Bede en Gelofte
„Verlos mij van bloedschulden, o God, Oij Qod mijns heils ! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen".
Gemeente des Heeren! 't Is wel een geliefde psalm, die wij zoeven opsloegen. Geliefd in de Gemeente des Heeren, die niet alleen de Naam des Heeren draagt, maar ook met het hart aan de Heere hangt; in de Gemeente, die door de tucht des Heiligen Geestes in het rechte spoor gehouden wordt. Want in deze psalm vindt zij keer op keer het woord, dat zij nodig heeft.
't Is geen psalm, die zich leent om 's mensen grootheid of voortreffelijkheid te bezingen. Neen, het is een lied van diep berouw over begane overtreding. Een lied van een man, die niet als de Parizeer opging naar Gods Huis, met opgeheven hoofd, in het bewustzijn van eigen rechtschapenheid en vroomheid en God dankend, dat hij niet aan andere mensen gelijk was, — maar die als de tollenaar van verre stond en geen bede van andere inhoud kon opzenden dan die van de tollenaar: „O God ! wees mij, zondaar, genadig!" Hoe aangrijpend is dit lied! Vooral, wanneer
Hoe aangrijpend is dit lied! Vooral, wanneer wij bedenken, uit wiens hart het gevloeid is: uit het hart van David, de bekende koning van Israël, die eens door God Zelf genoemd was : een man naar Zijn hart! In welk een diepte ligt deze man terneer! Hoe hartroerend is zijn smeken om genade, zijn bekentenis van zonde, zijn aangrijpen van de ontfermingen Gods ! Geen wonder, dat menigeen door dit lied verkwikt is, omdat het hem de woorden gaf om zijn hart voor God uit te storten, als 't hem bang was vanwege zijn zonden, 't Is juist het diepe schuldgevoel en zondebesef, waardoor dit lied ons aantrekt, als wij zelf door zonde en schuld verslagen zijn. Maar ook, wij voelen ons, als Davids woorden in ons binnenste weerklank vinden, door dit lied heengeleid naar de Troon der genade, waar vergeving is ook voor de zwaarste schuld, 't Is zeker wel één van de diepstgaande woorden
't Is zeker wel één van de diepstgaande woorden uit heel de psalm, dat hier in onze text vóór ons ligt: „Verlos mij van bloedschulden, o Qod, Gij God mijns heils ! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen". Het is wel duidelijk, dat David zich met deze bede tot God wendt.
Overdenken wij met toepassing op onszelf: I wat David van God begeert, II ais hoedanig hij God aangrijpt, en III waarmee hij zijn bede ondersteunt.
1 Wat begeert David van God ? Verlossing van bloedschulden — zo luidt het antwoord Maar wat zijn bloedschulden ? Mij dunkt, gij vermoedt het reeds, als gij eens goed over deze aanduiding nadenkt: schulden, die bloed eisen ; n.l. het bloed van de mens, die deze schulden te zijnen laste heeft. En als ge daarbij in gedachten houdt de samenhang, die er volgens de Schrift is tussen „bloed" en „leven", dan zal het u wel geheel duidelijk zijn : bloedschulden zijn schulden, die de schuldenaar des doods schuldig maken.
Wie had zulke schulden bij zo'n man verwacht ? Er woonde immers vreze Gods in Davids hart. Bij allerlei gelegenheden was dat aan de dag gekomen. Reeds toen hij als jongeling tegen de reus Goliath streed en het oog hield op die God, Die hem — zoals hij ootmoedig en blijmoedig
Die hem — zoals hij ootmoedig en blijmoedig beleed — uit de hand van leeuw en beer verlost had. Maar ook in de vreselijke tijd, die hij moest doormaken tengevolge van de haat van Saul, die hem van oord tot oord vervolgde, zodat hij
die hem van oord tot oord vervolgde, zodat hij voortgejaagd werd als een veldhoen over de bergen .... Neen, dat had David zelf ook niet gedacht, dat het zover met hem komen kon, dat hij eerst tot overspel en daarna tot moord zou overgaan; evenmin als Petrus ooit had kunnen denken, dat hij zijn geliefde Meester zou verloochenen. Én toch — het was geschied ! Oe kent de droeve historie, waarnaar het opschrift van onze psalm verwijst. Ledigheid is bij David des duivels oorkussen gebleken. Terwijl Israels koning, in plaats van aan het hoofd van zijn leger te staan in de strijd, rustig thuisbleef en zich in de avondkoelte op het dak van zijn paleis vermeide, zag hij Bathseba, de huisvrouw van Uria. De boze lust ontbrandde aan haar schoonheid. En straks, als de zonde openbaar dreigt te worden, moet Uria de dood in, opdat de ongerechtigheid niet aan de dag zal komen ! — Dat zijn de bloedschulden, waar David aan denkt.
Oe weet immers wel, dat de profeet Nathan tot hem gekomen is met het verhaal van de rijke, die het ooilam van de arme genomen en geslacht had om een onverwacht gekomen gast te onthalen ; dat David, in toorn ontstoken, onmiddellijk het vonnis velde: „de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods" (II Sam. 12 : 5); en dat David daarop van Nathan te horen kreeg: „Gij zijt die man!" Dit laatste woord heeft David duidelijk doen verstaan, dat hij om zijn zonden een kind des doods was, dus met bloedschulden beladen.
Eerst op dat ogenblik heeft David beseft, hoe het met hem stond en in welk een diepe afgrond hij neergestort was. Tevoren was dat tot zijn bewustzijn nog niet doorgedrongen. Maandenlang heeft hij met zijn zonden voortgelopen zonder er enig waar gevoel van te hebben. Aanvankelijk zal vrees voor schande bij de mensen hem wel gekweld hebben. Maar door naar zijn gedachten doeltreffende maatregelen was ontdekking onmogelijk gemaakt: alleen Bathseba kende het geheim en zou dit uit de aard der zaak wel zorgvuldig bewaren. Zo leefde David naar het uitwendige rustig voort: niemand kon iets aan hem bespeuren. Was de profeet niet gekomen,
dan zou de zaak zo gebleven zijn. Maar dat heeft God niet gedoogd. Aan Zijn alziend oog was het kwaad niet ontsnapt. En in Zijn barmhartigheid liet Hij het door Nathan David onder het oog brengen. En toenwashef blaadjeineensomgekeerd.
Over 's konings lippen kwam zonder verwijl de bekentenis: „Ik heb gezondigd". En dat deze bekentenis uit het diepst van zijn ziel gekomen is, blijkt wel uit het feit, dat hij in deze psalm zijn bekentenis berouwvol herhaalt: „Want ik ken mijn overtredingen en mijn zonde is steeds vóór mij. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken en rein zijt in Uw richten" (vs 5, 6). En ook hieruit, dat hij in onze text van „bloedschulden" spreekt, daarmee onomwonden belijdend, dat hij wegens die zonden de dood verdiend heeft.
David is er nog niet over heen. Hij bidt immers om verlossing van die bloedschulden. Hij werd dus nog door die bloedschulden gedrukt. Dat kan ons bevreemden. De profeet Nathan heeft immers niet enkel aan David zijn zonde ontdekt, niet alleen zijn schuldbelijdenis aangehoord, hem niet met zijn schuldbelijdenis laten zitten, maar hem ook aangekondigd : „De Heere heeft ook uw zonde weggenomen ; gij zult niet sterven" (II Sam. 12 : 13). David was dus van het oordeel des doods bevrijd. Waarom Iaat hij zich dan nog steeds zo drukken door hetgeen hij nog altijd bloedschulden noemt ? — Gemeente! wie geen ernst maakt met de zonde, verstaat hier niets van. Die is de zonde allang weer vergeten, als hij maar van de straf bevrijd is. Zo staat het echter niet bij degenen, wie de Heere ware kennis van zonde bijbrengt. Juist de ontvangen genade deed David de zonde in veel feller licht bezien. Denk daarbij ook nog aan hetgeen Nathan aan Davids vrijspraak moest verbinden: „Nochtans, dewijl gij door deze zaak de vijanden des Heeren grotelijks hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is, de dood sterven" (II Sam. 12 : 14). Door deze kastijding des Heeren werd
12 : 14). Door deze kastijding des Heeren werd niet alleen zijn vaderlijk gevoel pijnlijk aangedaan, maar hij werd daardoor ook herinnerd aan zijn kwaad. En David heeft deze herinnering aanvaard. Hij heeft er zich aan laten herinneren en het schuldig hoofd gebogen onder 's Heeren kastijding. AI heeft hij tot op het ogenblik, waarop dat kind stierf, nog om het behoud van dat jonge leven gesmeekt, toch heeft David erkend, dat hij zulk een leed verdiend had. Hij heeft gevoeld en verstaan, dat hij zelf de dood had moeten sterven. Ziende op de grootheid van zijn kwaad, heeft hij de schuld als bloedschuld gevoeld.
Als een kind des doods stond hij vóór Gods aangezicht, smekend om verlossing, opdat zijn geweien gereinigd mocht worden en er ook aan zijn kant niets meer tussen hem en zijn God zou instaan. De wonde was door 's Heeren genade geheeld, maar het litteken zat er nog. Hebt gij ook bloedschulden ? Dat is de vraag, waar ieder onzer onwillekeurig voor komt te staan, als wij deze bede van David vernemen.
Gemeente! laten wij ons van deze vraag niet afmaken met de opmerking, dat wij niet in overspel en moord gevallen zijn. Dat is waarlijk niet te danken aan onze deugdzaamheid. Want de wortel van het kwaad zit in ons eigen hart evengoed als die in het hart van David zat, vóórdat het kwaad uitgevoerd werd. Heeft niet onze Heere Jezus gezegd, dat „uit het hart des mensen" o.a. „overspelen" en „doodslagen" voortkomen ? De zonde der onkuisheid is helaas een wijdverbreide zonde ; als duisternis en donkerheid en eenzaamheid eens konden klappen ... menigeen zou zich wel willen wegkijken ! Meen daarom niet, dat hel voor Gods oog verborgen is : wie er zich aan overgeeft zal te zijner tijd hel loon zijner ongerechtigheid ontvangen ; ja menigeen draagt het al in zijn lichaam om, ook al heeft hij er geen erg in, waaraan de bezwaren te wijten zijn, waarmee hij te worstelen heeft. En met de doodslag staat het al evenzo : dat het daartoe niet gekomen is, is alleen te danken aan de weerhoudende genade onzes Gods. Hoe vaak wordt ook in deze wereld ontucht door doodslag gevolgd, al wordt de dupe op een andere plaats gevonden dan in Davids historie : een herinnering aan de schandelijke praktijken van het Neo-Malthusianisme moge hier volstaan !
Doch wij zijn niet klaar, als wij het oog gevestigd hebben op overspel en doodslag. Wel zijn dat zonden, waarop onder de Oude Bedeling de Wet uitdrukkelijk de dood gesteld had. Naar diezelfde Wet zijn echter alle zonden bloedschulden. Herinner u slechts, dat de zonden alleen door
Herinner u slechts, dat de zonden alleen door bloed verzoend werden. Door het bloed van offerdieren, die ten behoeve van de zondaar aan de dood werden overgegeven. Denk daarbij niet alleen aan bizondere gevallen, in de Wet nauwkeurig omschreven, maar ook aan de plechtigheden van de Grote Verzoendag en aan de dagelijkse offeranden. Wat werd hierdoor aan Israël anders ingescherpt dan wat bij Ezechiël aldus is uitgedrukt: „De ziel die zondigt, die zal sterven" ? — Dat heeft, ook al behoort de ceremoniële wet met heel de Oude Bedeling tot het verleden, ons nog steeds iets te zeggen, n.1. dit, dat de zonde in elke vorm ons des doods schuldig maakt. En dat nietalleen deovertredingen, die wij begaan, maar ook de bron, waaruit dit alles voortvloeit: de zonde,waarin wij ontvangen en geboren zijn. David is ook niet bij de afzonderlijke ongerechtigheden blijven staan, maar heeft beleden : „Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen" (vs 7). Daarom zijn ook wij kinderen des doods !
Erkent gij dat? Hebt gij gevoel vanbloedschulden? O Gemeente! wat moeten wij vaak beschaamd staan, wanneer zulk een vraag tot ons komt! Wat lopen wij telkens weer met zonden voort, alsof er van schuld geen sprake was, laat staan dan van bloedschuld ! Daarom is het een grote weldaad, als de Heere er ons bij laat bepalen, hoe pijnlijk dit voor ons gevoel ook is. Want de Heere doet het, opdat wij evenals David met verlangen naar verlossing van die bloedschulden vervuld worden en ons om verlossing ervan naar Hem, naar Hem alleen uitstrekken. Doet gij dat ook ? O Gemeente! alweer: wat een beschamende
O Gemeente! alweer: wat een beschamende vraag ! Voor de massa, ja maar ook voor onszelf op menig ogenblik van ons leven ! Wij weten het en spreken het ook uit, dat wij bloedschulden hebben — en toch gaan wij onze weg, zetten kalmpjes ons leven voort. Er is geen sprake van ons haasten om onzes levens wil. 't Is, alsof wij nog jaren de tijd hebben, terwijl toch ons leven een damp is en de dood ieder uur wenkt. En waarom ? Omdat wij woorden uitspreken, van welker inhoud wij ons geen of niet voldoende rekenschap geven ; omdat wij niet geloven, dat bloedschulden werkelijk bloedschulden zijn, die ons de eeuwige dood aanbrengen, zo wij er geen verlossing voor vinden. God de Heere doordringe ons in Zijn genade van de ernst dezer dingen, opdat wij er waarlijk ook ernst mee maken en niet rusten, vóórdat wij er van verlost zijn, maar Hem aanroepen uit de grond van ons hart, zoals David gesmeekt heeft: „Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij God mijns heils!"
II Zo zijn wij genaderd tot het tweede stuk, waarop wij de aandacht willen vestigen: als hoedanig David God aangrijpt, n.1. als de God zijns heils. Wij horen hem immers smeken: „Gij God mijns heils".
Wat betekent deze uitdrukking ? Dat is niet zo heel moeilijk te verstaan: Gij God, van Wie mijn heil uitgaat, bij Wie alleen mijn heil te vinden is, buiten Wie er daarom ook voor mij geen heil is, d.w.z. geen welzijn en geen welvaart, waarbij hier in de eerste plaats aan geestelijk welzijn en geestelijke welvaart gedacht is, aan verlossing uit de macht van zonde en dood.
Hoe is David er toe gekomen. God zo aan te spreken ? Gemeente ! de ervaring heeft hem daartoe gebracht. De bittere ervaring, waarbij hij met zichzelf bedrogen is uitgekomen en geheel te schande geworden. Dat heeft hem geleerd, dat bij hemzelf geen heil te vinden is, maar zijn heil alléén bij God staat.
Hoe heeft David het durven wagen. God zo aan te spreken : „Gij God mijns heils" ? — Gij gevoelt immers wel, dat er nog meer in deze benaming opgesloten ligt dan wij zoeven aangaven. Het is niet alleen een voorwerpelijke waarheid, die hierin wordt uilgesproken. David constateert hiermee niet alleen, dat, zal hij heil vinden, het van de Heere alleen kan en daarom ook moet afdalen.
Neen, dat woordje „mijns" — „mijns heils" — zegt nog heel wat meer. Daar ligt een zekere toeëigening in. David doet hiermee een beroep op God als op de God, Die ook voor hem heil is. Hiervan had hij in zijn leven ervaring genoeg opgedaan. Hoe had de Heere hem gedurig Zijn hoge gunst betoond ! Hoe had David de goedertierenheid Gods gesmaakt: herinner u maar eens de 23ste Psalm! Maar hoe had hij ook alles verzondigd en dus verbeurd ! Hoe durft hij dan nog spreken van de God zijns heils? Denk niet. Gemeente! dat David dit lichtvaardig
Denk niet. Gemeente! dat David dit lichtvaardig gedaan heeft. Daar waren de omstandigheden werkelijk niet naar. Daarvoor was David veel te ernstig gestemd. Neen, hij heeft daarvoor wel goede grond gehad. En die grond lag in God Zelf. Denk er maar eens aan, hoe God Zich openbaarde in de dienst der verzoening, die op Zijn uitdrukkelijk bevel gepleegd werd. Waarvan sprak die dienst met betrekking tot God anders dan van heil, van verlossing, uit louter genade bereid ? Als een God van heil had God Zich aan Israël verbonden in het verbond Zijner genade, waarvan ook David het teken en zegel aan zijn lichaam droeg in de besnijdenis. Boven- dien had de Heere Zich nog bizonder als de God zijns heils -bewezen in de zending van Nathan de profeet. Aan dit alles heeft de Geest des Heeren David in die benauwde ure herinnerd. Zo heeft David geheel en al van zichzelf afgezien, de blik op de Heere alleen gericht en zich in de armen Zijner genade geworpen.
Tot onze bemoediging en vertroosting zijn ons deze dingen beschreven, opdat wij in onze nood zouden weten, dat ook wij de Heere mogen aangrijpen als de God onzes heils. Ja, onzes heils, als wij verloren zondaren zijn. Daarvan spreekt zo luide en zo duidelijk mogelijk het kruis van Golgotha. Jezus Christus is overgeleverd om onze zonden, 't Zijn uw zonden, die Hem aan het vloekhout brachten. Erkent gij dat ? Maar dan is 't ook zeker, dat Hij aan het kruis geklonken is tot uw behoud. Want om de zonden, die Hij droeg, uit te delgen, werd Hij aan de kruisdood overgegeven. In de overgave van Zijn Zoon heeft God Zich bewezen als de God uws heils: als de God, Die uw heil beoogt. Dat kan geen duivel ongedaan maken.
Laat u dan niet van de wijs brengen, als gij erkennen moet, dat gij deze genade gans onwaardig zijt en door uw zonde geheel hebt verbeurd. Erken het volmondig. Maar houd vast aan het Evangelie, dat Jezus Christus te Zijner tijd „voor de goddelozen gestorven" is. Daarin ligt juist de heerlijkheid van Gods genade. Daarin heeft God, Die ook u dat Evangelie toch niet tevergeefs deed horen, Zich zo duidelijk mogelijk bewezen als de God uws heils. Daarom moogt gij Hem ook in uw nood aangrijpen als de God uws heils — des heils, niet alleen voor anderen, maar ook voor u — om bij Hem de verlossing van uw bloedschulden te zoeken.
Ill „Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij God mijns heils!", zo heeft David gebeden. Doch hij voegt er nog iets aan toe: „zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen". Mij dunkt, gij gevoelt wel, dat hij hiermee zijn bede ondersteunt. Dat geeft ons aanleiding om nog enige ogenblikken de aandacht te wijden aan de vraag, waarmee hij dan zijn bede ondersteunt.
„Zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen". Dat ziet er uit als een belofte, nietwaar ? En het is ook een bizonder soort belofte, n.1. een gelofte, zoals zij elders in de Schrift genoemd wordt. Laat mij u maar even herinneren aan de plaats, waar het eerst de naam „gelofte" vermeld wordt, n.1. Gen. 28 : 20 e.v., waar we lezen: „En Jakob beloofde een gelofte, zeggende : Wan
„En Jakob beloofde een gelofte, zeggende : Wanneer God met mij geweest zal zijn en mij behoed zal hebben op deze weg, die ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten en klederen om aan te trekken; en ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn, — zo zal de Heere mij tof een God zijn! En deze steen, die ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen, en van alles wat Gij mij 164 geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven !" De gelofte heeft ten doel. God aan zich te binden om zo te verkrijgen wat men van Hem begeert: in de gelofte openbaart de ziel haar hoogste spanning en laat zij zien, hoeveel haar in haar nood gelegen is aan hetgeen zij van God afsmeekt.
En al ontbreekt in onze text de gewone vorm van de gelofte, — dat wij hier met een gelofte te doen hebben, blijkt ten duidelijkste uit het feit, dat wij uit Davids woorden moeten opmaken, dat hij de Heere poogt te binden om hem te geven wat hij niet missen kan, n.1. verlossing van zijn bloedschulden.
Letten wij nu op de inhoud van Davids gelofte: „zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen", d. w. z. zo zal ik Uw gerechtigheid met blijdschap openlijk uitspreken en ervan getuigen bij ieder, die het maar horen wil.
Het moet ons wel treffen, dat David hier van „Gods gerechtigheid" spreekt. Dat klinkt wat ongewoon. Wij zijn zo gewend om bij „gerechtigheid" te denken aan die eigenschap, die zijde van Gods Wezen, krachtens welke God aan ieder het zijne geeft: gunst aan degene, die Hem vreest — toorn en straf aan de overtreder van Zijn geboden. En dan weten wij eigenlijk geen weg met de „gerechtigheid Gods" in verband met de vergeving der zonden : deze schijnt ons veeleer afwijking van Zijn gerechtigheid te zijn ! En ook hier staat die gerechtigheid Gods in nauw verband met de vergeving der zonden.
Als wij onze text met aandacht lezen : „Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij God mijns heils.' zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen", dan merken wij immers onmiddellijk op, dat hetgeen zich in die verlossing van bloedschulden openbaart, door David gerechtigheid Gods genoemd wordt. Het is Gods verlossende genade, die hier als gerechtigheid wordt aangeduid. Juist zoals in een bekend woord uit de eerste Brief van Johannes: „Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid" (1 : 9). De maatstaf is hier niet de Wet Gods, maar het Wezen Gods, dat Zich in liefde tot het verlorene openbaart.
Als David dus belooft: „zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen", dan bedoelt hij dit: zo zal ik tot Uw lof met een blij gemoed openlijk hiervan gewagen, dat Gij Uw Wezen niet verloochent, maar een God zijt. Die Uw liefde groot maakt aan het verlorene. Wat David dus van de Heere ervaren heeft, dat wil hij aan anderen verkondigen, opdat ook zij tot de Heere de toevlucht nemen.
Het is nu maar de vraag, of de Heere God Zich ook door zulke geloften laat binden. Het antwoord op deze vraag is niet twijfelachtig. Er is zo menige geschiedenis, die ons deze vraag bevestigend beantwoordt. Ik denk aan de reeds aangehaalde geschiedenis van Jakob : de Heere heeft hem door veel nood heen in vrede teruggebracht. Ik denk ook aan de geschiedenis van Jefta: de Heere heeft hem de overwinning op de vijanden van zijn volk gegeven. Ik denk ook aan Hanna : de Heere heeft haar de zo vurig van Hem afgebeden zoon geschonken. Bovendien heeft de Heere Zelf ons uitdrukkelijk de vrijheid gegeven om geloften te doen; dat is stilzwijgend de achtergrond van zo menig woord, dat van het betalen van geloften spreekt. De Heere heeft er klaarblijkelijk een welbehagen in, dat de mens zich zo aan Hem vastklemt om zich als het ware van Hem te verzekeren, daar hij anders geen rust heeft.
Daarom mogen wij ook met alle vrijmoedigheid die gelofte van David overnemen en met hem tot God spreken: „zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen". Zulk een gelofte is de Heere aangenaam, omdat het de ere Zijns Naams geldt. Want wat strekt méér tot eer van God dan dat Hij geroemd wordt als de God, Die getrouw is aan de regel van Zijn Wezen ; dat Hij geroemd wordt als de God, Die genade verheerlijkt bij verloren mensenkinderen ?
Laat ons intussen niet vergeten. Gemeente! dat zulk een gelofte voortkomt uit nood der ziel. Ons hart is zo arglistig. Daarom is er steeds gevaar voor misbruik. Voor dit misbruik n.1., dat men een gelofte doet om zonder ware verbrijzeling des harten de zaligheid deelachtig te worden. Zulke geloften baten echter niet, want God laat Zich niet bedriegen. Maar wie in nood der ziel zich aan de Heere
Maar wie in nood der ziel zich aan de Heere vastklemt, die zal ervaren, dat hij niet tevergeefs de gelofte doet: „zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen". God zal hem zeker Zijn gerechtigheid te smaken geven. Zijn gerechtigheid in de vergeving van zonden, in de verlossing van bloedschulden. Het Offer, dat Jezus Christus in de volheid des tijds op Golgotha gebracht heeft, blijft niet zonder uitwerking. God Zelf zal door Zijn Geest en Woord de toepassing hiervan maken aan de ziel van hen, die met Hem worstelen om verlossing van hun bloedschulden. Houdt dan aan in het gebed, gij allen, die het
Houdt dan aan in het gebed, gij allen, die het onder de last van uw bloedschulden niet kunt uithouden! Vertwijfelt niet, wanneer gij naar uw gevoel lang moet wachten. Denkt aan de gelijkenis van de Rechter en de Weduwe, waarmee de Heere Jezus ons opwekt om niet te vertragen in het gebed. Uw worstelen is niet tevergeefs. Om Zijns Naams wil zal de Heere u in uw
Om Zijns Naams wil zal de Heere u in uw nood niet laten omkomen. Hij zal u, hoe donker het er ook moge uitzien, toch verzekeren van de vergeving uwer zonden, zodat gij met Hizkia betuigen moogt: „al mijn zonden hebt Gij achter Uw rug geworpen" (Jes. 38 : 17) en met Paulus moogt spreken : „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus" (Rom. 5 : 1). AMEN.
Gelezen: Wet des Heeren en Psalm 51. Gezongen :P8.63:1.2 ;Ps. 32: l,2.3;Gez.38:3(N.B.173:3); Ps. 33 : 1.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1948
Kerkblaadje | 8 Pagina's