Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

�Beteekent geloof in zonden-vergeving vermindering van verantwoordelijkheidsbesef ?"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

�Beteekent geloof in zonden-vergeving vermindering van verantwoordelijkheidsbesef ?"

21 minuten leestijd

Dat is één van de oudste en tegelijk één van de meest actueele vragen op geestelijk terrein, d. w. 7. daar, waar het om God gaat.

Één van de oudste vragen, zoo oud als het Evangelie. Zij moet opgekomen zijn bij elke zoenofferande van den ouden dag, bij eiken vergevings-psalm, waarin de geloovige zong: „Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven, die van de straf voor eeuwig is ontheven, wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt, voor 't heilig oog des Heeren is bedekt" (Ps. 32). Of zulk een hopen op schuld-vergeving het verantwoordelijkheidsbesef niet verzwakt, deze vraag moet gesteld zijn door Davids vijanden, toen God hem de zonde tegen Uria en Bathseba vergaf en hem gratie verleende van de door hemzelf uitgesproken doodstraf. Want de profeet Nathan zegt, dat David „door deze zaak de vijanden des Heeren grootelijks had doen lasteren" (Il Sam. 12 : 14). Maar zullen ze niet evenzeer gelasterd hebben, toen de koninklijke echtbreker en moordenaar genade ontving en van vergeving zong ? Zullen ze niet gesmaald hebben : „Ja, dat is gemakkelijk: er flink op los zondigen en dan vrij uit gaan : zoo zal het kwaad welig groeien en bloeien".

Hoe voller de vergeving der zonden en loutere genade gepredikt werd, des te luider deed ook de vrees zich hooren, dat het verantwoordelijkheidsbesef, en daardoor de goede werken, gevaar liepen. Paulus leerde, dat God zelfs Israël, zooals het daar bij den Sinaï vergaderd was, niet door de eischen der Wet, maar door louter genade regeeren wilde. Want, zoo zegt hij in Rom. 5, God gaf Zijn Wet niet aan Israël, opdat de zonde er minder door worden zou. Integendeel : „de Wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad Ie meerder worde, en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest"> (Rom. 5 : 20)

„Wat", zeiden toen de vijanden van zijn prediking, — vooral de Joden, die door het houden van Gods Wet hoopten zalig te worden —, „wat? heeft God de Wet gegeven om de zonde meerder te maken, opdat zoo de genade nog veel meer overvloedig zou zijn ? Wil God dus zooveel mogelijk zonde, opdat de genade, de vergeving, het weer goed make ? Als het zoo is, stapel dan maar zonde op zonde ! Hoe meer zonde, hoe meer vergeving!" Paulus wijst deze aanklacht af. Zou dat onze

Paulus wijst deze aanklacht af. Zou dat onze bedoeling zijn, zoo vraagt hij in Rom. 6 : „Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde?" (Rom. 6 : 1 en 2).

En met verontwaardiging antwoordt hij : „Dat zij verre! Wij, die der zonde gestorven zijn, zullen wij nog in die zonde leven ?"

Neen: „de zonde zal over u niet heerschen, want gij zijt niet onder de Wet, maar onder de Genade" (Rom. 6 • 14). Als gij onder de Wet waart, dan zou de zonde over u heerschen ; maar nu gij onder de Qen?de zijt, en niet onder de Wet, nu is de heerschappij der zonde in u gebroken!

Weer springen wij lange eeuwen over.

Toen in den tijd der Kerkhervorming Luther, Melanchthon, Zwingli, Bullinger en Calvijn de prediking van zonde en genade, de boodschap van de vergeving der zonden en van de „rechtvaardiging uit het geloof alleen" weder klaar en scherp deden hooren, toen was opnieuw één van de voornaamste tegenargumenten van de Roomsche kerk: „deze leer zal de menschen zorgeloos en goddeloos maken ; ze zullen er maar op los zondigen, als ze gelooven, dat een mensch gerechtvaardigd wordt uit het geloof alleen, zonder de werken der Wet".

De Kerkhervormers hebben die aanklacht onder de oogen moeten zien en weerleggen. Gij hoort het in onzen Heidelb. Catechismus in Zondag 24 : „Maakt deze leer geen zorgelooze en goddeiooze menschen ?" En het antwoord luidt, zoo beslist mogelijk: „In geenerlei wijze. Want het is onmogelijk, dat degenen, die Christus door een waar geloof zijn ingeplant, niet zouden voortbrengen vruchten der dankbaarheid."

De vraag blijft de eeuwen door actueel en verstomt slechts, waar het Evangelie niet is, waar in plaats van Evangelie, Wet gepredikt wordt.

In vele toonaarden weerklinkt ze nog heden ten dage, op Roomschen toonaard, op Joodschen toonaard, op modern-godsdienstigen toonaard, en — in meer intelleciueele kringen over het rond der aard : op theosophischen toonaard.

Heel de theosophie toch, in al haar schakeeringen, verwei pt de leer van vergeving en genade als het grootste struikelblok op den weg der zelfvolmaking. Het verantwoordelijkheidsbesef moet worden aangekweekt, en daarom de predikinjj der genade vervangen door die van „Karma."

„Wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien "

in de plaats van de genade voorden moordenaar aan het kruis treedt déze genade, dat de moordenaar het nog eens van voren af aan probeeren kan in een volgende incarnatie, waarin hij begint mei de bittere vruchten van dit leven.

Maar het ^ijn niet alleen de vijanden van het Evangelie van de vergeving der zonden, die deze vraag stellen.

In het hart zelf van menschen, die zich bezwaard voelen over het kwaad, dat ze bedreven, en die o zoo graag hef zouden gelooven : alles is mij vergeven — diep in het iiart van dezulken zit menigmaal de angst: „dat kan toch niet, dat het mij alles ten volle kwijt gescholden zou zijn. Wat zou er dan van de verantwoordelijkheid terecht komen ? Ik moet het er toch eerst op de één of andere manier naar gemaakt hebben".

Zoo wil het geloof in de vergeving niet royaal doorbreken.

Of, zoo het al niet is : „ik moet het er toch op de één of andere manier naar gemaakt hebben", dan blijft toch de zichzelf gestelde conditie: „God vergeeft het mij wel. Maar dan moet ik het er in het vervolg naar maken' .

Op deze wijze is het verantwoordelijkheidsbesef onwillekeurig een tempering van de zekerheid en de blijdschap der vergeving, ik durf eigenlijk niet recht gelooven, dat alle zonde mij volkomen vergeven en kwijt gescholden is, omdat ik toch verantwoordelijk ben voor wat ik gedaan heb en doe en doen zal.

Daar zou dan vanzelf uit volgen, dat de volle blijde zekerheid : „de zonden zijn mij vergeven, onvoorwaardelijk en zonder restrictie", — dat deze zekerheid beperking van verantwoordelijkheidsbesef moet beteekenen.

Ik herinner mij, hoe in mijn studie-tijd een studiegenoot in een vertrouwelijk oogenblik, toen wij over den strijd des geloofs spraken, de verzuchting slaakte : „en dan dat vreeselijke, dat je in een moment van aanvechting soms toegeeft aan de verzoeking, met de gedachte : het wordt je toch wel weer vergeven!"

Daar hebt ge in het hart van een ernstig menschenkind de angst, neen, de akelige werkelijkheid, dat het geloof in de zonden-vergeving het verantwoordelijkheidsbesef verslapt.

Hoe moet het dan wel zijn in het hart van minder ernstige menschen, die aan de ééne of andere zonde verslaafd zijn, of met financiëele banden aan zulk een zonde vastzitten, en zich nu paaien met de gedachte, dat het ten slotte alles vergeven zal worden.

Toen ik pas in Amsterdam was en met vuur de vergeving der zonden en de vrije genade Gods in Christus predikte, zag ik telkens een arts onder het gehoor, één en al oor; en zoo nu en dan schreef hij een brief vol blijdschap over de prediking der genade. Wat bleek ten slotte? Dat hij als dokter leefde van „abortus provocatus". En toen ik hem daarover bestrafte en namens den kerkeraad hem den toegang tot het Avondmaal ontzegde, beproefde hij zijn gruwelijk bestaan goed te praten, en ten slotte suste hij zijn geweten met de genade Gods, die alles vergeeft. Hij gebruikte de prediking van de vergeving der zonde om eenigszins gerust zijn practijk te kunnen voortzetten. Tegen beter weten in !

Wat deze man voor zichzelf had uitgevonden is meer dan eens ook in stelsel gebracht of in bepaalde groepen practisch toegepast.

Op dergelijke anti-nomistische of anti-nomiaansche stroomingen en practijken gaan wij echter thans niet in.

Wij willen, afgezien van allerlei historische verschijnselen, de vraag voor onszelf onder de oogen zien :

„Beteekent geloof in zonden-vergeving vermindering van verantwoordelijkheidsbesef ?"

I. Ik zou met een formeel antwoord kunnen volstaan. GOD laat vergeving van zonden boodschappen.

GOD laat vergeving van zonden boodschappen. CHRISTUS verkondigt de vergeving der zonden zoo in het algemeen als in het bijzonder.

Christus zendt Zijne apostelen uit met de verkondiging van het Evangelie, van de blijde boodschap van de vergeving der zonden.

De Doop is de Doop „tot vergeving der zonden", het zegel op Gods genade.

En wat God doet, is a priori goed !

God Zelf laat vergeving der zonden om niet verkondigen. Hij „rechtvaardigt den goddelooze om niet".

Maar dan liggen toch de gevolgen voor GODS rekening en niet voor de onze.

Dan is het toch Oods zaak, of die boodschap, die Hij prediken laat, misschien ook een gevaar oplevert voor het verantwoordelijkheidsbesef.

Maar hoe zou dit eigenlijk mogelijk zijn ?

Gods Woord aan de wereld is toch geen gevaarlijk woord, dat wij voorzichtig van cautie's, van veiligheidskleppen, moeten voorzien.

Dit formeel antwoord vinden wij ook bij de Hervormers, die zich immers juist van alle menschen-wijsheid beriepen op Gods Woord. Zwiiigli b.v. antwoordt op de Roomsche aanklacht, dat het Evangelie, door hem gebracht, de menschen laksch in het goede zou maken, aldus („Uslegen", S. 40): Het Evangelie der genade is Gods Evangelie. God zal voor Zijn eigen zaak zorgen. Ik heb met al uw tegenwerpingen niets te maken. Alles wat van God komt is goed en brengt goeds onder de menschen. „Aan dit antwoord houde zich ieder eenvoudig waar geloovige, die zich aan Gods Woord houden wil; hij spreke slechts tot de spitsvondigen ; God spreekt alzoo ; wat bekommert mij uw tegenwerping of voorwendsel ?"

Intusschen, hoe volkomen juist ook dit argument is, en welk een onwrikbaar uitgangspunt —, wij mogen ons niet tot dit/ör/n^^/argument bepalen, evenmin als Paulus, evenmin als de Reformatoren zich daartoe bepaald hebben.

Kunnen wij ook voor verstand, hart en geweten toelichten, aannemelijk maken, dat het geloof in de zonden-vergeving het verantwoordelijkheidsbesef niet ondermijnt? 11. Ongetwijfeld kunnen wij dat.

11. Ongetwijfeld kunnen wij dat.

1. in de eerste plaats wijs ik u dan op het onlosmakelijk verband tusschen zonden-vergeving en bekeering.

Zonder bekeering is er geen vergeving! Onder bekeering verstaan wij dan niet zoozeer

Onder bekeering verstaan wij dan niet zoozeer de plotselinge, wonderbaarlijke ommekeer, die in sommiger leven, b.v. bij Paulus, heeft plaatsgehad. Bekeering is : zich omkeeren, van de zonde tot God.

Bekeering is: innerlijk en uiterlijk breken met de zonde, en wederkeeren tot God.

Dat kan plotseling of langzaam gebeuren.

Maar zonder bekeering is er geen vergeving. Johannes de Dooper kwam allereerst met de boodschap : „Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen". Hij kwam met „den doop der bekeering, tot vergeving der zonden". Christus en Zijn apostelen eveneens. Op den Pinksterdag luidt Petrus' antwoord tot

Op den Pinksterdag luidt Petrus' antwoord tot de verslagen schare : „Bekeert u en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen".

Alleen wie zich bekeert, ontvangt vergeving. Wie zichzelf handhaaft, met zijn zonde niet breken

Wie zichzelf handhaaft, met zijn zonde niet breken wil, het kwaad vergoelijkt, ontvangt geen vergeving, al is het hart Gods nog zoo vergevingsgezind. Tot dien dokter, van wien ik u tevoren vertelde, heb ik aldus moeien spreken in Gods Naam : „vergeefs hoopt u op vergeving, want u wilt uw zonde niet als zonde erkennen, en al weet u, dat het zonde is, ge wilt er toch mee voortgaan. Gij komt met uw geloof in de schuldvergeving bedrogen uit'.

Geen schuldvergeving zonder bekeeriiig. Zoo was het reeds onder den Ouden Dag.

Zoo was het reeds onder den Ouden Dag. „Komt dan en laat ons tezamen richten, spreekt

„Komt dan en laat ons tezamen richten, spreekt de Heere. Al waren uwe zonden als scharlaken, ze zullen wit worden ais sneeuw, al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol" (Jes. 1). Volkomen vergeving dus, maar eerst: „richten". En wat dat richten is, verkondigt heel Jes. 1 klaar als de dag ; het is : schuld erkennen, het vonnis aanvaarden, met de zonde breken ! Zoo handhaaft God Zelf bij de vergeving de verantwoordelijkheid des menschen, en wekt, scherpt, loutert zijn verantwoordelijkheidsbesef. God ontdekt hem aan het vreeselijke van de zonde, maakt er hem bedroefd over, leert hem de zonde ontvlieden en haten.

Zoodat, als hij de vergeving ontvangt, hij niet weer terugverlangt naar de pijn, die de zonde hem veroorzaakte.

Zal een mensch (zegt Zwingli ergens), wiens verbrijzeld been genezen werd, dat genezen been weer aan verbrijzeling blootstellen, omdat het toch immers genezen kan worden ? Het heeft hem veel te veel pijn gedaan !

Zoo is ook de smartelijke verbrijzeling des harten, de waarachtige bekeering des harten, zonder welke geen vergeving der zonden ons deel is, een goddelijke waarborg tegen inzinking van het verantwoordelijkheidsbesef.

Wanneer wij zulk een sterken nadruk leggen op de noodzakelijkheid der bekeering bij de vergeving der zonden, bedoelen wij niet, dat de bekeering aan het geloof in de vergeving moet voorafgaan.

Eer het tegendeel. Wanneer de bekeering zoowel de afsterving van den ouden mensch als de opstanding van den nieuwen omvat (Zondag 33), dan is het duidelijk, dat de logische volgorde is : éérst gelooven in het Lam Gods en de vergeving door Zijn Bloed, en als vrucht van dat geloof niet alleen de rechtvaardiging, maar ook de bekeering of heiligmaking. Zoo leert het Calvijn iri zijn Institutie, en zoo leert het ook onze Catechismus in Zondag 32 en 33, en de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, art. 24.

Alleen in Christus is de oude mensch aan den dood ten prooi, en de nieuwe mensch levende voor God. Daarom is de waarachtige bekeering, het nieuwe leven, alleen vrucht van het geloof. Zoo is de logische, bijbelsche volgorde. Maar tijdelijk is nauwelijks van een volgorde of rangorde te spreken. Want op hetzelfde moment, waarop wij de vergeving der zonden gelooven, is ook het nieuwe leven in Christus geboren.

2. Dit hangt weder onlosmakelijk samen met het wezen van bekeering en vergeving.

Waar gaat het om bij de vergeving der zonden ? Gaat het alleen maar daarom, dat ik geen straf krijg voor mijn bedreven kwaad, dat God niet meer boos op mij is, en dat ik niettegenstaande ?.! mijn zonden toch in den hemel kom ?

Ja, als dit de grondtoon mijner vroomheid is, dan ben ik ook tevreden, als ik maar vergeving heb, ais ik maar in den hemel kom.

Maar bij waarachtige vroomheid gaat het: om Qod! en daarom om gerechtigheid!

Bekeering is nog wat anders dan angst voorde hel en verlangen naar den hemel.

Neen, Ood verstoot ons niet, als wij met den stokbewaarder van Filippi beginnen te roepen : „Wat moet ik doen om zalig te worden ?"

Als die vraag bij ons geboren wordt, dan vertelt de Heere ons precies wat wij doen moeten om zalig te worden.

Maar tegelijk wekt Hij honger en dorst naar Hemzelf, naar den levenden God.

En waar het ons om Ood te doen is, daar gaan wij hongeren en dorsten naar gerechtigheid.

Daar wordt de zonde, de on-gerechtigheid : het on-goddelijke, het anti-goddelijke —, dat ons tot angst en nood wordt, waarvai wij verlost willen worden, omdat Qod de eerste in ons leven werd.

Daar word' vergeving van zonden ook wat anders dan : er geen straf meer voor krijgen. Gerechtigheid voor God moeten wij hebben.

Gerechtigheid voor God moeten wij hebben.

Het is niet meer: als ik er maar van af ben.

Neen, de vraag wordt geboren : waar blijf ik met mijn zonde en schuld ; waar blijft Gods recht; hoe kom ik aan gerechtigheid voor God ? Hier is het verantwoordelijkheidsbesef op volle spanning, en vindt zijn rust slechts in Hem, Die de volle verantwoording op Zich nam en droeg : Christus Jezus.

Met andere woorden : vergeving der zonden is geen genade ten koste van het recht, maar genade door recht!

„Sion zal door recht verlost worden en hare wederkeerenden door gerechtigheid" (Jes 1 : 27).

3. Het geioof in de zonden-vergeving ondergraaft het verantwoordelijkheidsbesef niet, omdat bij de zonden-vergeving volle verantwoording wordt geëischt en gedaan.

Bij de schuid-vergeving moet elk menschenkind apart eerst voor Gods gericht komen, moei rekenschap afleggen. Dat wordt een onvoorwaardelijk schuld belijden, het vonnis Gods billijken, het oordeel als rechtvaardig erkennen.

En als dan nochtans de schuldige vrijgesproken wordt, dan is het alleen, omdat een Ander de volle verantwoording op Zich nam en de volle straf droeg, n.1. Christus Jezus !

Ik weet wel, dat men deze leer van voldoening, verzoening en vergeving meent te kunnen op zij zetten met het brandmerk er op: „juridische verzoenmgs-leer". Maar ik begrijp niet, waarom „juridisch" minderwaardig is. De Heilige Schrift vindt het volstrekt niet minderwaardig. „Zou de Rechter der gansche aarde geen recht doen ?" (Gen. 18 : 25).

„De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijne striemen is ons genezing geworden. Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen weg. Doch de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen" (Jes. 53). God heeft Dien, Die geene zonde kende, zonde

God heeft Dien, Die geene zonde kende, zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem" (II Kor. 5 :21). „Christus heeft ons verlost van den vloek der Wet, een vloek geworden zijnde voor ons" (Gal. 3 : 13).

„Ik ben gekomen, niet om gediend te worden, maar om te dienen en Mijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen" (Matth. 20).

De Schrift zelf, Christus Zelf leert ons die verzoening door voldoening,

Christus Jezus is het plaatsbekleedend Offer, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Christus Jezus is onze Gerechtigheid voor God. De vergeving der zonden berust op recht.

Daarom kan de zonden-vergeving nooit het verantwoordelijkheidsbesef verzwakken.

Want ik heb alleen vergeving in Hem, Die daar aan het kruis hangt, Die daar mijn schuld draagt en boet. Het kruis predikt mij den ernst der zonde, het recht der vergeving : „Zóó haat God de zonde, dat Hij, éér Hij ze ongestraft liet blijven, die strafte aan Zijn eigen lieven Zoon" (verg. het Avondmaalsformulier onzer Kerk).

Geloof in vergeving der zonden zonder geloof in Christus, ja, dat zou het verantwoordelijkheidsbesef verzwakken.

Maar opziende tot den Gekruiste, Die zonde voor mij werd. Die een vloek voor ons geworden is, geloof ik en weet ik: de zonden zijn mij vergeven, aan Gods recht is voldaan ! „Ik ben verlost. Maar 't heeft Zijn dood gekost".

Het kruis is Goddelijk onderwijs, vreeselijk onderwijs in verantwoordelijkheid.

4. Misschien acht iemand dit juist gemis aan verantwoordelijkheidsbesef, omdat ik de verantwoordelijkheid van mijzelf alzoo afschuif opeen ander. „Ik schuif op die wijze", denkt ge wdlicht, „de verantwoordelijkheid voor mijn kwaad af op een ander, op Jezus".

Ja, als gij dat doet, of ik, dan zal de eeuwige Rechter Zich daar niet veel van aantrekken.

Afschuiven van verantwoordelijkheid opeenander, dat is één van de leelijkste on waarachtigheden en oneerlijkheden, waarvan nochtans deze wereld vol is. Maar hier is juist het tegenovergestelde geschied.

God Zelf heeft de verantwoordelijkheid voor onze zonde aan Christus toegerekend. En vrijwillig heeft Christus de verantwoijrdelijkheid op Zich genomen en gedragen, de volle verantwoording voor ons kwaad.

Dat is het Evangelie der Plaatsbekleeding.

En zijt gij bevreesd, dat dit te veel een speculatie blijven zal, een uiterlijk rechtelijk toerekenen, zonder innerlijke verantwoordelijkheid, bedenk dan twee dingen : A. dat Gods Zoon zóó wezenlijk vleesch werd, dat Hij ook wézenlijk de verantwoording in Zijn zie! droeg voor de zonde van het menschelijk geslacht, waarmede Hij één werd. B. dat een zondaar, die in Christus gelooft, in

B. dat een zondaar, die in Christus gelooft, in dit geloof innerlijk met Christus één wordt, en alzoo sterft en opstaat met Hem. Met andere woorden :

A. In de vleeschwording wordt Christus innerlijk één met ons. B. In het geloof worden wij innerlijk één met

B. In het geloof worden wij innerlijk één met Hem. Paulus wijst in Rom. 6 op Christus en zegt:

Paulus wijst in Rom. 6 op Christus en zegt: „Wat Hij stierf dat stierf Hij der zonde éénmaal, en wat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzoo ook gijlieden, houdt het ervoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende in Christus Jezus". De volle verantwoordelijkheid en de volle verantwoording van Christus is de onze.

5. En eindelijk: Vergeving der zonden gaat altoos gepaard met het ontvangen van den Heiligen Geest.

En waar Gods Geest is, daar tintelt het besef van verantwoordelijkheid. Want Hij is de Geest der Waarheid, de Geest, Die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel, de Geest, Die Christus verheerlijkt, de Geest, Die ons in alle waarheid leidt.

Welnu, dien Geest der waarheid schenkt God aan allen, die gelooven in Christus en in de vergeving der zonden.

Johannes de Dooper beloofde van Christus, Die na hem kwam, dat Hij „met den Heiligen Geest en met vuur doopen zou". Dat is geen verwerping van den waterdoop. Want Christus Zelf beval de Zijnen te doopen met water; en wanneer eens een keer eerst de Geestes-doop kwam, zooals bij Cornelius te Caesarea, dan moest toch de waterdoop nog volgen (Hand. 10 en 11).

Christus doopt al de Zijnen met den Heiligen Geest Daarom belooft Petrus op den Pinksterdag: „Bekeert u en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden, en gij zult de gave des Heiligen Oeestes ontvangen".

En gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Hoort gij het ?

Wie Christus en de vergeving ontvangt, die ontvangt ook den Heiligen Geest, toen en nu. En die Geest is bij de vergeving der zonden de

En die Geest is bij de vergeving der zonden de waarborg, dat het verantwoordelijkheidsbesef niet zal verminderen, maar toenemen. Want het is de Geest der heiligmaking En de heiligmaking is de heiligmaking des Geestes.

6. Laten wij het maar gerust omkeeren.

Het waarachtig geloof in de zondenvergeving zal het verantwoordelijkheidsbesef niet in slaap wiegen, maar wakker houden en scherpen. Daarom behoeft het geloof in de schuldvergeving

Daarom behoeft het geloof in de schuldvergeving er geen helpers bij te roepen, b.v. de Wet Gods, en eigen krachtsinspanning om die Wet te houden.

Het is niet zóó, dat de schuldvergeving schoon schip maakt met het verleden, opdat wij nu van voren af aan kunnen beginnen met een nieuw leven, om zoo Gode te behagen. Neen, het geloof in de schuldvergeving beheerscht

Neen, het geloof in de schuldvergeving beheerscht geheel het leven van den Christen. Het is wat Luther noemde de wetenschap, „dat wij een genadigen God hebben", een God, van Wien Ps. 103 zegt : „Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. Zoo ver het Oosten is van het Westen, zóó ver doet Hij onze overtredingen van ons." Dit geloof, dat wij een genadigen God hebben,

Dit geloof, dat wij een genadigen God hebben, dit geloof in de vergeving der zonden is de eenige en vaste waarborg tegen verslapping van verantwoordelijkheidsbesef.

Waarom ?

Omdat het geloof is : geloof in den levenden God, in den levenden Christus, in de genade des Drieëenigen.

En het geloof in den levenden God, in Christus Zelf, is zulk een levend verkeer met Hem, Die alle zonde haat, dat juist alleen bij dat geloof ook het verantwoordelijkheidsbesef leeft.

Maar dan moet het ook het échte geloof zijn. Namaak-geloof is nergens goed voor, en overal

Namaak-geloof is nergens goed voor, en overal slecht voor, ook voor het verantwoordelijkheidsbesef.

Maar het levend geloof in den levenden God aller genade, dat is overal goed voor

Laat ik mogen eindigen met wat Luther ervan zegt in zijn voorrede op den Romeinen brief, van 1522: „Geloof is een goddelijk werk in ons, dat ons verandert en van nieuws geboren doet worden uit God, Joh. 1 : 13; en het doodt den ouden Adam, maakt ons tot heel andere menschen naar hart, gemoed, zin en alle krachten, en het brengt den Heiligen Geest mede. O, gelooven, het is zulk een levend, bezig, handelend, machtig ding, zoodat het onmogelijk is, dat het niet zonder ophouden goeds zoude werken. Het vraagt ook niet, of er goede werken moeten gedaan worden, maar vóór men er naar vraagt, heeft hij ze gedaan en is voortdurend bezig ze te doen. Wie echter niet zulke werken doet, die is een gelooflooze mensch, ziet om zich heen naar het geloof en naar goede werken, en weet noch wat geloof noch wat goede werken zijn, en heeft nochtans den mond vol over geloof en goede werken. Geloof is een levend, moedig toeverzicht (ver

Geloof is een levend, moedig toeverzicht (vertrouwen) op Gods genade, zóó zeker, dat men duizendmaal er op zou willen sterven. En zulk een vertrouwen en kennis der goddelijke genade maakt vrolijk, frank en vrijmoedig tegenover God en alle schepselen ; hetwelk de Heilige Geest doet in het geloof. Daardoor wordt de mensch zonder dwang gewillig en verlangend om aan iedereen goed te doen, ieder te dienen, allerlei te lijden tot eere en lof van dien God, Die hem zulk eene genade bewezen heeft. Zoodat het onmogelijk is, werk van geloof te scheiden, ja even onmogelijk, als branden en lichten van vuur kan gescheiden worden". 29

Laat ons nog even recapituleeren.

Zoo oud als de blijde boodschap van de vergeving der zof.den is, is ook de vrees en de aanklacht, dat steunen op de zonden-vergeving het verantwoordelijkheidsbesef bij de menschen zou verzwakken. (Onder het Oude Testament, in Paulus' dagen, tijdens de Kerkhervorming, en ook heden van de zijde der Theosophie b.v.)

Bij geheel uf gedeeltelijk handhaven van loon naar werken acht men het verantwoordelijkheidsbesef veiliger.

Wij achten echter het geloof in de zondenvergeving<g&tx\gevaar voor het verantwoordelijkheidsbesef, doch integendeel zijn eenige waarborg: Ten eerste, omdat de vergeving der zonden Oods Evangelie is en Ood geen gevaarlijke leer aan de wereld geeft.

Naast dit formeele argument gaven wij echter in de tweede plaats ook maieriëele argumenten. Ie Vergeving der zonden onderstelt en sluit in de bekeering van den zondaar.

Zonder bekeering geen vergeving, ofschoon ook zonder vergeving geen bekeering.

En bekeering is de uiterste opwaking van het verantwoordelijkheidsbesef.

2e Bij het geloof in de vergeving der zonden gaat het niet in de eerste plaats om kwijtschelding van straf, maar om Ood en Goddelijke gerechtigheid. 3e Het geloof in schuldvergeving rust in Christus Jezus, Die de volle verantwoordelijkheid voor onze zonden op Zich nam en droeg.

4e Ook deze overneming van de verantwoordelijkheid verzwakt ons verantwoordelijkheidsbesef niet, omdat

a Christus werkelijk in onze verantwoordelijkheid deelt door de vleeschwording ;

b en wij in Christus' voldoening deelen door geloof.

5e Ood schenkt mèt de vergeving ook den Heiligen Geest, Die de Goddelijke waarborg is voor het verantwoordelijkheidsbesef.

6e Instede van te verminderen, vermeerdert en volgroeit het verantwoordelijkheidsbesef juist en alléén daar, waar werkelijk geloofd wordt in Hem, Die de zonden vergeeft en den goddelooze rechtvaardigt om niet.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 februari 1949

Kerkblaadje | 8 Pagina's

�Beteekent geloof in zonden-vergeving vermindering van verantwoordelijkheidsbesef ?"

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 februari 1949

Kerkblaadje | 8 Pagina's