Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De opstanding des vleesches,* Door Dr H. F. Kohlbrugge

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De opstanding des vleesches,* Door Dr H. F. Kohlbrugge

19 minuten leestijd


Wij handelen in dit uur met elkander over de opstanding des vleesches. Daarvan lezen wij in het Evangelie naar Mattheüs in het 22ste Hoofdstuk vers 23—33 het volgende :


Laat ons met het voorgelezene vergelijken de leer van de opstanding des vleesches, in de 57ste vraag van den Heidelbergschen Catechismus vervat.

Daar wordt gevraagd : „Wat troost geeft u de opstanding des vleesches?" En het antwoord luidt aldus: „Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden ; maar dat ook dit mijn vleesch, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, weder met mijn ziel vereènigd, en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden".

Laat ons alzoo overeenkomstig de leer en de vertroosting van de opstanding des vleesches het volgende overwegen :

1. Dat onze ziel onsterfelijk is, en hoe en waar zij zich bevindt, als lichaam en ziel van elkander gescheiden zijn.

2. In welken toestand de ziel der geloovigen alsdan verkeert, en in welken toestand de ziel van hem, die onbekeerd gestorven is. 3. Er is derhalve een opstanding des vleesches.

3. Er is derhalve een opstanding des vleesches.

4. Wij ontvangen dezelfde lichamen weder, welke wij hier omgedragen hebben.

5. Hoe en wanneer deze opstanding zal zijn.

6. Waartoe, tot welk doel wij opgewekt zullen worden.

De Heere Jezus was de laatste maal binnen Jerusalem, ongeveer vier dagen vóór Zijn dood. In Jerusalem, in het joodsche land, waren in dien tijd twee hoofdsecten, die der Parizeen en die der Sadduceën. De Parizeen waren de zoogenaamde vromen in den lande, de Sadduceën zouden wij thans de kinderen der wereld noemen. De Joden bestonden dus uit Parizeen en Sadduceën. Tot de Sadduceën behoorden verder de Herodianen, of die aan het hof verbonden waren. Nu bevond de Heere Jezus Zich in Jerusalem tegenover de Parizeen en Sadduceën. Bij niemand bestond in de verte het vermoeden van hetgeen te gebeuren stond ; niemand begreep, wien men vóór zich had; niemand wilde erkennen, hoe 170 goddeloos hij was, hoe beladen met den vloek der Wet, derhalve geen behoefte om waarachtig voor Ood te wandelen met een goed geweten, om voor Ood in waarheid rechtvaardig te zijn. De Parizeen lazen den Bijbel, Mozes en de Profeten, en onder hen bevonden zich ook de Schriftgeleerden, die de Schrift verklaarden; maar alles naar vleesch. De Sadduceën lazen den Bijbel ook, maar spotten er mee, spotten met het Woord en de geopenbaarde Waarheid. De Parizeen en Sadduceën gaven zich moeite, in plaats van datgene te bedenken wat tot hun vrede dient, den Heere Jezus met allerlei spitsvondige vragen een strik te spannen, zichzelf te handhaven en de eeuwige waarheid omver te werpen. De Parizeen geloofden die waarheden, welke men tot op heden in het Christendom ook voor waarheid houdt; maar omdat zij niet voor de Wet Oods verbroken lagen en in Christus niets anders wilden zien, dan een kerkelijk en politiek Bevrijder, maar geen Verlosser van zonde, zoo dronken zij de zonde in als water, zonder evenwel ooit tot berouw te komen. Zij hadden zich over de bekeering heengezet en dachten, dat die hun niet noodig was. Zij verachtten alle andere menschen, en terwijl zij dat deden, waren zij schrikkelijke huichelaars en hadden hun oogen vol overspel. Bij hen was slechts jacht naar geld en genot; onder den schijn van lange gebeden en bijzondere vroomheid maakten zij weduwen en weezen, die hun goed aan hen toevertrouwd hadden, arm. In hun hart haatten zij den Heere Jezus. De Sadduceën verachtten Hem, geloofden niets van alles, wat Hij zeide, hadden hun genot, hun steun en grond in dit leven, maar zeiden er bij, dat zij zich slechts op de deugd toelegden en dat zij elk het zijne gaven. Zij hadden een goddelooze leer, want zij zeiden, dat er noch opstanding, noch engel, noch geest bestond, opdat zij onder het masker van deugd zich aan de ongerechtigheid, namelijk aan de hoererij, zouden kunnen overgeven, zonder strafschuldig te zijn.

Stelt u aldus dezen toestand van het Joodsche volk voor en bedenkt, dat zij nu Dien in hun midden hebben. Die van Zichzelf getuigt: „Ik ben de Opstanding en het Leven", — en : „Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven", — maar zij meenen allen, dat zij toch wel zalig zouden worden, ook al deden zij den dronkene tot den dorstige (Deut. 29 : IQ).

De Parizeen geloofden op hun maniereen opstanding der dooden, de onsterfelijkheid der ziel, en dat er engelen waren en geest, maar de Sadduceën geloofden niets daarvan. Zij meenden met hun spitsvondige vragen den Heere Jezus ten val te kunnen brengen. Hun vraag was ongemeen dwaas. De Sadduceën meenden namelijk: het aardsche leven, zooals het hier geleefd wordt, zou eenmaal ophouden, dan nam alles een einde, of veel meer nog, zij geloofden dit; laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij, en dan gaat de mensch denzelfden weg als het vee. Gelijk het vee sterft, alzoo sterft de mensch. Zulke Sadduceëii nu zijn er tot op dtn huldigen dag, en dit Sadduceïsme schuilt in ons eigen tiart. Want indien wij meer met datgene, wat de dag van heden brengt, zijn ingenomen, dan met dien dag, welken God bepaald heeft om de levenden en de dooden te oordeelen, zoo zijn wij ook zoowat Sadduceën, en wanneer een mensch zich over niets anders het hoofd breekt, dan om ten huwelijk te nemen en ten huwelijk uitgegeven te worden, en over dat, wat het genot des levens meebrengt, dan heeft de zoodanige mensch, in den grond der zaak, nog het Sadduceïsme in zich.

De Sadduceën nu dachten den Heere Jezus ten val te brengen. Allereerst geloofden zij niet, dat de ziel onsterfelijk is. Laat ons toch bedenken, dat, hoewel het lichaam sterfelijk is, de ziel evenwel onsterfelijk is. Gij kent immers het woord van den Heere Jezus: „Vreest niet voor degenen, die het lichaam dooden, maar de ziel niet kunnen dooden". De ziel kan derhalve niet gedood worden. Wat nu onze ziel is, weten wij niet. De Schrift zegt, dat de ziel in het bloed is. Wat wij alzoo ons inwendigste Ik noemen, wat alzoo verstand en wil heeft, wat ons alzoo in het leven houdt, dat is de ziel. Waf wij dus denken komt uit de ziel voort. Deze ziel is een adem Gods. Het lichaam moet weder tot de aarde keeren, waaruit tiet genomen is, maar de geest tot God, Die hem gegeven heeft. Wanneer nu ziel en lichaam van elkander geschei

Wanneer nu ziel en lichaam van elkander gescheiden worden, d. i. wanneer wij sterven — want wat wij dood noemen is hetzelfde als dat ziel en lichaam gescheiden worden — dan weten wij, die gelooven, in welk een staat onze ziel zich van dat oogenblik af bevindt, toen ziel en lichaam gescheiden zijn. De Catechismus zegt namelijk: dat mijn ziel van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden. — Derhalve is het Hoofd der ziel: Christus, Die ons leven is, en omdat Christus het Hoofd is, zoo neemt ook Christus, net Hoofd, Zijn leden tot Zich. De leden van dit Hoofd zijn dus niet in de eerste

De leden van dit Hoofd zijn dus niet in de eerste plaats de leden van ons lichaam, maar bovenal onze ziel. Christus neemt haar van stonden aan tot Zich op. Dit doet Hij door Zijn engelen, die, hoewel men niets lichamelijks van hen bespeurt, evenwel toch daar zijn. De ziel, van het lichaam gescheiden, zou van zichzelf niet ten hemel kunnen varen, maar zij wordt opgenomen, door de engelen genomen en naar boven gedragen, zooals wij zulks lezen, wat dit „van stonden aan" betreft, in de woorden van den Heere Jezus : „Voorwaar, voorwaar zeg Ik u : Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn". En dat de ziel genomen, opgenomen wordt, weten wij uit de woorden des Heeren, toen Hij zeide, dat de bedelaar. Lazarus, van de engelen gedragen werd in Abrahams schoot. Daar werd immers niet het lichaam van Lazarus in Abrahams schoot gedragen, maar zijn ziel. Wanneer nu de ziel zoo opgenomen wordt, is zij bij haar Hoofd Christus, leeft daar, geniet er eeuwige vreugde, waarop de zie! hier gehoopt en waarvan zij den aanvang hier beneden gesmaakt heeft in de vertroosting des Evangelies, zoodat derhalve de ziel met Christus voor den Vader, en met alle heilige engelen en allen die den loop voleindigd hebben, na gedragen lijden en doorgestanen dood —descheiding van het lichaam — de eeuwige vreugde en heerlijkheid geniet. Deze scheiding kan op zichzelf zwaar zijn, daar ziel en lichaam toch zóó sterk verbonden vrienden zijn, dat men werkelijk niet weet, wat bij den mensch uit de zielen wat uithet lichaam voortkomt, dat men niet weet, wat de ziel werkt en doet en wat het lichaam werkt en doet. Zoo is derhalve dit het antwoord op onze vraag : Ik geloof, dat onze ziel als een levende adem Gods onmogelijk vernietigd kan worden, maar onsterfelijk is ; den dood, den üchamelijken dood, kan zij niet zien. Wel heeft de ziel van den onbekeerde den geestelijken dood in zich, en wel gaat de ziel van hem, die onbekeerd blijft,overin den eeuwigen dood; maar den lichamelijken dood, wat wij üchamelijken dood noemen, kan de ziel niet ondergaan, maar de ziel van den geloovige gaat van stonden aan na de scheiding van het lichaam over tot Christus, wordt tot Hem gedragen, gelijk Stefanus uitriep: „Heere Jezus! ontvang mijn geest!' en zooals de Heere Jezus ons leert: „Vader! in Uw handen beveel Ik Mijn geest!" Daar echter ziel en lichaam zóó onverbreekbaar zijn, dat ziel en lichaam beide één mensch uitmaken, zoo zou de mensch, om zoo te zeggen, in een eeuwige afgescheidenheid blijven, indien niet de ziel na de scheiding van het lichaam weder met het lichaam vereenigd werd. Wat God mij gegeven heeft, dat zal de dood mij niet ontnemen. Wat God zoo wonderlijk samengevoegd heeft, dat mag de dood vooreen oogenblik kunnen scheiden, maar het moet toch weder tesamen komen, anders was het half werk.

Geve God ons alzoo die genade, dat deze eenvoudige waarheid onze harten en onze zinnen vervuld hebbe en vervulle : Opslaan, ja opstaan zal ik !....

Mijn geliefden ! indien wij nu zeggen : dat gelooven wij allen, dat gelooft zelfs een kind, zoo laten wij onszelf niet iets wijs maken. Want dat wij dit in abstracto gelooven, geeft niet veel troost, maar wel dit: „mijn vleesch zal opgewekt worden", gelijk de Catechismus zegt: „dat dit mijn vleesch door de kracht van Christus zal opgewekt worden". Wij zien nu de bladeren van de boomen vallen,daar sterven zij als 't ware, en wij weten allen, dat de boom binnenkort geheel ontbladerd daar staan zal, dat de winter komt en de sneeuw alles bedekt. Maar ook de lente komt weder en de bladeren ontluiken opnieuw aan den boom.

Wanneer wij op het kerkhof tusschen de graven wandelen en daar de namen lezen en de graven der onzen bezoeken, welk een troost is het dan, de zekerheid te hebben : mijn man, mijn vrouw, mijn zoon, mijn dochter, zij liggen daar onder d aarde. Wij zeggen: zij slapen, maar neen, hun lichamen slechts slapen en rusten uit, maar de zie! slaapt niet! Mijn kind is gestorven, ik heb het aan den Heere Jezus overgegeven ! Mijn man, mijn vrouw is gestorven, mijn zoon, mijn dochter is gestorven, maar zij leven evenwel, zij zijn niet dood, zij genieten thans eeuwige vreugde en heerlijkheid! Wel, mijn geliefden! dan kunnen wij dikwijls zoo getroost heengaan, als wij het kerkhof verlaten, om opnieuw dien zwaren last, welke ons opgelegd wordt, getroost op ons te nemen in de hoop op de eeuwige heerlijkheid. „Nu, mijn uurtje zal ook komen, en dan zal het mij gaan als u ! Ik weet, hoe zij gestorven zijn, ik weet, dat zij ingegaan zijn in de eeuwige vreugde !" Gij kunt u wel eens verlustigen daaraan te denken : Eens komt toch de dag, en niemand weet, wanneer hij komen zal, dat de Heere Jezus Christus op de wolken des hemels komt, en dan brengt Hij alle gezaligde zielen en de engelen met Zich en roept: „Gij dooden, staat op en komt ten gerichte!" Dan laat Hij ook de dooden, die in den Heere gestorven zijn, vóór Zich komen en dan ontvangen de zielen hun kameraad, hun ouden vriend, het lichaam weder. Dat zal een dag zijn ! Indien ik derhalve vóór dezen dag sterf en begraven word, gaat ook mijn zie! van stonden aan tot Christus, haar Hoofd. Maar de Heere Jezus blijft staan bij het stof, al ware 't ook dat allen het graf verlaten zouden hebben en niet meer daaraan denken of het niet meer bezoeken konden. Christus waakt over het stof, en hij komt, hij komt, die glorierijke dag, dan zal ook mijn vleesch weder opgewekt, en mijn ziel zal weder met haar lichaam vereenigd worden. Menigeen, nietwaar, verheugt zich bij voorbaat

Menigeen, nietwaar, verheugt zich bij voorbaat over zijn verjaardag en ieder is daarmee meer of minder ingenomen, zoolang hij dit leven nog niet moede is: morgen of overmorgen vieren wij verjaarsfeest, krijgen dan geschenken, laten ons gelukwepschen enz. Weer een ander is vervuld met dien dag, waarop hij zijn doel bereikt en na zuren arbeid de voorgestelde hoogte beklommen heeft. Een derde is geheel vol over den dag van zijn huwelijk. Zoo zijn er zoo dagen, waarmee men vervuld kan zijn. Maar is er een dag, die te vergelijken is met dien dag, waarop het ons allen gezet is te sterven ? Nog meer: is er een dag te vergelijken met dien, die a's een eeuwige tjruiloft zal zijn, wanneer lichaam en zie! weder met elkander vereenigd worden ? Maar hoe zullen dan de lichamen zijn in de opstanding ? Zijn het dezelfde lichamen ? De H. Schrift leert ons daaromtrent, dat niet eenander lichaam geschapen wordt, anders ware het een nieuwe schepping ; maar dat wij met hetzelfde lichaam zullen opstaan, hetwelk wij hier omgedragen hebben. Dit toch zegt de Heere Jezus Christus Ev. Joh. 5 : 28: „De ure komt, in welke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen hooren", — door welke stem het geheele lichaam weder tesamen gevoegd wordt, al ware het ook dat de ledematen bij de verrotting verstrooid en geheel tot stof geworden zijn. Die stem, welke eenmaal riep: „Er zij licht!", en er werd iicht, zal allen, die in de graven zijn, levend maken. De Heere zal het hun geven, die stem te hooren, „en zij zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis". Derhalve zuilen er geen andere lichamen uitgaan, dan die daar begraven zijn geen andere lichamen, dan die, welke in de kist en in het graf gelegd zijn. Zoo leze.1 wij ook in de Openb. Joh. Hoofdst. 20 : llv.v. : „En ik zag een grooten witten troon en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden. En ik zag de dooden", — let wel op ! „klein en groot", alzoo volwassenen en kinderen —, „staande voor God ; en de boeken werden geopend ; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de dooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken. En de zee gaf de dooden, die in haar waren" — derhalve de zeelieden of die anderszins in het water zijn omgekomen — ; „en de dood en de hel gaven de dooden, dje in hen waren ; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hun werken". „En", zoo heet het in vs 15, „zoo iemand niet gevonden werd geschreven 'm het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs". — Hoe het bij de opstanding toegaat, lezen wij letterlijk in een beeld, ons door den profeet Ezechiël geteekend. Daar zag de profeet een veld vol doodsbeenderen en God vraagt hem, of hij meent, dat deze ook weder levend kunnen worden, en hij antwoordt: „Heere! dat weet Gij". En de Heere sprak tot den profeet, dat hij tot den wind, d. i. den Heiligen Geest, zou roepen, en de Heilige Geest zou deze doodsbeenderen aatiblazen. Als nu die verkondiging geschied was, zoo is ook de Heilige Geest gekomen en heeft over deze doodsbeenderen geblazen en zoo naderde elk been tot zijn been, dus zooals het lichaam geschapen was. Desgelijks lezen wij bij den profeet Jesaia : „Maar uw dooden zullen leven en met hun lichamen opstaan", derhalve met hetzelfde lichaam, hetwelk zij hier gehad hebben. , Maar hoe zullen deze lichamen zijn ? Niet zooals

Maar hoe zullen deze lichamen zijn ? Niet zooals zij thans zijn. Het zullen dezelfde lichamen zijn, maar toch niet zooals zij nu zijn, of zooals zij in de graven liggen, maar veel meer onverderfelijk, onsterfelijk, geschikt voor het eeuwige leven. Het aardsche houdt daar op. „De buik is voor de spijze, en de spijze voor den buik, maar God zal beide te niet doen". Alle behoeften dus, die het lichaam hier heeft, alle werkzaamheden en verrichtingen van het lichaam in den huiselijken kring en in het huiselijk leven houden dan op. Het lichaam is dan geheel anders. Het lichaam van hen, die onbekeerd gestorven zijn, is dan in zulk een toestand, dat het de eeuwige verdoemenis, de eeuwige straf en pijn der hel kan uithouden, zoodat het een eeuwige verdoemenis is, waarbij het lichaam niet vergaat, maar lichaam en ziel eeuwige straf te ondergaan hebben. Bij dengene echter, die bekeerd gestorven is, zal het lichaam in de opstanding onverderfelijk zijn, onsterfelijk, geschikt voor de eeuwige vreugde en heerlijkheid. Dan behoeft men niet meer spijs en drank te gebruiken, voor kleeding enz. te zorgen, dit neemt dan alles een einde. Het is daar een leven als dat van de engelen Gods in den hemel. Op het oogenblik zou een kind Oods deze eeuwige vreugde en heerlijkheid van enkel blijdschap geen vijf minuten kunnen verdragen, maar ons lichaam zal dan zoo toebereid zijn, dat wij zulk een vreugde eeuwig zullen kunnen genieten in het aangezicht van Ood en Jezus Christus. Maar dan is het toch ook weer niet zoo, dat de band tusschen man en vrouw ophoudt te bestaan ; het is weliswaar geen huwelijksband meer en een verwekken van kinderen, maar overigens — wederzien, ja wederzien de onzen, dit zullen wij toch !

Maar hoe is dat nu mogelijk ?

De Sadduceën betwijfelden de opstanding des vleesches en tot op dezen dag betwijfelen dit alle Epicureën, omdat zij zich de mogelijkheid er niet van kunnen voorstellen. Ja, dat God de Heere man en vrouw schept en tesamen brengt, daaraan twijfelt men niet, maar dat het lichaam weder uit het graf tevoorschijn zou kunnen komen, dit betwijfelt men, omdat men het niet gezien heeft. Daarmee bewijst men echter slechts, dat men de Schriften niet weet, noch de kracht Oods. In de Schrift toch lezen wij van Mozes, dat Ood tot hem sprak, toen Abraham, Izak en Jakob reeds lang gestorven waren : „Ik ben de God Abrahams, izaks en Jakobs". Alzoo hadden Abraham, Izak en lakob God tot hun Ood. Nu is toch Ood de bron van alle heil en leven. God kan niet dood zijn, en in God kan niets dood zijn Hebben nu Abraham, Izak en Jakob Ood tot hun deel, welnu, dan hebben zij ook het leven, dan zijn zij voor God niet dood, hoewel dan ook hun lichamen in de graven liggen ; zoodat zij, indien zij God tot hun God hebben, dan aan Hem geen halven Ood hebben, Die alleen hun zielen tot Zich zou nemen en niet ook hun lichamen. Want indien God de God Abrahams, Izaks en jakobs is en zij in de graven liggen, zonder daaruit op te staan, dan hadden zij immers geen God meer. Maar nu hebben zij een God, een Ood allereerst van hun ziel, maar niet van hun ziel alleen, anders zou er slechts een halve Abraham, Izak en Jakob zijn. Nu echter is Ood een God van den geheelen Abraham, van den geheelen Izak, van den geheelen Jakob, en mijn geheele God, zoo dat ik, wanneer ik hiervan verzekerd ben : Hij is mijn God, niet zeggen kan : Hij is slechts de God van mijn ziel, maar veel meer: Hij is mijn Ood, en wel zoowel naar het lichaam als naar de ziel, zooals wij belijden : „dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en in sterven, het eigendom ben van mijn getrouwen Heere en Heiland Jezus Christus". Wat nu de kracht betreft, ja, wie verstaat iets van de kracht Gods? Wie kent de kracht des Heeren Jezus Christus? Was het Hem mogelijk, toen er niets was, alles, hemel en aarde te scheppen en tot aanzijn te roepen, dan heeft Hij toch ook wel kracht genoeg, nadat Hij den dood overwonnen en ons gekocht heeft met lichaam en ziel, om aan de ziel het lichaam en aan het lichaam de ziel weder te geven. Als nu Christus het lichaam opwekt, dan wekt Hij het zóó op, dat het gelijkvormig is aan Zijn heerlijk lichaam, zooals de Apostel schrijft: „Naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzeiven kan onderwerpen".

Nu zou ik zoo gaairre nog iets zeggen over het doel, waartoe deze opstanding geschiedt, maar, mijne geliefden, onze tijd is verstreken. Bedenken wij toch bij alle lichamelijk lijden, nooden en aanvechtingen hier beneden, dat wij een lichaam hebben, hetwelk een tempel des Heiligen Geestes is ; dat wij door ailes, ook door lichamelijk lijden, aan het lijden van Christus en Zijn dood gelijkvormig gemaakt worden, en dat, waar het liciiaam een tempel des Heiligen Geestes is, dit dan niet bestemd is voor de hoererij, voor de zonde, maar dat het een prachtig gewiocht van God en van Christus is, dat in dit lichaam de fundamenten van Zijn tempel zijn, en dat wij dus, niettegenstaande alles, wat wij in dit lichaam lijden, onze toevlucht nemen tot Zijn genade, en alzoo in dezen troost leven en sterven. Heb geduld, mijn lichaam, mijn ellendig lichaam, heb geduld ! nog een weinig lijden en nog een weinig ontbering, en dan breekt ook voor u de eeuwige heerlijkheid aan. Dan zien wij elkander weder! AMEN.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 november 1950

Kerkblaadje | 8 Pagina's

De opstanding des vleesches,* Door Dr H. F. Kohlbrugge

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 november 1950

Kerkblaadje | 8 Pagina's