Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bethlehem - Broodhuis.*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bethlehem - Broodhuis.*

21 minuten leestijd

Text: Lukas 2 : 4, 5. En Jozef ging ook op van Galiléa, uit de stad Nazareth, naar Jude'a, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht Davids was) om beschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was.

Het aloude Kerstevangelie ligt weer vóór ons. Hoe dikwijls wij het op de Feestdag reeds hebben opgeslagen, het heeft toch telkens opnieuw grote aantrekkelijkheid voor ons. Is dat niet een duidelijk bewijs, dat wij in het Evangelie der geboorte van Christus in aanraking komen met de Levensstroom, waaraan wij onze ziel op geheel enige wijze mogen verkwikken ?

Nieuws is er eigenlijk niet over te zeggen. Wij hebben immers in de loop der jaren haast iedere zinsnede uit het verhaal van den Evangelist als met een vergrootglas beschouwd ! 't Is dan ook voor den Dienaar des Woords een geruststelling, te weten dat de Gemeente vandaag niet opgaat naar Gods Huis om iets nieuws te horen en dat hij niet geroepen is, haar heden iets ongehoords te verkondigen. En tóch is er nog wel eens in het overbekende een punt, dat op zeker ogenblik op bijzondere wijze onze aandacht trekt en boeit. Zo ging het mij persoonlijk, toen ik de bekende bladzijde uit het Evangelie weer doorlas ter voorbereiding van de prediking. Ik bleef staan bij de verzen, die wij aan onze overdenking ten grondslag hebben gelegd. Daar trad voor mijn oog één naam op de voorgrond, die wij allen reeds zo vaak hebben gelezen, maar die wij gewoonlijk niet anders lezen dan als een aardrijkskundige aanwijzing. Ik bedoel de naam Bethlehem.


Mijn aandacht werd getrokken door de betekenis van deze naam : Broodhuis.

Deze naam heeft het stedeke te danken aan zijn ligging in een zeer vruchtbaar gedeelte van Judea, zeer bijzonder geschikt voor de akkerbouw, omdat wnter daar niet verre was. Eeuwenlang is het dientengevolge een plaats geweest, waar brood in overvloed te vinden was. Een Broodhuis in letterlijke zin. Maar door hetgeen in onze text vermeld wordt is het in veel hoger zin een Broodhuis geworden : een Huis, waar spijze te vinden is voor hongerige zielen.

Bethfehern een Broodhuis voor hongerige zielen. Ziedaar dan het onderwerp van onze eerste Kerstoverdenking. Laat ons overdenken :

I Hoe Bethlehem door Jozefs reis zulk een Broodhuis geworden is, II voor welke kring dat Broodhuis opengesteld

II voor welke kring dat Broodhuis opengesteld is, en III hoe wij voor onszelf tot het genot van het

III hoe wij voor onszelf tot het genot van het daar te vinden Brood komen.

I

In de eerste plaats hebben wij dan de vraag te beantwoorden, hoe Bethlehem door jozefs reis tot een Broodhuis in geestelijke zin geworden is. Daar zouden wij nooit aan denken, als wij het sobere verhaal van den Evangelist in onze text lezen.

Oppervlakkig beschouwd schijnt het over niets anders te handelen dan over dingen van het natuurlijke leven, die zelfs niet het minste verband houden met het leven der ziel. Ja, wij kunnen nog verder gaan : de dingen, die hier vermeld worden, waren uiterst geschikt om dengenen, die er bij betrokken waren, de zielsrust te ontroven. Op de achtergrond zien wij toch een aanslag op de beurs opdoemen. En wij weten allen wel uit eigen ervaring, wat zulk een aanslag betekent, of minstens betekenen kan !

Er was grote beroering onder het joodse volk. Er was iets geschied wat tevoren nog nooit gebeurd was. De Romeinse Keizer bereidde een schatting voor, waarin ook het volk des Heeren b-trokken werd. Belasting betalen aan den Keizer lag dus in het verschiet. Voorlopig was hef slechts een „beschrijving", een optekenen vandenamen op lijsten, natuurlijk met vermelding van bezit of inkomen, om daarnaar straks te kunnen bepalen, hoeveel ieder die er voor in aanmerking kwani moest bijdragen. Voor het Joodse gevoel was dit een verschrikkelijk ding, omdat het hun onderworpenheid aan den heidensen Keizer op in het oog springende wijze aan het licht bracht. Vanaf dat moment is de vraag aan de orde geweest, of het geoorloofd is den Keizer schatting te geven. Zo grrot was de beroering, dat er zelfs een partij uil geboren is, n.1. die der Zeloten of Ijveraars, wier doel was op te komen voor de Joodse nationaliteit(zieZahn,Komm.Lk. 1,2S124). Het zijn dus wel echt stoffelijke belangen, waar 't in onze text over gaat. Kei?_er Augustus was een man, die er naar streefde zijn Rijk in alle mogelijke op'ichten te doen bloeien en schitteren. Daarvoor was echter geld nodig. En dat moest uit het gehele Rijk bijeengebracht worden. Vandaar die beschrijving, waarvan de uitvoering wat betreft het Joodse land werd opgedragen aan Cyrenius, den bekenden Stadhouder van Syrië, die hiertoe met een bijzondere en voor hem vererende opdracht werd belast. Zo moesten dan de Joden beschreve:i worden en zich aanmelden ter plaatse, waar hun domicilie was of hun bezittingen lagen. Daarop doelend schrijft Lukas in vs 3: „En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijn eigen stad".

In -zoverre ligt er niets bijzonders in de mededeling van onze text: „En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt" Hij was immers, zoals de Evangelist er aan toevoegt, „uit het huis en geslacht van David". Wat was natuurlijker, dan dat hij naar Bethlehem toog: daar lag de bakermat van zijn geslacht; daar was hij zelf vermoedelijk geboren en getogen, en hij had daar gewoond, totdat zijn timmermansbedrijf hem Nazareth als tijdelijke woonplaats deed kiezen^). En toch ligt er in de mededeling van Lukas wel degelijk iets bijzonders. Want als wij haar zo lezen, is Jozef eenvoudig één uit de velen, die optrekken ; — inderdaad is van alle anderen slechts melding gemaakt, omdat het om Jozef te doen is.

Achter de reis van Jozef naar Bethlehem ligt immers een heel ander belang dan wat Augustus tot het uitvaardigen van zijn edict bewoog. Daarop krijgen wij de juiste kijk, als wij letten op hetgeen vs 5 ons zegt, dat Jozef opging „om beschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was". Jozef ging niet alleen. Hij nam Maria met zich. En in dat medegaan van Maria ligt het zwaartepunt van heel de geschiedenis. 1) Vergelijk Mt. 2 : 22, waaruit blqkt, dat hij liefst naar


Uit Lukas 1 kennen wij deze Maria, nietwaar? Ook zij behoorde lot het huis van David (vs 32, misschien reeds vs 27). Zij was Jozefs wettige echtgenote. Onze text noemt haar zijn „ondertrouwde vrouw". Dat brengt ons haar eigenaardige omstandigheden in herinnering. Tijdens haar verloving met Jozef was haar door den Engel Gabriel de belofte gebracht: „Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden. En zie gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn Naam heten Jezus. Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden ; en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over hef huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn". Zo was zij, daar deze belofte onmiddellijk in vervulling ging, in haar maagdelijke staat bevrucht. Zij droeg den beloofden Zoon reeds onder 't harte. En dan op reis! Waarlijk, Jozef moet wel dringende reden gehad hebben orn daartoe te besluiten. Die heeft hij ook zeker gehad. Als wij denken aan het profetische woord aangaande „een rijsje uit de afgehouwen tronk van Isaï", dan ligt het vermoeden voor de hand, dat Maria de laatste was van haar tak uit Davids geslacht en dat zij daarom, als medebezitster van famiiiegoed — al was 't dan ook nog zo weinig — naar Bethlehem moest, 't Is echter ook mogelijk, dat Jozef haar medenam om haar te besparen, dat zij tijdens zijn afwezigheid zou blootstaan aan bespotting, als ware zij een verlaten vrouw. Of om haar niet alleen te laten in de bange ure. In elk geval heeft zorg voor haar meegesproken bij zijn besluit. En weer merken wij op, wat wij zoeven met betrekking tot Jozef opmerkten: in het verhaal van den Evangelist wordt als op de tweede plaats gezet wat in de diepste grond der zaak hoofdzaak is. Laat mij 't maar eens heel sterk zeggen : Jozef had gerust in Nazareth kunnen blijven, als Maria maar in Bethlehem kwam in die tijd. Want om Maria's aanwezigheid in Bethlehem is 't naar de raad Gods te doen ! Naar de raad Gods, waar op dat ogenblik niemand

Naar de raad Gods, waar op dat ogenblik niemand aan denkt. Gods raad met betrekking tot het Kindeke, dat Maria onder 't harte draagt. Want zo luidt het profetische woord : „En gij, Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda ? Uit u zal Mij voortkomen. Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid" (Micha 5 : 1). De Schriftgeleerden zullen 't straks wel aan

De Schriftgeleerden zullen 't straks wel aan Herodes vertellen, dat daarmede Bethlehem is aangewezen als geboorteplaats van den Christus. Daar moet dus Maria wezen, als haar ure gekomen is. Om dat te bewerken op een wijze, die voor de mensheid verborgen is, heeft God heel het Romeinse Rijk in beweging gebracht; heeft Hij ook Jozef, door zulk een allesbehalve aangename reden genoopt, de reis naar Davids stad te aanvaarden op een zo ongelegen tijdstip! Langs die weg is het dus zover gekomen, als Lukas in VS 6 en 7 schrijft: „En het geschiedde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zou. En zij haarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en leide Hem neder in de kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg".

Toen dat geschied was, was Bethlehem in werkelijkheid een Broodhuis geworden, in een zin, waarin op dat ogenblik niemand het verstaan heeft: een Broodhuis voor hongerige zielen. Want als dat Kindeke daar in de kribbe ligt, dan ligt daar het Brood des Levens.

Ja, het Brood des Levens. Deze benaming is van den Heere Jezus Zelf afkomstig en ons door Johannes bewaard. Zo heeft onze Heiland Zichzelf genoemd in een gesprek, dat Hij na de wonderbare spijziging der vijfduizend met de Hem gevolgde Joden heeft gehouden: „Ik ben het Brood des Levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten" (Joh. 6 : 35).

„Het Brood des Levens", d. w. z. het Brood, waardoor een arm en ellendig mensenkind het leven der ziel, het ware, het geestelijke, het eeuwige leven, ontvangt en behoudt. Ja, ontvangt en behoudt. Het natuurlijke brood, waaraan het beeld is ontleend, dient slechts tot onderhouding van het reeds ontvangen tijdelijke leven. Hier gaat echter de werkelijkheid boven het beeld uit. Het Leven zit in dat Brood, dat Jezus heet: het Leven is onafscheidelijk aan Hem gebonden, zodat het ten allen dage enkel van Hem uitgaat en ook alleen in Zijn gemeenschap genoten wordt. Hij is het Leven, zoals Johannes ook in zijn eerste Brief jubelend uitroept: „Want het Leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen, en verkondigen ulieden dat eeuwige Leven, hetwelk bij den Vader was, en ons is geopenbaard" (1 : 2). Daarom is Hij ook het Brood des Levens : het middel, waardoor dat Leven aan zondaren wordt geschonken, waardoor dat Leven aan zondaren toevloeit!

In de kribbe van Bethlehem zien wij het begin van de lange weg, waarop Hij, die het Leven is, voor zondaren het Brood des Levens wordt. Oe begrijpt, waarop ik doel: als het Brood des Levens moest Jezus toebereid worden. Dat is geschied door een leven van lijden, waarvan het toppunt ligt in het kruis en het eindpunt in het graf. Het Brood des Levens wordt Hij door Zijn Zelfofferande. Als offer voor de zonde moest Hij sterven voor een volk, dat door zijn zonde en schuld midden in de dood lag met niets anders dan de eeuwige dood als het verdiende loon voor ogen. Zó alleen krijgt de gerechtigheid Gods haar eis. Zó alleen kan dat in de dood liggende volk in het eeuwige leven den Heere worden toegebracht. Zal Jezus in waarheid dat offer zijn, dan moet Hij, terwijl Hij Zelf de wil van Ood volkomen volbrengt, de zonde, de schuld en de straf van dat volk dragen. En daarvan zien wij het begin, als dat Kindeke daar ligt in de kribbe van Bethlehem. Daar 7ien wij een mens, van een mens geboren. Langs buitengewone, voor hel vleselijk verstand onmogelijke weg, in de rijen der mensheid getreden. Daarom Zelf rechtvaardig en heilig, d. w. z. zonder enig« zonde en Gode volkomen toegewijd — maar de ganse droeve erfenis van Adam en van heel diens nageslacht aanvaardend, om straks hun zonden in Zijn lichaam op het hout te dragen en zó een volkomen verzoening aan te brengen. Zo is Jezus Christus het Brood des Levens geworden. Zijn opstanding uit de doden, Zijn hemelvaart en de uitstorting van den Heiligen Geest, in Wien God woning maakt in mensenharten, brengen het straks aan het licht. Zo is door de geboorte van Jezus Bethlehem tot een geestelijk Broodhuis geworden. En Jozefs reis is daaraan dienstbaar geweest.

II

Laat ons nu in de tweede plaats zien, voor welke kring dat Broodhuis opengesteld is.

Het spreekt wel vanzelf, dat wij hierbij het eerst hebben te denken aan Israël.

Aan dat volk is immers de Christus beloofd, gelijk Hij uit dat volk is voortgekomen, als het Zaad van David, het Zaad ook van Abraham. Als lid van dat volk is Hij in de dagen Zijns vleses Zijn weg door het leven gegaan. Hij heeft onder hen verkeerd alsbroederonderdebroederen, 't Zijn Israëlieten geweest, die het eerst met Zijn geboorte bekend werden gemaakt als met een feit, dat voor hen van beslissende betekenis was. De herders in Efratha's velden vernamen uit Engelenmond de verrassende tijding: „Vreest niet, want ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal, namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, Welke is Christus de Heere, in de stad Davids". 't Is aan Israël, dat Jezus Christus Zelf de blijde

't Is aan Israël, dat Jezus Christus Zelf de blijde boodschap des heils gebracht heeft; 't is Israël, dat Hij met de wonderwerken van Zijn genade en barmhartigheid bezocht heeft; 't is aan Israël, dat Hij de Naam Zijns Vaders geopenbaard heeft, terwijl Hij predikende en goeddoende het land doortrok.

Persoonlijk heeft Hij er tegenover de Kananese vrouw de nadruk op gelegd, dat Hij niet gezonden was dan tot de verloren schapen van het huis Israels. En als Hij straks Zijn discipelen uitiiendt om het Evangelie te prediken en kranken te genezen, luidt Zijn opdracht aldus : „Gij zult niet heengaan op de weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad der Samaritanen. Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israels". Dat is het voorrecht van Israël geweest, dat het grote Heil aan hen het eerst verschenen is, gelijk aan hen eeuwenlang de woorden Gods waren toevertrouwd.

Doch daarmede is de zaak nog niet ten einde. God heeft op veel breder kring het oog gehad. Daarvan getuigt alreeds de Engelenzang, die over Bethlehems velden klonk in de stille nacht vrin Christus' geboorte; „Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen !" Daar vallen reeds de scheidsmuren van vleselijke afstamming weg. Vol verrukking roepen de hemelse boden de vrede, die in het Kindeke in de kribbe bereid is, over de aarde uit. Vol heilige verwondering getuigen zij van Gods genadig welbehagen in mensen. Het wordt ook met duidelijke woorden uitgesproken in de hartroerende lofzang van den verrukten Simeon: „Nu laat Gij, Heere ! Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien, die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volkeren : een licht tot VL-rlichiing der heidenen en tof heerlijkheid van Uw volk Israël".

Opmerkelijk, dat Israël hier zelfs in de tweede plaats wordt genoemd, als om aan te duiden, dat het alleen van Gods genade afhankelijk is, evenals de heidenen en zó alleen in het bereide Heil kan de'cn. Als de Christus Zijn heerlijk ambt onder Israël vervult, sluit Hij de heidenen dan ook niet uit, evenmin als de Samaritanen. Wie herinnert zicii niet, hoe Hij Zich aan de Samaritaanse vrouw als den Christus doet kennen; hoe Hij Zijn reddende macht toch ook aan de Kananese verheerlijkt, al heeft Hij haar eerst afgestoten en haar in de diepte der zelfvernedering doen afdalen, zodat zij Zijn gave ontvangt als een hondeke. En als Hij straks deze aarde voor de hemelse heerlijkheid gaat verwisselen, geeft Hij Zijn jongeren deze opdracht: „Gaaf heen in de gehele wereld ; predikt het Evangelie aan alle creaturen !" Zo uas van de aanvang af de bedoeling van den hogen God. Toen Hij Zijn zegen aan Abram bond — met hef oog op hef Zaad, dat uit zijn lenderif n zou voortkomen — heeft Hij al aanstonds ook wat niet tot Abrams nakomelingschap behoorde, binnen de gezichtskring der belofte getrokken, zeggende : „In u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden". En wie geen vreemdeling is in de profetische schriften, die heriiHiert zich wel, hoe b.v. de Knecht des Heeren door Jesija aldus sprekende wordt ingevoerd : „Verder zeide Hij [n.1. de Heere tof Zijn Knecht]: hef is te gering, dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te rfchten de stammen van Jakob, en om w eder te brengen de bewaarden in Israël ; Ik heb U ook gegeven tot een Licht der heidenen, om Mijn Heil te zijn tot aan het einde der aarde (Jes. 49 : 6).

Zo is dat Kindeke in de kribbe een gave Gods aan een verloren wereld, zonder onderscheid van natie, taai of geslacht. Zo is dat geestelijke Broodhuis opengesteld voor ieder, die zielehonger kent en geen middel weet tof stilling daarvan.

III

Wij hebben nu vernomen, hoe door de reis van Jozef Bethlehem tot een geestelijk Broodhuis geworden is en dat het opengesteld is voor heel een wereld, zonder onderscheid van geslacht en taal en natie. — Wij schenken nu tenslotte nog de aandacht aan de vraag, hoe wij tot het genot van het daar te vinden Brood komen.

Dat is een vraag, die ons leven lang van betekenis is en blijft. Want het gaat niet slechts om het genot daarvan voor de eerste maal te smaken, maar om het gedurig genot daarvan. Waf wij hier te prediken hebben is niet alleen voor diegenen, die het genot ervan nog nooit gesmaakt hebben en er nog steeds reikhalzend naar uitzien ; maar niet minder voor allen, die het wel hebben geproefd en gesmaakt, doch door allerlei oorzaak het genot daarvan kwijt zijn.

Dat is immers de ervaring van alle oprechten, dat wij het Brood des Levens niet in onze macht hebben en er daarom ook niet van kunnen genieten, wanneer wij dat willen I Er zijn zoveel dagen, waarin zij door honger gekweld worden, zonder verzadiging te kunnen vinden, 't Is lang niet altijd feest in de ziel, zelfs niet op hef Kerstfeest: hoe kunnen zij vaak degenen, die juichen en jubelen, met jaloersheid gadeslaan !

Hoe kom ik tof hef genot van dat Brood des Levens ? Helaas dat die vraag voor velen niet levend is.

Ze gaan het Broodhuis voorbij. Het Broodhuis, dat te vinden is in het Evangelie zelf en overal, waar het Evangelie gepredikt wordt. Want waar het Evangelie der Schriften weerklinkt, daar is Jezus Christus het middelpunt, daar wordt het Brood des Levens gevonden. Daarom zullen degenen, die het Broodhuis voorbijgaan, die het Evangelie, die Gods Woord en de prediking daarvan links laten liggen, geen verontschuldiging hebben ! O, ik weet wel, daterverontschuldigingen genoeg worden ingebracht. Vooral in de beschuldiging, die tegen de prediking van het Evangelie gericht is, n.l dat zij te weinig rekening houdt met de behoefte van onze lijd. Als dat werkelijk de zaak was, waarom dan niet naar „het" Evangelie zelf gegrepen, zoals hef daar ligt in Gods Woord ? De waarheid is, dat men geen behagen heeft in het Evangelie, zoals het naar Gods getuigenis luidt. Omdat er geen honger is naar de gerechtigheid, die voor God geldt. De schuld ligt bij den mens zelf, in zijn geestelijke dood. Wie daarvan overtuigd wordt en daarover in nood komt, die wefe, dat God Zelf leven wekt en leven wekken wil bij dengene, die Hem in zijn nood aanroept, zodat er nog uitkomst is.

Daar zijn ook anderen. Zij gaan naar het uitwendige dat Broodhuis volstrekt niet voorbij. Zij lezen geregeld Gods Woord. Zij bezoeken geregeld de prediking van het Evangelie. En tóch gaan zij in werkelijkheid dat Broodhuis wel degelijk voorbij. Zij menen, het al aardig ver gebracht te hebben, omdat zij over het Brood des Levens kunnen redeneren, misschien zelfs praten als Brugman! Zij gaan hun weg, alsof zij het Levensbrood reeds in eigendom hadden, al is bij hen nog nooit de vraag actueel geweest: hoe kom ik tot het genot daarvan ? O, Qemeente! dat is juist het gevaar, dat wij allen lopen, die gewend zijn in onze ge-^ zinnen Qods Woord te gebruiken door dagelijkse lezing; die ook gewend zijn de prediking des Woords te volgen. Laat ons onszelf in oprechtheid afvragen, of er bij óns werkelijk genot is van dat Levensbrood, of ónze ziel inderdaad daarbij leeft. En als dat onderzoek beschamend uitvalt, laat ons daar dan niet over heen lopen, laat ons ook niet met onze armoede en ledigheid voortlopen, maar ons met gebed en smeking wenden tot onzen genadigen Ood ! Gemeente ' Wanneer in het natuurlijke leven eet

Gemeente ' Wanneer in het natuurlijke leven eetlust ontbreekt, is het meestal aan lichamelijke krankheid te wijten. Zo ontbreekt ook menigrmal in het geestelijke leven de trek naar het Brood des Levens. Van nature zelfs geheel. En ook dat is aan krankheid te wijten, n.1. aan geestelijke krankheid. Het is de macht der zonde, die ons beheerst, nu eens in de ene, dan weer in de andere vorm. Menigmaal hebben wij 't veel te druk met de stoffelijke behoeften ; dan is er geen plaats en tijd om zelfs ook maar aan geestelijk voedsel te denken. Een andere keer zijn wij weer veel te veel ingenomen door het genot, dat dit aardse leven ons biedt; dan zijn wij voldaan met hetgeen toch alleen maar vergankelijk is. Het komt ook voor, dat wij het in eigen oog al aardig ver gebracht hebben op de weg des Heeren : dan weten wij alles en vermogen wij alles naar ons eigen gevoel. Hoe zou er dan behoefte kunnen zijn aan het Brood, dat God bereid heeft!

Ood alleen kan ons verlossen van al deze beletseler! om het Brood des Levens te eten. Laat ons dan onze jammerlijke toestand voor Hem blootleggen en Hem bidden om daaraan een einde te maken door de banden, die ons binden, te slaken 1 Door Zijn Geest zal Hij ons dan gewis verlossen. Dat gaat niét langs een gemakkelijke weg; want als de Heere ons er van verlost, dan maakt Hij ons tot arme mensen, die niets meer overhouden, waarbij wij zouden kunnen leven. Maar juist zó wekt Hij de begeerte naar het ware Levensbrood 1

De omstandigheden kunnen ook heel anders zijn. Het kan zijn, dat wij ternederzitten met een in geestelijke zin holle maag, d. w. z. met een ledig hart. Dat wij bij het gevoel van armoede en ledigheid met smachtend verlangen naar den Christus uitzien, opdat wij toch mogen vinden, wat alleen onze zielsbthotfte vervullen kan. En dat wij ondervinden, dat wij met al ons verlangen er toch niet komen, ja ons hoe langer hoe meer verwijderd voelen van Christus en Zijn heil. Onze zonden drukken ons, het is alles dood van binnen en van buiten. — O laat ons dan niet zwijgen, want daarmede is nog nooit iemand gebaat geweest. Maar laat ons voor Ood eerlijk uitspreken, hoe 't met ons staat. Dat geschiedt niet tevergeefs. Want God heeft het Brood des Levens niet gegeven om het voor Zichzelf te houden. De kribbe van Bethlehem bewijst het. want waartoe heeft Hij anders Zijn Zoon in de wereld gezonden, waartoe heeft Hij anders Jezüs Christus in vlees doen komen, waartoe heeft Hij anders ons deze heeilijke dingen in het Evangelie bekend gemaakt? Hij gaf dat Brood om het mede te delen. Daarvan heeft reeds Maria in haar lofzang getuigd : „hongerigen heeft Hij met goederen vervuld !" Houdt dan aan in het gebed. Hij zal u gewis het door Hem bereide Brood des Levens niet onthouden. Hij zal het u zo nabij brengen, dat gij eten kunt en de honger uwer ziel gestild wordt. Want de Heilige Geest is ook heden nog de grote Toepasser van het heil, dat ons in Christus bereid is. En als Hij Zijn arbeid aan de ziel verricht, dan wordt al spoedig de kracht van dat Brood des Levens ondervonden. Dan wordt onze arme ziel liefelijk vertroost met de zekerheid van de vergeving der zonden. Dan komt er blijdschap in het verslagen hart. Dan wordt Jezus ons dierbaar, zodat wij Hem niet meer kunnen missen, maar graag alles prijsgeven, als wij Hem maar mogen hebben ! Dan wordt er lust en liefde gevonden, om naar de wil Qods te leven, al moeten wij daarvoor ook ik weet niet wat laten varen. Dan blikken wij met blijdschap in de eeuwigheid — ook over dood en graf heen —, waar geen banden meer zullen wezen, maar volle vrijheid om ons te bewegen enkel naar Gods wil; waar wij Zijn heerlijkheid ongestoord genieten zullen, om Hem eeuwig te loven en te prijzen.

AMEN.


Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1948

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Bethlehem - Broodhuis.*

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1948

Kerkblaadje | 8 Pagina's