Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De blijde Zondagsviering.*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De blijde Zondagsviering.*

20 minuten leestijd

Tekst: Psalm 92 : 1—6.



Wij overdenken den 92sten Psalm, niet om enkel te weten, wat deze inhoudt, doch veeleer met de begeerte, genade bij God te vinden om eiken Zondag, welken wij op aarde nog beleven mogen, lil ons hart en met de onzen als Dag des Heeren hoog te houden, ja hooger te houden dan andere tecstdagen, welke God ons geeft, zooals daar zijn: ke-rkelijke, of in het bijzonder huiselijke fe^stdagcii, zooals geboorte- en trouwdagen. Wanneer wij dezen psalm recht ter harte nemen, dan zullen wij den Dag des Heeren — met het oog op al hetgeen de Heere ons daarop te doen en te genitten geeft — houden voor den hoogste en beste aller dagen.

Het is een psalm op lederen Sabbafdag, op eiken Dag des Heeren, en ofschoon de gansche psalm getuigt van de rust, welke de geloovige in Christus heeft, zoo heft deze psalm stellig de viering van eiken Dag des Heeren, waarop telkens zes gewone werkdagen volgen, niet op, totdat wij den eeuwigen Sabbat na dit aardsche leven vieren, doch hij bevestigt en handhaaft deze viering voor alle tijden op wel zeer liefelijke wijze. De psalm valt in drie deelen uiteen of liever: hij heeft drie keerpunten.

Ten eerste : in de verzen 1—6 looft de geloovige den Heere voor het werk, dat Hij hem op dezen dag te doen heeft gegeven, en prijst dit werk. Ten tweede: in de verzen 7—12 spreekt de geloovige in een kinderlijk gebed zijn vertrouwen uit, dat de Heere het niet zal doen gelukken dengenen, die dit werk gering achten en hem om dit werk aanvechten.


Ten derde : van het 13e tot het laatste vers spreekt hij het vol vreugde voor den Heere uit, welk een geluk en duurzamen welstand hij voor zichyelf en voor allen, die Gods wil doen, daaruit ziet voortspruiten, dat dit voor den Sabbat bestemde werk gedaan wordt.

Voor vandaag overdenken wij de eerste zes verzen. Psalm 92 : 1—6: „Een psalmlied op den Sabbatdag. Dat is een kostelijke zaake, den Heere te danken en Uw Naam lof te zingen, o Allerhoogste, des morgens Uw genade, en des nachts Uw waarheid te verkondigen, op het tiensnarig instrument en op de hfit, met spelen op de harp. Want, Hee'-f, Gij doet mij vroolijk zingen van Uw daden en ik prijs de werken Uwer handen. O Heere, hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten" ').

De 92ste Psalm heet „een psalmlied'' of een psalm en een lied, en wel „op den Sabbatdag", en kondigt ons dus al van te voren aan, welk een blijde dag, welk een dag van vreugde de Sabbatdag is, een dag om den Heere te eeren met gezang en snarenspel.

Ik breng dit onder uw aandacht, omdat er velen zijn, die niet goed weten wat met dezen dag aan te vangen en meenen, dat deze daartoe bestemd is. dat een mensch zijn lichaam op dien dag kwaad zou doen, of zijn hoofd zou laten hangen gelijk een bieze, of een zak en asch onder zich zou spreiden, zooals in Jes. 58 : 5 gezegd wordt van het vasten, hetwelk de Heere Zich zou hebben verkoren. Om deze reden en ook om andere redenen zien verscheidenen tegen dezen dag, als hij gekomen is, op, bestemmen dezen dag om uit te slapen Cfi zijn blij, als het maar weer avond geworden is ; en weer anderen meenen, dat het een geschikte dag is om te luieren of om vleeschelijke genoegens na te jagen. Uiteraard weet degene, dien de Zoon niet heeft vrijgemaakt (Joh. 8 : 36), die dus niet weet, dat een Christen tot vrijheid geroepen is, den Dag des Heeren niet te waardeeren.

Of David dezen psalm gedicht heeft of een ander, doet er niet toe, het zij ons genoeg te weten, dat de heilige mannen gesproken hebben, gedreven door den Heiligen Geest, en dat de Christenen van de eerste eeuw onzer jaartelling, toen zij de boeken van het Nieuwe Testament nog niet hadden, in dezen psalm de aanwijzing gevonden hebben, hoe zij eiken Dag des Heeren hadden door te brengen ; waarmede dan de uitvlucht, dat de Sabbatsviering oud-testamentisch zou zijn, als onheilbrengend wordt afgewezen.

De auteur van dezen psalm is zeer zeker vrij geweest van het vierde gebod, in den zin zooals de Apostel Paulus in zijn brief aan de Romeinen, hoofdstuk 7 : 4—6, ons onderricht aangaande het vrij-gemaakt zijn van de Wet in het algemeen. Want indien hij van het gebod niet vrij geweest ware, dan zou hij een zoo blijden psalm op den Sabbatdag niet gemaakt hebben. Hij heeft het ervoor gehouden vrij te zijn van den dienst der zonde, van den mammon-dienst, maar niet van den dienst zijns Gods. Hij heeft het ervoor gehouden vrij te zijn van slaafsche inachtneming van dezen bijzonderen dag, — maar hij heeft zijn vrijheid niet opgegeven om dezen dag als een vreugde-dag voor het aangezicht des Heeren vast te houden.

Zooals hij ons in het opschrift den Sabbatdag aankondigt als een blijden dag, als een dag van gezang en snarenspel, zoo looft hij nu in de verzen 1 — 6 den Heere voor het werk, dat Hij hem op dezen Zijn Dag te doen gegeven heeft, en prijst dit werk.

Het bevreemde u niet, dat ik hier van „werk" spreek. Zes dagen, zoo spreekt de Heere, ruit gij uw werk doen. De Dag des Heeren is een rustdag. Echter, ofschoon God rust van al Zijn werken, toch laat Hij deze werken voortaan niet hun eigen loop gaan ; Hij zit zeer zeker niet werkeloos in den hemel, integendeel. Hij onderhoudt en regeert voortdurend al Zijn werken ons ten goede en wordt deswege in den hemel geprezen door al Zijn heilige engelen. Nu geeft Hij ons van telkens zeven dagen één dag, waarop wij Hem loven, danken en prijzen mogen gelijk de engelen in den hemel. Dat is ons werk, hetwelk Hij ons op Zijn dag te doen geeft, opdat wij het lied leeren zingen, dat de zaligen eeuwig zingen, en mede opdat wij gesterkt en bemoedigd worden voor de daarop volgende werkdagen, om onzen arbeid met allen moed in God en met vast vertrouwen op Zijn zegen en bijstand opnieuw aan te vatten.

Daarvoor nu, namelijk dat de Heere op den Sabbatdag zulk een werk te doen gegeven heeft, looft Hem de psalmdichter, door aldus aan te heffen :

„Het is goed", of zooals Luther vertaalt: „Dat is een kostelijke zaak". Dat klinkt als wanneer een kind in de handen klapt en het uitjubelt: „O, dat is goed, dat is kostelijk", als zijn ouders hem een blijden dag aankondigen en hem vertellen, welke vreugde zij hem in hun goedheid en liefde op dezen dag denken te bereiden.„Dat is goed", „het is een kostelijke zaak", wil dus zeggen: hoe schoon, hoe aangenaam, hoe hartverheffend, hoe vroolijk, hoe moedgevend is dit, een goede toekomst! — Welnu, bij zulk een ja hoe verlicht het alle zorgen en belooft het „hoe goed is het" of „dat is een kostelijke zaak" wordt de Zondag licht en gaat voor ons op als een blijde dag; er is ons nu eens een werk aangewezen, niet door de nooddruft des lichaams en des levens, ook niet door menschen ; er wordt ons geen last opgelegd om door het leven te komen, integendeel, er wordt ons een werk opgedragen, dat geen werk is, maar een waar genieten, een zingen en spelen en vroolijk-zijn voor het aangezicht des Heeren. Wie, die het .weet,dat hij zonder den Heere niets kan doen, — wie, die zes dagen lang zich veel moeite geeft om zichzelf en de zijnen met God en met eere te onderhouden, zal niet instemmen met de zaak; vandaag mogen wij ons verblijden voor woorden : „O, dat is goed, dat is een kostelijke het aangezicht des Heeren en de zorgen ter zijde stellen" ? Dat is toch zeer zeker een goed en aangenaam werk : voor 's Heeren aangezicht blijde te zijn. Daarvoor willen wij den Heere loven, dat Hij ons in plaats van den zuren arbeid van gisteren en morgen, een maaltijd bereidi voor Zijn aangezicht en ons geeft om in feestkleedij te wandelen in Zijn koninklijken hof, onder de geur van Zijn palmboomen, om aldaar gespijzigd te worden met Zijn edelste vruchten en gelaafd met honing en wijn.

Dit alles geniet en smaakt de auteur van dezen psalm op den Sabbatdag, en hij spreekt het voor land en volk en voor de gansche Gemeente uit, welk een voortreffelijk werk de Heere ons op den Sabbatdag te doen gegeven heeft, en prijst waarin het bestaat, en wel hierin : „den Heere nu dit werk in het bijzonder. Hij vertelt ons, te danken 'en Zijn Naam lof te zingen".

Hebben we daartoe geen redenen te over ? Is de Heere niet de Oorsprong van al het geschapene? Heeft Hij ons niet het aanzijn geschonken ? Zijn Zijn Naam genoemd en moet deze Naam dan wij dan iets zonder Hem ? Zijn wij dan niet naa.- niet door ons geheiligd worden ? Doet Hij niet alles, wat Hij aan ons doet, om Zijns Naams wil ? O, het is met ons afgeloopen, wanneer Hij Zijn hand van ons aftrekt, of wanneer Hij geen de boven alles en allen Verhevene, van Wien woord en trouw houdt! En is Hij niet de Hoogste, wij met alle schepselen afhankelijk zijn ? Spreekt Hij, zoo is het er; gebiedt Hij, zoo staat het er! Is Hij niet de Algenoegzame, de eenige Schenker van allen zegen, de oorsprong, de rijke bron van alle goeds ? O, dat is goed, dat is een kostelijke zaak, den Heere te danken, Hem te loven en Zijn verheven Naam te belijden. Hem aan onszelf en anderen voor te houden als Dengene, in Wiens hand alle zegen en welstand, rust en vrede, ja alle denkbare uitredding gelegen is. Ja, het is daarom goed en een kostelijke zaak, omdat daardoor onze ziel ophoudt op het zichtbare te zien, en alles er anders gaat uitzien, wanneer wij God den Heere danken en Zijn Naam lofzingen. Want wij kunnen God niet loven voor Zijn weldaden, wij kunnen het voor Hem en ook voor onszelf en anderen niet uitspreken, dat Hij de Heere en de Allerhoogste is, zondertegelijkertijd — zelfs temidden van het zwaarste lijden — met het vertrouwen in Hem vervuld te worden : Hij zal het maken ! Ook kunnen we Hem niet loven, zonder dat Hij Zijn hoorn-des-overvloeds opent en Zijn goedheid, macht en hulp toont. Zoo kunnen wij ook Zijn Naam niet lofzingen, zonder aanstonds indachtig te worden, wat Zijn Naam — Hij is immers de Almachtige — vermag, en welke zaligheden daarin opgesloten liggen en ons verkondigd worden, daar toch Zijn Naam „Heere" is, — een Heere, die ook doet, wat Hij belooft, een God van volkomen zaligheid. De zanger deelt den Sabbatdag in twee deelen, in morgen-uren en in nachtelijke-of avond-uren. „Des morgens", zoo zegt hij, en „des nachts". Wij willen dit niet vergeestelijken, want hij bedoelt den werkelijken morgen en den werkeiijken avond van den Sabbatdag.

Waarmede moeten wij dus den morgen van den Sabbatdag tot onze vreugde aanvangen en waarmede dezen dag in gelijke vreugde eindigen ? Het psalmwoord zegt het ons : — daarmede, dat wij des morgens de genade, of de goedheid des Meeren, en des avonds Zijn waarheid verkondigen. Van dit verkondigen lezen we in Psalm 9 : 12:

Van dit verkondigen lezen we in Psalm 9 : 12: „Looft den Heere, Die te Zion woont, verkondigt onder de volken Zijn daden!" En in Psalm Ö6 : 16: „Komt, hoort toe, o gij allen die God vreest, en ik zal vertellen wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft". Dit verkondigen geschiedt door de openbare prediking en het gemeenschappelijk aanroepen van den Naam des Heeren. Eveneens daardoor, dat men het zichzelf en den zijnen, tot onderwijzing der kinderen en der onwetenden, en tot versterking des harten dergenen, die met ons daarvan weten, voorhoudt en steeds weer in herinnering brengt — waarbij men dan zelf nieuwen moed verkrijgt voor de toekomst — wat men bij het hooren van de preek en bij het lezen van het Woord Gods leert en bevestigd vindt. Terwijl men inzonderheid ook getuigt van hetgeen men uit eigen ervaring geleerd heeft, hoe God de Heere genadig is, en hoe Hij altijd gedaan heeft en nog steeds doet wat Zijn heiligen van Hem begeeren. Want dat is immers Gods goedheid, dat Hij

Want dat is immers Gods goedheid, dat Hij zóó genadig is, dat Hij niet alleen het dagelijksch brood geeft, maar ons ook van den booze verlost heeft en voortdurend verlost, gelijk wij daarvan in een psalm zingen:


Deze goedheid Gods verheerlijkt zich aan ons niet alleen door al het geschapene, maar ook daardoor, dat Hij al Zijn goedheid in Christus Jezus aan ons voorbij laat gaan (Exod. 33 : 19 en 22); — en o, wie zal deze goedheid ten volle kunnen peilen ? Het is immers alles goedgunstigheid van het oogenblik af, dat God ons uit louter goedheid tot Zich trok (Jer. 31), ja van de wieg tot het graf — In Psalm 136 zingen wij daarvan met de woorden : „want Zijn gunst, alom verspreid, zal bestaan in eeuwigheid". Vandaar ook de vreugdebetuiging in Psalm 36 : 8 en 9: „Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! zoodat menschenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen. Zij worden dronken van de rijke goederen van Uw Huis, en Gij drenkt ze met wellust, als met een stroom" (Naar de vertaling van Luther).

Deze goedertierenheid laat zich het bette verkondigen aan den morgen van den Sabbatdag, omdat de mensch des morgens nog niet vermoeid is door den last van het zichtbare in den loop van den dag, en het hart, de geest en het geheugen alsdan nog ontvankelijk en frisch zijn. Men heeft een nacht achter zich, maar.... ook een nacht vóór zich, namelijk de uren, waarin de zon ter kimme neigt, totdat ze is ondergegaan. Alles in dit leven "wordt weer met den nacht bedekt, maar Gods waarheid blijft. Gods waarheid is echter de waarheid van Zijn beloften ; deze vervult Hij alle getrouwelijk bij de Zijnen, en wanneer de beloften, wanneer de voorzeggingen uitblijven, verbeid ze nochtans : ze zullen gewisselijk komen. Daarom heet het in Psalm 100: „De Heere is goed. Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid en Zijn getrouwheid van geslacht tot geslacht". En in Psalm 117: „Looft den Heere, alle heidenen, prijst Hem, alle natiën ; want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons en de waarheid des Heeren is in eeuwigheid. Hallelujah !" Terwijl we in Psalm 42 lezen (vers 9): „De Heere heeft des daags Zijn goedertierenheid toegezegd, en des nachts zing ik Hem en bid tot den God mijns levens". O, hoe goed is het toch, des daags te wandelen in Zijn goedertierenheid, en zich legen de verschrikkingen van den nacht neder te vlijen op Zijn waarheid. De Bewaarder Israels slaapt noch sluimert ; Hij is de Wachter en de trouwe Behoeder in den nacht. ^

Dat biedt waarlijk een veelomvattende stof tot werken op den Sabbatdag : Gods goedheid en onze zonde, verkeerdheid en verdraaidheid ; — Gods waarheid en onze onbetrouwbaarheid en ontrouw. Den arbeid op dezen dag noem ik een werk van uitwisselen, van teruggeven en ontvangen. God de Heere neemt alles wat ons beangstigt, smart en kwelt, ja al het onze, van 51 ons af, neemt het voor Zijn rekening, en leert ons in het Woord der Belofte Zijn genade en Zijn waarheid aannemen.

Zoo is het dan een vreugdevol werk, dat de Heere ons op den Sabbatdag te doen heeft gegeven, een werk, dat onder gezang en geklank geschieden mag met een muziek, zooals de wereld die niet kent.

Dit werk mag verricht worden onder begeleiding van zulk een muziek, waardoor de slappe handen versterkt en de struikelende knieën vastgesteld worden, ja, waarbij de kreupelen springen als een hert en de tong der stommen juicht (Jes. 35 : 3 en 6).

Daarom heet het verder: „Om te verkondigen Zijn genade en waarheid op het tiensnarig instrument en op de luit, met spelen op de harp". waarmede werkelijke muziekinstrumenten bedoeld worden, zooals ook in Psalm 144 : 9 en Psalm 150 : 4: „Looft Hem met snarenspel en orgel". Waar men echter zulke muziekinstrumenten niet bij de hand heeft en ook de gave van het zingen niet bezit, dan hoore men, wat de Apostel Paulus ons leert in Kolossenzen 3 : 16, en zinge den Heere in zijn hart.

Zóó is het goed, zóó is het een kostelijke zaak. Dit danken en loven, dit verkondigen van de genade en waarheid des Heeren, met een psalm, met een lied, sterkt ons voor de komende zes werkdagen, verdrijft de zorgen voor ons levensonderhoud en wapent ons tegen allerlei booze begeerten en geestelijke aanvechting. Ja, waarlijk, het is goed, het is een kostelijke zaak. Dankend roept de dichter het daarom in vers 5 uit: „Want, Heere, Oij doet mij vroolijk zingen van Uw daden en ik prijs de werken Uwer handen".

Nu kan het zijn, dat de Almachtige in de voorgaande dagen droefheid over ons gebracht heeft, of dat zelfs heden de bezoeking van eiken dag extra zwaar op ons drukt, en de vooruitzichten voor de komende dagen schrikkelijker zijn dan ooit te voren in ons leven. Is er nu in het geheel niefs, dat wij daartegenover kunnen stdlen ? Is er geen grond in het verleden, is er voor het heden geen God, geen vreugde meer in den hemel voor u en volstrekt geen hoop meer voor de toekomst ? Was er dan niet dikwijls des avonds geween en des morgens gejuich ? Toen Jacob door Pniël ging, rees de zon hem op. — Zou de dichter van dezen psalm dan geen lijden gekend hebben ? — O, het is niet moeilijk om uit het elfde vers te bewijzen, dat deze psalm in den heeten smeltkroes der ellende en der aanvechting is gezongen geworden.

„Oij hebt mij verblijd", zoo staat er eigenlijk volgens het Hebreeuwsch, in plaats van de woorden: „Gij doet mij vroolijk zingen", — Oij hebt mij verblijd, en zoo zult Gij mij verblijden. Van de wieg af hebt Oij mij louter vreugde bereid ; wat ook mij als kind tot vreugde heeft gestrekt, het kwam alles van U, Heere. Oij hebt mij verblijd, toen ik nog onbekeerd voortliep 52 en ik vernam, welk een blijdschap er in den hemel voor de engelen is over één zondaar, die zich bekeert. Oij hebt mij verblijd, zoo dikwijls als ik het uitriep: „Doe mij vreugde en blijdschap hooren ; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt" (Psalm 51 : 10). Gij hebt mij verblijd „met Uw daden". Gij hebt U o zoo dikwijls, zoo dikwijls tot mijn vreugde aan mij geopenbaard in allerlei nood van lichaam en ziel, door de gansche schepping, zooals zij mij ten dienste stond en tot hulp was, door al Uw genade, waarmede Gij al mijn zonden achter Uw rug wierpt, en waardoor Gij mij gereinigd hebt en nog reinigt van al mijn vuilheid ! — O, ik juich het luide uit — zij het dan ook midden in mijn smarten van dit oogenblik — terwijl ik overdenk, hoe Gij mij zoo menig Eben-Haëzer (Steen-derhulpe) hebt doen oprichten en mij met de wonderen van Uw almacht, genade en trouw hebt omgeven, hoe Gij alles zoo wijs en genadig over mij beschikt hebt, opdat niet mijn wil, maar Uw wil geschiede. O, mijn God, neen, Gij kunt en zult niet laten varen de werken Uwer handen !


Ik wacht op Hem, Zijn hulp zal blijken (Ps. 62).

Bij de overdenking van alle machtige daden des Heeren, daden van almacht, van verlossng naar lichaam en ziel; bij de overdenking van al Zijn werken, die Hij alle zoo voortreffelijk geordend heeft naar Zijn raad, en dat ten goede van de Zijnen — zoowel voor hun natuurlijk als voor hun geestelijk leven —, roepen wij het met den psalm uit: (vers 6) „O Heere, hoe groot zijn Uw werken ! zeer diep zijn Uw gedachten !" Welk een oneindige macht, welk een wijsheid,

Welk een oneindige macht, welk een wijsheid, welk een rijkdommen van goedheid en koninklijke mildheid behooren daartoe: de dingen, welke niet waren, zóó tevoorschijn te roepen, als zij zijn, en de dingen, die zichzelf niet onderhouden noch regeeren kunnen, zóó te onderhouden en te regeeren, als zij onderhouden en geregeerd worden. Schijnt soms de zon zonder God ? Komen dan maan en sterren op zonder Zijn bevel ? Komen ook vruchtbare regen en het wollen kleed van rijm en sneeuw zonder Hem ? Of blijven de hemelen uitgespannen en de aarde in haar stand zonder Zijn Woord ? Is het niet Zijn raadsbesluit: „Voortaan al de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht niet ophouden" (Gen. 8 : 22) ? O, en wij, wij leven, roeren en bewegen ons in Hem. Gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede worden ons alléén door Hem toegeschikt. Bij Hem berusten de zegen en de vloek. Het hangt uitsluitend van Hem af, dat koningen en vorsten regeeren, dat koninkrijken bestaan of omgekeerd worden, dat steden bloeien of verarmen, dat de landouwen een rijken koren-oogst geven, of dat er hongersnood komt (Psalm 65 : 10—14). Het hangt van Hem af, of er arbeid is en men daarmee succes heeft, dan wel of men om brood moet bedelen, en alle overvloed is zonder Hem ontoereikend. Zijn dan Zijn werken niet groot, wanneer wij bedenken, hoe Hij alleen het alles doet, al laat Hij ook heel wat door menschen doen ? Zijn Zijn werken niet groot, wanneer wij bedenken, hoe de mensch met zijn kunst, vlijt, verstand en kracht — zonder Hem zelfs niet het geringste vermag ? En bovenal, hoe groot zijn Zijn werken in de verlossing Zijns volks van al hun zonden en van alle geweld des duivels, alsook van al hun vijanden; hoe worden déze werken door de Gemeente erkend en bezongen in den 89sten Psalm, vers 7 en 8 berijmd.

En gaan Zijn gedachten niet zeer diep ? Ach, wat zijn de gedachten, overleggingen en besluiten der menschen toch oppervlakkig, bekrompen, slechts berekend op situaties van het oogenblik. De menschen kunnen immers niet aan alles denken ; allerminst kunnen zij bedacht zijn op omstandigheden, die zich tevoren nog nooit hebben voorgedaan en die zij ook volstrekt niet in hun macht hebben. Hoe dikwijls moeten degenen, die meenen erg verstandig te zijn, het tot hun schande bekennen: „Ja, daaraan heb ik niet gedacht; wie kon zóó iets vermoeden ?" —

De alléén wijze God echter heeft diepe gedachten, gedachten dieper gaande dan de ondoorgrondelijke bodem der zee. Zijn gedachten gaan over alles, over het verleden, over het heden en over de toekomst. Alles ligt voor Hem geopend. O, wèl ons, dat Zijn gedachten hooger en dieper gaan dan de onze ! Zijn gedachten zijn gedachten des vredes over Zijn volk, gedachten van duurzamen welstand, ware rust, wei-gegronde goedgunstigheid, en van eeuwig leven. Tot deze gedachten behoort nu ook dit, dat Hij het dengenen, die Zijn Sabbat houden en bij het werk van den Sabbatdag blijven, een tijdlang laat vergaan, zooals het den kinderen Israels verging in Egypte, toen zij door Pharao onderdrukt werden, totdat het blaadje verkeerde, zooals wij in een volgende preek zullen zien.

Dit alles, wat gij tot zoover vernomen hebt, mijne geliefden, wordt u nu daarom voorgehouden, opdat gij hel werk, hetwelk gij op den Sabbatdag te doen hebt, beschouwt als een koninklijk werk. En wanneer gij daarbij blijft, moet u de Sabbatdag een blijde en vroolijke dag zijn. Wèl hem, dien de Heere des Sabbats daartoe vrijgemaakt heeft! AMEN.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 31 maart 1951

Kerkblaadje | 8 Pagina's

De blijde Zondagsviering.*

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 31 maart 1951

Kerkblaadje | 8 Pagina's