Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Met de vrouwen bij het ledige graf.*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Met de vrouwen bij het ledige graf.*

21 minuten leestijd

Text: Markus 16 : 1—8.


Gemeente des Heeren!

Het Evangelie van de opstanding van Jezus Christus uit de doden ligt weer vóór ons opgeslagen.

De opstanding van Jezus Christus is een feit van de allergrootste betekenis. Dat wordt ons duidelijk, als wij letten op de prediking der Apostelen, die gedurig van Zijn opstanding gewagen. Ja, de Apostel Petrus rekent het tot hun bijzondere taak, getuigen van Christus' opstanding te zijn.

Wij zouden dan ook denken in het Evangelie heel wat te vinden, aan de opstanding gewijd. Wij zouden er een nauwkeurige beschrijving van dit heilsfeit verwacht hebben. En wij vinden hiervan geen letter! Het „hoe" der opstanding blijft ons verborgen. Zelfs het ogenblik, waarop Jezus Christus het leven hernam, is niet bekend. — Wij zouden ook verwacht hebben, dat in het Evangelie tenminste met een enkel woord de betekenis van de opstanding in het licht werd gesteld. Doch ook hiernaar zoeken wij tevergeefs. Het Evangelie is zo sober mogelijk, als het handelt over hetgeen ten derden dage geschied is. Het vermeldt wel één en ander aangaande den Verrezene, maar laat de verrijzenis als zodanig in duister gehuld. Het dient niet tot bevrediging van onze nieuwsgierigheid, maar om ons wijs te maken tot zaligheid en ons te brengen tot de blijdschap der kinderen Gods.

Opmerkelijk is de aandacht, die in het Opstandingsevangelie geschonken wordt aar, dediscipelen des Heeren ; met name aan hun houding tegenover de opstanding van hun Meester. Geen enkele Evangelist, die hierover zwijgt. Ook Markus hangt er ons een tafereel van op. Evenals Matthëus en Lukas heeft hij zijn aandacht bijzonder gewijd *) Preek, gehouden te Ommen op 17 April 1949(IePaasdag) aan de vrouwen, die bij het krieken van de dageraad zich naar het graf van Jezus begaven. Maar hij heeft het gedaan op eigen manier. Wat hem het meest getroffen heeft, is wel dit, dat de vrouwen, figuurlijk gesproken, zo ver van het heerlijk feit der opstanding gebleven zijn.

Tweeërlei willen wij overdenken :

I hoe de vrouwen tegenover de opstanding stonden, en

II hoe wij er tegenover mogen staan.

I

Hoe de vrouwen tegenover de opstanding stonden, kunnen wij in twee korte zinnen uitdrukken ; vooreerst: zij waren op geen opstanding verdacht, en ten tweede : zij hebben het rechte genot van de opstanding niet gehad.

Zij waren op geen opstanding verdacht.

Hoor maar, wat Markus al aanstonds in de aanhef van zijn verhaal schrijft: „En als de Sabbat voorbijgegaan was, haddrn Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome, specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden". Markus gebruikt hier eentekenachtigeuitdrukking:

Markus gebruikt hier eentekenachtigeuitdrukking: „als de Sabbat voorbijgegaan was", d. i. als men door de Sabbat heen was. Deze uitdrukking geeft ons een blik op de gemoedsgesteldheid der vrouwen. — De Sabbat was op zichzelf een heerlijke dag. Een dag van rust na zesdaagse arbeid. Hoe kan men daarnaar verlangen, nittwaar ? Vraag het aan den man, die gezwoegd heeft onder zijn werk, — aan de vrouw, die van de morgen tot de avond en vaak nog later bezig geweest is in hanr huishouding, hoe ze verlangen naar de Zondag! Zo'n dag is nooit te lang, maar veel te spoedig omgevlogen. En denk dan nog aan de betekenis van de Sabbat, die de Heere gegeven heeft tot een teken, dat Hij het is. Die Zijn volk heiligt. Dat stempelt de Sabbat tot een ware feestdag. En wie verlangt er nu naar het einde van een feestdag ? Hier echter vinden wij vrouwen, die blij zijn dat de Sabbat om is. Die Sabbat heeft haar ieli]k in de weg gestaan, juist 73 omdat het een rustdag was. Die Sabbat hinderde haar in het uitvoeren van haar plannen. Zij waren immers van zins, den Heere Jezus te zalven. Het waren dezelfde vrouwen, die zo nauwlettend, al was het op een afstand, hadden gadegeslagen wat Jozef van Arimathea, bijgestaan door Nicodemus, met het lichaam van den Heere Jezus gedaan had. O, dat was alles heel best, dat zij Hem in fijn lijnwaad gewikkeld hadden met aloë en myrrhe. Maar het was naar haar gevoelen lang niet genoeg. Om het naderen van de Sabbat was alles zo overhaast geschied. Wat er nog aan ontbrak, wilden die vrouwen aanvullen. Zij wilden, door liefde gedreven, er nog het hare aan toevoegen door het lichaam te zalven om zoveel mogelijk ontbinding tegen te gaan. Het pleit voor deze vrouwen, dat zij zulke voornemens koesterden en moeite noch kosten ontzagen om haar Heer te eren. Doch wij zien hieruit tevens, hoe weinig zij aan opstanding gedacht hebben. Eindelijk is de Sabbat dan om. Met blijdschap begroeten zij de eerste sterren aan de hemel. Zij spoeden zich naar den koopman om zich van de benoodigde specerijen te voorzien, 't Is echter te laat om vandaag nog aan de arbeid te gaan. Nog één nacht moeten zij wachten. Maar dan hebben zij ook geen geduld meer. „Zeer vroeg" gaan zij op pad, zodra de eerste dag der week aangebroken is. En zij komen bij het graf, als de zon opgaat. — O Gemeente! let er op, dat zij naar „het graf" gaan. Dit enkele woord zegt hier zoveel. Zij denken aan niets anders dan aan het graf, aan het rijk des doods. Daar ligt haar Meester, en daar zal Hij naar haar gedachten ook blijven!

,AAet een bezwaard hart lopen zij voort. Markus zegt straks in vs 4, dat zij „opzagen". Hieruit blijkt dus, dat zij met gebogen hoofd de weg bewandelden. Zij keken naar de grond, zoals wij zelf ook doen, als wij onder zorgen gebukt gaan of in fepeins verzonken zijn. 't Was ook geen kleinigheid, dat haar Meester in het graf lag. Denk maar aan Maria van Magdala. Van zeven duivelen had de Heere Jezus haar verlost. Wat moest zij, nu Hij in het graf lag? Hulpeloos stond zij daar. En haar hart trok temeer naar Hem heen, naarr^ate zij gevoelde wat zij 'm Hem verloren had. Het enige, wat zij nu nog doen kon, was: de tol van haar liefde betalen, opdat Hij met zo Croot mogelijke eer in het graf zou liggen. En 7i^als het haar ging, zo ging het ook de andere vrouwen.

Paar rijst echter nog een bezwaar op. Zij zijn CPtuigen geweest van hetgeen Jozef van Arimathea fpdaan heeft. Het komt haar weer levendig voor rfp geest, nu zij het grafgesteente naderen. Het f]fraf was uitgehouwen in een rots, afgesloten rret een deur, en vóór die deur is een zware s^een gerold. Dat is een beletsel, waar zij nog r'et eens aan gedacht hebben .... hoe krijgen 7'\ die steen weg? En als zij die niet wegkrijgen, i'- a' haar moeite tevergeefs. „Wie zal ons de steen van de deur des grafs afwentelen ?" — 74 zo spreekt nu de één en dan de ander. Telkens weer wordt dezelfde klacht gehoord, juist zoals het bij ons gedurig geschiedt, wanneer er iets is, dat ons hart beklemt en waar wij geen raad mee weten. Zo maken zij elkander nog méér bezwaard. Want als die steen niet weg is, kunnen zij de wens van haar hart niet vervullen. Daar zijn ze haast bij het graf. Ze zien op. En wat ontdekken zij daar ? De steen is afgewenteld. Markus zegt ons: „zij zagen, dat de steen afgewenteld was". De Evangelist gebruikt hier weer een tekenachtige uitdrukking. Want dat „zien" is een zien met welbehagen. Het gunt ons opnieuw een blik in het gemoed der vrouwen. Met blijdschap nemen zij waar, dat de steen van de deur des grafs verwijderd is, want die steen was zeer groot. Gelukkig, hij is er al af! Hoe dat geschied is, weten zij niet. Daarover bekommeren zij zich ook niet. 't Is een verrassing, die God de Heere haar bereid heeft, gelijk Hij in allerlei nood telkens weer doet, nietwaar ? want hoe menige steen heeft Hij ook voor ons al uit de weg geruimd I De steen is er af — nu kunnen zij ongehinderd volbrengen dat, waar haar hart haar toe dringt. Alweer: geen gedachte aan opstanding! O, onverstandige vrouwen! Hoe kunt gij aan

O, onverstandige vrouwen! Hoe kunt gij aan de morgen van deze dag met zulke gedachten naar het graf van Jezus gaan ?! Heeft Hij dan niet duidelijk en herhaaldelijk aangekondigd, dat Hij ien derden dage moet opstaan ? O Gemeente ! het verstandsgeloof, dat alles op een blaadje vóór zich heeft, kan hier die vrouwen zo mooi de les lezen. Maar niet wie zichzelf kent en geen vreemdeling is in eigen hart. Hoe menigmaal staan wij ook aan hetzelfde onverstand schuldig. Hoe vaak zijn wij ook de voor ons kostelijkste beloften des Heeren vergeten, juist in die ogenblikken, waarin wij ze zo broodnodig hebben! Ja nog meer dan dat. Wij weten, dat het woord des Heeren vervuld en dat Hij uit de doden verrezen is — en toch, hoe menigmaal gaan wij in duisternis en donkerheid onze weg, alsof Hij nog altijd in het graf lag! Zo hebben wij dan geen roem, als wij tegenover de vrouwen staan, die op opstanding volstrekt niet verdacht waren. Lezen wij verder wat Markus ons meldt, dan bespeuren wij ook, dat de vrouwen het rechte genot van de opstanding niet gehad hebben.

Wat een geluk voor haar, dat zij door de Sabbat verhinderd werden, haar voornemen uitte voeren. Waren zij immers op de vorige dag naar het graf gegaan, dan waren zij gestuit op een bezwaar, dat zij nog niet kenden, n.1. de wachters, die bij het graf geplaatst waren. Nu is die wacht verdwenen, zij heeft haar heil gezocht in een overhaaste vlucht voor hem, die de steen van het graf afwentelde. De vrouwen kunnen nu binnentreden. Zij gaan dan in het graf, zoals Markus ons ver

Zij gaan dan in het graf, zoals Markus ons verhaalt. Doch ontzetting bevangt haar. Argeloos zijn ze de grafkamer binnengetreden, speurend naar hel lichaam haars Heeren. En wat zien zij ? Aan de rechterhand zit een jongeling, in een lang wit kleed. Het graf is geen plaats des doods meer, maar een oord des levens. Dat witte, blinkende, gewaad spreekt van de heerlijkheid des hemels. Maar de vrouwen verstaan deze sprake niet. Haar gedachten gaan niet zover. Zij ontstellen bij het aanschouwen van die onverwachte verschijning.

Wat de vrouwen niet aanstonds verstonden, is ons bekend. Dien zij voor een jongeling aanzien, is geen mens, maar een engel. De engel, die de steen afgewenteld heeft en daar nu zit als een getuige, die stilzwijgend predikt: hier voert niet de dood heerschappij, maar mijn Meester, Die hier door de dood gekluisterd was. Ja, Hij voert heerschappij, want Hij heeft de dood overwonnen. De engel is daar geplaatst ten goede van de vrouwen om haar te dienen met de blijde boodschap der opstanding.

Hoor, hoe hij spreekt: „Zijt niet verbaasd. Gij zoekt Jezus, den Nazarener, Die gekruisigd was ; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaat», waar zij Hem gelegd hadden."

Heerlijke woorden, nietwaar ? Zij komen uit een hart vol blijdschap, dat ook anderen zo graag blij ziet. Die korte zinnetjes, zo los naast elkander geplaatst en zo snel elkander opvolgend, drukken het verlangen uit om die vrouwen in te gieten wat hemzelf vervult. „Zijt niet verbaasd !", staat toch niet zo ontsteld. Daar hebt gij helemaal geen reden toe. Ik weet wel, wat uw hart beweegt. „Gij zoekt Jezus, den Nazarener, Die gekruist was." Welnu, dan kan ik u gelukkig terecht helpen. „Hij is opgestaan", opgestaan uit de doodsslaap. Hij leeft.

O Gemeente! wij kunnen ons voorstellen, dat een glimlach van innerlijk genoegen deze woorden vergezelde. Een glimlach over de heerlijke wijze, waarop de dwaasheid der vrouwen beschaamd werd. Een glimlach, vooral toen de engel het uitsprak: „Hij is hier niet." Dat is wel een tegenvaller voor u, maar 't is gelukkig niet anders. Hij is hier wel geweest, daar kunt ge u zelf van overtuigen ; maar Hij is hier niet meer. „Ziet de plaats, — d. i. ziet, daar is de plaats — waar zij Hem gelegd hadden." Daar hebt gij het overtuigingsstuk van de waarheid mijner woorden. Hij is opgestaan. „Doch gaat heen".... zo vervolgt de engel. Dit

„Doch gaat heen".... zo vervolgt de engel. Dit staat in tegenstelling met: „Zijt niet verbaasd." 't Geeft ons weer een blik in het gemoed der vrouwen. De boodschap van de opstanding heeft haar in de oren geklonken. Zij staan als aan de grond genageld, met haar specerijen in de hand. Geen blijdschap tekent zich af op haar gelaat. Zij weten niet, hoe zij het hebben, 't Is of zij Jezus met alle geweld nog in dat graf willen vinden. Zij zijn als aan die plaats gekluisterd. Er is echter iets anders voor haar te doen, waarin een bezegeling ligt van hetgeen zij uit de mond van den engel vernomen hebben : „Doch gaat heen, zegt Zijn discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; aldaar zult gij Hem zien. gelijk Hij ulieden gezegd heeft". Heerlijke opdracht!

Heerlijke opdracht!

Het moet de vrouwen wel de overtuiging schenken, dat zij niet op kunstig verdichte fabelen onthaald worden. De jongeling is volkomen op de hoogte. Hij weet, dat er discipelen van Jezus zijn. Hij heeft inzonderheid met Petrus te doen. Mei den armen discipel, die zijn Meester verloochend heeft, die alle gemeenschap met Hem heeft ontkend. Hij weet wel, dat deze bijzondere troost nodig heeft, dat hij een aparte boodschap moet hebben, omdat hij zich anders niet durft toeëigenen wat den discipelen gezegd wordt: Petrus heeft zich dit immers voor eigen gevoel geheel onwaardig gemaakt, door zijn besliste ontkenning, dat hij een discipel van Jezus was. Gaat dan tot de discipelen, gij vrouwen !, en met name tot Petrus, en verkondigt hun : „Hij gaat u voor naar Galilea ; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft". De jongeling weet dus ook, wat de Heere Jezus gezegd heeft, nog in de nacht vóór Zijn lijden : „Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea" (14 : 28). Met een blij gelaat brengt hij het in herinnering, als wil hij zeggen: Gij zijt het al lang vergeten, maar wat Jezus zegt houdt stand en wordt waarheid bevonden. Ik heb u niet wat wijs gemaakt, toen ik u Zijn opstanding meldde. Gaat maar naar Galilea, daar zult gij Hem zien.

De vrouwen weten dus nu, dat Jezus opgestaan is, dat Hij leeft. Zij hebben het vernomen op zulk een wijze en onder zulke omstandigheden, dat alle twijfel uitgesloten is. We zouden denken, dat zij nu aanstonds, verrukt van vreugde, naar de discipelen en naar Petrus snelden om de blijde tijding over te brengen.

Maar wat bericht ons de Evangelist? „En zij, haastelijk uitgegaan zijnde, vloden van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen ; en zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd". — Zij gingen wel terstond het graf uit. Doch niet in heilige verrukking. God lovend en dankend. Maar zij vloden van het graf, als was dat een plaats van verschrikking. Zij bleven sidderen over heel het lichaam. Zij waren buiten zichzelf van angst. Zij liepen wat zij lopen konden. En zij zeiden niemand iets; ook aan Petrus niet, al had hij het ook nog zo nodig. Want zij waren bang. Daarom konden zij er niet toe komen om met iemand over deze dingen te spreken.

Hieruit blijkt wel ten duidelijkste, dat de vrouwen het rechte genot niet gehad hebben van de opstanding, die haar op zo heerlijke wijze verkondigd was. Zij hebhen de tijding ervan niet verworpen, maar deze tijding is haar niet zó in de ziel gedrongen, dat zij verblijd werden. Daartoe was de vrees, die haar overviel, te machtig. Hier houdt Markus op met zijn verhaal aangaande de vrouwen. Een wonderlijk slot, nietwaar? Het bevredigt ons niet. Wij zouden hier zeker niet afgebroken hebben.

Wij zouden er zeker aan toegevoegd hebben, dat de vrouwen toch ook blijdschap gekend 75 hebben, tenminste nog tot blijdschap gekomen zijn, al was het dan ook later. Want wij hebben zo'n gevoel, dat de geschiedenis niet „af" is. En toch heeft de Evangelist niet geschroomd, hier een punt te zetten.

O Gemeente ! aanschouw hier de wijsheid des Geestes, Die hem bestuurde. Om onzentwil is dat geschied. Er zijn er ook onder ons, wier geschiedenis in dit opzicht niet af is. Ja, hoe menigmaal staan wij zelf niet voor hetzelfde geval in ons eigen leven. Ik bedoel dit: dat wij zelf ook niet doorgedrongen zijn tot de blijdschap over de opstanding van Christus uit de doden. Wij kennen de boodschap. Wij houden haar voor waar. Doch de kracht ervan genieten wij niet zo ... . De vraag rijst bij ons op, of wij wel echte discipelen van Jezus zijn, terwijl vreugde over Zijn opstanding onze ziel niet doortrilt. Als wij hierover aangevochten worden, is ons tot machtige troost wat Markus ons omtrent deze vrouwen bericht: dat waren echte discipelinnen des Heeren en toch hadden zij hef rechte genot van Zijn opstanding niet.

Hier lezen wij, dat niemand deze dingen in eigen hand heeft. En dat niet, opdat wij de dingen op hun beloop zullen laten. Maar opdat wij zullen vasthouden aan het Evangelie der opstanding, ons hiervan verzekerd houdende, dat Jezus leeft, — en tegen alle aanvechting in God biddende, dat Hij ons de ervaring hiervan ook schenke, naar de belofte : „aldaar zult gij Hem zien". Met het lichamelijk oog zullen wij Hem hier beneden niet aanschouwen, maar wel met het oog des geestes. Wij zien Hem, wanneer de Heilige Geest ons hart van Hem vervult. En dat zal niet uitblijven bij ieder, die als een zondaar zich naar Jezus uitstrekt (Gez. 13Q : 1, 3).

Il

Zo mogen wij zingen, Gemeente ! terwijl wij ons houden aan het Evangelie, dat God ons deed horen. Want wij mogen heel anders tegenover de opstanding staan dan de vrouwen er tegenover stonden aan de morgen van die eerste dag der week. Vraagt gij, hoe wij er dan tegenover mogen

Vraagt gij, hoe wij er dan tegenover mogen staan, dan is het antwoord in één woord te geven, n.1.: met grote blijdschap. Want de opstanding van Jezus Christus is een heerlijk feit. Denk maar eens, wat de opstanding betekende onder de omstandigheden van het ogenblik, om zo te zeggen : van de buitenkant beschouwd. Door de vijandschap der Joden was Jezus aan bet kruis gebracht en overgegeven aan het oordeel des doods. Het recht had het onderspit gedolven. In Zijn opstanding heeft het recht weer over het onrecht gezegevierd, ja, een beslissende zegepraal behaald. Gebleken is, dat God toch het recht handhaaft.

Is dit niet reeds een reden tot grote blijdschap ? Het gaat in de wereld vaak schots en scheef toe. Onder personen zowel als onder volken. Hiervan doen wij in deze oorlogstijd bittere ervaringen op. Het recht struikelt op de straten. Wie de 76 macht heeft, doet alsof hij opkomt voor het recht, terwijl eigenbelang al zijn gangen bestuurt. En het schijnt, alsof God Zich om het recht niet bekommert. De geschiedenis van Jezus leert ons echter duidelijk, dat niets Zijn alziend oog ontgaat, dat Hij nochtans het recht handhaaft en het eindelijk toch doet voortkomen. Als de zaak maar in waarheid op Hem gewenteld wordt in ware vreze Zijns Naams. Daar komt het op aan I En dat mogen wij in alle ernst ons volk en onszelf wel toeroepen: bekeert u van al uw boze wegen tot den Heere, keert terug tot Hem met oprechte belijdenis van zonde en schuld. Dan zal Hij ook uw recht „voor elks gezicht doen dagen als de morgenzonnestralen, en blinken als het helder middaglicht". Dan — maar anders zult gij zelf, al is 't door middel van onrecht aan de zijde van mensen, ondergaan door Gods rechtvaardig oordeel.

Nog meer komt uit, welk een heerlijk feit de opstanding van Jezus Christus is, wanneer wij letten op de kern der zaak. Als wij dus niet letten op Jezus als persoon, maar Hem beschouwen naar Zijn ambt als Gezalfde des Heeren, als den door God aan zondaren beschikten Verlosser.

Dat was juist de nood van de discipelen van den Heere Jezus, dat in Hem hun Verlosser ten grave was gedaald. Denk maar aan Kleopas' klacht: „En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou." In dat „wij" sluit hij niet alleen zijn metgezel op de weg naar Emmaus in, maar heel de kring der discipelen, ook de vrouwen, die wij in de geest op haar weg naar het graf vergezeld hebben. — Met Jezus was al hun verwachting ten grave gedaald. Maar de opstanding van Jezus heeft aan die nood een einde gemaakt. Zij hebben niet tevergeefs op Hem gebouwd. Hij is inderdaad hun Verlosser. Welk een troost ook voor ons, d. w. z. voor allen, die als zondaren tot Hem de toevlucht genomen hebben. Wij hebben een levenden Heiland, Die ons in geen nood Zijn bijstand laat ontberen. Met Hem komt niemand bedrogen uit. Wij staan niet alleen in het leven met al zijn moeite en strijd. Wij hebben een machtigen Helper, voor Wien elke vijand moet zwichten, voor Wien elke nood wijken of ons ten goede dienen moet.

Hierin ligt tevens een ernstige waarschuwing voor allen, die van dezen Christus niet gediend zijn; voor allen, die zichzelf in vermeende gerechtigheid handhaven. In Hem alleen is heil. Wie het niet in Hem zoekt, wordt beschaamd. Hij zal eenmaal de wereld oordelen. En dan tot hen zeggen : „Gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!" In Zijn opstanding ligt veelvuldige troost voor allen, die op Hem hun vertrouwen hebben gesteld. Het is hun menigmaal bang vanwege hun zonden. Als die op hen aankomen, worden zij gedrukt door het gevoel van hun schuld. Gods heilige Wet veroordeelt ons, omdat wij tegen al Zijn heilige geboden gezondigd hebben en nog steeds tot alle boosheid geneigd zijn. Waar moeten wij heen ? Hoor, wat de Apostel Paulus van Jezus Christus zegt: „Die overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking." Het zijn onze zonden, die Hem de dood brachten. Het is onze rechtvaardigmaking, die Zijn opwekking deed volgen, in de opstanding van Christus hebben wij dus het bewijs, dat wij gerechtvaardigd zijn. AI onze zonden zijn in het graf van Christus begraven. Gehoorzaam geworden tot de kruisdood als de Mens-in-onze-plaats was Christus geheel met Gods Wet in overeenstemming, waren wij dus naar Gods oordeel met Zijn Wet in overeenstemming gebracht. Door het geloof in Jezus Christus is dat ons deel, als een wettig verkregen eigendom, door Gods genade ons toegekend. Zo is dan onze schuld gedelgd en mogen wij ons onbelemmerd in Gods gemeenschap verheugen. De zonde veroorzaakt ons zware strijd. Zij komt

De zonde veroorzaakt ons zware strijd. Zij komt gedurig op ons aan. Zij woelt in ons binnenste. Zij woelt in ons lichaam en tracht haar doel te bereiken door onze ogen, onze oren, onze mond en wat niet al. Wij zijn er niet tegen bestand. Wij worden door de zonde lichtelijk verrast en laten ons door haar meeslepen. Hoe komen wij er af ? Hoe komen wij uit haar ban uit ? Hoe zullen wij leven naar Gods heilige wil ? Hoor andermaal naar den Apostel Paulus, die in Rom. 6 : 4 schrijft: „Wij zijn dan met Hem begraven door de doop-in-de-dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is door de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden". Zo ligt dan in de opstanding van Christus — in onafscheidelijk verband met Zijn dood — de kracht tot een Oode-welbehagelijke wandel. Wie in geloof zich aan den Verrezene vastklemt, die is veilig tegen de zonde. Van hem geldt: „Maar nu, van de zonde vrijgemaakt zijnde en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uw vrucht tot heiligmaking", uw vrucht, die aan de dag komt in volkomen toewijding van hart en leven aan God. Houd u dan aan Christus, tegen alle zonde in. Dan stuit zij af als tegen een muur. En eindelijk, er is nog één vijand, die op ons

En eindelijk, er is nog één vijand, die op ons wacht, n.1. de dood. Aan zijn greep zal niemand van ons ontkomen, tenzij de toekomst des Heeren nog bij ons leven aanbreekt. Gelijk velen onzer dierbaren, zullen ook wij ten grave dalen. Al wordt onze ziel, dank zij de arbeid der ziel van Christus, opgenomen tot God, — toch zal de dood over ons lichaam heersen. Maar Christus heeft het graf geopend, waarin de dood Hem als één van ons besloten had. Zo zal Hij ook de graven openen van allen, die in Hem ontslapen zijn. De dood moet zijn prooi afstaan. Ook ons stof zal leven. Het wonder, in de opstanding van Christus voltrokken, wordt ook aan ons gewrocht: onze ziel wordt weer met ons lichaam verenigd, opdat wij zó altoos met den Heere mogen zijn. AMEN.


Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 mei 1949

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Met de vrouwen bij het ledige graf.*

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 mei 1949

Kerkblaadje | 8 Pagina's