Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De volheid van Christus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De volheid van Christus

21 minuten leestijd

„Uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade". Joh. 1 : 16.

Het is niet „de eerste de beste", die ons komt „nieuwjaar-wensen" met deze woorden, met dit éne woord.

Het is „de apostel, dien Jezus liefhad". Let wel! Niet de apostel, die Jezus liefhad. Ja, dat is óók waar. Johannes had, niet minder dan Petrus en de anderen, Jezus lief. En Jezus had hen allen lief met een liefde, sterker dan de dood. Maar alleen Johannes heet in het Evangelie „de discipel, dien Jezus liefhad". We zullen niet gaan naspeuren waaruit dat voortkwam, nóch waarin dat bestond, maar wèl zullen we des te meer luisteren naar zijn nieuwjaarswens.

Bij de jaarwisseling staan we even stil, proberen we tenminste even stil te staan op onze levensweg, en de reis van het jaar, dat voorbijging, te overzien. Johannes komt bij ons staan en zegt: wilt gij de balans zuiver opmaken, zet er dan déze slotsom onder: Uit Jezus' volheid hebben wij allen ontvangen genade voor genade, genade op genade (N. V.), de éne genade vóór, de andere na. Dat houdt dus in: niets verdiend, iedere dag de schuld vergroot, en toch schuldvrij, ja rijk.

Want in genade is ons de schuld kwijtgescholden. En Jezus' volle schatkist staat voor ons open.

Johannes wijst ons met de vinger die schatkist aan. Het is de beestenkribbe van Bethlehem. Want „het Woord is vlees geworden" (Joh. 1 : 14). Paulus stemt er mee in : „God is geopenbaard in het vlees" (I Tim. 3 : 16). Vléés ! Dat is de uiterste armoede en ellende. Want

Dat is de uiterste armoede en ellende. Want „vlees", dat zijn wij, sinds wij Ood en Zijn Woord en Zijn Geest hebben losgelaten en uit Zijn heerlijke gemeenschap zijn uitgevallen. „Vlees", dat is onze schandnaam. Als nu het eeuwige Woord Gods, de Wijsheid Gods, de Zoon Gods „vlees" werd — zie het kind in de kribbe — zie het Lam Gods aan het kruis! — dan is dat de diepste vernedering en armoede en machteloosheid. Hij was dan ook veracht. En ook wij hebben Hem niet geacht (Jes. 53). Maar de moordenaar aan hel kruis, en de arme herder bij de kribbe, en ieder, die in Hem gelooft, heel Zijn gemeente, ziet midden in die armoede, in dat „vlees" Zijn heerlijkheid, en belijdt met Johannes: „wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd". Dat vlees-geworden Woord is „vol van genade en 'vaarheid". En uit die volheid, uit die volle schatkist, hebben wij allen ontvangen, in 1Q52, genade voor genade. De ene genade werd door de andere afgewisseld. Het was alles genade.

Zo mogen wij, op Gods verantwoording, het oude jaar met vrede, zonder onbetaalde schuld, vaarwel zeggen. Of zijt gij het, diep in uw hart, met die slotsom: „genade alleen!" niet eens? Ja, — als gij meent, het er tegenover God en den naaste nog niet zo slecht te hebben afgebracht, dan hebt gij die genade, dat vlees-geworden Woord niet nodig. Probeer dan maar over uw eigen rekening en verantwoording Gods goedkeuring en handtekening te verkrijgen. Maar doe het eerlijk, en naar Zijn maatstaf. Misschien gaat ge dan toch nog in twijfel trekken, of uw rekening wel klopt. Misschien komt ge er dan toch nog toe, uw rekening en verantwoording over 1952 ter beoordeling voor te leggen aan den meest bevoegden Accountant ter weield. Dat is Jezus, die ons vlees aannam, om medelijden te kunnen hebben met onze zwakheden, maar die ook alleen machtig is de goedkeuring, de genade van den heiligen Ood over ons leven te verkrijgen. Zodat ge tenslotte toch nog met Gods arme, rijke, gemeente gaat meezingen: „Uit Zijn volheid hebben wij allen, heb ook ik, ontvangen genade vóór en genade na". Dat is dan voor 1952.

Maar nu voor 1953, en voor heel ons verdere leven.

Zullen wij nu voor het nog vóór ons liggende 9 leven de rollen omkeren ? Zullen wij nu elkaar en ieder zichzelf gaan vermanen en aansporen : Ood is nu zo vriendelijk geweest, al die oude zonde en schuld genadig te vergeven en kwijt te scheiden. Zorg er nu voor, dat het niet weer zover komt. Wees nu gewaarschuwd en beijver je een volgend jaar met een schone rekening te kunnen komen. En al zou het dan bij de volgende rekening nog niet geheel in orde zijn, als de grote Rekenmeester dan maar zien kan, dat er toch minder schuld is dan tevoren, en dat er hoop is op een crescendo, totdat er naenige jaren een sluitende rekening komt. Moet onze nieuwjaarswens luiden : „moge het in 1Q53 beter gaan en beter eindigen dan in 1Q52" ; plus het vrome slot: „met Gods hulp"? En moet dat „beter" dan zowel bedoeld zijn van Gods doen tegenover ons, als van ons doen tegenover Ood? Wij raken hier een teer punt.

Wij raken hier een teer punt. Ongetwijfeld klinkt ons uit Christus' eigen mond

Ongetwijfeld klinkt ons uit Christus' eigen mond tegen, niet alleen : „de zonden zijn u vergeven", maar ook: „bekeer u"; en na een genadige genezing: „zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede" (Joh. 5 : 14). Ook al de apostelen sporen aan tot nieuwheid des levens na ontvangen genade. En op de vraag: „Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde ?" — antwoordt Paulus met verontwaardiging : „Dat zij verre ! Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in de zonde leven ?" (Rom. 6 : 2v.v.). Wee ons, als wij al die roepstemmen tot een

Wee ons, als wij al die roepstemmen tot een nieuw leven naar Gods gebod, tot waarachtige liefde jegens God en den naaste, praktisch wegredeneren en wegmoffelen met een genadeprediking, waarover de Ood aller genade bedroefd is, en waarvoor de Geest der genade Zich schaamt. Maar wee ons! óók, en in niet mindere mate, wanneer onze ijver voor een heilig leven tot eer van Ood los raakt van die volheid van Christus, zoals Johannes die ons beproeft te doen zien in de kribbe en aan het kruis. Neen, de genade van Christus is niet slechts voor het schuldig verleden van het oude jaar, terwijl dan Zijn oproep tot bekering de beweegkracht voor een nieuw leven in het nieuwe jaar zou moeten zijn. „Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid". Wij weten niet, hoeveel jaren na de Pinksterdag Johannes zijn Evangelie geschreven heeft. Maar wanneer hij met heel de gemeente van die tijd roemt: „uit Jezus' volheid hebben wij allen ontvangen genade vóór en genade na", dan geldt dat niet slechts voor de voorbije dertig of veertig jaren met al hun zonde en schuld, maar ook voor de komende tijd, voor heel hef leven der Kerk, de eeuwen door, en ook voor het jaar of de jaren, die God u en mij nog zou willen schenken. Als wij tot nu toe uit Zijn volheid genade voor

genade mochten ontvangen, dan zullen wij ook in de komende jaren uit die volle bron genade, vergeving van zonde en liefdevolle ontferming mogen putten tot op onze laatste snik. „Op Uw genade zal ik leven, op Uw gena de doodssnik geven, o Heer, aan Wieii ik mij vertrouw". Maar dan zal ook het nieuwe leven, dat God beveelt en belooft, wezenlijk moeten ingesloten liggen in die genade, die wij vóór en na van Hem ontvangen. Dan zal dus dat nieuwe leven, evenzeer als de vergeving onzer zonden en de kwijtschelding der schuld, moeten geput worden uit die volheid van het vlees-geworden Woord.

De volheid van Christus!

Beseffen wij, ook als gemeente des Heeren, wel genoeg, wat „de volheid van Christus" is en inhoudt?

Voor geen duizendste part! Dat zal ook wel altoos zo blijven zolang dit

Dat zal ook wel altoos zo blijven zolang dit aardse leven duurt, waarin wij slechts „ten dele kennen" (I Kor. 13 : 9 v.v.). Paulus wist, dat ook voor de gemeente van zijn dagen, die heus niet bij ons ten achter stond in kennis der waarheid (— lees maar eens Ef. 1 —) gold, dat zij alleen door krachtige voorlichting des Heiligen Geestes bij machte zou zijn „ten volle te begrijpen, welke de breedte en diepte en hoogte is van de liefde van Christus, die de kennis te boven gaal", en alzo „vervuld te worden met al de volheid Gods" (Ef. 3 : 16—19).

Die krachtige voorlichting des Geestes zal dus ook voor ons onmisbaar zijn om iets te gaan verstaan van de volheid van Christus en zelf vervuld te worden met al de volheid Gods. Daarom wordt ook in de samenkomst der

Daarom wordt ook in de samenkomst der gemeente allereerst gebeden om de opening des Woords door verlichting met den Heiligen Geest. Die Heilige Geest getuigt in het Woord van een veel groter volheid van Christus, een veel groter heerlijkheid van Jezus, dan de enkele kleinodiën, die wij in Zijn schatkist zien en najagen.

Hij kwam toch niet tot ons uil de hemel alleen om in de kribbe te liggen en aan hel kruis te sterven. Hij kwam toch ook om als de mens naar Gods hart onder ons te wonen, als kind, als knaap, als jongeman, als volwassene, opdat Hij „de Heere onze gerechtigheid" zou zijn, maar ook opdat wij Hem zouden navolgen. Hij heeft Zijn arbeid der ziel onder ons verricht, en verricht die nog, niet alleen als de Hogepriester, die door Zijn enig offer ons met God verzoent, maar ook als de hoogste Profeet en Leraar, die ons God ten volle openbaart, en ook als de Koning, die ons met Zijn Woord en Geest regeert als de Vredevorst van het Vrederijk. En Hij predikte en leed toch niet alleen, hier op aarde, maar betoonde een goddelijke liefde en ontferming aan de kranken en verlorenen, die Hij naar lijf en ziel genas. Hij was niet slechts en is niet slechts een Geneesmeester voor de ziel, maar ook voor het lichaam, en wij doen te kort aan Zijn volheid, als wij al de wonderen van genezing, die Hij deed aan blinden en doven, aan kreupelen en lammen, aan melaatsen en doden, pogen te

„Zend, Heer! Uw licht en waarheid neder". Wat is: „de volheid van Christus" ?

Wij lopen groot gevaar slechts oog te hebben voor één kleinood uit Christus' volle schatkist, ons daarop blind te staren, daarmee bezig te zijn. Dat éne kleinood is de bekering en deze dan nog in de zin van ontdekking aan de zonde en zekerheid aangaande de vergeving der zonde.

Ongetwijfeld, dat is een onschatbaar voorrecht, het te weten, dat wij in Christus een genadigen God hebben.

Maar Johannes wijst ons toch direct een tweede kleinood aan in Jezus' volle schatkist. Want hij zegt, dat het kind in de kribbe, het vlees-geworden Woord „vol is van genade en waarheid" (v. 14). En met die waarheid bedoelt hij de kennis van God, de waarheid aangaande God. Die waarheid, waarvan Jezus vol was, was ook voor Israël, dat meende God te kennen, een apart, een nieuw geschenk, onlosmakelijk aan Christus verbonden. Daarom zegt Johannes, dat, in onderscheiding van de Wet, die Mozes van Godswege moest doorgeven aan het volk Israël, de genade en de waarheid door Jezus Christus geworden (N. V.: gekomen) is. Mozes was slechts de doorgever van Gods Wet. Jezus Christus is Zelf Gods Woord, vlees geworden. Zodat niet slechts Zijn onderwijzing, maar ook Zijn hele doen en zijn ons God doet kennen. „Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon,"die in de schoot (N. V.: boezem) des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard" (N. V.: doen kennen) (Joh. 1 : 18). Daarom sprak Hij later ook: „Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien" (Joh. 14 : 9). Die heerlijke Gods-kennis, die zaligmakende waarheid, behoort ook tot „de volheid van Christus". „Het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou" (Kol. 1:19). Ja, „in Hem woont de volheid der Godheid lichamelijk" (Kol. 2 : 9).

Zou het niet mogelijk zijn, dat wij voor vele waarheid-zoekers de weg naar Christus en dus naar God, hebben afgesloten, omdat wij altoos opnieuw alleen maar zonde en genade predikten, met de dreiging erbij, dat wie niet langs die weg tot Christus en tot God naderde, nimmermeer tot het Licht zou komen ? Ja, wij wisten het wel: Christus is niet slechts de Hogepriester, die door Zijn offer genade verwierf; Hij is ook onze hoogste Profeet en Leraar.

Maar dat een hongerende naar de eeuwige waarheid temidden van al die verschillende godsdiensten, godsdienstige en ongodsdienstige stelsels, die van de daken gepredikt worden, weleens ten einde raad naar Jezus zou kunnen gaan luisteren en een discipel van Jezus worden, zonder eerst als een verbrijzelde zondaar tot het kruis van Golgotha gevlucht te zijn, neen, dat wilde er bij ons .niet in. En daarom stootten wij zulke God-zoekers en waarheid-jagers weleens heel vroom van Jezus af, in plaats van ze naar dien hoogsten Profeet en Leraar, die het vlees-geworden Wóórd Gods is, heen te leiden. En dat is te wonderlijker en te schuldiger, naarmate het Evangelie ons voortdurend vertelt van mensen, die Jezus tot Zijn discipelen koos en die Hij uitzond om te prediken, terwijl ze van het kruis van Golgotha en van Jezus als Hogepriester en zoenoffer nog niets verstonden, ja er vijanden van waren. Ja, als die vijandschap tegen het kruis zich openbaarde, zoals bij Petrus (Matfh. 16:22) — maar het was bij ^llen zo —, dan bestrafte de Heiland hen wel hard (Matth. 10 : 23 v.v.), maar Hij joeg ze niet weg. Hij bleef hen onderwijzen en ook uitzenden als predikers; en ze bleven kranken genezen en duivelen uitwerpen in Zijn Naam, terwijl zij het kruis haatten.

Neen, zij putten nog bij lange na niet uit de volheid van Christus. Maar die volheid bleef toch voor hen, en voor de wereld, even vol, en wachtte slechts op het ogenblik, dat hun ogen ervoor geopend werden, en zij uit die volheid gingen putten en uitdelen.

Ook van het koningschap van hun Meester hadden de discipelen al even scheve voorstelling als het volk. En toch drukte Jezus Zijn zegel op Petrus' en hun aller belijdenis, dat Hij was de Messias op Davids troon, de Zoon des levenden Gods (Matth. 16 : 16 v.). En Hij was het, die Zich door hen en de ten Paasfeest optrekkende schare als Koning deed huldigen op de Palmzondag. Na dezen zouden zij het leren verstaan, dat het alleen door lijden tot heerlijkheid ging. Waarom snoeren wij zulken de mond, die iets van Jezus' Koningschap en heerlijkheid gaan bevroeden tegenover de jammerlijke wereldmachten met hun vernielende machtsmiddelen, en die daarom „Hozianna" roepen over Jezus; net als die kinderen in de tempel, die er ook niet veel van begrepen, maar in wier hulde Jezus Zich verblijdde als een gave Gods ? (Matth. 21 : 1 —lö).

Waarom willen wij beter weten dan onze hoogste Profeet en Leraar, in welke volgorde de schatten van Jezus uit Zijn volheid moeten worden geput en toegeëigend ? Waaraan ontlenen wij het recht om aan zoekende zielen een bepaalde maat van zelf-ontdekking en verbrijzeling des harten voor te schrijven, zonder welke zij niet in Jezus zouden mogen geloven en Hem belijden als hun Heer en God ?

De Heere Zelf doet heel anders. Reeds aan de kleine kinderen der gelovigen belooft en bezegelt Hij in de Doop de volheid van Christus. Hij, Vader, Zoon en Oeest geeft Zichzelf met al wat Hij heeft aan die kleine kinderkens. Al wat de Vader is en heeft, al wat de Zoon verworven heeft in leven en sterven, al wat de Heilige Oeest uit te delen heeft, belooft Ood reeds aan die kleinen, die niets verdienen en niets begrijpen. Dat is vrije genade. Dat is genade vóór en genade na.

En het is alles : de volheid van Christus, omdat Hij het alles voor ons verworven heeft. Ja, het is alles uit Ood. Maar Ood de Vader heeft het zó gewild, dat de Zoon het voor ons verdienen zou door Zijn offer, en het ons uitdelen zou door Zijn Oeest. Zo heeft Ood het gewild.

Dat is geen willekeur. Het is keuze van Oóds wil, die altoos wijs en heilig en noodzakelijk is naar Zijn wezen. Daarom waagt ook de Hebreenbrief de angstige uitspraak: „het betaamde Ood, om Wien alle dingen zijn en door Wien alle dingen zijn, den oversten Leidsman onzer zaligheid door lijden te heiligen" (Hebr. 2 : 10). Hoort ge het ? Zo „betaamde" het Gode. Zo moest het gaan, naar Oods wijsheid en wezen. In Oods vrijmacht is dus tegelijk goddelijke noodzakelijkheid. En dus ook goddelijke orde en dus ook volgorde. Ook in het uitdelen van Zijn schatten. Ook in het putten uit Christus' volhei(3, om het ons te geven, om ons te leren in ontvangst te nemen, toe te eigenen, wat ons om niet geschonken wordt. Ook daarin is goddelijke orde en noodzakelijkheid.

Soms wordt ons dat ook nadrukkelijk verzekerd, ofschoon niet lot in de fijne puntjes uitgelegd. Het zal toch altoos allereerst geloofd moeten worden, omdat Hij het zégt. Misschien dat God ons dan, na dat geloven, ook nog iets wil leren verstaan van de orde, de volgorde, van Oods doen, van Oods geven.

Met twee voorbeelden kan dit misschien duidelijker worden gemaakt.

Waarom het Woord vlees werd niet dadelijk na onze afval van Ood, legt Oods Woord ons niet uit. Maar wèl verzekert het Woord, dat „de volheid des tijds" daartoe moest aanbreken. Dat verklaart niets. En toch verklaart het alles. Het Woord werd vlees precies op Oods tijd. Ook die „volheid des tijds" behoort tot de „volheid van Christus". Wij doorgronden het niet. Maar Ood vergist Zich niet, geen seconde.

Een tweede voorbeeld ter verduidelijking is Jezus' eigen uitspraak, dat de Heilige Oeest niet kon uitgestort worden vóór en aleer Jezus'werk hier op aarde. Zijn prediking en Zijn offer, volbracht was en Hij weder was ten hemel gevaren (Joh. 7: 3Q). „Het is u nut, dat Ik wegga ; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen ; maar indien Ik henen ga, zo zal Ik Hem tot u zenden" (Joh. 16 : 7 v.v.).

Dat is Oods orde, hemelse volgorde. Het wordt ons niet ten volle uitgelegd, waarom dat de juiste volgorde is. Maar Jezus zégt het. Oeióóf gij het. Want „Zijn schapen horen Zijn stem".

En dat geldt in nog voller mate het hoe en het wanneer van Zijn wederkomst en van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont, waarnaar de pas gestorven Mevrouw Roland Holst zo hartstochtelijk uitzag, ook in haar lied. Gij schrikt bij het horen van die naam. Zo iemand hebben wij immers allang afgeschreven van het Koninkrijk Oods. En nochtans behoort ook dat Vrederijk, die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, waar zij naar hunkerde, tot de volheid van Christus.

Hebben wij misschien niet te vlug afgeschreven en misschien zelfs bits afgewezen en afgestoten velen van dezulken, die Kerstmis ternauwernood, en Goede Vrijdag in het geheel niet verstonden, precies als Petrus, en die nochtans in het komende Vrederijk geloofden en er ten bloede toe voor streden? Hadden wij, in plaats van hun gebrek aan schuldbesef te verwijten, niet veeleer zélf schuld moeten belijden, omdat wij in deze wereld vol onrecht ons zo thuis voelden en zo weinig heimwee naar de gerechtigheid van het Vrederijk betoonden? En hadden wij die anderen, die voor sociale gerechtigheid opkwamen, niet mee moeten nemen naar dien Profeet en Koning van het Vrederijk, bij Wiens geboorte de engelen zongen, niet als een vrome wens, maar als goddelijke belofte: „vrede op aarde!"? Want Hij daalde in ons vlees, en in de stal, om de armste onder de armen te zijn en die armen rijk te maken. Zo zien wij dan ook van den beginne aan Jezus omringd van allerlei arm en ellendig volk, niet geestelijk-arm en geestelijk-verbroken, maar echt gewoon arm en veracht, zoals tollenaren en hoeren. En Paulus getuigt ook later van de gemeenten zelfs in de grote cultuur-centra, als Korinthe, dat het „niet vele wijzen naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen" waren, die Christus' Kerk vormden. Want „het onedele der wereld en het verachte had Ood uitverkoren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zoude maken" (1 Kor. 1 : 2Ó—31). Wie weet, hoeveel veracht volk, armen en slaven

Wie weet, hoeveel veracht volk, armen en slaven van die tijd toevlucht genomen hebben tot Christus en Zijn Kerk, niet in de eerste plaats omdat zij zo verbrijzeld waren over hun zonde, maar omdat er bij Jezus en Zijn gemeente ontferming en liefde jegens de ellendigen was. En ook nu nog zijn er veel meer dan wij weten, die niet uit zondenood tot Christus vluchtten en Hem liefkregen, maar uit honger en dorst naar ontferming en troost in hun eenzaam, arm bestaan, waar de wereld geen oog voor had. Daar blijft het dan niet bij. Wie tot Jezus vluchtte

Daar blijft het dan niet bij. Wie tot Jezus vluchtte met een ziek of misvormd lichaam of met een zwak en ongelukkig kind, vindt bij Hem wel innig mede-leven en hulp. Hij is een barmhartige en machtige Geneesmeester, ook nu nog. Maar wie tot dezen Geneesmeester vluchtte voor lichamelijk leed, vindt in Hem een volkómen Zaligmaker, die ons naar lijf en ziel redt voor eeuwig. Als wij maar bij Hem terechtkomen, dan komen wij bij Zijn hart, waarin een volheid van liefde en ontferming voor het verlorene woont.

En al kwamen wij misschien tot Hem gevlucht om een kleine hulp, om een béétje troost en liefde. Hij zal niet rusten vóór Hij dien armen en ellendigen uit de volheid van Zijn schatkameren geschonken heeft de éne genade vóór, de andere na, totdat Hij het alles in ons heeft uitgegoten. En Hij weet. God weet, wat bij u of mij het eerst aan de beurt is, en wat daarna volgen moet. Ja, de drieënige God heeft een goddelijke volgorde, naar goddelijke rede ; zowel in de schepping als in de genade; zowel in de wereld-geschiedenis als in de Kerk-geschiedenis ; zowel in het werk der verlossing door Christus als in het werk der toebrenging door Woord en Geest; zowel in de prediking als in de Sacramenten ; zowel in de verbrijzeling als in de vertroosting ; zowel in de rechtvaardiging als in de heiligmaking des Qeestes; zowel in het geloof en de hoop, als in de liefde, die eeuwig blijft. Dat alles behoort tot de volheid van Christus,

Dat alles behoort tot de volheid van Christus, waaruit wij ontvangen de ene genade na de andere, tot de verheerlijking, de eeuwige glorie toe (Rom. 8 : 29 en 30).

Bij de Doop verzekert Hij reeds : Heel die volheid is voor u. Als het in de strijd des levens zwaar en bang wordt en de duivel en de wereld dreigen u alles te ontroven, dan verzekert Hij telkens, ook aan Zijn heilige dis: het is alles voor u, heel mijn volle schatkist. Hebt ge niets in handen, de volle erfenis wordt voor u bewaard in Mijn paleis (I Petr. 1 : 3—5). Houd Christus maar in het oog. Die is het onderpand voor de volle erfenis. Want als Ik Mijn eigen lieven Zoon niet spaarde, maar gaf Hem voor u over, tot in dood en hel, — hoe zou Ik dan mèl dien Zoon u niet alle dingen schenken ? (Rom. 8 : 32).

Alle dingen ! Dat is de volheid van Christus. Daaruit ontvingen wij in 1952 genade voor genade.

Daaruit belooft de Heere te blijven uitdelen ook in 1953, en al de dagen tot aan de voleinding der wereld.

Schijnbaar zet de Almachtige soms het uitdelen uit Zijn volheid stop. Zulke tijden beleven wij nu. Als we aan het uitrekenen gaan, komen velen er in 1953 niet, zelfs al breekt er geen oorlog uit. Maar zo zeker als het arme kind in de kribbe,

Maar zo zeker als het arme kind in de kribbe, en de naakte, dode Jezus aan het kruis toch godiielijke rijkdom voor ons is, — zo zeker komt ook lie aardse armoede en kommer uit de schatkist van Christus, om ons eeuwig rijk te maken. Want „Hij kastijdt ons" — en vergist Zich daarbij niet — „Hij kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden" (Hebr. 12 : 10). Zijner heiligheid deelachtig te zijn, dat is de hoogste, eeuwige schat uit de volheid van Christus. Al kunt gij niet uitrekenen, en al kan ook het vroomste kind van God u niet voorrekenen, in welke volgorde die menigvuldige genadegaven tot ons moeten komen, houd gij u maar aan dien énen Heiland. Dan hebt ge in Hem reeds alles. En God zal op Zijn tijd uw oog openen, zodat ge u verblijdt in de ene genade vóór, in de andere na, totdat de volle erfenis u in de schoot valt.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 januari 1953

Kerkblaadje | 8 Pagina's

De volheid van Christus

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 januari 1953

Kerkblaadje | 8 Pagina's