Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zonder efod en zonder terafim

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zonder efod en zonder terafim

6 minuten leestijd

„Zonder efod en zonder terafim". Hosea 3 : 4.

Vreeselijke aankondiging! „De kinderen Israels zullen vele dagen blijven zitten zonder Koning en zonder Vorst, en zonder offer en zonder opgericht beeld, en zonder efod en zonder terafim". Voor Hosea ook dddrom vreeselijk, omdat hij deze bedreiging in zijn eigen huis in een levend beeld Israël moest voor oogen stellen. Want de Heere zeide tot hem: „Ga wederom henen, bemin een vrouw, die bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de Heere de kinderen Israels bemint, maar zij zien om naar andere goden". Hoe vreeselijk echter deze opdracht ook was, Hosea was gehoorzaam. Hij kocht zulk een vrouw voor 15 zilverlingen en inderhalve gomer gerst en sprak tot haar: „Gij zult vele dagen voor mij blijven zitten (gij zult niet hoereeren noch een anderen man geworden), en ik ook voor u" (vers 1—3). En als Israël met verbazing ziet, hoe daar in des profeten huis deze vrouw zit, afgezonderd, afgesloten van haar man, die haar bemint, maar ook afgezonderd, verlaten van de vreemden, die zij beminde, dan roept de profeet zijn volk toe : Zooals het deze vrouw vergaat, zal het u vergaan. „Want de kinderen Israels zullen vele dagen blijven zitten zonder Koning en zonder Vorst, zonder offer en zonder opgericht beeld, en zonder efod en zonder terafim". Gods Koning (uit Davids huis) noch eigen-gekozen vorst zullen ze hebben, Gods offer noch afgodsbeeld, efod noch terafim. De efod, het Hoogepriesterlijk kleed met borstlap (en Urim en Thummim), is hier zinnebeeld van den Middelaar Gods, en de terafim beduiden alle heidensche, alle menschelijke middelen om tot God te komen. Israël heeft God en Zijn Middelaar, Zijn genade, versmaad, om de afgoden na te hoereeren. In Gods heiligen toorn zullen zij vele dagen zitten zonder God en zonder den afgod, zonder den Zaligmaker en zonder andere toevlucht, verlaten van God en goden. Hoe volkomen is deze dreiging vervuld in de

Hoe volkomen is deze dreiging vervuld in de ballingschap, waarin God ze deed wegvoeren in de dagen der Assyrische en Babylonische vorsten, en waarin het ongeloovig Israël tot op den huldigen dag omzwerft. Terwijl voor het ware Israël reeds lang is aangebroken de volheid des tijds, waarin Gods belofte vervuld is en wordt: „Daarna zullen zich de kinderen Israels bekeeren en zoeken den Heere, hun God, en David hun Koning en zij zullen vreezende komen tot den Heere en tol Zijn goedheid, in het laatste der dagen" (vers 5).

Immers, Gods straf, uitgedrukt in de woorden : „zonder efod en zonder terafim" is heilige gerechtigheid, en toch is zij vol van genade en liefde. Het is niet alleen om te straffen, dat Israël zal zitten verlaten van God en van de afgoden, overgegeven aan zichzelf en aan de vijanden. Het is wijze, ontfermende liefde van dien Man, die niettegenstaande de ontrouw van Zijn beminde, haar nochtans blijft liefhebben en trekken. In haar verlatenheid toch zullen haar de oogen opengaan, gelijk aan den verloren zoon. En in smart over eigen zondige ontrouw zal zij zeggen : „Ik zal henengaan en keeren weder tot mijn vorigen Man, want toen was het mij beter dan nu" (Hosea 2 : 6). Zoo zal Israël zich bekeeren en zoeken den Heere zijn God en David zijn Koning, en zal vreezende komen tot den Heere en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen (vers 5). En wie aldus wederkeert tot Hem, dien hij versmaad heeft, zal een geopend Zaligmakershart, geopende Vader-armen vinden, ja het ondervinden, dat de Heere goed is, en Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid. Dat zijn geen oude geschiedenissen.

Datishedendaagsche,eeuwige, Goddelijke historie.

Datishedendaagsche,eeuwige, Goddelijke historie. „Zonder efod en zonder terafim", zonder God en bedrogen uitgekomen met de afgoden, zoo zi' er nog altijd een volk, zoo zitten er velen midden in de Christelijke gemeente.

Zonder efod, zonder Hoogepriester, zonder offer, zonder het Lam Gods, en dus ook zonder God, omdat zij den Heere Jezus hebben veracht, omdat zij de wereld of andere afgoden meer vertrouwden en begeerden. Doch ziet, daar kwam de Heere God in Zijn heilige liefde, die niets dan toorn lijkt, en verbrijzelde de afgoden, roofde onze dierbare schatten, deed ons bedrogen uitkomen met alles waar wij op bouwden. En daar zitten zij nu zonder Christus, maar ook zonder andere toevlucht.

Dit geldt waarlijk niet alleen dezulken, die openlijk er voor uitkomen, dat zij niet gelooven in het Lam Gods en Zijn Zoenoffer. Evengoed zijn bedoeld rechtzinnige menschen, die het Lam Gods belijden en intusschen de afgoden, de wereld, den mammon dienen. Rechtzinnige, kerksche menschen, die het Lam Gods belijden en toch in den grond der zaak op eigen vroomheid leunen en steunen en door eigen godsvrucht meenen Gode te behagen. O als God in Zijn heilige liefde deze afgoden verbrijzelt, als Hij er ons bedrogen mee Iaat uitkomen, dan staan wij daar met al onze vroomheid, met heel onze bekeering, naakt en jammerlijk voor God. Weg met die afgoden, met die eigen gerechtigheid ! Wij kunnen ze niet meer zien, onrein zijn ze en gruwelijk en bespottelijk. O dwazen, die wij waren, om daarop te steunen. Weg er mee! Maar nu is God ook weg, en Christus, en de Heilige Geest. Wij hebben het er ook naar gemaakt. Wij hebben Zijn genade en Zijn woord versmaad. En nu is Hij weg. Nu is het te Iaat! Te laat?

Maar weet gij wel, dat God uit heilige liefde u alleen heeft laten zitten ? Dat Hij Zich terugtrok en u met de afgoden alleen liet, juist opdat gij die afgoden in hun nietswaardigheid zoudt leeren kennen, en ze wegwerpen?

O als gij nu niets meer hebt, dan zonde en schuld rondom, dan is de tijd daar, waarvan Hosea spreekt: „Dan zullen ze zich bekeeren tot den Heere hun God en tot David hun Koning en zij zullen vreezende komen tot den Heere en Zijn goedheid" (vers 5).

Komt dan, gij die daar zit zonder offer en zonder afgod, zonder efod en zonder terafim, zonder Christus en zonder eigen vroomheid, komt, bevende, vreezende, maar komt nochtans tot 's Heeren goedheid en genade in Hem, die gekomen is om zondaren zalig te maken. Gij zult niet verstooten worden, maar aangenomen als de verloren zoon, die ook alles kwijt was, en gij zult met zalige vrede in het hart spreken : Ik dank U, Heere, dat Gij toornig waart en mij liet zitten zonder efod en zonder terafim — want zoo hebt Gij mij naakt en verlaten uitgedreven tot het Lam Gods en tot Uw Vaderhart.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 mei 1951

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Zonder efod en zonder terafim

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 mei 1951

Kerkblaadje | 8 Pagina's