Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur*)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur*)

19 minuten leestijd

Text: I Samuel 20 : 14b: „ .... Indien ik dan nog leve ...."

Gemeente des Heeren !

...... indien ik dan nog leve ...." Dat is een aandoenlijk woord, nietwaar? Aandoenlijk, gelijk heel het verbant}, waarin het voorkomt.

Een bekende bladzijde uit Davids leven ligt vóór ons. De boze geest had Saul er voor de tweede maal toe gebracht, zijn spies te werpen naar David, die tot kalmering van de ongelukkige koning bezig was met snarenspel. En nu stond het voor Saul vast: David moest uit de weg geruimd worden! Daarom zond hij, toen David de spies ontsprongen was, boden naar zijn huis ; en toen David, door Michals liefde gered, naar Samuel gevlucht was. zond hij ook boden naar Rama om David gevangen te nemen. Maar toen zijH boden op geheimzinnige wijze — door de Geest Gods — in een vergadering van profeterende profeten ingelijfd werden, toog Saul er zelf heen. Maar ook de koning werd aangegrepen door dezelfde Geest — en David ontkwam.

David begaf zich toen naar Jonathan, die zijn partij gekozen en met hem een verbond gesloten had (18 : 3). Aan hem klaagde hij zijn nood : ..Wat heb ik gedaan, wat is mijn misdaad en wat is mijn zonde voor het aangezicht uws vaders, dat hij mijn ziel zoekt ?" (20 : 1). Argeloos als hij was, kon Jonathan niet begrijpen, dat Saul met zulke snode plannen rondliep; daar had deze hem niets van laten blijken, ofschoon hij hem overigens in alle zaken kende; daarom meende jonathan uit volle overtuiging David te


1

De eerste vraag, die onze aandacht verdient, is deze: waarom wordt er in de rechte zin zo weinig met de dood gerekend ?

Dat dit zeer weinig geschiedt, zal toch niemand onzer ook maar een ogenblik willen tegenspreken, 't Is ook voor geen tegenspraak vatbaar, als we maar letten op de feiten, die als met handen te tasten zijn. Let maar eens op de grote massa. Zij leeft voort, altijd maar voort, van de ene dag op de andere, alsof zij bezig was met een eindeloze reeks. Dagen en weken en maanden vooruit worden er plannen gemaakt.... Natuurlijk is dat op zichzelf niet verkeerd, ja zelfs noodzakelijk; er moet immers orde zijn, zowel in onze arbeid als in onze rust, anders komt er niets, tenminste niets goeds, tot stand ! 't Is echter maar de vraag, welke gezindheid ons bij het maken van plannen bezielt.

Mozes bidt in Psalm 90 : „Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen" (vs 12). Welnu, van zulk tellen der dagen is bij de grote massa geen spoor te ontdekken. Zij is gelijk aan zovelen, die geen rekening houden met de inhoud van hun beurs en maar uitgeven, alsof er geen eind aan komt. Zij leeft maar voort, alsof iedere dag weer door een andere zal worden gevolgd, alsof na elk wegvliedend jaar wel weer een ander aanschuift. — En hoé leeft zij voort! Merendeels niet anders dan genot najagend van de meest verschillende soort. Denk maar eens aan het feit, dat plaatsen van vermaak, met name de zo gevaarlijke bioscopen zich in een druk bezoek verheugen, ook in deze dagen, waarin wij de druk der tijden zo zwaar gevoelen. Ja, let maar eens op de aanplakbiljetten en advertenties in de couranten, die betrekking hebben op schouwburg en bioscoop: wat een lichtvaardige taal ligt er vaak in de opschriften van toneelstukken, films e. d., zodat men zeggen moet: dat springt met dood en duivel om op de wijze, waarop een kind met zijn speelgoed-soldaatjes omspringt! Wij ergeren ons aan zulk een wijze van doen. Aan de andere kant wekt zij ook ons medelijden op. Doch kunnen wij ons daarmee van deze dingen afmaken ? Ongelukkig wie dat doet en zichzelf zegent! Wij moeten zelf ook voor de spiegel. Ja, wij, gelovige mensen, die zeer wel van de dood afweten, die er van spreken, die er zo vaak ook van zingen, gelijk w.ij er zo dikwijls — haast zei ik : zo regelmatig — van horen. En wat blijkt dan ? Dat het er met ons al niet beter voor staat! Zeker, ogenschijnlijk is dit oordeel onjuist, met zekere feiten in strijd. Wij spreken immers van „bij leven en weizijn". Wij schrijven vaak zo deftig die twee letters neer „D. V.", dat is : Deo volente, zo God wil... Maar gaat het hiermee niet als met andere uitdrukkingen in het dagelijks leven ? Wij begroeten elkander met het bekende „goeden dag I", maar wie denkt er aan de inhoud van deze woorden ? 't Is een formule geworden! Zo is het ook helaas maar al te vaak met „bij leven en welzijn" of om met Jakobus te spreken : „zo de Heere wil en wij leven": wij schrijven deze woorden neer uit gewoonte of omdat de daarin uitgesproken waarheid ons op dat ogenblik voor de geest komt, maar ook niet langer dan dat ogenblik, want wij zijn spoedig weer vergeten wat er in opgesloten ligt. Wij gaan even hard als de ons omringende wereld voort met het besteden van onze dagen, zoals wij geld nemen uit een weivoorziene beurs. Dus ook wij, die de naam van „gelovigen" dragen, hebben hier geen roem.

Waarom wordt er toch zo weinig rekening gehouden met de dood ?

Hier zouden vele antwoorden te geven zijn, waar men niet zo dadelijk aan denkt. Zo las ik dezer dagen een betoog, waarin o.a. dit voorkwam, dat Leven en Dood slechts door elkander bestaan. Dan is per slot van rekening ook de dood van de mens dienstbaar aan zijn leven en wordt de dood een schakel in de levensketen. Zo kan wijsgerige bespiegeling er toe leiden, zich over de dood heen te zetten en er niet méér rekening mee te houden dan met elke andere gebeurtenis in ons leven. Maar zulke hoogdravende gedachten, waarbij we onwillekeurig gaan denken aan Festus' bekende uiting: „de grote geleerdheid brengt u tot razernij I", heersen niet bij de meerderheid der mensen. Bij de mensheid in het algemeen staat de zaak eenvoudiger. Bij de grote massa komt het niet-rekenen met

Bij de grote massa komt het niet-rekenen met de dood uit onnadenkendheid voort. Er heerst een luchtige levensopvatting, waarbij men zelfs van levensbeschouwing niet eens spreken kan. Men leeft — en daarmee is eigenlijk alles gezegd. Over oorsprong en doel van het leven wordt niet nagedacht. De enige vraag is : hoe zullen wij 't in deze wereld goed hebben ? En bij de ervaring, dat deze wereld een wereld is van moeite en verdriet, waaraan niemand ontkomt of ontkomen kan, neemt deze vraag nog een andere vorm aan : hoe zullen wij 't in deze wereld zo goed mogelijk hebben, zo min mogelijk in aanraking komep met het leed, dat zij oplevert ? En het antwoord op deze vraag wordt gezocht in het najagen van genot en het verkrijgen van middelen om zich genot te kunnen verschaffen. Vandaar, dat alles zich eigenlijk beweegt om de geldvraag, en wilt ge er nog een andere naast stellen : om de tijdvraag. Vandaar dat streven naar minder arbeid en meer loon, dat hoe langer hoe sterker wordt, niet alleen bij degenen, die van God en godsdienst niet willen weten, maar ook in kringen, die de Christennaam nog willen dragen, al is men zich daar niet ten volle bewust van hetgeen de oorsprong en de bedoeling van dit streven is. Het staan naar een zo aangenaam mogelijk leven neemt alle aandacht in beslag: het levenseinde neemt geen plaats in het denken der massa meer in !

Een andere oorzaak van het niet rekenen met de dood ligt in de afkeer van- en de vrees vóór de dood. Onbewust leveren degenen, bij wie dit het geval is, het bewijs voor de waarheid van hetgeen de Schrift ons predikt, dat de dood geen natuurlijk verschijnsel is en bij de menselijke natuur als zodanig niet behoort. Er zit een drang tot leven in de mens. Het leven is het kostbaarste van alle goederen, die de aarde ons biedt; het kostbaarst bezit ook van de arme. Wie staat er niet en wie strijdt er niet voor zijn leven! — Er zit ook een drang tot levensontplooiing in de mens; een drang b.v. om iets tot stand te brengen wat in de gedachten leeft en het hart in beslag neemt. Zet daar nu in gedachten de dood eens naast en tegenover! Dan gevoelt ge onmiddellijk, welk een contrast er ontstaat. De dood maakt aan het leven en aan de levensontplooiing een einde. Een einde ook aan al het heerlijke, dat dit leven ondanks al zijn leed en moeite ons biedt, aan alles wat wij met inspanning van alle krachten in dit leven verkrijgen. Daarom denkt men niet graag aan de dood. Bij het kind is dit vrijwel onbewust: lang dartelt het voort, terwijl het geniet wat er te genieten valt en het vervelende op de koop toe neemt; vooral een zonnige jeugd bemoeit zich niet graag met de dood, als ze nog zover komt, dat ze het feit van de dood enigermate leert verstaan. Maar het sterkst is de afkeer van- en de vrees vóór de dood wel in de jongelingsjaren en op middelbare leeftijd. Dan leven de idealen, die men zo gaarne verwezenlijkt ziet. Hoe vaak wordt niet in stilte of luide op een ernstig ziekbed de klacht geslaakt door mensen in de kracht van hun leven : „Moet ik nu al sterven ? Er lag nog zo'n mooi leven vóór mijl" Het scheiden valt zo moeilijk. Het scheiden van goede vooruitzichten, van een mooie positie, van een aangename werkkring, van welbeminde vrouw en kinderen, in één woord : van hetgeen in deze wereld het geluk uitmaakt. Want de dood betekent vernietiging van dat geluk. De dood vaagt dat alles weg !.. .. Vandaar, dat ook op hogere leeftijd, ja zelfs op zeer hoge leeftijd, de begeerte naar het leven de gedachte aan de dood onaangenaam doet zijn en liefst wegdringt. O zeker, bij tijden wordt er wel aan de dood

O zeker, bij tijden wordt er wel aan de dood gedacht en ook wel met de dood rekening gehouden ! Denk maar eens aan het opmaken van testamenten en het sluiten van levensverzekeringen, aan het lid-worden van begrafenisfondsen en wat dies meer zij. Toch is dat niet het rechte rekenen met de dood ; eigenlijk alleen met de burgerlijke en maatschappelijke gevolgen van de dood, maar niet met de dood zelf. — Meer lijkt er op wat we zien in dagen van ziekte en van rampen als oorlog! Dan gaan de gedachten wel degelijk uit naar de dood, die immers meer van verre of meer van nabij door de vensters gluurt. Dan maakt vrees zich van ons meester.... wij willen er niet aan.... er is heel wat voor nodig om ons te verzoenen met de gedachte, dat wij moeten gaan de weg van alle vlees. Doch wat leert de ervaring ? Als het gevaar van sterven, zoals het ons voor ogen stond, weer voorbij is, dan denken wij niet meer aan de dood, dan is alle aandacht weer gericht op het leven, als voorheen 1 Wie is er onder ons, die naar waarheid zeggen kan : Van dit alles wordt bij mij niets gevonden ;

kan : Van dit alles wordt bij mij niets gevonden ; ik ben van al deze verkeerdheden vrij ? Er is, tot onze diepe beschaming, slechts één bekentenis mogelijk: dat wij bitter weinig met de dood rekenen en dat wij nog minder in de rechte zin met de dood rekenen, d.w.z. met de dood, zoals hij in zijn ware gedaante is', sedert hij in de wereld zijn intrede deed.

II

Zo komen wij tot onze tweede vraag: waarom er in de rechte zin met de dood gerekend dient te worden.

Het antwoord luidt in de eerste plaats: omdat de dood vast en zeker komt. Dat leert ons de ervaring dag aan dag. Het ene sterfgeval treft ons om allerlei oorzaak meer dan het andere ; er gaat echter geen dag voorbij, of de couranten bevatten overlijdensberichten. De dood is een onweerstaanbare koning, die door heel de wereld heen zijn zegetocht houdt. Hoeveel slachtoffers heeft hij in de loop der eeuwen reeds gemaakt: het getal der levenden zinkt bij dat der doden in het niet. Hij vraagt niet naar geslacht of leeftijd, naar rang of stand, naar misbaarheid of onmisbaarheid, naar bereid-zijn of niet-bereid-zijn, naar begeerte of afkeer. Hij maait het leven af, en niemand kan hem keren, zomin als de halm de hand van de maaier. Daarom is niemand gebaat door met de dood geen rekening te houden. Het is noodzakelijk, met hem te rekenen. Temeer vanwege de betekenis, die de dood heeft. Wij zijn er niet af met de bewering : 't is 's werelds beloop! Zeker, het is 's werelds beloop, dat is niet te

Zeker, het is 's werelds beloop, dat is niet te ontkennen. Terecht zongen wij zoeven : „Wie leeft er, die de slaap des doods niet eens zal slapen ? Wie redt zijn ziel van 't graf ?" en: „Gelijk het gras is ons kortstondig leven . ..." Wij dragen allen van ons eerste uur af aan de kiem des doods met ons om. Het is hier echter geen kwestie van vergankelijkheid zonder meer, alsof wij ter verklaring van de dood konden volstaan met de stelling: „Wat een begin heeft, moet ook een einde hebben". Verre vandaar! 't Zijn bekende dingen, die wij in herinnering brengen, om met Johannes te spreken : „niet.. . omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij die weet en omdat geen leugen uit de waarheid is (I Joh. 2 : 21). Sla de eerste bladzijden van uw Bijbel maar eens op. Daar vindt ge onder de bomen in het Paradijs ook de „boom des levens" vermeld. Zij stond daar ten dienste van de mens, die God geschapen had, en verzekerde — op welke wijze dan ook — de mens van het eeuwig leven. Dat is toch heel iets anders dan die redenering omtrent het oorzakelijk verband tussen begin en einde. — Ge leest echter verder. Ge komt aan Gen. 2 : 16, 17, aan Gods gebod : „Van alle boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten ; maar van de boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven". Ge komt verder aan Oen. 3.... toch heeft de mens gegeten en daarmee Gods gebod overtreden, en ge hoort de stem van de Heere God o. a. zeggen : „In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren" (vs 19). Zo deed de dood zijn intrede in de wereld. Zo staat hij daar nog heden in de gedaante, waarin het bekende woord van Paulus hem tekent: „De bezoldiging der zonde is de dood". De zonde is de geweldige achtergrond van het niet minder bekende woord uit de Brief aan de Hebreen : „gelijk het de mensen gezet is, éénmaal te sterven . ..." (Q : 27). De dood is er krachtens de wil Gods als straf der zonde. Daarom ontkomt geen Adamskind aan zijn greep. Al heeft David 't gezegd in geheel andere zin — immers met het oog op Sauls boosaardige gezindheid, plannen en pogingen —, van ons allen geldt zijn woord : „er is maar als één schrede tussen mij en tussen de dood".

Hoe onverwacht wordt meestal die éne schrede door de dood gedaan I Zelfs als een ziekbed, ook een langdurig ziekbed, voorafging, komt hij vaak op een ogenblik, waarop wij hem niet verwachten, en laat hij het ogenblik, waarop wij hem wel verwachten, voorbijgaan. Maar hoe menigmaal komt hij plotseling; zelfs als een donderslag uit een heldere hemel. Wij denken hier aan die broeder uit onze Gemeente, die enkele weken geleden door een noodlottig ongeval uit ons midden werd weggerukt. ^) Dat zijn aangrijpende dingen, die ons in herinnering brengen, hoe de dood optreedt, en ons doordringen van de noodzakelijkheid om rekening met hem te houden.

Temeer, omdat de dood achter het mensenleven geen punt zet. Wel maakt de dood een eind aan 's mensen aardse levensgeschiedenis en sluit die af. Maar ge herinnert u wat in Hebreen 9 : 27 volgt op de woorden: „gelijk het de mensen gezet is, éénmaal te sterven": „en daarna het oordeel". Het oordeel van de Alwetende, de Heilige, bij Wie geen aanneming des persoonsis... De dood is beslissend: zoals hij ons velt, zo komen wij in het oordeel. Het sterven kan niet overgedaan worden, als het aan de andere zijde van het graf anders blijkt te staan dan wij wensen : „éénmaal sterven en daarna het oordeel", zo h'gt de zaak. Geen redenering kan hieraan ook maar het allergeringsfe veranderen. Wie dan met de dood niet rekent, heeft geen veront

Wie dan met de dood niet rekent, heeft geen verontschuldiging. Aan waarschuwingen ontbreekt het ons niet. Gelukkig de mens, die ze ter harte neemt!

III

Waartoe leidt het rechte rekenen met de dood ? Dat is de derde vraag, waarop wij willen antwoorden.

In de eerste plaats leidt het tot zelfonderzoek. Daar op de dood het oordeel volgt en de dood komt ter ure, die wij niet weten, komt het er voor ieder onzer op aan, te weten hoe wij staan voor God. Op dit ogenblik en op ieder ogenblik van ons leven, want wie geeft ons de zekerheid, dat er op het „heden" nog een „morgen" volgen zal ? Daar ligt wel de voornaamste reden, waarom de dood door ons mensen zo graag ver weg


Moesten we hiermee eindigen. Gemeente! dan was het om wanhopig te worden. Want wij komen nooit verder dan zelfveroordeling, als wij vóór Gods Wet staan. Wij mensen, zondaren, móeten hier ook eindigen. Maar, o wonder van Gods ontferming, Hij, de hoge God, eindigt hier niet. Waar wij moeten zwijgen, daar neemt Hij het woord en roept door het Evangelie ons toe: „Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe" (Joh. 3: ló). God wil onze dood niet, maar ons leven. Daarom heeft Hij Zijn eniggeboren Zoon onderworpen aan de dood, die wij verdiend hadden. Zie het kruis van Christus, zie Zijn graf in Jozefs hof : Hij is gelegd in het stof des doods ! Als de Mens-in-onze-piaats ! Maar daarom juist wordt Zijn leven ook het leven van allen, die in Hem geloven. Zo leidt dus het rechte rekenen met de dood ons daartoe, dat wij ons met onze zonde en schuld de Heere Jezus Christus in de armen werpen. Daar zullen wij het leven vinden. Daarheen dan, gij allen, die uzelf veroordeelt ! Daarheen, zonder u door iets te laten weerhouden. Ook niet door de gedachte, dat gij nog geen recht gevoel van uw zonden hebt. 't Is hier: haast u om uws levens wil! Wie door de nood gedreven tot Hem komt, die werpt Hij niet uit. Zo luidt Zijn eigen Woord. Daar móet en daar mag alles voor zwijgen. Zijn bloed reinigt van alle zonden al wie met zijn zonden, ook met zijn stenen hart, tot Hem de toevlucht neemt. Ernst maken met de dood leidt dus tot een zich vastklemmen aan Jezus Christus. Doch daar gaat nog iets anders mee gepaard, n.l. ook ernst maken met Gods heilige Wet in de praktijk van ons leven. Hebben wij waarlijk in Jezus Christus het leven onzer ziel gevonden, welk een genade is ons dan betoond ! Dan vindt in ons hart weerklank wat wij zo dikwijls gezongen hebben uit de 116de Psalm: „God heb ik lief, want die getrouwe Heer hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen ..." en ... „Och Heer, ik ben, o ja ik ben Uw knecht! Uw dienstmaagds zoon, Gij slaaktet mijne banden". — Maar dan gaat het ons ook om de verheerlijking Oods in heel ons leven, in gedachten, woorden en werken. Dan is er lust en liefde om in alle goede werken te wandelen. Dan moet Oods wil gelden, al gaat ook de onderste steen boven ... Maar dan juist doen wij de droeve ervaringen op, waarvan wij daar straks al gesproken hebben : juist omdat die lust en liefde er zijn, kunnen wij ons met stukwerk niet tevreden stellen en ontdekken wij de onvolkomenheid van ons werk des te meer. Doch dan kunnen wij ook niet bij de pakken gaan neerzitten. Verre vandaar! Dan ontstaat dat roepen der ziel, waarvan o. a. Psalm 119 zo vol is en waarvan heel het Psalmboek zoveel voorbeelden bevat. Een roepen om de voorlichtingen leiding van Ood Zelf en Zijn Heilige Oeest, waarop Oode zij dank nog steeds het antwoord volgt: „Ik zal u onderwijzen en u leren van de weg die gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn" (Ps. 32 : 8). Zo doet Hij in vervulling gaan wat Hij reeds bij monde van Ezechiël beloofd heeft: „Ik zal Mijn Qeest geven in het binnenste van u, en ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen en Mijn rechten zult bewaren en doen" (36 : 27). Zo zuilen wij dan nochtans in de wegen des Heeren wandelen tot eer van Zijn Naam.

En dan is er nog een stuk, waarop wij de aandacht mogen vestigen: het in de rechte zin rekening houden met de dood leidt ook tot kalmte en rust in het gemoed met betrekking tot de dood. M. a. w. wie met de dood rekening houdt heel zijn leven, die kan hem rustig onder de ogen zien; ja, die behoeft niet meer met hem te rekenen, als hij komt. Wie toch tot Jezus Chris'us de toevlucht genomen heeft en zich aan Hem vastklemt, die mag de dood in heel ander licht beschouwen, in een zeer liefelijk licht. De dood heeft voor hem een heel ander karakter gekregen : hij is geworden een doorgang tot het eeuwig leven, zoals onze Catechismus het uitdrukt. Zeker, ook voor hem is de dood het einde van alle aardse betrekkingen en verhoudingen; en de gedachte hieraan kan hem nog moeite en strijd genoeg kosten. Doch deze gedachte wijkt ten slotte voor een andere: de dood is het einde van alle moeite en strijd, nood en ellende, maar bovenal het einde van de tyrannic der zonde. Aan de andere zijde van de doodsrivier geen zonde meer, die haar geweld uitoefent, maar vrijheid. Daar enkel gerechtigheid in hart en wandel. Daar enkel leven, in steeds heerlijker ontplooiing, naar Oods wil, geheel en volkomen. Daar enkel vreugde voor Oods aangezicht.



Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1948

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur*)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1948

Kerkblaadje | 8 Pagina's