Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Jezus en de zondares.*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jezus en de zondares.*

20 minuten leestijd

Text: Johannes 2 : 11:„Dit eerste teken deed Jezus te Kana in Oalilea, en openbaarde Zijn heerlijkheid. En Zijn jongeren geloofden in Hem" ^).




Waarde vrienden ! Nu gij hier gekomen zijt, enerzijds om door de prediking van Gods Woord gebouwd te worden tot een geestelijk huis, anderzijds om van uw belangstelling te doen blijken in de echtelijke verbintenis van een predikant, die zich het getuigenis onzes Heeren niet schaamt, met een jongedochler, die, getooid met dekrans der liefde, dankbaarheid en hartelijkste gelukwensen van de Gemeente, den man volgt, !ot wien God haar met Zijn hand en naar Zijn wijsheid gebracht heeft, hebben wij gemeend, alvorens tot de huwelijksbevestiging over te gaan, u opmerkzaam te moeten maken op een bepaalde trek uit de beschikkingen en daden van onzen Heere Jezus in de dagen Zijns vleses, die ons allen tot lering, den gehuwden tot troost, het jonge echtpaar tot versterking van de blijdschap in den Heere moge dienen

Het is Johannes, de Evangelist, die ons deze trek ^n zijn bericht over de bruiloft te Kana in Galilea n het tweede hoofdstuk van zijn Evangelie nieedeelt. Dit bericht wilfen wij vooraf lezen, om daarna de gedenkwaardige en alle aanneming Afaardige woorden van het elfde vers, waarin deze trek voorkomt, met elkander te overdenken. Het bericht luidt als volgt: En op de derde dag was er een bruiloft te Kana

En op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Oalilea; en de moeder van Jezus was aldaar. Jezus echter en Zijn jongeren werden ook ter


Dit bericht besluit de Apostel nu in het elfde vers met deze woorden : Dit eerste teken deed Jezus te Kana in Galilea, en openbaarde Zijn heerlijkheid. En Zijn jongeren geloofden in Hem. Wij noemden deze woorden gedenkwaardig en alle aanneming waardig. Aanvechting leert acht geven op het Woord ; en zo vinden wij altijd al heel spoedig heerlijke lering, troost en versterking juist daar, waar wij op het eerste gehoor zouden kunnen menen, dat iets slechts zo terloops verleid was. Zo zou het ons onbelangrijk kunnen voorkomen, of het het eerste, het derde of het vijfde teken geweest is, dat Jezus deed. Daarom willen wij naar aanleiding van deze woorden uit het Evangelie de volgende vijf viagen stellen om uit de beantwoording ervan licht, troost en kracht te putten.

De eerste vraag : Waarom maakt Jezus het begin ') Zijner tekenen bij de gehuwden ? De tweede : Bij welke gehuwden doet Hij dat,

De tweede : Bij welke gehuwden doet Hij dat, en waar wonen zij ?






De derde: Waarin bestaan Zijn tekenen ?

De vierde: Wat doet Jezus nog bovendien ?

De vijfde: Welke vrucht bracht Hij daarmee te voorschijn ?

Waarom maakt Jezus het begin Zijner tekenen bij de gehuwden ?

Deed Jezus dat niet ? Lezen wij niet in vers 1 en 2: „En op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Oaliiea;—Jezus echter en Zijn jongeren werden ook ter bruiloft genodigd" ?

Jezus, op de derde dag, nadat Hij in Qalilea was aangekomen, op een bruiloft met Zijn discipelen ! Wie zou dat verwacht hebben ? Zijn Naam zegt toch immers, dat Hij komt om Zijn volk zalig te maken van hun zonden. Hij is toch immers naar Oaliiea gekomen, opdat de Schrift vervuld zou worden : „Het heidense Oaliiea, het volk, dat in de duisternis zat, heeft een groot licht gezien, en hun, die in de landstreek en schaduw des doods zaten, is een licht opgegaan".i) En : „De Geest des Heeren is op Mij, dewijl Hij Mij gezalfd heeft en gezonden om den armen het Evangelie te verkondigen, om de gebroken harten te helen".^)

Jezus kwam in Oaliiea aan op de derde dag, nadat Johannes de Doper gezegd had : „Zie het Lam Oods !"*) Het is een dag van beslissing, deze derde dag, een dag van öf - of! De derde dag is als zodanig overal in de Schrift aangeduid : als dag van omkomen of van verlossing, als dag, waarop de verderving begint of de opstanding plaats heeft. Maar wanneer dat zo is, wanneer onze Heere veertig dagen in de woestijn vastte en gedurende al deze tijd door den duivel verzocht werd, en Hij hem met het Woord van Zich dreef; wanneer het nu vier dagen geleden is, dat Hij deze verzoeking te boven kwam — : waarom lezen wij dan niet, dat Hij op de derde dag, nadat Hij in Oaliiea was aangekomen, duizenden en tienduizenden om Zich heen verzameld en hun op machtige wijze het Evangelie gepredikt heeft, en dat aldus deze derde dag voor velen in Oaliiea een dag van opstanding geworden is ? In plaats daarvan lezen wij, dat Hij aan de uitnodiging gevolg geeft en om zo te zeggen Zich met Zijn discipelen in een hoek onder een dak begeeft, waar men niet het lichaam kastijdt om zijn zonde kwijt te raken, waar geen droefheid naar God heerst, maar bruiioftsvreugde, muziek en zang, opdissen en inschenken, bruidstooi en liederen van aardse liefde. Is daar de beslissende dag dan niet uit het oog verloren, het begin van een zo grote tijd niet veronachtzaamd ? Of nog eens, waarom drijft Ood de Vader Hem op deze dag niet duizenden en nogeens duizenden tegemoet om het Evangelie te horen ? Waarom richt Hij het zó in, dat er juist op deze dag een bruiloft is ? Waarom zendt Hij Zijn Zoon op deze dag allereerst daarheen, waar de huwelijke staat een aanvang neemt ?

Wij willen daarop antwoorden, opdat wij niet hetgeen vleselijk is, voor bijzonder geestelijk, en hetgeen alleen geestelijk, hetgeen goddelijk, hetgeen ook alleen practisch is, voor gewoon, vleselijk en onbruikbaar houden.

„Ood schiep den mens naar Zijn beeld, tot een beeld Oods schiep Hij hem; en Hij schiep ze man en vrouw" '). „En zij zullen één vlees zijn" ^), zegt de Heere. „Én Ood zegende ze en sprak tot hen: Zijt vruchtbaar en vermeerdert u, en vervult de aarde en maakt ze u onderdanig en heerst *). Daar hebben wij den koning en de koningin der aarde, den priester en de profetes der aarde in een verbond van méér dan wederzijdse trouw, in een verbond van éénheid, zoals Ood alleen die scheppen kan, in een stand, die door Ood ingesteld en verordend en daarom de oudste en eerwaardigste is. Maar wat is er van deze stand terecht gekomen,

Maar wat is er van deze stand terecht gekomen, sedert de duivel den mens de kennis van goed en kwaad heeft bijgebracht ? Adam viel niet alléén, met hem viel de vrouw; en nadat Ood hem uit de hof Eden verdreven had, bevond hij zich met zijn vrouw op een om zijnentwil vervloekte akker, om zich met kommer daarop te voeden zijn leven lang*).

Deze stand is dus een stand vol kommergeworden; een stand, waarin vele smarten geleden worden en waarin de vrouw dikwijls zeer pijnlijk onderworpen is ^), en een stand, waarin de man in het zweet zijns aanschijns zijn brood eet.

Zijn woord : „Zijt vruchtbaar en vermeerdert u",— de prikkel om zich te vermenigvuldigen, de stand op zichzelf en de zegen heft Ood niet op, — maar hoe staan wij tegenover deze stand ? Verstaan wij het, dat Ood hem ingesteld heeft, nadat Hij hemel en aarde geschapen had ? dat Hij hem ingesteld heeft tot vermeerdering, en hem na de val gehandhaafd heeft, ook om hoererij, ontucht en onreinheid te vermijden ?

Ach, wat wordt deze weldaad Oods door ons mensen miskend, doordat men deze stand als een zaak van eigen wil en eigen keuze, als iets vleselijks beschouwt; doordat men naar eigen wil over zijn lichaam meent te kunnen beschikken, en de prikkel om zich te vermenigvuldigen Ood in het aangezicht werpt door hoererij van allerlei aard, door onmatigheid en berekeningen, volgens welke men niet wil, zoals Ood het wil; of doordat men door eigenliefde en allerlei verkeerdheid, elkander de huwelijke staat tot een hel maakt! En toch komen uit deze stand vader en moeder en de overheid, kinderen en nakomelingschap, families, vorsten en volken, bewoonde landen, steden en dorpen, alsook de afzonderlijke woningen voort! Is het sortis één en hetzelfde, hoe deze alle uit de door Ood ingestelde stand voortkomen ?




Hoe de rechtvaardige Ood de geringschatting van deze stand, hoe Hij de in strijd met deze begane zonden, als ware deze zuiver wereldlijk van aard, van menselijke willekeur afhankelijk en wederzijds overeengekomen, van oudsher ^^s^ra/^ heeft en nog straft, is klaar als de dag, gelijk geschreven staat: „Zij namen tot vrouwen, wie zij wilden"^); het is duidelijk bewezen in de onenigheid en de onvrede, waarin vele gehuwden leven; in de verschrikkelijke zonden van ontucht, waarbij men volstrekt niet meer weet, noch wil weten, dat onze lichamen/^rf^/z i'a/z CAmtes zijn, daarentegen het lichaam en de krachten, voor de huwelijke staat geschapen, elders verzwakt, gelijk geschreven staat: „Daarom heeft Ood hen ook overgegeven in de lusten hunner harten, in onreinheid, om hun eigen lichamen te schenden aan zichzelf^); het is duidelijk te zien aan de steeds toenemende ongehoorzaamheid van de kinderen, zodat de klacht gehoord wordt: de kleine kinderen trappen op de schoot, de grote trappen op het hart; het is eindelijk ook als met handen :e tasten, als men let op de neiging om zo weinig !Tiogelijk te werken en zo veel mogelijk geld te i/erdienen, om het daarna te verkwisten, alsmede ip de revolutie-lusten der volkeren. Dat is de :,traf overal daar, waar de huwelijke staat niet als door God ingesteld en verordend, erkend wordt: dat elke band van wet, van orde en tucht losgemaakt wordt, en de mens beneden het vee zinkt. Maar gelijk God rechtvaardig is en straft, zo is i iij ook barmhartig en genadig; en gelijk de •sistelling van de huwelijke staat als de voortreffelijkste stand van Zijn liefde alléén uitging, zo gaat het van Hem alleen uit, deze van de ontwrichting-door-de-zonde te herstellen. Het was daarom siods vaderlijke regering, dat er op de derde dag te Kana, d. i. Ijverstad, een bruiloft was. Het -vas God de Vader, Die Zijn Zoon door de gehuwden tot deze bruiloft liet nodigen, en Jezus, Die in alles en vóór alles de wil des Vaders erkende, wil bij gehuwden het begin Zijner tekenen naken tot onderwijzing en vertroosting voor ons, dat het na Zijn verzoeking in de woestijn Zijn eerste zorg is, Zich te openbaren als den Hersteller van de stand, waaruit ook Zijn Kerk voortkomt ; gelijk geschreven staat: „In plaats van uw vaderen zullen uw zonen zijn, die zult gij tot 'orsten stellen in de gehele wereld".^) Zo hebben wij het antwoord op de eerste vraag.

Zo hebben wij het antwoord op de eerste vraag. Wij gaap nu over tot de tweede en kunnen, na hetgeen reeds gezegd is, kort zijn met de beantwoording, zowel van deze vraag, als ook van de overige vragen.

Bij welke gehuwden maakt Jezus het begin Zijner tekenen, en waar wonen zij ?

Ook Nathanaël, deze echte Israëliet, in wien geen bedrog was, was uit Kana ; daarom was ook hij genodigd, en de moeder van Jezus was aldaar.

Wij hebben dus met gehuwden te doen, die niet lichtzinnig in het huwelijk getreden zijn en niet gedacht hebben: ik neem jou, jij neemt mij om mijn lusten te bevredigen — als zou de mens een beest zijn; met gehuwden, die de zegen Gods niet gehouden hebben voor een vorm en een bevestiging van eigen willen en lopen. Hier zijn gehuwden, die het goddelijk werk van Zijn schepping, de goddelijke instelling en verordening van hun stand verstaan hebben, zodat zij niet zeiden: ik neem jou, jij mij, maar: de God, Wien ik toebehoor, .schiep jou voor mij en mij voor jou, opdat wij één vlees zouden zijn, en de God van hemel en aarde. Die het in Zijn barmhartigheid begonnen heeft, moge het in Zijn genade bevestigen en ook naar Zijn trouw voleinden. Het zijn dus gehuwden geweest, die den Heere vreesden en grote lust in Zijn geboden hadden; gelijk de huwelijkspsalm, gelijk hel bruiloftslied des Geestes en de goddelijke belofte voor de huwelijke staat luidt (in de woorden van de 128ste Psalm): „Welgelukzalig is hij, die den Heere vreest en op Zijn wegen gaat".

Gehuwden, bij wie Jezus het begin Zijner tekenen maakt, hebben dan ook de wil Gods verstaan ; elkander op Gods wegen en niet op de wegen, zoals het vlees ze maakt, wederkerig gevonden ; zij hebben ook hun verdorvenheid tevoren recht leren kennen, hun verlorenheid en machteloosheid om zichzelf te regeren en te helpen ; zij zijn op barmhartigheid bij God uit geweest; zij hebben genade gezocht en zoeken genade te vinden in Gods ogen, en hebben bij aanvang en voortgang ervaring opgedaan van Zijn gewisse be\ohe : „Ik zal Mij aan u verloven in eeuwigheid, Ik zal Mij aan u verloven naar gerechtigheid en recht, in genade en barmhartigheid; ja, Ik zal Mij aan u verloven met ware trouw, en gij zult den Heere kennen". ') De éne zowel als de andere partij, of althans één van hen, heeft zich dus tevoren aan den Heere overgegeven, zich met Hem verbonden en gaat tot Zijn rust in ; en het is zijn eerste zorg, zijn ernstig streven om de andere partij of elkander wederkerig niet slechts voor dit leven, maar ook voor de eeuwigheid, niet slechts naar het uitwendige tn lichamelijke, maar ook naar de kostelijke ziel gelukkig te maken ! Ziet, bij zulke gehuwden maakt Jezus, de Heere, telkens het begin Zijner tekenen. Zulken nodigen ook den ofschoon nu onzichtbaren Jezus, den Hersteller van de huwelijke staat, ter bruiloft, dat wil zeggen, zij beginnen deze staat met Hem en roepen God aan in Zijn Naam, dat Hij de zonden hunner jeugd en hun vele overtredingen niet wil gedenken. Daar is een verlangen en een moed om den Heere méér lief te hebben dan de vrouw, den Heere méér lief te hebben dan den man. De bovendorpel en de deurposten van het huis, waar zulke gehuwden wonen, zijn bestreken met het bloed des Lams, — en zij „laten het woord van Christus rijkelijk bij zich wonen" dag en nacht, zodat men er Z'.ker van is: men heeft lief en bouwt voor Christus en Zijn Gemeente, en zó voor de zalige eeuwigheid.

Zulke gehuwden slaan nog hedentendage telkens hun woning op of wonen te „Kana" in Galilea — te Kana niet in werkelijkheid, maar in geestelijke zin — in de „Ijverstad", zodat zij wederkerig en voor elkander ijverig zijn om hetgeen voor deze stand niet voordelig is, af te leggen en uit huis en hart weg te doen, om daarentegen des Heeren hulp, macht en genade in te roepen ; om hun stand zó hoog te houden, dat deze Qode aangenaam en den mensen welbehagelijk is; dat hun huis staat op de saffieren van Gods Woord en genade, en een glazen huis is, opdat vrienden en buren, die uif-en in-en voorbijgaan, ja ook de vijanden, het licht van Gods instelling en genadeheerschappij en van de goede werken van deze stand mogen zien. — Dit Kana ligt echter „in Oalilea'\ dat is: in het land, waar men zonder Jezus in duisternis zit en in schaduw des doods. Ik bedoel: zulke gehuwden belijden, dat zij zondaren zijn en schapen, die verloren gaan, verweesde en hulpeloze kinderen, die uit zichzelf niets anders vermogen, dan verkeerdheid op verkeerdheid stapelen, — die dus belijden, dat zij zonder Jezus niets kunnen doen, doordat Hij alleen. Die de huwelijke staat verordend en hersteld heeft, deze kan handhaven. Zulke gehuwden hebben echter voortdurend behoefte aan de „tekenen" van Zijn genade en hulp. Zo komen wij tot de derde en vierde vraag:

Zo komen wij tot de derde en vierde vraag:

Waarin bestaan de tekenen van den Heere Jezus bij de gehuwden ? en wat doet Jezus nog bovendien ? In het Evangelie lezen wij, dat den gehuwden

In het Evangelie lezen wij, dat den gehuwden wijn ontbrak, en dat dit gebrek den Heere slechts behoefde bekend gemaakt te worden om door Hem, toen Zijn ure gekomen was, heel in 't verborgen geholpen te worden, waarvan de gehuwden met de gasten overvloedig genoten, vóórdat zij wisten, waarvandaan deze hulp kwam. Hierin echter bestond Zijn teken : Water maakte Hij tot wijn ; Hij liet zo veel waterkruiken als er waren met water vullen en zei daarna : „Schept nu". Water \N&stx\n gtgoi&n, wijn werd geschept, en wel goede wijn.

Maakt de Heere Jezus ook nu nog water tot wijn ? Uit de aarde komt de wijn niet in de wijnstok; Hij, Die de wijnstok uit de aarde liet en laat tevoorschijn komen en deze stok tot wijnstok geschapen heeft, Hij kan het ook nu nog wel. Nog doet Hij dikwijls méér dan dit, al is het dan niet zo onmiddellijk, dan toch nog onmiddellijk genoeg; maar zoals in Zijn schepping het éne kruid niet op het andere, het éne groene blad niet op het andere gelijkt, zo verschillend zijn ook Zijn tekenen! Het zij ons genoeg, dat Hij Zijn schapen het leven en de overvloed geeft; dat Hij den gehuwden Zijn hulp altijd bewijst, ook wanneer men dit allerminst verwacht. Juist llö de huwelijke staat, die Hij hersteld heeft, zal Hij ook weten te handhaven. Hij kent het vonnis: „Met smart zult gij kinderen baren; vervloekt zij de akker om uwentwil; met kommer zult gij u daarop voeden uw leven lang; doornen en distels zal hij u dragen" ^). Dit woord, dit vonnis uit Gods rechtvaardige mond, laat zich niet opheffen ; maar hierin bestaan de tekenen van den Heere Jezus, dat Hij bij degenen, die Hem liefhebben, telkens uit water wijn maakt. Of vanwaar dan anders wel de weelde van wederzijdse liefde en trouw midden in smarten en zorgen ? MAnwSi3i\: anótys de: moedervreugde bij alle nod en angsten om het kind ? Vanwaar anders de vadereer, die hoger is dan koninklijke eer, midden in het verdriet ? Bewerkt de man het soms, dat hst huis onder zegen gebouwd wordt ? Bewerkt de vrouw het soms, dat het huis voorspoed geniet, terwijl het tevoren (en dikwijls ook naderhand !) aan alles ontbreekt, ja alles overstroomd wordt door het water van nood en zorg; of is het de Heere, Die het bewerkt, dat het huis der gehuwden stand houdt tot in 't duizendste gejiacht ? -) Ik wil echter niet alléén spreken over uiterlijk

Ik wil echter niet alléén spreken over uiterlijk gebrek en innerlijk verdriet, dat hieruit voortkomt. Het is niet allen gehuwden opgelegd, dit gebrek en verdriet werkelijk te gevoelen ; ik kan 't ook niet precies bepalen, welke zegen de vijfhonderd tot zevenhonderd flessen wijn, waarmee de Heere de gehuwden te Kana zo koninklijk begenadigd heeft, hun kinderen en nakomelingen gebracht hebben. Ik wil spreken over een andere wijze, waarop de Heere voor de gehuwden, die Hem liefhebben, het water tot wijn maakt. De zonde laat zich niet opheffen; ofschoon zij door den Heere vergeven en bij Hem vergeten is, tóch is zij er. Wijselijk besluit Hij ook hier alles onder zonde; de man heeft zijn, de vrouw haar zonde; — en wat komt er uit deze zonde al niet voort in de Oodgeheiligde huwelijke staat ? Waar nu echter Gods Woord in het huis heerst, hoe gaat daar alles altijd juist andersom, opdat de genade van Jezus koninklijke heerschappij zal uitoefenen! Daar schijnt Hij nog méér water in te gieten tot boven toe, opdat de mens op 't diepst verootmoedigd worde en zo in de huiselijke kring met kinderen en huisgenoten de genade des te meer prijze. Daar maakt de Heere Jezus waarlijk in elk opzicht water tot wijn, zodat onenigheid tot enigheid wordt, en het huis, dat alle duivelen steeds omlegeren en graag zouden afbreken, nochtans een kerk in 't klein wordt, en vele van zulke huizen kerken worden, en men de tekenen en wonderen des Heeren in de kelder en op de zolder wel met ogen zien, met handen tasten kan. En diar doet Jezus dit nog bovendien: dat Hij Zijn heerlijkheid openbaart, zodat niet de heerlijkheid der mensen, niet de heerlijkheid Atxgehuwden, maar Zijn heerlijkheid in het hart gevoeld wordt en van de ouders, de kinderen, alle huisgenoten, van de vloer en huisraad anderen tegenstraalt.


Daar is het geloof de spijsmeester en het moet belijden : „Het goede hebt gij tot nu toe bewaard". En dit brengt ons tot de beantwoording van de laatste vraag:

Welke vrucht brengt Jezus met Zijn tekenen tevoorschijn ?

Het Evangelie doet de vrucht uitkomen : „Zijn jongeren geloofden in Hem". De bruidegom en de bruid geloofden dus ook in Hem. Hadden zij tevoren niet in Hem geloofd, — hoe waren zij dan Zijn jongeren geworden ? Waar het geloof eenmaal in waarheid is, daar blijft het ook en houdt het niet OD ; maar het ongeloof, ofschoon vergeven, is nergens geheel en al uitgeroeid. Of zien en herkennen wij den Heiland dan in Zijn macht en trouw, wanneer het aan wijn ontbreekt, wanneer het niet naar wens gaat, wanneer het niet zó gaat als wij ons de dingen hadden voorgesteld, maar veeleer het tegendeel zich van alle kanten opmaakt ? Is het daar niet, alsof de Heere Zich onttrokken heeft? Ja, houdt Hij Zich daar niet als een hardvochtige en alsof Hij niet wil? Is het niet als een rommelende donder, te moeten horen : „ Vrouw, wat heb Ik met u te doen ?" O, welke helse slagen dikwijls ook, ja juist in de huwelijke staat! Er is daar allerlei, waarbij God ons een vreemde wordt, en wij Zijn leidingen niet verstaan, en als dreef de 128ste Psalm met ons de spot. Daar is dan de duivel in de weer, het geloof ziet nergens hulp, en omdat het op niets te bogen heeft, wijkt het voor het ongeloof. Het ongeloof verheft zich, het wil op toorn, op zonden wijzen en als erkende de Heere de huwelijke staat niet. Daarentegen kan toch het geloof niet op toorn wijzen, noch op een volkomen verlaten-zijn ; zo verootmoedigt het zich dan, het ziet echter niet meer op vlees, maar op 's Heeren Woord Het huis, de huisgenoten, het hart, de wandel, de begeerte, de tafel, keider en zolder worden onderworpen aan het woord : „ Wat Hij zegt, wat Hij beveelt, doet daf'. Hij wil gehoorzaamheid, en zo is Hij met Zijn tekenen en wonderen spoedig daar, waar men zichzelf verloochent. Dat zullen de gehuwden, die Hem liefhebben en vrezen en op Zijn wegen gaan, het allereerst ondervinden ; en dan geloven zij in den Heere zó, als hadden zij tevoren in het geheel niet in Hem geloofd. Onzerzijds hebben wij steeds met nieuw ongeloof alle vroeger geloof bedorven ; van Gods kant wordt het geloof in stand gehouden, zodat het telkens opnieuw weer doorbreekt.

Wee den armen gehuwden, die in hun stand Gods werk (hoe vleselijk het er ook uitziet), Gods schepping en verordening, Gods weldaad, lankmoedigheid en goedheid niet erkennen ! Wee den jongen mensen, ook den gehuwden, die

Wee den jongen mensen, ook den gehuwden, die aan hun „ik", die aan hun zondelust de voorkeur geven boven de kennis van den Heere Jezus! Maar welgelukzalig de gehuwden, die tevoren den Heere hand en hart gaven, die elkander wederkerig beschouwden als gave Gods, die elkander wederkerig als zodanig met eer, liefde en trouw voorgaan ; die het begrijpen en ter harte nemen, dat de man, dat de vrouw een ziel heeft, dus of voor eeuwig verloren gaat of voor eeuwig gered wordt! — Zij zullen hun huwelijk aanzien als door God gesticht voor Christus en Zijn Gemeente — en niet hun vlees méér liefhebben dan den Heere en Zijn gebod. Hun huis staat in het Evangelie, de grond van het huis in Christus' bloed; de regel van hun huis is Gods Wet ; hun beste sleutel is Zijn Woord ; de gevel van hun huis toont het geloof; door de huisdeur gaat de rijke waar van alle goede werken, den naaste tot nut en stichting; — zij hebben eens voor altijd Jezus, den Hersteller van hun stand, als Gast genodigd, en Zijn volk is hun volk; — en moge het daar aan wijn ontbreken, nu eens op deze, dan weer op die wijze : Hij gaat daarom niet daar vandaan; — „schept nu", zegt Hij altijd ; ja, schept uit Zijn volheid; — en zie, wat zoeven nog water was, is wijn ! AMEN.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 juli 1951

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Jezus en de zondares.*

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 juli 1951

Kerkblaadje | 8 Pagina's