Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Rijk zijn in God.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rijk zijn in God.

22 minuten leestijd

Text: Lukas 12 : 21: „Alzo is het met dien, die ziclizelven schatten vergadert, en niet rijk is in Qod".


Gemeente des Heeren ! In het u voorgelezen (extwoord maakt de Heere Jezus de toepassing op de gelijkenis, die Hij zo juist had uitgesproken : de gelijkenis van den rijken dwaas. Merkwaardig is het verband, waarin deze gelijkenis voorkomt.

Ernstige woorden had onze Heiland tot Zijn discipelen gericht in tegenwoordigheid van een talrijke schare, die zelfs tot in de duizenden liep. Ernstige woorden, waarin Hij hen op zware tijden voorbereidde, tijden van vervolging waarin hun geloof op harde proef zou worden gesteld : het kon wel zijn, dat zij het met de dood moesten bekopen. Maar de strekking van deze ernstige woorden was: hen te bemoedigen, omdat ze toch waren in de hand van dien Ood, Die zelfs geen musje vergeet; omdat ze toch stonden onderde hoede van den Zoon des mensen. Die voor Zijn Vader zal belijden dengene, die Hem belijdt voor de mensen; omdat ze niet minder stonden onder de leiding van den Heiligen Geest, Die hen zal leren te spreken wat tot verantwoording nodig is. Daar komt opeens een stem uit de schare:

Daar komt opeens een stem uit de schare: „Meester! zeg mijn broeder, dat hij met mij de erfenis dele !"• Mij dunkt, gij gevoelt wel onmiddellijk het schrille contrast tussen dit verzoek en de prediking, die de Heiland zo juist gehouden heeft. Terwijl de Heere Jezus sprak over eeuwig wél en eeuwig wee, kwam deze man aan met een zaak, die enkel tijdelijk belang raakte. Zijn tijdelijk belang woog hem zwaarder dan alle woorden van den Heere Jezus. Ja, hij wilde Jezus, Die onder het volk gezien was, gebruiken om in het bezit te komen van aards goed. Dat brengt den Heere Jezus tot het bekende woord : „Mens ! wie heeft Mij tot een rechter of scheidsman over ulieden gesteld ?" Met een heel ander doel was Hij immers in de wereld gekomen ! Dat »brengt Hem ook een waarschuwing tegen de geldgierigheid over de lippen, tegen de zucht om het bezit almaar te vermeerderen, alsof overvloed van aardse goederen het leven waarborgde.

Het tegendeel hiervan laat Hij uitkomen in de gelijkenis van den rijken dwaas, die midden in de vreugde over zijn bezit uit zijn bezit werd weggerukt. En op deze gelijkenis maakt Hij de toepassing in de woorden van onze text : „Alzo is het met dien, die zichzeiven schatten vergadert, en niet rijk is in God".

Als wij dit woord beschouwen in het verband, waarin het gesproken is, zien wij het in drieërlei licht en leren het kennen als I een ernstig woord, II een beschamend woord, en III een liefderijk wcord.

l Het is een ernstig woord, dat daar uit de mond van den Heere Jezus komt, als Hij zegt: „Alzo is het met dien, die zichzeiven schatten vergadert, en niet rijk is in Ood".

Niet omdat de Heiland hiermee rijkdom, of in het algemeen bezit, veroordeelt. Dan had Hij een tegenstelling moeten maken tussen het vergaderen van schatten en rijk zijn in God. Dat heeft Hij echter niet gedaan.. Dat is ook geenszins Zijn bedoeling geweest. Hebt ge b.v. ooit gelezen, dat Hij aanmerking maakte op de rijkdom van de huisvrouw van Chuzas, den rentmeester van Herodes, of van andere discipelinnen, die Hem dienden van haar goederen ? Dan zou Hij ook het doen van Zijn eigen Vader veroordeeld hebben, Die immers zovelen rijk gemaakt heeft, niet in Zijn toorn, maar in Zijn gunst, zoals b.v. Abraham, Izak, Jakob, Salomo. Neen, de Heere Jezus ontkent niet, dat rijk zijn in God kan samengaan met aanwas van aards bezit. Maar Hij waarschuwt tegen het verzamelen van schatten, waarbij men zich om rijk zijn in Ood niet bekommert. Wie zich zó bezig houdt met vermeerdering van zijn bezit, die is er jammerlijk aan toe, zoals het door den Heiland getekende beeld van den rijken dwaas bewijst.

Een groot-grondbezitter stelt de Heere Jezus ons hier voor ogen. Iemand van het slag, dat spreekt: „Zover uw oog reikt, is alles het mijne !" Zijn land heeft wél gedragen. Een rijke oogst staat vóór hem. Zó rijk, dat hij er eigenlijk geen raad mee weet. Wij horen hem immers zeggen : „Wat zal ik doen ? want ik heb niet, waarin ik mijn vruchten zal verzamelen". Hij heeft er dus geen bergruimte voor. — Wij zouden zeggen: dat was zon groot bezwaar niet. Met hetgeen hij

dat was zon groot bezwaar niet. Met hetgeen hij te veel had, had hij anderen kunnen helpen, hetzij door het te verkopen, hetzij door het aan de armen mee te delen, hetzij langs deze beide wegen. Daar dacht onze rijkaard echter niet aan. Hij zag met een vergenoegde blik zijn oogst aan en was er alleen op uit, die te bewaren,om zich in de overvloed te verheugen. Hoor maar, wat hij bij zichzelf overlegt en tot welk besluit hij komt: „Dit zal ik doen : ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas en deze mijn goederen". Grotere schuren dus, tot de nok toe gevuld met zijn koren en wat zijn land verder gedragen moge hebben. Hij verkneukelt zich in de toekomst. Als hij straks vóór die volle schuren staat, zal hij een nieuwe alleenspraak houden. Dan zal hij tot zijn ziel, de draagster van zijn leven, zeggen: „Ziel! gij hebt nu vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren : neem rust, eet, drink, wees vrolijk!" Een onbekommerd leven ligt er vóór hem, gewaarborgd door zijn overvloed. Hij is op het toppunt van geluk.

Op ontzettende wijze wordt echter zijn geluksdroom verstoord. Daar is buiten den rijkaard zelf nóg iemand, die zich met hem bezig houdt: de hoge God, daarboven in de hemel. En Hij spreekt tot hem: „Gij dwaas! in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen ; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn ?" Welk een ontnuchtering ! Hij is zelfs geen meester van zijn leven, dat hij zo volop verzorgd waande. Zijn levensdraad wordt snellijk afgesneden. En wien valt zijn opgetast goed ten deel? Hij heeft er zelf niets aan. In een ogenblik is hij van zijn bezit af, van al de rijke voorraden, waaruit hij onbekommerd dacht te leven.

En hij zelf? De Heere Jezus spreekt er niet verder over. Het was Hem met deze gelijkenis alleen te doen om déze waarheid in het licht te stellen : „het is niet in de overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijn goederen", d. i., vrij weergegeven : overvloed hebben is nog niet hetzelfde als: uit zijn bezit leven ! Gij gevoelt echter wel, dat er meer achter zit. Onwillekeurig vragen we, als wij dat woord Gods horen : „Gij dwaas ! in deze nacht zal men 114 uw ziel van u afeisen" : en dan ? En op deze vraag bevat dit woord Gods wel degelijk een antwoord, al heeft de Heere Jezus er niet nadrukkelijk op gewezen. Wij zien immers dien rijkaard gescheiden van zijn bezit. Zonder iets moet hij uit het leven heengaan.

Deze gedachte heeft een woord mee te spreken, als wij komen aan de toepassing, die de Heere Jezus maakt: „Alzo is het mei dien, die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God". Als de ontknoping van zijn leven komt, staat het er met hem even jammerlijk voor. Al zijn mooie plannen liggen in duigen. Wel volgt deze ontknoping niet steeds op dezelfde snelle manier als bij den rijken dwaas. Dat is zelfs een zeldzaamheid.

In de meeste gevallen ligt er een grotere afstand tussen het ontwerpen van het toekomstbeeld, dat men zich als ideaal stelt, en de verstoring ervan door de dood. Maar het resultaat is precies hetzelfde. Het leven is enkel in Gods hand. Hij snijdt het af op de tijd en op de wijze, die Hij alleen bepaah Maar als de dood komt, is men alles wat men bezit kwijt, wanneer men niet rijk is in God. Dan moet men zonder iets de dood in . ..

En wat dit te betekenen heeft, is duidelijk genoeg, nietwaar? Met de dood is het niet uit. De ontknoping van de levenshistorie is niet het einde van ons bestaan. Ook in deze kring van gedachten heeft de Heere Jezus Zich in die ogenblikken bewogen. Of heeft Hij niet tot Zijn jongeren gezegd: „Vreest Dien, Die, nadat Hij gedood heeft, macht heeft in de hel te werpen ; ja, Ik zeg u : vreest Dien !" (vs 5b). Op de dood volgt het oordeel. En als wij alles wat wij bezaten met de dood verliezen, dan staan wij ook in het oordeel niet lege handen. Dan staan wij daar met niets anders dan met onze zonden. En waar moeten wij dan blijven ? Dan schiet er voor ons niets anders over dan veroordeling, eeuwige scheiding van God, eeuwige rampzaligheid.

„Alzo is het met dien, die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God". Gemeente! laten wij dit toch ter harte nemen. Wij allen, zonder enig onderscheid. Want dit woord van den Heere Jezus is niet een woord, alleen bestemd voor mensen, die wat in de melk te brokken hebben. Niet enkel uit zulken bestond immers Zijn gehoor. Daar waren „vele duizenden der schare bijeenvergaderd, zodat zij elkander ver

traden" (vs 1). Groot-grondbezitters zullen daar wel uitzonderingen zijn geweest. De meesten zullen wel behoord hebben tot de eenvoudige stand. Het komt hier niet aan op de hoeveelheid en op de waarde van hetgeen men als schatten vergadert, maar op de gezindheid, waarin men dat doet. Wie er op uit is, aardse goederen te vergaderen, op hoe kleine schaal dan ook, die doet het met het oog op de toekomst en op toekomstig genot van hetgeen hij vergadert. Maar weet hij bij dit alles van geen rijkdom in God, dan zal dit alles hem geen nut doen : bij de dood raakt hij alles kwijt. En wij kunnen dit ook nog uitbreiden. Er zijn ook andere dan stoffelijke goederen, waar men het hart op kan zetten: goederen van ideële aard. Menigeen staat naar eer, roem, aanzien, invloed in deze wereld. Dat alles is heel mooi, en op zichzelf beschouwd ook niet te verachten, terwijl God Zelf immers ook genade en ere geeft. Maar wat baat het, wanneer er geen rijk zijn in God aanwezig is ? Ook in dat alles blaast de dood. Alles ontzinkt ons in het stervensuur, als het ons tenminste nog niet vóór die tijd ontzonken is Wie niet rijk is in God, die zinkt ook „van de top van eer in eeuwige verwoesting neer".

II Hebben wij zo dat woord van den Heere Jezus als een ernstig woord leren kennen, het textverband toont ons, dat het ook een beschamend woord is.

„Alzo is het met dien, die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God". De Heere Jezus heeft de gelijkenis, waarvan de toepassing in dit woord vervat is, gesproken naar aanleiding van een bepaald geval. Ge denkt onmiddellijk aan den man, die den Heiland opriep om zijn broeder te zeggen, dat hij de erfenis met hem delen moest.

Voor dien man was dit woord voorzeker beschamend : hij moet het wel gevoeld hebben, dat dit woord hem trof en brandmerkte als iemand, die er op uit was, aardse goederen op te leggen, zonder zich om rijk zijn in God te bekommeren.

Dat is ook glashelder, als we ons maar even herinneren, op welk ogenblik hij bij den Heere Jezus met die erfeniskwestie aankwam : terwijl de Heere Jezus gesproken had over het onbevreesd uitkomen voor de waarheid, om Zijn jongeren legen komende strijd en nood te bemoedigen ; terwijl Hij gesproken had over dingen, die beslissend zijn voor eeuwig wél of eeuwig wee. Voor dit alles heeft die man heel geen oor gehad.

Hij heeft al maar zitten tobben over het deel der erfenis, dal hij zo graag ontvangen zou, maar niet machtig kon worden. Hij heeft al met smart zitten wachten op het ogenblik, waarop de Heere Jezus uitgesproken zou zijn, om dan dadelijk met zijn lijdelijk belang aan te komen. Om geld en goed was 't hem te doen. Om rijk zijn in God bekommerde hij zich niet: orrj, rijkdom, die in de richting van God ligt, die in God zijn doel en dus God Zelf tot inhoud heeft.

Doch het was niet alleen beschamend voor dien man. Want de Heere Jezus knoopt aan hetoptreden van dien man een algemene waarschuwing vast: „Ziet toe en wacht u van de gierigheid, want het is niet in de overvloed gelegen, dal iemand leeft uit zijn goederen" (vs 15) Dit woord is gericht tot heel de schare, die Hem omringt. De Heiland weet wel, wat er in het mensenhart schuilt, n.i. gierigheid, de zucht om meer te hebben, om altijd maar meer te vergaderen. Terwijl Hij hiertegen waarschuwt, geeft Hij duidelijk te kennen, dat zij allen aan het zelfde gevaar bloot staan, waar die éne al in gelopen was ; dat op df bodem van hun hart dezelfde kwaal verborgen lag en uitbreken zou, zodra de gelegenheid zich maar zou voordoen.

En dat woord van den Heere Jezus heefi zijn beschamende betekenis in onze tijd nog niet verloren. Hoe menigeen moet beschaamd staan, wanneer dat woord hem in de oren klinkt. Hoe menigeen moet bekennen : „die man, die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God, ben ik !"

Tegenspraak heb ik immers van u niet te vrezen. Gemeente! wanneer ik deze dingen open en bloot uitspreek. Al zullen wij niet aanstonds man en paard noemen, toch weten wij er allen genoeg van, hoe het in de wereld toegaat. Schatten verzamelen — daar is het oog ei het hart allei wegen op gericht, zonder dat men zelfs aan God denkt.

Dacht men aan God, dan zou er o zoveel achterwege blijven, waar men zich nu met alle macht op werpt. Overal zoekt men geld uit te slaan. Het is niet alleen het opdrijven van lonen, maar ook het ongeoorloofd opdrijven van huur- en koopprijzen, waar men het telkens over heeft.

Het gaat ook inderdaad meer dan eens alle perken te buiten. Velen schijnen geen geweien meer te hebben : als de naaste in verlegenheid is, moet hij bloeden, al zal hij ook moeten doodbloeden. — En wat wordt er buitendien niet gedaan om maar aan meer geld te komen ! Ik denk aan allerlei speculaties, die ondernomen zijn en nog ondernomen worden. De één speculeert in handelsartikelen, de ander in geld. Menigeen heeft zichzelf al een strop om de hals gehaald, en toch gaat men er mee door in de hoop op betere kansen Meer bezit, meer geld omhanden, altijd maar meer, — dal is veler doel en streven. Men slaat ermee op en men gaai ermee naar bed.

Al ondervindt men honderdmaal, in meerdere of mindere mate, de waarheid van Paulus' uitspraak : „Die rijk willen worden, vallen in vele verzoekingen en in de strik en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken", toch wordt de weg van rijk willen worden telkens weer betreden. Door den één, om zich in de tegenwoordige tijd gemakkelijker te kunnen bewegen en zich te kunnen verschaffen wat het hart begeert. Door den ander, om voor de toekomst geborgen te zijn. Wie zal de massa's tellen, die zich het woord van den Heere Jezus moeten aantrekken : „Alzo is hel met dien, die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God" ?

Dat is alles volkomen waar. Doch daarmee zijn wij van deze uitspraak nog niet af. Behoeven wij het onszelf niet aan te trekken? Ligt ervoor ons niets beschamends in ? Kunnen wij met de hand op hel hart betuigen : ik behoor niet tot degenen, die schatten verzamelen en niet rijk zijn in God ? Staal werkelijk hel rijk zijn in God bij ons bovenaan, zodat wij ons om het verzamelen van schallen niet bekommeren ?

Gemeente! als wij op het uiterlijke mochten afgaan, dan zouden wij werkelijk denken, dat 115 deze schoen ons niet past. Wij tonen immers bela'igstelling voor Gods Woord. Wij zijn gewend, op te gaan naar het huis des gebeds. Wij komen met onze kinderen ten Doop. Wij schikken aan, als de Tafel des Heeren staat toegericht. Dat zijn toch tekenen, die er op wijzen, dat wij grote rijkdom in God zien, nietwaar ?... Och, mochten wij deze slotsom werkelijk trekken ! Zover is het echter nog niet. Die schare vergaderde rondom den Heere Jezus, zat onder Zijn gehoor, was wie weet waar vandaan gekomen en had er dus wie weet hoeveel voor over ge'.ad. Ook die man van de erfeniskwestie. Dat is toch leerrijk.

Dat noopt toch tot zelfonderzoek. „Arglistig is het hart, meer dan enig ding", dat geldt ook hier. Wie weet, welk een rol er in het nalopen van het Woord en dus van den Heere Jezus, Die hiervpn het middelpunt is, gespeeld wordt door de verwachting, dat ons dan tiet nodige in deze wereld wel zal toekomen, zonder dat er enige waarachtige bekommering is over onze verhouding tot God.

Laat ons niet vergeten, dat er ook discipelen van den Heere Jezus bij waren, toen de Heiland zo sprak. Ook voor hun oren heeft Hij het uitgeroepen. Toch niet, alsof het hun niets te zeggen had! Wie dat mocht menen, moet maar eens een blik werpen in hetgeen Hij, blijkens hetgeen op onze text volgt, uitdrukkelijk tot Zijn discipelen sprak. Lukas beschrijft hier juist de rede van den Heere Jezus over de onnodige bezorgdheid voor voedsel en kleding. Dit bewijst alvast, dat Lukas zelf gevoeld heefi, dat geen discipel des Heeren dit woord voorbijlopen kan, alsof het op hem geen betrekking en dus voor hem geen belekenit had. Mij dunkt: de oorlogsjaren hebben het ons duidelijker dan ooit geleerd, wat er in dit opzicht in ons eigen hart te vinden is. Of hebben wij misschien rustig gestaan, als een rots temidden van de kokende golven ; rustig in het bewustzijn,

dat God onze God is ? Hebben wij niet meegedaan aan al dat bezorgd zijn ? Aan al die pogingen om maar één en ander, en dan liefst zoveel mogelijk, machtig te worden wat ons leven voor korter of langer tijd scheen te waarborgen ? leder kan voor zichzelf 't best het antwoord geven. Maar dat antwoord zal zeker niet in ons voordeel uitvallen. — En hoe stond het met ons, vóórdat de oorlogsweeën over ons losbraken? Was het toen beter met ons gesteld ? Was het toen wezenlijk onze eerste zorg, rijk te zijn in God, zó dat wij het rustig aan fiem overlieten, wat wij in deze wereld zouden hebben: een ruimer of een minder ruim deel ? Is dat werkelijk de gewone gang van ons leven ? Of zagen en zien wij meermalen met jaloersheid naar degenen, die ruimschoots over het goed der wereld kunnen beschikken ; voelden en voelen wij menigmaal de begeerte in ons opkomen om het óók zo te hebben, zodat wij onafhankelijk zijn van alle mogelijke omstandigheden en rustig in ons bezit de toekomst kunnen tegengaan ? Maar als dit laatste het geval is, dan zijn 116 er verschijnselen van de ziekte, die heet: „schatten vergaderen zonder rijk te zijn in God" ook bij ons aanwezig. En wie kan zichzelf hiervan werkelijk vrij pleiten ? Ook onze ziel kleeft aan het stof. Ps. 119 : 13.

III Deze belijdenis en deze bede worden niet tevergeefs tot Gods Troon opgezonden. Als wij werkelijk verslagen zijn over dat woord van den Heere Jezus, dan is er voor ons nog een verrassing. Want dat ernstige en beschamende woord is ook een liefderijk woord. Dit mag ons op het eerste gehoor wel wat vreemd

Dit mag ons op het eerste gehoor wel wat vreemd in de oren klinken, toch is het inderdaad zo. Wij kunnen 't haast niet geloven, nietwaar ? Want als dat woord: „Alzo is het met dien, die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God ' ons in de oren klinkt, zoals het ons in de prediking in de oren geklonken heeft, dan krijgen wij een gevoel, alsof de Heere Jezus ons volstrekt geen rust gunt, alsof 't er Hem om te doen is ons uit alle schuilhoeken op te jagen, alsof Hij ons het liefst in de bank der beschuldigden ziet. Wij voelen het aan als een kwellend woord, dat niet voortkomt uit een hart vol liefde, maar uit een hart, dat liet op ons verderf voorzien heeft.

En toch is niets minder waar dan dat. Had Hij werkelijk lust in het verderf van mensen, dan had Hij dit woord nooit gesproken, dan had Hij deze gelijkenis achterwege gelaten, dan had Hij nooit tegen de gierigheid gewaarschuwd, dan had Hij dien man van de erfeniskwestie in zijn zucht naar aards bezit zonder rijkdom in God laten voortleven of hem daarin gestijfd. Dat Hij dit niet deed, maar dit ernstige en beschamende woord sprak, is een bewijs van Zijn liefde, die mensen uit de banden hunner zonde verlossen wil. Want in dit woord ligt de vermaning: Wees rijk in God ! Sta er toch naar, rijk te zijn in God !

Gelukkig de mens,'die naar aanleidipg van deze dingen tot de vraag komt: hoe word ik rijk in God ? Gelukkig — omdat God Zelf ons de weg daartoe gebaand heeft. Niet onbekend is ons het woord van Paulus : „Want gfj weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede rijk zoudt worden". Het Kerstfeest herinnert ons levendig aan dat grote wonder van de liefde van God en van Zijn Christus. Arm is Hij geworden, zodat Hij in déze wereld geleefd heeft als iemand, die zelf niets had, maar alles hebben moest uit de hand van Zijn Vader. Zo was Hij in waarheid rijk in God en heeft daarom nooit het hart gezet op het verzamelen van aardse goederen om hierin een waarborg te hebben voor een bestaan in deze wereld. En toch heeft Hij aan het kruis Zijn leven gelaten, als had Hij geen deel aan God. Maar juist zo heeft Hij onze zonden verzoend; ook die zonde, dat wij het telkens weer in aardse schatten zoeken. Zó heeft Hij ons de weg tot Ood gebaand, om Hem deelachtig te worden. Begeert gij waarlijk rijk te zijn in Ood, — tot Jezus Christus dan heen. Oog en hart op Hem gericht! Met uw zonden, met al uw zonden, ook uw zondige aard, tot Hem de toevlucht genomen ! Bij Zijn kruis wordt gij gewaar, welk een God de Vader van onzen Heere Jezus Christus is. Daar krijgt gij een blik in Zijn hart, zo vol van ontferming over het verlorene. Daar roept alles u toe : hier is uw God ! Als wij daaraan denken, dan verblijdt ons wat

Als wij daaraan denken, dan verblijdt ons wat ons anders zo geweldig kan neerdrukken, n.l. dat het Woord des Heeren ons voortdurend onze zonden blootlegt en niet ophoudt ons te bepalen bij onze ongerechtigheden, bij onze schuld en onze doemwaardigheid. Want dan vatten wij het : zo dringt Hij ons gedurig naar Christus heen. Alleen in nood der ziel S'rekken wij ons naar, Christus uit. Gemis doet uitzien naar Zijn gemeenschap. Alleen in aood der ziel wordt de rijkdom in Ood gevonden. Dan wordt Hij werkelijk ons Eén en Al.

Het is en blijft Gods werk alleen, als wij rijk zijn in Hem. Het werk van den Heiligen Geest, Die ons altijd weer rijk maakt in Hem. Gemeente ! dat gaat steeds door strijd heen. Strijd, waarin het vlees begeert tegen d>3n Geest en de Geest tegen het vlees. Want altijd weer hebben wij te kampen met het oude euvel: bang zijn, dat wij er niet zullen komen, en daarom weer grijpen naar aardse goederen, naar zichtbaar en tastbaar bezit. Maar de Geest weet ons hier wel van af te brengen. Soms langs uiterst moeilijke wegen, waarbij aardse goederen, in welker bezit wij ons verheugden, verdwijnen ais sneeuw voor de zon. Onder andere omstandigheden, door ons indachtig

Onder andere omstandigheden, door ons indachtig te maken, welk een God wij hebben : een God, Die ook de raven voedt. Die ook de leliën des velds bekleedt en zó met heerlijkheid bekleedt, dat zelfs de heerlijkheid van Salomo er niet bij haalt. Zo trekt Hij ons hart van het vergankelijke af en richt het op den hogen God alleen. Zijn wij werkelijk rijk in God, dan verachten wij

Zijn wij werkelijk rijk in God, dan verachten wij daarom de aardse goederen nog niet. Ze zijn niet waardeloos, 't Zijn immers de middelen, waardoor God ons aardse leven wil onderhouden. En wij voelen onze verantwoordelijkheid met

En wij voelen onze verantwoordelijkheid met betrekking tot hetgeen God ons gaf. Ja, met betrekking tot hetgeen God ons gaf, want dan beseffen wij, dat alles wat wij hebben, veel of weinig, ons door Gods hand is toebeschikt. Dan weten wij ook, dat Hij het ons met een bedoeling gegeven heeft. Met deze bedoeling : het te gebruiken, voor onszelf, maar ook ten nutte van anderen. Dan zullen wij het niet verkwisten, maar bedenken, dat er ook een kwade dag kan

maar bedenken, dat er ook een kwade dag kan komen. En aan de andere kant zullen wij het ook niet angstvallig bewaken, opdat er niets afga, maar het besteden, zoals eigen behoefte en anderer nood het meebrengen. Dan zullen wij immers voor ogen houden, dat van onzen God is het zilver en het goud en het vee op duizend bergen, — dat Hij dus altijd nog meer heeft om ons te geven! Wij komen dus, rijk zijnde in God, niet onverschillig te staan tegenover aardse goederen. Maar wij worden er wel los van. Geen angstig jagen, geen rusteloos zwoegen en sloven om toch ons bezit maar te zien aanwassen. Maar trouwe arbeid en tevredenheid met hetgeen God ons geeft. Geeft Hij ons weinig, het is ons goed, omdat

Geeft Hij ons weinig, het is ons goed, omdat Hij Zelf ons deel is. Geeft Hij ons veel, wij nemen het aan als een geschenk uit Zijn hand, maar zetten er het hart niet op, dit wetende : er is niets vasis in deze wereld, waar wij de meest vaststaande waarden hun waarde zien verliezen — maar onze God blijft eeuwig Dezelfde en bij Hem zal mij niets ontbraken. Rijk zijnde in God, gaan wij veilig door het leven

Rijk zijnde in God, gaan wij veilig door het leven en daarom ook volkomen rustig : hoe wij ook menigmaal geslingerd worden. Hij Zelf brengt ons weer tot rust door ons U bepalen bij Zijn Christus. En de dood roofi ons niets. AMEN.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 juli 1949

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Rijk zijn in God.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 juli 1949

Kerkblaadje | 8 Pagina's