Onverzadigbaarheid.*
Tekst: Spreuken 30 : 15, 16:„De bloedzuiger heeft twee dochters:geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd, ja vier zeggen niet: Het is genoeg, het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg".
Gemeente des Heeren.
Het is een wonderiijk woord, dat woord van nze tekst voor vanavond. Het is genomen uit et boek der Spreuken, een boek, dat maar weinig ïopend en ook maar weinig gelezen wordt, mdat het moeilijk te verstaan is. Op het eerste gezicht lijkt het slechts een verzameling van min of meer spreekwoordachtige gezegden, waarvan de betekenis vaak niet direct duidelijk is. Maar toch, wie erin lezen gaat, ontdekt daarin een 3iepe levenswijsheid. En zo is het ook met deze 'lepe, geweldige tekstwoorden, waarvan we de betekenis met elkander willen trachten te verstaan. Oe tekst begint met te spreken over een bloed- -uiger. Ik weet niet, of dat u uit ervaring veel te eggen heeft. Destijds in Indië was de bloedzuiger ,en zeer gevreesd diertje. Op de patrouilles door 'iikwijls bijna onbegaanbare streken met veel water, ijn onze jongens ginds toen wel aan de weet :ekomen, wat bloedzuigers zijn. Ondanks bechermende middelen wisten ze tussen de kleren door te komen en zich vast te zetten op het 'ichaam, waar ze zich vol en groot zogen met Siloed. En dan moest je liever niet proberen om ^"o'n volgezogen bloedzuiger er af te trekken, want die had zich stevig in je vlees vastgezet en iet niet los. Als het je lukte, dan bleef er een flinke wond van over, met alle gevaren van dien. Alleen als je er een brandende cigaret op hield, dan pas trok het z'n angel in en liet los. Bloedzuigers, klein, je ziet ze haast niet, maar als ze zich volgezogen hebben, groot en hardnekkig, vasthoudend, ze laten niet los. Ik vertel dit, gemeente, om u heen te voeren naar datgene, wat de tekst in beeldspraak, onder het beeld van de bloedzuiger, ons zeggen wil. Eigenlijk staat daar meer, het woord in de grondtekst betekent letterlijk : bloedzuigend monster. En dit monster heeft twee dochters, twee dingen, die a. h. w. eruit voortkomen, die tot het wezen van dat monster behoren, en dat is: geef, geef! Het wezen van de bloedzuiger is : zich vastzetten op z'n prooi en die niet loslaten, er het beste aan ontnemen, het bloed. Zijn wezen is: leven ten koste van mens en dier, waartegen hij a. h. w. zegt: geef, geef, en dat telkens weer in schier nooit verzadigd worden.
Wellicht gaan we er al iets van verstaan, wat de dichter in deze merkwaardige tekst ons zeggen wil. Hij stelt het bestaan van natuur en mensenleven in een merkwaardig beeld vóór ons. Het is alsof hij hier in de duistere wereldmacht een gestalte ziet, een vreselijke gestalte, die hij vaag onderkent en tracht te gaan beschrijven. Het is iets als een bloedzuigend monster, met vangarmen, twee, neen meer, drie, vier. Een monster, dat beslag tracht te leggen op het mensenleven, op de mens zelf, dat zich vast wil zetten op de mens, om die niet meer los te laten in een telkens herhaald: geef, geef! In dat beeld tekent hij a. h. w. het rusteloze van dit trachten, dit zijn prooi zoeken in de mensen, dat rusteloze, dat merkbaar wordt in het nooit genoeg hebben, dat altijd méér willen, dat trachten alles naar zich toe te halen in onweerstaanbare begeerte. In dat bloedzuigend monster tekent de dichter in beeld de duivelse machten, die er zijn in het leven van de natuur, bovenal van de mens. Het monster met de vele vangarmen, die vast willen grijpen, die slachtoffers zoeken, om die niet weer los te 177 laten. Het heeft nooit genoeg, wil altijd méér: geef, geef! En dan gaat de dichter verder met z'n beschrijving, hij gaat die vangarmen van dal duivels monster namen geven, als hij zegt: Deze drie dingen worden niet verzadigd, ja vier zeggen niet: Het is genoeg: het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg. Vier dingen zijn er, die nooit zeggen: Het is genoeg. Het eerste is het graf, dat zich opent, telkens weer opnieuw, om beslag te leggen op alles, wat leeft. Onverzadigbaar is dat graf, de donkere macht, die al wat leeft, met angst vervult. Nooit genoeg, het is de dood, die zijn grijparm uitstrekt naar alles, wat leeft. De eerste macht, zoals wij die dagelijks in zijn verslindende kracht waarnemen, wie zou hem niet vrezen ? Hiertegenover staat de mens in zijn strijd om het bestaan, zijn vechten om het leven, maar tevergeefs, eens, vroeg of laaf, komt de dood om z'n prooi te halen. Zo is het in het leven der natuur, zo is het ook in ons leven.
De tweede vangarm is, wat de dichter hier noemt de gesloten baarmoeder, de vrouwenschoot. En met dit woord is datgene aangeduid, wat in het leven der mensen tot een verschrikkelijke duistere macht is geworden. Het leven der geslachten, de verhouding der sexen, van man en vrouw, van jongen en meisje, met alle gevaren en donkere hartstochten, die hier liggen. De tweede macht, die altijd zegt: geef, geef, en nooit: het is genoeg. Er is wel eens gezegd, dat op dit terrein de wortel van alle kwaad ligt. Het is niet direct bijbels het zo te zeggen. De wortel van alle kwaad is het feit, dat wij ons van Ood afgekeerd hebben. Maar zeker waar is dit, dat de macht der zonde op dit terrein het meest openbaar komt. Is het niet onze tijd, die dit woord uit de Spreuken wel heel erg actueel doet zijn, doordat ze zien laat het losmaken van alle normen in de verhouding der geslachten ? En juist in dit loslaten breekt het leven der volkeren, ook van ons volk, kapot. Waar het gezin hier geen beschermende invloed meer heeft, in 't bijzonder op de jeugd, daar kan het niet anders zijn, dan dat het leidt tot de ergste excessen en uitspattingen. Ik weet niet of u iets afweet van onderzoekingen, die vooral in Amerika gedaan worden en de resultaten daarvan. Wel, enkele zijn deze, dat we weten, dat meer dan de helft der daarnaar gevraagde jongeren b.v. gemeenschap vóór het huwelijk als volkomen normaal beschouwt, dat het aantal geslachtszieken toeneemt, dat het aantal echtscheidingen nog steeds groter wordt. Oude normen vallen weg, maar wie geeft er nieuwe, die goed zijn, voor in de plaats, ziedaar het vreselijke van deze tijd, dat het gaat naar de volkomen normenloosheid. Dit is die tweede ontzettende macht, die nooit zegt: het is genoeg, die altijd verder gaat, die zijn grijparm uitsteekt naar allen. Zien we niet telkens, welk een ontzettende macht dit is in de verhouding der jongeren ? Ik denk ook 178 even aan dat aantal z.g.n. gedwongen huwelijken, dat groot is, maar ook aan huwelijken, die wellicht z g.n. gewoon gesloten worden, omdat men, populair gezegd, geluk heeft gehad. Om dan nog maar niet te spreken over gevallen, die m. i. veel erger zijn, waar hetzelfde is gebeurd en men niet meer komt tot een huwelijk, omdat men al genoeg van elkaar heeft en waar men hierin elkander onberekenbare schade, vooral geestelijk, heeft berokkend, waar men geen verantwoordelijkheid meer wil dragen voor z'n daden. Ach, ik zou veel meer kunnen zeggen, maar dit is genoeg. Alleen nog dit, deze verschrikkelijke macht strekt zijn klauwen niet alleen uit naar de jongeren, de ongetrouwden, maar evenzo naar de getrouwden. Wat liggen achter voor het oog goede huwelijken vaak niet zeeën van ellende verborgen, ellende door ontrouw, ellende door het niet genoeg aan elkaar hebben, ellende van geheime verhoudingen met anderen. Gemeente, dit is die tweede duivelse macht, die nooit zegt: het is genoeg, maar altijd vraagt: geef, geef! De duivelse macht van het begeren, de begeerte naar wat niet voor ons is, die begeerte, die je verteren kan, die je vasthoudt om niet meer los te laten, die begeerte, die gedachte kan blijven, verborgen, of daad, openbaar.
En nu de derde macht, hier genoemd : de aarde. In dit woord vat de dichter samen alles, wat de aarde, dit leven te geven heeft, vooral het bezit. Ook zo'n macht, die nooit zegt: het is genoeg, maar altijd : geef, geef! Hoe talloos velen zijn deze macht niet ten prooi gevallen ! Ik geloof, dat het de vloek van deze tijd is, dat we zo dooi' en door materialistisch, op het aardse bezit ingesteld zijn. Verdienen, bezitten, geld, goed, krijgen en hebben, daar is ons leven vol van. Ik luisterde verleden week naar een gesprek tussen twee militairen, een Christen en een niet-Christen, een gesprek op de soldatenkamer. De laatste was vol lof over deze tijd, want, zo zei hij, nu verdien ik, als arbeider, tenminste behoorlijk en als ik oud ben, wordt er voor me gezorgd. Geeft deze gedachtegang, deze uitspraak eigenlijk niet weer, wat er leeft in ons allen ? Als we maar hebben, bezitten, dan is het goed. De ander antwoordde daarop, dat de arbeiders het inderdaad nu beter hebben dan vroeger en, zei hij, ik ben er blij om, want ik heb het ook beter nu. Maar ik heb er dit mee geleerd, dankbaar te zijn, want recht heb ik er nooit op. Ik werd er stil van, dat hoor je niet veel meer zeggen ; dankbaarheid, dat kennen we haast niet meer. Klagen, dat gaat ons beter af, al doen we het maar voor de vorm, omdat iedereen het doet. Maar inmiddels streven we slechts naar één ding : steeds meer, meer hebben. Ziet u die derde macht, die altijd vraagt en nooit zegt: het is genoeg, die de klauwen naar ons uitsteekt en zich vastzetten wil in ons leven, om ons niet weer los te laten. Zoals de aarde nooit verzadigd wordt van water, zo kunnen wij nooit verzadigd zijn met bezit, gevangen a's we zitten in deze derde duivelse macht. Tenslotte noemt de dichter als vierde het vuur, dat verteert, dat nooit verzadigd wordt en ook nooit zegt: het is genoeg. Is het niet het vuur, dat aantast en vernietigt alles, wat gebouwd wordt, dat als duistere afbrekende macht zoekt naar wat het verslinden kan ? Ik geloof, dat deze vierde vernielende macht zich op alle gebieden iaat zien en verwerkelijkt. Ik wil alleen dat noemen, wat in deze tijd het meest tot ons spreekt, de vuurbrand der wereld, die bezig is'alles aan ie tasten tot de uiteindelijke vernietiging van al tiet bestaande. De mens, die in de macht der techniek gevangen is geraakt, is koortsachtig bezig dit alles te gaan gebruiken voor de vernietiging, denk slechts aan de atoombom. Het is nog niet zo lang geleden, dat een vreselijke oorlog de wereld heeft verwoest, en wat zien we nu al weer ? Een met alle middelen voorbereiden van een wereldramp, die vele malen erger zijn zal, als God het niet verhoedt. Is de mens, die nu niet meer bij machte is terug te gaan, niet gevangen :n de ban dezer daemonische vernietigende macht, die zegt: geef, geef, en nooit : het is genoeg. Ik denk aan al die vindingen, die nieuwe wapens, die nu in Korea uitgeprobeerd worden en straks .... je houdt je hart vast, als je er aan denkt. Het ene vernietigingsmiddel is al erger dan het andere. De Bijbel spreekt over de gruwel der verwoesting, ik geloof, dat dit er mee bedoeld is. Het is de laatste zes weken, dat ik er meer mee in aanraking ben geweest en je dikwijls hoorde spreken over: de Amerikanen hebben dit en de Russen hebben dat. We zitten in de ban van het silerverschrikkelijkste en wie geeft er acht op? Op een cursus, die we volgden tijdens de herhalingsoefeningen, werd een les Russische tactiek gegeven. Degene, die die les gaf, sprak over ons verweer daartegen. Hij had het daarbij, natuurlijk 'il theorie, over een bepaalde stelling, die in de .trijd vernietigd moest worden. En hij vertelde hoeveel man daar waarschijnlijk bij zou vallen. Maar, zei hij, als dat niet voldoende is, gooi er dan maar wat meer bloed tegen aan. Ik vertel ook nog even ie4s anders, in de vorm van wat men noemt een geestigheid, maar wat illustreert het verschrikkelijke van al deze dingen. £r waren luchtoefeningen geweest met straal
£r waren luchtoefeningen geweest met straaljagers, die, zoals u weet, sneller zijn dan het geluid. De oefening was voorbij en zoals dat gewoonlijk heet, goed geslaagd. Maareen luitenant- 't'iieger had de smaak ervan te pakken en bleef nog wat doorvliegen. Op het vliegveld onder hem was in een enorm grote hangar een schilder ''fezig het plafond een verfje te geven. Hij stond 'karbij midden in die hangar bovenop een gev/eldige dubbele ladder. Op een gegeven moment •ireeg die vliegenier het idee een stuntje uit te lialen door door die vliegtuigloods heen te vliegen. Hij daalde en vloog de ene kant in, de andere uit. U begrijpt de gevolgen, van ladder en schilder bleef niets over. Iemand, die het gebeuren zag, zei: wat een tijd beleven we toch, vroeger had je nog tijd om dood te gaan, toen kon je de dood aan horen komen. Nu niet meer, de dood is ook al sneller dan het geluid. Bedoeld als grap, zit er toch in deze grap een ernstige, bitter ernstige strekking. Het illustreert, hoe we geraakt zijn ook in de ban dezer verschrikkelijke macht, de gruwel der verwoesting, die nooit zegt; het is genoeg, maar altijd : geef, geef! Gemeente, verstaat ge nu de betekenis van dit
Gemeente, verstaat ge nu de betekenis van dit Spreukenwoord in deze tijd ? De grote bloedzuiger heeft zijn vangarmen uitgebreid en zet zich vast in deze vier duistere machten op het leven der mensen, der wereld. De prediker zegt: het is al ijdelheid en kwelling des geestes ; wat geweest is, keert weer; er is niets nieuws onder de zon. Neen, inderdaad, van deze donkere machten wist hij, eeuwen geleden, weten ook wij, al openbaren die machten zich nu in veel feller vormen. Maar nu komt de vraag: staan wij daar dan weerloos tegenover, zijn we er zonder meer aan uitgeleverd? Zonder God, ja zonder Ood,zijn we alleen maar prooi dezer machten. Als Jezus Christus niet gekomen was, waren we alleen maar weerloze prooi, alleen maar slachtoffer. Maar Goddank, dbor Jezus Christus zijn het overwonnen machten en door het geloof in Hem is er voor ons bevrijding. Maar laten we eerst nog even de tekst samen lezen. De bloedzuiger heeft twee dochters : geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd, ja vier zeggen niet: Het is genoeg, het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde die van water niet verzadigd wordt, en hef vuur zegt niet: Het is genoeg. Wat heeft Jezus Christus nu in dit alles te zeggen ? Luistert u maar! Met de achtergrond van dit tekstwoord sla ik op Joh. 11, de geschiedenis van de opwekking van Lazarus. Lazarus is gestorven, zo wordt verteld, en als Jezus daar gekomen is, dan vindt eerst dat gesprek plaats tussen Martha, Lazarus' zuster, en Jezus Zelf. En in die woorden, die Martha uitspreekt, ligt enerzijds een zeker verwijt, maar anderzijds geloof: „Heere, waart Gij hier geweest, zo was mijn broeder niet gestorven". En daarop Jezus' antwoord, tegelijk terechtwijzend en bevestigend : „die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven". En dan geeft Jezus hier het teken van de waarheid van Zijn woord, als Hij straks bij het graf roept: Lazarus, kom uit 1 Dan ontneemt Jezus Christus het graf zijn prooi en doorbreekt daarmede het woord van onze tekst, d.w.z. het woord der tekst blijft waar, het graf blijft opeisen, maar door Jezus Christus, door het geloof in Hem zijn we geen prooi, geen slachtoffer meer. Hier ligt Zijn grenzenloos heerlijke overwinning, die heenwijst naar de grote zege, die Hij straks op de dood behalen zal op de opstandingsmorgen. Jezus Christus is gaan staan midden in deze razende onverzadelijkheid, door Zichzelf erin te storten, als Enige, Die daar een eind aan kan maken. Hij heeft Zich laten vangen in de grijparmen van de bloedzuiger, de duistere wereld-macht, die dood heet, en heeft Zijn bloed gegeven, maar tegelijk gedaan, wat wij niet konden, heeft Zich eruit losgemaakt. En zo is er alleen verlossing uit de macht des doods, die eerste macht, die nooit zegt: het is genoeg, maar altijd : geef, geef, alleen in Jezus Christus, de Overwinnaar van de dood, Die het zegt tot u en tot mij : „die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven".
Maar niet alleen hier, ook tegenover die andere machten heeft Jezus Christus Zich gesteld. We hebben zo straks gelezen Joh. 4, de geschiedenis van de Samaritaanse vrouw, die bij die bron komt om water te putten. Ook hier is er een gesprek tussen die beiden, die vrouw en Jezus. Hier heb je een vrouw, gevangen in de ban van de nooit ophoudende begeerte. En nu komt ze, heel gewoon, om water te putten. En dan begint Jezus het gesprek met een vraag om water. De vrouw verbaast zich, dat Hij, een Jood, dat aan haar, een Samaritaanse, vraagt. Maar zo komt het gesprek op gang, dat gesprek, dat gaan zal over die andere dorst, die haar in haar leven gevangen houdt, en dat water, datjezus Christus daarvoor geven wil. Het blijkt, dat deze vrouw vijfmaal getrouwd geweest is, vaker dan naar Joodse opvatting geoorloofd was, en nu, nu haar laatste wettige man overleden is, heeft ze nog een verhouding met een zesde. Deze vrouw is het type van de mens, die slaaf is van de begeerte en die om zich heen gegrepen heeft in die begeerte, die altijd zegt: geef, geef! en nooit: het is genoeg. Vijfmaal getrouwd geweest en nu een onwettige verhouding, waar moet dat heen ? Het is, alsof het hele bestaan in deze vrouwengestalte tot dorst, tot begeerte geworden is, waaraan ze zich niet meer ontworstelen kan, en het is alsof Jezus Christus in haar die ganse wereld aanspreekt. Hij is het. Die haar doorgrond heeft, wat zij ook tot haar verbazing en beschaming ontdekt. Heer, zo zegt ze, ik zie dat, Oe een profeet zijt. Het is Jezus Christus, Die haar onverzadigbare leven doorgrond heeft niet alleen, maar haar tegelijk wijst de bron van lafenis. Hij Zelf is die bron en Hij Zelf wil zo'n dorstig mens maken tot bron, zoals Hij het haar en ons zegt in die woorden van vers 14: „Zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven". Zo is het ook hier alleen Jezus Christus, Die ons bevrijdt van datgene, wat ons in zijn onverzadigbaarheid te gronde richten wil. Hij alleen is het. Die een mens verlossen kan van die tweede duistere macht der begeerte, die nooit genoeg heeft, die steeds verder gaan wil. Alleen in Jezus Christus, Die daar midden in is komen staan, ligt verlossing. Dat is de norm, gemeente, waarnaar we terug moeten, zal het goed zijn in de verhouding van man en vrouw, van verloofden, van jongen en meisje. 180 Alleen Hij heeft die duistere macht der begeerte overwonnen, H'j> Die tot deze vrouw zegt: Ik ben het. Ik, Die met u spreek. Hij alleen is het, Die ons van dorstende mensen, begerende mensen maken wil tot mensen, die verzadigd worden met Zijn liefde tot ons, die daarin zelf een bron worden, zo'n bron, waaruit voortkomt, uitvloeit: liefde en trouw, eerbied voor de ander, de naaste, mensen, die niet meer leven met elkaar vanuit de begeerte te ontvangen, maar door Jezus Christus vanuit de begeerte te geven.
Ik las laatst een verhaal uit de bezettingsjaren over een man en een vrouw. Deze man, zelf getrouwd, was ondergedoken bij die vrouw, wier man gevangen zat. En hoe beiden er ook tegen streden en wisten zelf toch getrouwd te zijn, in beider hart groeide genegenheid en begeerte, waartoe deze verhouding alle gelegenheid tot vervulling bood. Qeen van beiden sprak erover, durfde het ook niet, maar ze lazen het in eikaars ogen. Beiden wisten, dat het zonde was, en toch... Op een avond wil de man wel eens even naar buiten, ze trotseren het gevaar van de bezetter en gaan wat varen met een boot, die in het water achter het huis ligt. En dan, als ze terugkeren weten ze beiden, dat dit alles fout geweest is, dat het niet langer kan, dat hij hier niet zijn mag. En beiden gaan naar hun kamer en ze doen. Goddank, het enige juiste, ze buigen hun knieën voor God en bidden om vergeving en bewaring, hoewel ze dit van elkaar niet weten. De volgende morgen is de kamer van die man leeg. Als je dit zo leest, dan denk je eerst: ach, dat is een beetje al te eenvoudig. En je legt het naast je neer. Maar mag ik eens vragen : hoe hebt u naar dit verhaal geluisterd en wat hebt u gedacht ? Zou het niet zo kunnen zijn, dat we het naast ons neerleggen, omdat we teleurgesteld zijn over de afloop, we hadden heimelijk de afloop opwindender, pittiger gedacht, een avontuurtje of zoiets. Kijk, dan zit er een zekere teleurstelling in, dat dit niet kwam, dat Jezus Christus het hier won, zodat beiden stand hielden, doordat ze de knieën bogen voor Hem. Ik geloof toch, dat dit verhaal veel te zeggen heeft. Werden er maar méér knieën zo gebogen, dan hadden heel wat minder verhoudingen een opwindende afloop, dan werden er heel wat minder avontuurtjes gespeeld. Werd er maar méér gebeden door de jongeren, vóór ze het met elkaar wagen en tijdens verlovingen, werd er in het huwelijk maar méér gebeden en geloofd in Jezus Christus, Die de begeerte heeft overwoiMien en door Wie alleen wij het overwinnen kunnen en door Wie wij worden mogen mensen, die gaan geven, wat ze van Hem ontvangen hebben, door Zijn kracht. Dit alleen maakt, dat deze duistere macht geen vat meer krijgt, dat die bloedzuiger moet loslaten in ons leven. Laten we allen tesamen dat woord horen, datjezus Christus zegt ook tot ons: „Ik ben het. Ik, Die met u spreek". En nu het derde, die gebondenheid aan het aardse.
En nu het derde, die gebondenheid aan het aardse. Daarover spreekt Jezus Christus in die bekende gelijkenis van de rijke dwaas, die man, die grotere schuren liet bouwen om zijn bezit te kunnen bergen. Welnu, zo sprak hij tot zijn ziel: „gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren: neem rust, eet, drink, wees vrolijk". De man, die met lichaam en ziel, helemaal gevangen is in die derde grijparm, die beslag op hem heeft gelegd, die van het „nooit genoeg". En dan zegt God tot deze materialist: „gij dwaas, deze nacht zal men uw ziel van u afeisen en van wie zal dan al dat bezit zijn?" „Alzo", zegt Jezus dan, „is het met dien, die zichzelve schatten vergadert en niet rijk is in God". Gemeente, de verlossing hiervan ligt in Hem alleen. Die ook midden in deze onverzadigbaarheid is gaan staan en alles prijsgegeven heeft. En door het geloof in Hem alleen is daar het losmaken van die aardse gebondenheid, als Hij zegt tot u en tot mij: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid en al dat andere, dat je nodig zult hebben voor dit leven, zul je er als een toegift bij krijgen. Het is de vloek van deze tijd, ons ongeloof, dat we dat woord altijd maar weer omdraaien, eerst wijzelf, dan God, dan zitten we onmiddellijk in de armen van die derde macht, die nooit zegt: het is genoeg, maar altijd : geef, geef. Alleen in hef luisteren naar Jezus Christus ligt ook hier de bevrijding, als wij zien op Hem, Die al het Zijne gegeven heeft aan ons, om ons rijk te naken, in Hem, in Wie wij hebben, wat boven 'es gaat, het leven in Zijn Naam. En dan leer wat die jongen zei in alle eenvoud : ik heb leerd, dankbaar te zijn, omdat ik nergens recht cp heb, alles is slechts gave. En het is alleen maar geloof, als je zo durft te leven, vertrouwend op . 'em. Die de Zijnen nooit verlaat en Zijn beloften wil waarmaken. En zo is die gelijkenis van die rijke dwaas de grote waarschuwing, dat met alle bezit je nooit kopen kunt dat éne nodige, waarin i i ziel rust vindt, waardoor een mens waarachtig •-^rij en waarachtig gelukkig is.
tn nu tenslotte het laatste. Ook midden in de gruwel der verwoesting is Jezus Christus gaan ^taan. Hij spreekt daarover in Marcus 13, waar Hij het heeft over Zijn komst en de tekenen 'aarvan. De tekenen van oorlogen en geruchten an oorlogen. En daarin klinkt Zijn zo enorm oostvol woord : Wordt niet verschrikt, dit moet Geschieden. Het kan niet anders, waar ook deze vierde duistere macht er één is, die nooit zegt : het is genoeg. Maar de troost ligt hierin, dat jszus Christus Zelf eenmaal dit „genoeg" zal uitspreken. Want na Zijn vermaning op dit alles acht te geven, zegt Hij, dat Hij op Zijn tijd komen 'al in heerlijkheid, die heerlijkheid, die Hij geven zal aan allen, die in Hem hebben geloofd. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. En die woorden betekenen, dat eenmaal de grote verdrukking, de macht van die vierde grijparm voorbij zal zijn, als de mens zonder God ten onder zal gaan in de eigen gezochte vernietiging, de vertering in het onuitblusselijk vuur. Dan zal er komen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont, waarop wonen zullen allen, die in deze verlossing uit al die machten hebben geloofd en vanuit deze verlossing ook hebben geleefd. Gemeente, laat ons acht geven op deze dingen, waken en bidden, zoals Christus zegt, en geloven in Zijn overwinning, in Hem, Die ons verlost heeft van al die duivelse machten, die als bloedzuigers zich willen vastzetten, die ons het bloed, neen, het leven willen ontnemen, die alleen maar zeggen: geef, geef, en nooit: het is genoeg, die het alleen maar voorzien hebben op onze dood. Laat ons geloven alleen in Jezus Christus, Die Zijn bloed voor ons gegeven heeft en Die aan het kruis het „genoeg" heeft uitgesproken, toen Hij zei: Het is volbracht, de mens is verlost. En die Jezus Christus vraagt niet, maar geeft, geeft in oneindig erbarmen aan ons alles, wat Fiij te geven heeft. Zichzelf. Hij is het, Die niet ten koste van, maar voor ons leeft. Zalig diegene, die zich geven leert aan Hem alleen, zalig, die zich door Hem bevrijd en verlost weet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 november 1951
Kerkblaadje | 8 Pagina's