen, als wij straks Indië kwijt zijn ? Waar moet het heen, als straks de vloedgolf van het Communisme nog verder uit het Oosten komt aanrollen en ook ons land overstroomt ? Als al de verwikkelingentussenRuslandenAmerika opnieuw tot een oorlog leiden, die dan met atoombommen zal worden uitgevochten ? Hoe zal het gaan, als wij dan weer in de oorlog betrokken worden, al is het tegen wil en dank ?

Menigmaal leidt het tot morren, tot opstand tegen God. Hoe vaak komen er vragen op als deze : Waarom laat God alles toch zo geworden ? Waarom grijpt Hij niet in ? De één stelt deze vragen schuchter, misschien alleen inzijn binnenste, de ander komt er op onheilige toon mee voor de dag. Maar met dat al wordt toch de hoge God menig verwijt gemaakt.

En zo gaat het ook met betrekking tot ervaringen van meer persoonlijke aard. Ik denk b.v. aan gevallen van ziekte, van moeite en verdriet. Ook daar is het bij ons mensen al spoedig klagen, bezorgd zijn, door angst gekweld worden, morren en opstaan tegen God, Die de dingen zo heel anders voegde dan het ons nodig en nuttig schijnt. Geen blijdschap nemen wij waar, maar in het beste geval doffe berusting. Men ondergaat zijn lot, omdat er toch niets aan te veranderen valt. Stilzwijgend zit men neer, al wordt dat stilzwijgen meermalen verbroken door klachten — doch van blijdschap is niets te bespeuren!

Waaraan is dat te wijten ?

Hieraan, dat het oog niet op de Heere gevestigd is. Ach, uit hoeveier gezichtskring is de Heere Christus verdwenen! Brede lagen van ons volk zijn geheel van Hem vervreemd, ook al behoren ze in naam nog tot de Gemeente. Hier zien wij de wrange vrucht van de afwijking van het Woord, waarmee de hoge God in Zijn ontferming ook ons volk beweldadigd had. Hoe is ons volk afgeweken, hoevelen vragen niet naar de Heere Christus, ja weten niet van Hem, Die toch in Zijn grote liefde Zichzelf overgaf in de dood om ons gerechtigheid en eeuwig leven te verwerven ! En moeten wij, voorzover de Heere Christus niet uit onze gedachtenkring verdween, voorzover wij Zijn Naam belijden — en dat doen wij allen immers, want wat riep ons anders naar het Huis des Gebeds ? —, moeten wij niet bekennen, dat wij de blik niet op Hem gericht houden, maar dat onze ogen en harten door het zichtbare gebonden zijn ? Hieraan is het te wijten, dat er geen blijdschap in Hem gevonden wordt. Maar — zo zegt iemand misschien — er zijn

Maar — zo zegt iemand misschien — er zijn toch ook wel andere tijden in het leven, er zijn toch ook wel ogenblikken van blijdschap! Dan kunt ge toch niet zeggen, dat het woord van de Apostel ons in volstrekte zin beschaamt? Wat zullen wij hierop antwoorden ?

Vooreerst, dat wij de schijn niet moeten verwarren met het wezen. Naar de schijn te oordelen kent ook de wereld wel blijdschap. Hoe uitbundig is zij vaak in haar vreugdebetoon ! Maar als ge vraagt, of het ware blijdschap is, dan wordt ge spoedig teleurgesteld : deze blijdschap drukt haar stempel niet op het leven. Er wordt telkens weer gejaagd naar afleiding en verzetting van zinnen, en dat is toch het sprekendst bewijs voor een heel andere stemming, n.1. van onvoldaanheid. En verder heb ik dit te antwoorden : Zeker, er zijn in het leven der Gemeente tijden van blijdschap. Wanneer het ons naar de zin gaat, is ons hart verblijd. Doch is dat steeds blijdschap in de Heere ? Klimmen wij waarlijk altijd tot de Heere op, zodat Hij de oorzaak en het voorwerp onzer blijdschap is? Ach, hoe vaak betrappen wij er onszelf op, dat wij alleen door de ervaringen verblijd worden en niet door Hem, Die ze ons gaf; want, als de ervaringen voorbij zijn, is ook de blijdschap geweken ! Zeker, er zijn in het leven der Gemeente tijden

Zeker, er zijn in het leven der Gemeente tijden van blijdschap in de Heere, b.v. wanneer wij door de prediking of de lezing van Gods Woord getroffen worden, zodat onze harten worden opgetrokken tot Hem, zodat het ons goed is nabij God te wezen en wij ons boven de woelingen van het leven verheven gevoelen. Doch hoe spoedig volgt de inzinking, zodra wij weer in het volle leven staan !

Daarom blijft het waar: de opwekking van Paulus tot blijdschap in de Heere is een opwekking, die ons beschaamt.

. II

Het is echter tegelijk een opwekking, die ons verbaast.

Als de Apostel schrijft: „Verblijdt u in de Heere te allen tijde" en hieraan zo nadrukkelijk toevoegt: „wederom zeg ik : verblijdt u!", dan gaat hij uit van de gedachte, dat er wel degelijk reden is lot blijdschap, dat er alle reden is om ons te allen tijde in de Heere te verblijden. Is dat dan niet een opwekking, die ons verbaast ?

Hoe is het mogelijk, ons te allen tijde in de Heere te verblijden ? Zo roepen wij onwillekeurig uit. Hoe kan Paulus dat vergen ? Daar zijn de ervaringen des levens toch waarlijk niet naar! Hoeveel is er, dat ons de blijdschap rooft! ledere dag brengt het ons in herinnering. Alles even duur, dat is de onophoudelijke klacht! Hoe glijdt het geld ons door de vingers 1 En konden we dan nog maar alles krijgen, wat wij voor ons huisgezin nodighebben. Maar zelfs nu — drie jaar na de bevrijding — moeten nog verschillende artikelen gedistribueerd worden. En dan nog het vooruitzicht, dat het er tengevolge van de wereldvoedselnood voorlopig wel niet beter op zal worden, maar wij voor nog slechter toestanden kunnen komen te staan! Het lijkt er immers veel op, dat de Heere, hoe langzaam het ook gaat, bezig is over de gehele wereld de staf des broods te breken .... Ik denk hier ook nog aan de aanhoudende regenval, die voor vele boeren een totaal mislukte hooioogst tengevolge heeft... Is het dan niet ongerijmd, tegenover zulke dingen van blijdschap te spreken ? En als wij naast deze algemene ervaringen nog

En als wij naast deze algemene ervaringen nog eens denken aan bizondere ondervindingen, dan moeten wij toch wel zeggen : Het is heel natuurlijk, wanneer menigeen verre van blijdschap is, ook van blijdschap in de Heere. Hier ligt iemand maandenlang op het ziekbed, vaak aan ontzettende smarten ten prooi, zonder uitzicht op beterschap... daar wordt een zorgzame moeder ten grave gedragen, met diepe smart nagestaard door man en kinderen, die haar niet kunnen missen ... ginds vinden wij ouders, wier hart diep gewond is door de afkerigheid van hun kind, dat naar God niet vraagt... weer andere, die het moeten aanzien, dat hun kind zijn leven verslingert... of wij zien mensen, wie alles in de wereld tegenloopt ; die, ofschoon zij naar het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid vragen, met moeite op moeite, met ramp na ramp te worstelen hebben. Wie durft daar spreken van blijdschap ? Van zich verblijden in de Heere ? Zou het niet de schijn hebben, alsof men met zulke mensen de spot dreef ?

En toch zegt Paulus: „Verblijdt u in de Heere te allen tijde", dus ook, wanneer gij door droefenissen omringd zijt. En hij zet daar a. h. w. een streep onder, als hij er aan toevoegt: „wederom zeg ik : verblijdt u !"

Hoe is het mogelijk ?

Als wij immers aan al zulke moeite en verdriet onderworpen zijn, is er van de Heere Christus niet veel te bespeuren. Schijnt het niet, alsof de wereid gelijk heeft, wanneer zij ons toevoegt: „Wat hebt ge nu aan Hem ? Ge zijt er immers niets beter aan toe ? Als Christus niet in de wereld gekomen was, zou het er niet droeviger kunnen uitzien. Zijn verschijning is dus zonder invloed !" Hoe vaak is ons dit niet toegeroepen in de oorlogsjaren, die men zo graag stelde tegenover het „Vrede op aarde !" uit de Engelenzang ! Zouden wij niet zeggen : Onder zulke omstandigheden kan alleen een lichtvaardig mens aan blijdschap denken ? Wij zien er zovelen, die ondanks de nood van de tijd daar maar heendartelen en zich over al dat leed heenzetten met hetgeen hun genot verschaft. Moeten wij dan dat voorbeeld maar volgen, ons overgeven aan een geestelijke roes, waarin .wij al dat leed en al dat kwaad uit het oog verliezen? Worden wij, als eronder zulke omstandigheden van blijdschap gesproken wordt, niet herinnerd aan het woord van de Spreukendichter: „Die liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt ten dage der koude" .... (25 : 20) ? Is daar niet veel meer van toepassing de ontboezeming van de Prediker, die tot het lachen zeide : „Gij zijt onzinnig!" en tot de vreugde : Wat maakt deze ?" (2:2)?

Zouden wij niet zeggen : Onder zulke omstandigheden kan alleen een onaandoenlijk mens aan blijdschap denken ? Wie toch temidden van alle mogelijke ellende zich kan verblijden, die moet zich van al die ellende niets aantrekken. Zo peinzend zouden wij er toe moeten komen, die mensen in het gelijk te stellen.die van blijdschap bij een Christen niets willen weten. Er zijn er immers, die zich een Christen niet anders kunnen en willen voorstellen dan als een mens, die altijd zucht en klaagt, — voor wie het altijd-in-de-putzitten eigenlijk het kenmerk is van ware vroomheid, zodat zij ieder, die zich in de Heere verblijdt, beschouwen als iemand, die nog niet wandelt op de weg des Heeren ! Hun lievelingsgedachte kunnen wij niet beter weergeven dan met het bekende woord van de Prediker: „Het treuren is beter dan het lachen, want door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd" (7 : 3), maar dit woord dan zo geschreven, dat „het treuren" en „de droefheid des aangezichts" in reuzenletters geschreven staat er het slot, dat van „betering des harten" spreekt, niet meer ontcijferd kan worden.

En toch spreekt de Apostel Paulus heel anders: „Verblijdt u in de Heere te allen tijde ; wederom zeg ik: verblijdt u 1" Hoe is dat mogelijk ?

Het is merkwaardig, Gemeente! dat wij altijd met veel bezwaren komen, wanneer Gods Woord ons opwekt tot hetgeen goed is en tot ons welzijn dient. Het is merkwaardig, hoe benauwd wij zijn, dat wij dan zullen treden op een weg, waarop ons verderf ontmoet. Wij luisteren veel eer en veel liever naar de verleidende stem van de duivel dan naar het heilzame Woord Gods 1 Gelukkig, dat wij met al onze bezwaren toch dat woord van de Apostel niet tot wankelen kunnen brengen. Paulus heeft heel wel geweten, wat wij er tegen in konden brengen. En toch heeft hij gesproken en spreekt door hem de Geest des Heeren ook nu nog tot ons : „Verblijdt u in de Heere te allen tijde" — dus ook wanneer gij omringd zijt door hetgeen u de blijdschap rooft — „wederom zeg ik : verblijdt u !"

Ill

Gelukkig, dat wij met al onze verbazing en al onze bezwaren dit woord van de Apostel niet uit de Schrift kunnen verwijderen. Want als ons het rechte licht over deze opwekking tot blijdschap in de Heere opgaat, ondervinden wij, dat zij ons verrast.

Het is dan toch mogelijk, ons te verblijden temidden van allerlei, wat ons de blijdschap rooft. Want wat de Apostel zegt is geen ijdel geklap, maar het woord van een gevolmachtigd gezant des Heeren, die door de Heilige Geest gedreven is. Het is een opwekking, die van Godswege tot ons komt, van die God, Die nooit iemand bedriegt, maar waarachtig is in al Zijn doen. Weet ge, waar het geheim ligt ? In de paar woorden, die in het midden van die opwekking staan : „in de Heere". De Heere Christus is de Bron, waaruit ons toevloeit wat de ziel te allen tijde en onder alle omstandigheden met blijdschap vervult.

Laat ons er maar eens even nader over denken, wie die Heere is en wat Hij gedaan heeft. Het geldt hier geen nieuwe dingen : ze zijn overoud en ons van der jeugd af aan bekend ' Maar zij moeten ons telkens weer voor ogen gesteld worden. Het is Jezus Christus, de Zoon Gods, door de Vader verordineerd en gezalfd en in de wereld gezonden om zondaren zalig te maken, d.w.z. hen van zonde, schuld en straf te bevrijden, hen in gerechtigheid te stellen voor Gods aangezicht en hun het eeuwig leven te schenken in gemeenschap met de volzalige God, — een gemeenschap, die volkomen wordt aan de overzijde van het graf. Waf daartoe nodig was, is geschied. Daarvan strekt ons het Kruis ten bewijze, waar Jezus gehoorzaam geworden is tot de dood en waar Hij uitgeroepen heeft: „Het is volbracht!" — Het is |ezus Christus, Die door de arbeid Zijner ziel alles hersteld heeft wat door de zonde bedorven is. Die daarom „de Heere" is, met majesteit en heerlijkheid bekleed; Die alle macht heeft in hemel en op aarde, ten goede van verloren zondaren. En nu komt daar de Apostel met zijn opwekking:

En nu komt daar de Apostel met zijn opwekking: „Verblijdt u in de Heere te allen tijde ; wederom xeg ik: verblijdt u !" Gemeente ! hiermee komt Paulus ons geen lasten opleggen, geen bevelen geven. Maar het is een vriendelijk woord, dat ons toeroept: Daar hebt gij de Bron, schept nu maar naar hartelust! Hij leidt ons in droefheid en zorg naar Jezus heen. En als wij Jezus zien, zoals Hij ons van God gegeven is, dan vinden wij aan alle kanten stof tot blijdschap. Laat ons hieruit enkele grepen doen. 156

Er zijn van die mijlpalen op onze levensweg. En als wij zo'n mijlpaal bereikt hebben, werpen wij onwillekeurig een blik op hetgeen achter ons ligt. — Dan komen ons allerlei dingen voor de geest.

Wat ons wel het meest aangrijpt, wanneer Gods Geest ons oog verlicht, dat zijn onze zonden. Als wij daarover gaan nadenken, hoe wij tegenover Gods heilige Wet gestaan hebben, dan komt er uit de diepte van het verleden hoe langer hoe meer naar boven, dat ons aanklaagt voor Gods Rechterstoel. Dan is alle blijdschap geweken. Dan vinden wij benauwdheid en droefenis.... Maar daar zien wij Jezus, Die met onze zonden beladen aan het kruishout hing en ten grave daalde ; Die echter ook verrees en in heerlijkheid gezeten is aan de Rechterhand Gods. Dan zien wij al onze zonden uitgedelgd ! Welk een blijdschap ! Dan zijn wij boven alle aardse nood verheven, want als wij met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons, hebben wij alles, wat ons voor eeuwig gelukkig maakt. Als wij het verleden overdenken, komt ons ook

Als wij het verleden overdenken, komt ons ook in de meeste gevallen menig verlies in de gedachte. Wij vergelijken het heden met het verleden. Wij missen menigeen, die ons dierbaar was. Weemoed overvalt ons. Maar als wij dan zien op Hem, Die, wat ons ook ontviel, nog heden is en Dezelfde is als in oude tijden, dan worden wij verblijd. En als wij daarbij mogen denken aan onze dierbare in Jezus ontslapenen, die menigmaal door grote nood zijn heengevoerd, zodat zij — hoe hoogde golven der aanvechting ook sloegen — in vrede heengingen, dan verblijde:! wij ons over het onbeschrijfelijk heerlijke feit, dat wij een Heiland hebben, Die niet ten halve laat steken, maar Die het werk der verlossing ten einde toe volbrengt.

Bij de overdenking van het verleden worden wij ook bepaald bij zo menige nood, waarin wij verkeerd hebben, maar zien wij tevens, hoe wij daaruit verlost zijn. En wij beseffen opnieuw, wat wij in Jezus hebben : de Heere, voor Wie geen nood te groot is, „Die ruimte maakt, Die uit de engte, de benauwdheid en de angst bevrijdt" (H. F. K.).

Dat vervult onze ziel met blijdschap, wanneer wij bij zo'n mijlpaal de blik vooruit richten. Donkere wolken hebben zich boven ons hoofd saamgepakt, het zwerk hangt laag, loodzwaar. Ons hart beeft, want wat zal de toekomst ons brengen, onszelf en onze kinderen ? . . . Daar wordt ons oog geopend voor Jezus, de

Daar wordt ons oog geopend voor Jezus, de Heere, Die in heerlijkheid gezeten is. En dat maakt alles licht. Heeft Hij niet gesproken : „Waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn"? Dus: heerlijkheid is m het vooruitzicht, eeuwige heerlijkheid. O, dan klinkt het ons in de oren : „Want ik houd het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden" (Rom. 8 : 18), en wij zeggen daarop van harte „Amen". Maar dan worden wij ons ook bewust, dat alles wat ons van die heerlijke toekomst nog scheidt, in de hand is van onze Heere, door Wie de Vader immers alle dingen regeert. Ja, alles in Zijn hand, wijzelf ook in Zijn hand, in leven en in sterven. Maar dan zal ook alles medewerken om ons tot die heerlijke bestemming te brengen. Dan valt het zware pak van angst en benauwdheid ons van de schouders — wij ademen vrij en blij.

Om onze zonden brengt God ons menigmaal op zware wegen. Wij voelen Zijn kastijdende hand, want Zijn kastijding doet pijn. Maar als wij tot Jezus geleid worden, komt er nochtans blijdschap in onze ziel: Die ons kastijdt, is Dezelfde, Die Zijn Zoon voor ons overgaf. Én wij danken die trouwe God ook voor de kastijding en spreken met David: „Ik weet, Heere! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt" (Ps. 119 : 75). Wij zijn verblijd, dat wij ook in de weg Zijner gerichlen de Heere mogen verwachten, en roepen tegen het zichtbare in : „Maar ik zal uitzien naar de Heere ; ik zal wachten op de God mijns heils ; mijn God zal mij horen" (Micha 7 : 7). Zo is er, als ons oog op de Heere Jezus gevestigd

Zo is er, als ons oog op de Heere Jezus gevestigd wordt, blijdschap in onze ziel, nochtans blijdschap, ook temidden van moeite en verdriet.

Gemeente ! dat gaat niet zonder aanvechting. De duivel wil ons zo graag van die blijdschap in de Heere afhouden. Hij voegt ons gaarne toe : Paulus mag dat honderdmaal neergeschreven hebben, het is toch niet voor u ; gij zijt het onwaardig, al was het alleen maar om uw ondankbaarheid ! Laat u echter niet van de wijs brengen. Erken uw onwaardigheid, maar zie op naar de Heere. Hij Zelf heeft het Paulus laten neerschrijven om bedroefden blijde te maken. Naar 's Vaders Raad — want de Vader en de Zoon zijn één, ook hierin, dat zij een volk willen hebben, dat opspringt van blijdschap. Tot de Troon der genade dan heen met gebed en smeking. Houd aan in het gebed. God zal u niet afwijzen. Heeft Hij niet bij de geboorte van Christus doen uitroepen: „Vreest niet, want ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal, n.1. dat u heden geboren is de Zaligmaker, Welke is Christus, de Heere, in de stad Davids" ? Deze boodschap heeft kracht, zolang er een volk is, zolang er nog één ziel is, die een Zaligmaker nodig heeft. God Zelf zal u door Zijn Geest tot die blijdschap brengen, zodat gij het met Paulus betuigt op uw reis door het leven : „als droevig zijnde, doch altijd blijde" (11 Kor. 6:10) — totdat het uur slaat, waarin volkomen vervuld wordt wat reeds het profetisch woord gepredikt heeft: „Vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden" (Jes. 35 : 10 slot). AMEN.

AMEN.

Gelezen: Art. des Geloofs en I Thess. 5 : 1—24. Gezongen: Ps. 146 : 1, 3; Ps. 33 : 11 na de Geloofsbe

Gezongen: Ps. 146 : 1, 3; Ps. 33 : 11 na de Geloofsbelijdenis; Ps. 33 : 1, 2, 10; Gez. 49 : 5 (N.B. 171 : 4).

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 augustus 1948

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Blijdschap in de Heere.*

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 augustus 1948

Kerkblaadje | 8 Pagina's