Hebre�n 12: 22-24
lil. Het burgerrecht in de stad Gods.
„Men spreekt van u zeer heerlijke dingen, o schoone stad van Isrels Opperheer. Zijn grondslag, zijn onwrikbre vastigheden heeft God gelegd op bergen. Hem gewijd. De Heer, die Zich in Sions heil verblijdt, bemint het meer dan alle Jacobs steden".
Zouden wij niet allen begeeren in die schoone stad Gods burgerrecht te hebben ?
Tot de Hebreen zegt de apostel: „Gij zijt gekomen tot de stad Gods".
Hoe komen wij' daartoe, dat het ook van óns kan gezegd worden ?
Hoe zijn de Hebreen daartoe gekomen ? Waarom kan de apostel tot hen zeggen : „Gij zijt gekomen tot den berg Sion, de stad des levenden Gods, het hemelsche Jerusalem" ? Waren die Hebreen zulke hemelsche menschen, waren zij zoo bijzonder ver gevorderd in geloof, in heiligmaking, dat nu van hen, in onderscheiding van vele minder gevorderde Christenen, kon gezegd worden: Gij zijt tot zoo hoogen geestelijken welstand gekomen, dat gij gekomen zijt tot het hemelsche Jerusalem met al hare heerlijke inwoners? In geenen deele! In stede van vèr gevorderd in
In geenen deele! In stede van vèr gevorderd in het geloof, waren de Hebreen veeleer geheel verachterd in de genade. Zij dreigden veeleer schipbreuk te lijden in het geloof. Zij worden door den apostel gewaarschuwd met het afschrikwekl<end voorbeeld der Israëlieten, die door ongeloof niet hadden kunnen ingaan in Kanaan, en met het vreeselijk voorbeeld van Ezau, die om een spijze zijn eerstgeboorterecht prijsgaf. Zoo ver was het met de Hebreen gekomen, dat hun moest toegeroepen worden: „Richt weder op de trage handen en de slappe knieën, en maakt rechte paden voor uwe voeten, opdat hetgeen kreupel is niet verdraaid worde, maar dat het veel meer genezen worde" (12 : 12 en 13). En toch zegt de apostel tot hen : „Gij zijt gekomen tot het hemelsche Jerusalem". Weet gij waarom ?
Weet gij waarom ? Omdat zij tot Christus gekomen waren. En wie
Omdat zij tot Christus gekomen waren. En wie tot Christus gekomen is, die is daardoor gekomen tot het genadekoninkrijk van Christus, tot de stad des levenden Gods, tot de stad des grooten Konings.
Dat zij tot Christus gekomen waren, is een onwedersprekelijk feit.
De laatste woorden van ons Schriftgedeelte luiden: „Qlj zijt gekomen tot den Middelaar des Nieuwen Testaments Jezus, en tot het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel".
Ja, dat wisten de Hebreen wel, dat zij in Christus geloofd hadden, als den Messias, den Zoon des levenden Gods. Tot Hem waren zij gekomen. Dat wil zeggen : Christus was tot hen gekomen. „Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen". Nochtans is Christus wederom tot hen gekomen, n.1. in de prediking der apostelen, door Woord en Geest. Ln ziet, Christus heeft overmocht; eerst op den Pinksterdag, en later telkens bij vernieuwing hebben de Hebreen in Christus geloofd. Zij zijn tot Hem gekomen, hebben zich aan Hem overgegeven, zijn in Zijnen Naam gedoopt, in Zijn gemeente iagelijfd.
Dat zij tot Christus gekomen waren, dat wisten zij wel. Maar zij waren in hunne verwachtingen aangaande Christus eenigermate teleurgesteld, hadden gemeend, dat het in Zijn Koninkrijk er heel wat heerlijker zou uitzien, dan zij tot nu toe hadden ondervonden.
Daarom predikt de apostel hen, wat zij in Christus hebben ontvangen.
Christus is de Middelaar des Nieuwen Verbonds, van dat heerlijke Verbond, waarvan reeds Jeremia geprofeteerd had : „Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis Israels en met het huis van Juda een nieuw Verbond zal maken... (Jer. 31 : 31—34). Ach, dat konden de Hebreen haast niet gelooven, dat zij van zulk een heerlijk Verbond deelgenooten waren. Veeleer meenden zij, dat die bekende profetie uit Jeremia 31 nog in de verre toekomst moest vervuld worden. Want zij zagen niet voor oogen, dat allen den Heere kenden van den kleinste onder hen tot den grootsle onder hen. Daarom roept de apostel hun toe: „Gij zijt gekomen tot den Middelaar des Nieuwen Testaments Jezus". En als gij dien Middelaar des Nieuwen Verbonds hebt, dan zijt gij ook in dat Nieuwe Verbond.
En dat Nieuwe Testament of Verbond rustte op hechten grondslag. Want het was gefundeerd in het dierbaar bloed van Christus, in welk bloed God volkomenlijk met Zijn bondsvolk verzoend is. Wat hunkerde de Hebreeuwsche gemeente dan nog heimelijk naar de offeranden, naar het offerbloed van den zichtbaren tempel. „Gij zijt gekomen lot het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel". Abels bloed riep om wraak tot God tegen den broedermoorder. Hoeveel te meer moest dan het bloed van Christus roepen om wraak tegen Zijn broederen, tegen Zijn eigen volk, dat Hem had overgeleverd tot het oordeel des kruises. Doch neen, hoort Hem bidden aan het kruis: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen". Zijn bloed roept om genade en eeuwige vrijspraak voor doemschuldigen door alle eeuwen. Tot dat dierbaar, zaligmakend bloed zijn de Hebreen gekomen. En op dat bloed rust het Nieuwe Verbond. Tot dat Nieuwe Verbond zijn de Hebreen gekomen, zijn zij ingelijfd. Want zij hebben in Christus den Middelaar van dat Nieuwe Verbond geloofd. Maar dan zijn zij ook in Sion. Want het Nieuwe Verbond, het Koninkrijk der genade Christi, is niets anders dan Sion, de stad des levenden Gods en het Nieuwe Jerusalem. En in dat Sion wonen al die heilige en heerlijke inwoners, engelen en volmaakte rechtvaardigen, de geheele feestvierende vergadering, met God Zelf in het midden. Ach, de Hebreen zagen van al deze heerlijkheid niets, en zagen alleen maar die machtige vijanden in het aardsche Sion. Zij waren er aan toe als die dienstknecht van Elisa, die de geheele stad van vijanden ingesloten zag en daarom alles verloren waande. Toen bad Elisa: Ach Heere, open zijn oogen, dat hij zien moge, hoe de zaken werkelijk staan. En toen God des dienstknechts oogen opende, zag hij, dat de geheele berg vol was van vurige paarden en wagenen om voor Elisa te strijden. Ziet, zoo was het met de Hebreen, die ook moedeloos waren over hetgeen zij met de oogen zagen, n.1. dat de vijanden van Christus triumfeerden. En ziet, de apostel opent hun in des Heeren Naam de oogen, dat zij hef Nieuwe Jerusalem en de inwoners van die stad aanschouwen en dat zij gelooven mogen : zoo staat het bij God met allen, die van Christus Jezus zijn.
Weet gij nu, hoe dat ook van u en van mij zal gelden: „Gij zijt gekomen tot de stad Gods en al haar heilige inwoners"?
Wie tot Christus gekomen is, wie in Christus geloofd heeft, wie als de moordenaar aan het kruis of als die zondares aan Zijn voeten tot Christus de toevlucht genomen heeft, van dien geldt het ook in alle volheid : „Gij zijt gekomen tot den berg Sion ..." Want wie Christus heeft, die heeft in Hem alles,
Want wie Christus heeft, die heeft in Hem alles, wat God de Vader voor Zijn volk van alle eeuwigheid heeft bereid. Christus is de deur, waardoor wij in Sion.in Jerusalem binnenkomen.
Christus en Zijn verdienste is het parool, waarop wij in Sion worden toegelaten. Christus en Zijn bloed is de grond van ons burgerrecht in Jerusalem. Zoodat, als gij tot Christus gekomen zijt, dan zijt gij ook in Jerusalem en een medeburger van al Gods heiligen.
Maar wie tot Christus niet gekomen is, hij heeft geen deel aan Sion, al houdt hij zichzelf en al houdt heel de wereld, ook heel de godsdienstige wereld, hem voor een heiligen man. Christus is de deur, en niemand komt tot den Vader dan door Hem. (Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 september 1951
Kerkblaadje | 8 Pagina's