Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De bekering tot God en het geloof in onzen Heere Fezus Christus.*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De bekering tot God en het geloof in onzen Heere Fezus Christus.*

19 minuten leestijd

WOORD VOORAF.



De hier gepubliceerde preek heeft de welbekende schrijver van de Boheemse Postille, vertaald door Dr H. von Tardy, onlangs te Elberfeld gehouden. Aanleiding daartoe was een schrijven uit Bohemen, waarin geklaagd werd over verontrusting van de Gereformeerde Gemeenten door allerlei dwepers. De geachte schrijver en liefhebber van onze Gereformeerde Kerk voelde zich nu gediongen, het ongezonde in de beweringen van die onruststokers bloot te leggen. Hij heeft dit gedaan in de liefde van Christus, en daarmee onzen geloofsgenoten tegelijk een voorbeeld gegeven, hoe men moet polemiseren. Moge deze preek ook in dit opzicht haar uitwerking hebben. Moge zij echter vóór alles den beangstigden schapen een roepstem van den Herder zijn. Die het afgematte schaap met dubbele liefde omvat.

De hieronder volgende preek is overigens niet van te voren opgeschreven, maar onder de voordracht door een vriend opgenomen. De lezer wil dit bij de beoordeling ervan wel in aanmerking nemen.

Aan alle geloofsgenoten een vredegroet in onzen Heere Jezus Christus van


Vorige week, mijn geliefden, ontving ik een brief van een reizend predikant uit Bohemen, die mij veel meedeelde, wat mij verblijdde. O.a. vernam ik van hem, dat de Postille, die een aantal van


Nu zijn er daar echter ook vele mensen, die zich aan deze liefelijk ontluikende Gemeenten onttrekken, terwijl zij zeggen : Dezen en die zijn niet waardig het Avondmaal te ontvangen, want zij zijn niet wedergeboren ! — Deze mensen houden zichzelf voor wedergeboren en zijn het misschien ook wel. Maar dan zitten zij toch tegelijk in een gruwelijke dwaling vast, juist door er zich op te beroemen, dat zij wedergeboren zijn. Zij jagen andere arme zielen schrik aan, zodat deze zeggen : „Ach neen, als wij niet wedergeboren, niet gelovig zijn, dan mogen wij niet tot het Heilig Avondmaal komen !" Zo sluiten zij dan zichzelf uit en beroven zich van de vreugde in Qod, beroven zich van de troost des eeuwigen levens. —

Ik heb mij daarom voorgenomen in dit morgenuur iets te zeggen over bekering en wedergeboorte. Wilt daartoe, mijn geliefden, Handelingen 20 opslaan. Aldaar getuigt de apostel Paulus in vers 21 : en betuigd heb, beiden den Joden en Grieken, de boete (bekering) tot Ood en het geloof in onzen Heere Jezus Christus.

Gij hebt hier dus de tweevoudige inhoud van het getuigenis van het Evangelie. Dit getuigenis van het Evangelie houdt ons twee stukken voor, die immers niet van elkander gescheiden mogen worden, namelijk:'De boete (bekering) tot Ood en het geloof in onzen Heere Jezus Christus. — Daarin hebben wij de waarachtige wedergeboorte en bekering. Daarbij slaan wij nu nog op onze Heidelbergse

Daarbij slaan wij nu nog op onze Heidelbergse Catechismus Vraag 88: „In hoeveel stukken beslaat de waarachtige boete of bekering des mensen ?" — Het antwoord is : „In twee stukken : in afsterving van den ouden en opstanding van den nieuwen mens" — Dan volgt verder de vraag : „Wat is afsterving van den ouden mens ?" en het antwoord luidt: „Een hartelijk leedwezen over de zonde en deze hoe langer hoe meer haten en vlieden". — „Wat is opstanding van dsn nieuwen mens?" — „Een hartelijke vreugde in Ood door Christus en lust en liefde hebben om naar de wil Gods in alle goede werken te leven".

Mijn geliefden! Het Avondmaal is voorzeker slechts voor de wedergeborenen. Christus heeft het Avondmaal alleen voor Zijn gelovigen verordend. Maar nu willen wij toch eerst eens vragen : Is dan niet al het andere ook alleen voor de wedergeborenen ? Dan moet men immers antwoorden : Ja zeker, niet alleen het Avondmaal, maar ook de Doop, ook de prediking, het Woord, is in de grond der zaak alleen voor de wedergeborenen. Bewijs: Toen Nicodemus tot den Heere Jezus kwam met de vleiende woorden : „Rabbi, wij weten, dat gij zijt een leraar van God gekomen, want niemand kan deze tekenen doen, die gij doet, zo God met hem niet is",— toen antwoordde de Heere Jezus hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien", — d. i. niet verstaan, niet begrijpen,— gelijk ook Paulus in I Kor. 2 : 14 schrijft: „Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn ; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden". — Het staat dus vast: Alles is alleen voor de wedergeborenen. Maar nu een vraag: Wanneer begint dan de wedergeboorte ? Dan zal misschien de wedergeborene mij antwoorden : Van de dag en het ogenblik af aan, waarop de troost van de vergeving der zonden voor de eerste keer in mijn hart binnenkwam, onmiddellijk van God, door Zijn Woord. Zoveel is zeker, dat, waar de troost van de vergeving der zonden het hart vervult, een nieuwe geboorte plaats heeft, men voelt zich overgezet uit de dood in 't leven. Maar nu dit éiie : Waar moeten wij dan met de jonge kinderen blijven ? Wanneer het Avondmaal alleen voor de wedergeborenen is, dan is alles alleen voor de wedergeborenen, — waar blijven wij dan echter met de jonge kinderen ? Daar komt de wederdoper en zegt: „Die mogen niet gedoopt worden, want zij geloven nog niet, zij zijn niet wedergeboren!" — „Zo ? hoe weet je dat ?" Heb je een blik geslagen in het hart van een jong kind ? Hier heb je een boom, en hier toon ik je een zaadkorrel — : is deze dan niet een boom ? zal deze niet een boom worden ? is de boom ook niet eerst een zaadkorreltje geweest ? een klein plantje ? Als ik lees, dat Johannes de Doper als nog niet geboren kindeke opsprong onder het moederlijk hart, toen de moeder van den Heere Jezus tot zijn moeder kwam (Luk ' : 41), dan mag ik niet zeggen : Wat God aan Johannes gedaan heeft, dat is iets buitengewoons geweest, dat doet Hij aan andere kinderen niet. Ik heb eens een zeer jong kind gekend, waarvan men meende, dat het nauwelijks kon spreken ; — bij de moeder van dit kind komen op zekere dag enige vrouwen in een vroom gezelschap bijeen en één van haar zegt: „Wij willen toch, voordat wij beginnen te spreken, de kleine wegbrengen !" — „Ach neen", zegt de moeder, „laat haar maar spelen, zij begrijpt toch niets van hetgeen wij met elkander bespreken". Het kind wordt diepbedroefd, als het dit hoort, en enige dagen daarna gebeurt het, dat het kind iets tot de moeder zegt, waarvan deze de handen ineen slaat en vraagt: „Waar heb je dat vandaan?" — „Dat heeft de Heere Jezus mij gezegd ', antwoordt het kind. — In de waarachtige bekering gebeurt het, dat een mens zijn schadelijke weg verlaat en zijn hart aan den Heere Jezus geeft; dat is dan voorzeker een grote en algehele verandering.

Maar nu vraag ik : Hebt gij ook niet reeds als kind vele waarschuwingen en aandoeningen in uw hart gehad? hebt gij niet, toen gij nog jong waart, wel eens in 't verborgen uw knietjes gebogen en den Heere aangeroepen: „Heere, Heere, verander mij toch, ik ben zo verkeerd !" ? Het gaat in dat opzicht bij de mensen zo verschillend toe. Bij menigeen ontwikkelt de wedergeboorte zich langzamerhand van der jeugd af aan. God leidt de Zijnen op Zijn wijze. Wanneer de zonden der jeugd, een menigte van overtredingen oprijzen, kan men wel een hellevaart maken, zodat men aan de rand van de hel komt te liggen en het uitschreeuwt: „Heere, indien Gij wilt, dan kunt Gij mij wel helpen !" en het antwoord is het liefelijke : „Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen". Waar dit antwoord in 't hart dringt, daar voelt men zich op eenmaal veranderd. Is nu het vorige afgelegd ? Is men nu in zichzelf volkomen ? Waar blijft dan de erfzonde, die wij van Adam geërfd hebben ? — ik bedoel het gruwelijk verderf, dat wij van Adam af aan mede in de wereld brengen, waarvan de grond niet ligt in het vlees, maar in de vloek Gods, die aldus luidt: „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der >Vet om dat te doen !" Waar blijft deze erfzonde ? Keer met deze vraag tot uzelf in ; want er zit telkens zo iets van duivelse hoogmoed achter, wanneer men onderscheid maakt tussen zondaars èn zondaars, wanneer men zichzelf op de hoge zetel plaatst en anderen op het kleine bankje neerzet! Gij, waar blijft gij met uw erfzonde ? met uw gruwelijk verderf ? deze onzalige fontein, waaruit voortdurend, telkens weer opnieuw, ik weet niet wat voor gruwelen voortkomen ? Wordt door de wedergeboorte deze


Overeenkomstig het woord van den Apostel hebben wij hier twee stukken : De boete (bekering) tot Qod en het geloof in den Heere Jezus Christus. Nu vraagt de Catechismus : Wat is boete (bekering) tot Qod? „Boete" is een rooms woord, dat de Catechismus aldus uitlegt: het is bekering, bekering des mensen, d. i. volgens het Hebreeuws spraakgebruik, dat men de goddeloosheid en de lusten der wereld verlaat, dat men zichzelf er aan ^eeft en terugkeert tot zijn God, uit Wiens hand men 'oortgekomen is. Het woord : „Bekeert u !" wil dus zeggen : keert u om ! ziet Mij eens aan ! legt uw vijandige gedachten van Mij af! Volgens het Grieks betekent dit woord hetzelfde, namelijk de verkeerde mening, de verkeerde gedachten, die wi] van God hebben, afleggen. Nu zegt dus de Catechismus: Boete tot God is bekering tot God. Hoe komt de Catechismus echter op deze vraag ? Oe Catechismus leert ons (vraag 86) eerst: Christus heeft ons verlost, en daar Hij ons verlost heeft, „vernieuwt Hij ons ook door Zijn Woord en Zijn Heiligen Geest tot Zijn evenbeeld, opdat wij met ons ganse leven", — van het ogenblik onzer bekering af aan en voortaan, — „opdat wij met ons ganse leven Gode dankbaarheid voor Zijn weldaden bewijzen, en Hij door ons geprezen worde", dat dus Zijn genade. Zijn barmhartig- !ieid. Zijn goedheid door ons geprezen worde. Dan vernieuwt Hij ons verder daartoe, dat wij de troost hebben, van ons geloof uit de vruchten ervan verzekerd te zijn. Nu zou ik echter willen 'ragen : Was David van zijn geloof uif de vruchten jrvan verzekerd, toen hij zo zwaar gezondigd had ? „Ach Heere", sprak hij, nadat hij het volk geteld had, „vergeef de misdaad Uws knechts !" Hoe komt David er toe, om vergeving te vragen voor 7A]n misdaad ? hoe komt hij er toe, zich des Heerei) knecht te noemen ? Hij is dus daarvan verzekerd, dat hij iets heeft. Wat dan ? Een God, Die vergeven wil ! een Heere, Wiens eigendom hij is ! En daarbij komt nog iets. David is in zijn leven zo vaak met beschuldigingen overladen, waarin niets waars was. Zo roept hij b.v. in ï^salm 7 luide uit: „Heere mijn God, heb ik dat ;^edaan en is er onrecht in mijn handen, — heb ik kwaad vergolden aan hen, die vreedzaam met mij leefden, of hen, die mij zonder oorzaak vijandig waren, beschadigd, zo vervolge mijn vijand mijn ziel en grijpe ze en trede mijn leven ter aarde !" ') Daar wist David dus, dat hij het niet gedaan en er ook niet aan gedacht had. Zo was hij dan van zijn geloof uit de vruchten verzekerd. Daartoe vernieuwt de Heere Jezus Christus ons naar Zijn evenbeeld. Dat komt niet van onze akker, maar door Zijn vernieuwing. Nu zegt de Catechismus verder: Ook daartoe vfirnieuwt Hij ons, dat wij door onze godzalige wandel onzen naaste ook voor Christus winnen. — Nu komt verder de vraag: „Kunnen dan zij niet zalig worden", — let goed op, — „die in hun goddeloos, ondankbaar leven voortvarende, zich tot God niet bekeren?" En het antwoord is: „In generlei wijze; want de Heilige Schrift zegt, dat geen onkuise, afgodendienaar, echtbreker, dief, gierigaard, dronkaard, lasteraar, noch rover, noch dergelijke, het Rijk Gods beërven zal". Dat staat vast. Dat schrijft Paulus immers aan de Korinthiërs. Wanneer gij nu dit leest, denk dan toch niet van uzelf: „O, uit mijn hart komen zulke dingen niet voort! wij zijn brave lieden, zonen van een braven man !" Gij zoudf wel graag al deze onkuisen, afgodendienaars, echtbrekers, dieven, gierigaards, dronkaards enz. in de hel willen werpen en zelf vóór het altaar gaan staan en zeggen : „Ik dank U, God, dat ik niet ben als deze mensen, als deze en gene; want ik doe dit en ik doe dat!" Denk toch aan uzelf en vonnis uzelf! Beroem er u niet op, dat gij een gelovige, een bekeerde, een wedergeborene zijt; want juist dan, wanneer men gelovig, wanneer men wedergeboren en bekeerd is, neemt men het nauw, en dan gebeurt het, dat men vaak niet weet waar te blijven en niet uit de ogen kan zien vanwege het groot verderf, en omdat het hart een spelonk is vol van verwarring. Gods Woord zegt: dezen kunnen het Rijk Gods niet beërven ! En zit nu eens als rechter over uzelf. Vraag u af, of gij zo vroom zijt, dat gij de vrouw van een ander nooit begeerd hebt; dat onkuise dingen niet in u opkoinen; dat, ook al steelt gij niet op grove manier, gij u toch nooit van het een of ander middel bedie-nt om u op onrechtvaardige wijze te verrijken! Vraag u af, of gij zo vroom zijt, dat gij u nooit te buiten gaat aan spijs en drank ! Of gij zo sterk zijt, dat, wanneer de zonde als een wild dier u op het lijf valt, gij haar aliijd kwijt kunt raken ! Vonnis uzelf, en wanneer gij dit in waarheid vóór God doet, dan blijft heden en morgen niets anders over dan eeuwige barmhartigheid, dan louteie genade, dan alleen het bloed van Jezus Christus, dat reinigt van alle zjnde.

Nog eens: de erfzonde of het verschrikkelijk verderf van den mens wordt door de wedergeboorte of door de bekering niet weggenomen, de schuld van deze erfzonde wordt weggenomen, gelijk zij dan ook weggenomen is in het bloed van Jezus Christus, — het verderf zelf echter niet. Wat geschiedt-er dan? Bij dit verderf, — en dat is het begin van de wedeigeboorte of bekering, — bij dit verderf komt in den mens datgene op, wat de Catechismus in aiüwoord 89 een hartelijk leedwezen over de zonde noemt. Als iemand mij van zijn bekering vertellen en dag en uur van zijn wedergeboorte aangever, wil, en mij dan toch zegt, dat dit hartelijk leedwezen over de zonde bij hem allang opgehouden heeft, — dan zeg ik hem, dat hij zichzelf bedriegt. Dat is in het begin van de bekering waar, o hoe waar! maar een hartelijk leedwezen over de zonde blijft er ook het ganse leven door bestaan. Waardoor wordt dat gewrocht ? Dat werkt telkens de genade van den Heere Jezus Christus, door de Wet, die verdoemt, en het Evangelie, dat leven inblaast. Dan is de mens verbrijzeld en gevoelt hij, welk een zondaar hij is — De Catechismus bedient zich hier verder van een merkwaardige beeldspraak, terwijl hij spreekt van een ouden mens en van een nieuwen mens. De „oude mens", dat zijn de zonden, de verkeerdheden, het gruwelijk verderf, waarin wij van Adam af aan vastzitten. Dat heet „oude mens", en nu gebruikt de Catechismus verder deze beeldspraak door te zeggen : De boete of bekering bestaat in de afsterving van den ouden mens. Deze oude mens is niet op eenmaal dood, al is hij ook dood in de dood van Jezus Christus en al is het ook, dat men daarin de dood van zijn ouden mens ziet. In Christus' dood is deze oude mens voor het geloof dood ; maar naar het gevoel en volgens de dagelijkse ervaring moet het, opdat het geloof geoefend en de hoop levendig gehouden worde, een afsterven zijn, waarbij de oude mens langzamerhand sterft, opdat hij geheel sterve, wanneer gij eenmaal ook de lichamelijke dood sterft. Dan eerst sterft men werkelijk de zonde af; maar overigens is het een langzaam en voortdurend afsterven, dat het ganse leven doorgaat. Dit afsterven is met andere woorden een stille wandel tot God, zodat men een hartelijk leedwezen heeft over zijn zonden en — deze voor altijd ontvloden is ? dat men met de zonde volkomen gebroken heeft ? — Ja, dat hebt ge gedaan in het geloof, toen gij hand en hart aan den Heere Jezus gaaft; maar wederom, in de ervaring, in het dagelijks leven, daar gaat het niet op eenmaal, doch daar is het een: „de zonde hoe langer hoe meer haten en vlieden". Welke zonde dan ? Nu : onkuisheid, afgoderij, overspelige gedachten, dieverij, woeker, gierigheid, dronkenschap, lasteringen, nijd, haat, toorn, — zonden, die men tegen zichzelf begaat, en zonden, die men tegen den naaste begaat, die begint men te haten als men bekeerd wordt, en men begint ze te mijden en te vlieden, en dat hoe langer hoe meer. Zonder ophouden. Ach, denk eens: vijftig jaren op de weg te zijn en dan nog te moeten zeggen: „hoe langer hoe meer!" Maar het is waar, het is een „hoe langer hoe meer". Dat gaat zoals de Fransman zegt: peu a peu, of zoals de Hollander zegt: voetje voor voetje. Men vliegt niet met vleugels, maar kruipt; dikwijls gaat het zó, dat men, in plaats van haat tegen de zonde in zich te bevinden, veeleer lust gevoelt om te zondigen; dat men, in plaats van de zonde te vlieden, ze veeleer opzoekt, en dan i08 gaat het wel eens tegen alle waarschuwing in, zodat, als God niet met macht de gelegenheid afsneed, men zijn lust toch zou doordrijven. Nu eens bevindt men geen haat tegen de zonde bij zich, en dan weer is er haat, zodat men een gruwel is in eigen oog. Dat gaat als door dichte scharen van vijanden heen. De vaandels afgeven kan men niet, want men is tot heiligheid geroepen ; maar men dringt slechts door met het schild des geloofs. Het is niettemin een harde strijd. Dat is dus de boete tot God, de waarachtige

Dat is dus de boete tot God, de waarachtige bekering : een hartelijk leedwezen te hebben over de zonde en deze hoe langer hoe meer te haten en te vlieden. Bij den wedergeborene is er veel meer gevoel van zonde dan bij den niet-wedergeborene ; want eerst wanneer God hem staande houdt op de weg, eerst dan begint de onbekeerde te roepen : „Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal ?" Als hij echter zó roept, is hij dan nog onwedergeboren ? Zeg mij dat eens ! Is hij nog onwedergeboren, als hij ter aarde l^t, ais hij bij God om genade aanhoudt, als hij de zonde verafschuwt? De Catechismus zegt van den waren gelovige, dat deze van zichzelf belijdt en betuigt: dat hij nog steeds tot alle boosheid geneigd is, dat hij met zijn doodvijanden, den duivel, de wereld en zijn eigen vlees en bloed zijn leven lang te strijden heeft, en zó zwak is, dat hij niet in staat is, hun ook maar een ogenblik weerstand te bieden. Dat belijdt de wedergeborene van zichzelf.

Nu komt echter het andere stuk, dat bij de bekering en in den bekeerde aanwezig is. Hef is alles een zaak des harten. De ware terugkeer tot God is een zaak des harten, zodat niet alleen de uiterlijke wandel van den mens veranderd wordt, neen, er komt een verandering des harten, en wanneer deze verandering des harten komt, zodat een mens vrijer ademhaalt in de genade, in de vrije vergeving der zonden, zou ik toch weleens willen weten, of daar geen vreugde in God is (Cat. vraag 90). Daar zingt men immers : „Hoe liefelijk zijn Uw woningen, Heere Zebaoth !" Daar zingt men : „Ik heb lief, want de Heere hoort mijn stem en mijn smeken ; Hij heeft Zijn oor tot mij geneigd, daarom wil ik mijn leven lang Hem aanroepen!" (Ps. 116) — Deze hartelijke vreugde in God is ook niét iets, dat wij van onszelf hebben, maar het is de Heere Jezus Christus, Die in het hart binnenkomt en daarin woning maakt, zodat men zingt:


Daartoe, dat men de zonde hoe langer hoe meer haat en vliedt, behoort ook dit, dat men van den Heere Jezus zegt: Moge Hij toch komen en toesnellen als een hert om den armste van zijn last te bevrijden. Hartelijke vreugde in God is opstanding van den nieuwen mens. Deze opstanding van den nieuwen mens is evenals de afsterving van den ouden mens gewrocht in de dood en opstanding van Jezus Ciiristus. Dat is de bron, waaruit gij moet putten, echter zó, dat het wel een uitgemaakte zaak is vóór God ; wat gij evenwel dagelijks ziet en gevoelt en ervaart in het leven, is dit, dat het leven met zich meebrengt: zonde en schande en roepen en schreeuwen om genade en barmhartigheid, een vallen en opstaan en wederom vallen en — blijven liggen ? — en wederom opstaan. — Deze hartelijke vreugde in God en lust en liefde om naar de wil Gods in alle goede werken te leven, — is zij altijd bij den wedergeborene te vinden ? Dat vraag ik u, en als gij zegt: „Ja", dan zeg ik u: „gij bedriegt uzelf. Een kind Oods, een bekeerde, verblijdt zich van harte, wanneer het hem éénmaal vergund wordt, vreugde in God te smaken! Hij klaagt zichzelf aan, dat hij zo dikwijls geen lust heeft om naar de wil Gods in alle goede werken te wandelen ; waar hij de Naam des Heeren belijden moet, daar wil hij niet, waar hij vóór God verbrijzeld moet zijn, daar is geen droefheid naar God aanwezig, waar hij in liefde met zijn naaste moest leven, daar bespeurt hij dikwijls in zichzelf een gevoel van wraak. Er is een strijd, voortdurend een strijd, waarvan dan toch altijd het einde is : hartelijke vreugde in God — door ? door Jezus Christus, zodat wij dus bij de afsterving van den ouden mens en de opstanding van den nieuwen mens Jezus Christus tot oversten Leidsman onzer zaligheid hebhen.

Die nu in de Gemeente tot de prediking, tot het Woord, tot het Sacrament komen, zijn niet allen dezelfden. Verscheidenen komen er ziek, zo komen zij dan tot den Heiland, Die gezond maakt. Zijn zij nu wedergeboren of niet ? Er komen verscheidenen arm, doodarm tot het Sacrament, zo komen zij dan tot den Heiland, Die rijk maakt. Zijn zij nu wedergeboren of niet? — Men moest toch begrijpen, dat onze Heere God een groot armen- en ziekenhuis heeft, en dat Hij de Gever is van alle goederen van genade en barmhartigheid, opdat men niet critiserend op de mensen neerzie, maar integendeel het oog naar boven richte, naar de troon der genade, en van zichzelf belijde : Of ik kom om, óf ik leef op genade en sterf op genade! AMEN.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 juli 1951

Kerkblaadje | 8 Pagina's

De bekering tot God en het geloof in onzen Heere Fezus Christus.*

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 juli 1951

Kerkblaadje | 8 Pagina's