De jonge Kohlbrugge
Frits Kohlbrugge was in zijn eerste jeugd een lichamelijk zwak kind; dit noodgedwongen veel op zichzelf aangewezen kind had een ontvankelijk, vroom en godvruchtig gemoed; bij het verder opgroeien bleek hij een zeer goede verstandelijke aanleg te hebben.
Verscheiden malen hebben zijn ouders in zijn eerste levensjaren angst gehad hun eerstgeborene te moeten verliezen. Hij bleef gespaard, maar moest zich steeds ontzien en ontzien worden; met de gewone kinderspelletjes van jeugdgenootjes kon of wilde hij niet meedoen, hij kwam al gauw apart te staan. Toen de tijd was aangebroken, dat hij naar school zou moeten gaan, overviel hem een oogkwaal, waardoor hij maandenlang in een donker gemaakte kamer moest huizen. Na zijn verlate lagere schooltijd schijnt zijn gezondheid beter, uit de jaren 1816 tot 1828, de tijd van eerste studie en eerste w^erkzaamheid hoort men weinig klachten daarover. Toch zijn die zwakte naar het lichaam en het ooglijden hem gedurende zijn hele leven bijgebleven; hij heeft er zijn werk dikv/ijls om moeten opgeven voor een tijd en een enkele maal was hij aan de rand van de dood.
Frits kreeg een godsdienstige opvoeding. Zijn vader leefde hem een christelijk leven voor en voerde al vroeg gesprekken over bijbelse onderwerpen met zijn zoon; hij liet hem later ook deugdelijk catechisatie-onderwijs volgen ter voorbereiding van zijn opneming in de Hersteld Lutherse Gemeente. Met vader en moeder zong Frits in tijden van druk en nood thuis blijmoedig Paul Gerhardt's „Beveel gerust uw wegen" of een ander koraal mee. Maar zijn grote liefde voor de bijbel heeft hem toch allereerst zijn grootmoeder bijgebracht, eerst door hem de bijbelse geschiedenissen te vertellen, aan de hand van de voorstellingen op de haardtegels in haar huis te Edam, later door hem de bijbel zelf ter lezing te geven, naar aanleiding van een gesprek met hem over het hemelse Jeruzalem, over de stad van het verderf en over bekering. ,,Dat wat je nog niet begrijpt", zei grootmoeder „laat je liggen, en als je elke dag vlijtig leest — ik bid voor je — dan ben ik er zeker van, dat de goede God je er zoveel van duidelijk maakt, als je nodig hebt. Daarna zul je door de omstandigheden van het dagelijkse leven begrijpen, wat je nu nog niet verstaat en wac je niet begrijpt. Geef maar goed op jezelf acht. Slechts het Woord Gods is de toetssteen van het ware en het verkeerde. Ook zul je in de bijbel van ware en valse bekeringen lezen; je bent dus gewaarschuwd en, zoals gezegd, geef acht op jezelf". En Kohlbrugge, die later dit gesprek weergaf, voegt er aan toe: ,,Zo las ik dan de bijbel en kreeg al gauw reeds als knaap zo'n plezier er in, dat ik eerst later naar andere boeken greep. Toen ik nu student was, toen wist ik van de oude geschiedenissen, zoals de Schrift ze uitlegt, van de oudheden, zeden en gebruiken, van hun leefwijze, hoe men at en zich kleedde, veel meer dan de andere studenten, ja zelfs dikwijls meer dan de professoren had ik dóór vanwege het aandachtige lezen". — Met de kinderlijke vroomheid van zijn jong gemoed moet men ook zeker de droomopenbaringen in verband brengen, die hij op zo jeugdige leeftijd al had en die ook later als goddelijke aanwijzingen op bepaalde momenten in zijn leven weerkeren en waarover men zich slechts met diepe eerbied kan verbazen. Bij zijn 25-jarig jubileum in Elberfeld vertelde hij aan de jeugd van zijn gemeente, hoe een goddelijke verschijning in een droom op zes- of zevenjarige leeftijd (!) hem op een hoge berg gevoerd had, vanwaar hij beneden in het dal de prachtigste en kostbaarste heerlijkheden .van allerlei soort gezien had om hem te verleiden en van God weg te voeren. Maar hoe veel heerlijker hij de Man gevonden had, die hem geleidde en die hem beloofde, dat hem de schapen, die hij in zijn droom op een vlakte zag weiden en die God en het Lam loofden en prezen, later toevertrouwd zouden worden. ,,Deze droom is nu vervuld".
Al vroeg moest Frits Kohlbrugge in de zeepziederij van zijn vader meehelpen om in de slechte tijden, waarin land en volk verkeerden door de Franse overheersing en het „continentale stelsel", mee te verdienen voor het zich uitbreidende gezin. Maar in Frits was na de lagere school de lust tot leren niet gedoofd. Toen het even kon lijden mocht hij voortgezet onderwijs volgen om moderne talen te leren en toen hij 15 jaar was mocht hij naar het gymnasium. Het was aan hem besteed! Want hij had grote belangstelling en had al gauw begrepen, dat er veel schoons door mensen gedacht en in boeken beschreven was. Hij las veel en graag en met begrip. Op de Latijnse school en later op het Athenaeum zag hij niet alleen een andere wereld voor zich open gaan, hij zag zijn begaafdheid en vlijt ook met succes bekroond. Menige prijs in de vorm van een klassiek werk in mooie band kon hem om zijn schoolprestaties uitgereikt worden. Zijn liefde voor talen en letteren deed hem voorlopig de theologie — hij zou immers predikant worden! •— vergeten, al zou de kennis van de klassieke en oosterse talen, die hij als leerling van hel Athenaeum opdeed en waarin hij lééfde, later het degelijk fundament zijn voor zijn groot inzicht in de tekst van Nieuw en Oud Testament, voor een juist verstaan van het geschreven goddelijk Woord in de grondtaal. Maar daar dacht hij toen nog niet aan. Met zijn vriend Bernard ter Haar wedijverde hij in de praktische beoefening van de dichtkunst als resultaat van en verpozing na zijn onderduiken in literatuur en philosophie! Daarbij werkte hij nog mee in de zeepziederij van zijn vader en gaf lessen om zijn studie te kunnen bekostigen. Wekenlang had hij soms een hard leven: weinig nachtrust, weinig te eten, een koud studeerkamertje. Blijkbaar kon hij dat nu allemaal verdragen; hij was nu eenmaal in zijn element. In 1823 trekt hij naar Utrecht om er aan de Universiteit zijn candidaatsexamen in de Letteren en Wijsbegeerte af te leggen. Daarna begint hij met de studie van de theologie. ,
Het is Kohlbrugge zelf die in een brief van 1828 vertelt, dat hij in die jaren van academische vleugelslag zijn kinderlijk geloof geheel kwijtraakte. ,,Ik herinner mij een tijd, waarin het mij een genoegen was de heiligste waarheden van den christelijken godsdienst te ondermijnen, te spotten met bekeering en levendig geloof, te twijfelen aan het bestaan van een God, die over ons allen waakt, en zijne heilige wetten te ver-trappen, terwijl ik mij huichelend in allerlei gruwelijke misdaden dompelde" In een ander verband heb ik al eens beweerd, dat men hier Kohlbrugge tegen zichzelf in bescherming moet nemen en dat hij van menselijk standpunt gezien hier te hard oordeelt over zichzelf; een ander zou beslist niet dit van hem mogen zeggen. De Kohlbrugge van later, die het nauw nam met Gods heilige Wet, kon die tijd niet anders zien, dan als een periode in zijn leven van duisternis en grove zonden, omdat hij van God af leefde, al weet later geen enkel van zijn vijanden van die grove zonden, die hij zou bedreven hebben.
Wel zal men moeten toegeven, dat hij in die tijd „met zijn verstand een heiden" was, dat hij in die jaren bij de confrontatie met de weelderige wijsheid van mensen het geloof van zijn kinderjaren verloor. Radikaal! naar hijzelf oordeelde. Niet geheel! zal men er aan moeten toevoegen. Nooit vindt men in brieven of aantekeningen en met name in zijn gedichten uit die tijd een spotten met God of godsdienst, veeleer treft men er steeds weer een verheerlijking van aan, al is die godsdienst dan aanvankelijk meer een dienen van deugd en plicht dan een bezwijken onder en een bevrijd worden van Gods Wet. De doornen op zijn levensakker - de rijkdom van 't geestelijk goed van deze wereld - mogen 'n groot deel van het in de jeugd gestrooid zaad verstikt hebben, een ander deel was toch in goede aarde gevallen, waar het te zijner tijd tot onkieming zou komen. Voorlopig heeft hij het leven lief om het leven en hij wil het ,,om Zijnentwil" niet verliezen, 's Levenslente is te schoon en te heerlijk met haar blijheid en glans, met haar verrukkingen en verlokkingen. Het is een lust te leven met zoveel schoons in wetenschap en kunst. En ondanks de hardheid van het maatschappe
En ondanks de hardheid van het maatschappelijk leven en de precaire toestand thuis — hij voelt zich er tegen opgewassen, jong, krachtig, gezond. Een wandeling met Laura (het meisje uit de eerste cyclus van zijn liefdespoëzie) na uren van studie in zijn kamer, waarbij hij een artistieke droomwereld tot werkelijkheid ziet worden, is volkomen gelukzaligheid. Het verlangen naar een hemels Jeruzalem is dood in zijn hart, nu hoofd en hart een andere bevrediging gevonden hebben. En in het Lentelied voor Helene juicht hij de lente bezingend zijn eigen blijde levenslentegeluk uit:
Ofschoon mij hierover weinig positieve gegevens ter beschikking staan, neem ik aan dat de jonge Kohlbrugge zich in deze jaren niet van de Kerk heeft afgewend, evenmin als hij dit immers deed van de godsdienst zelf. God is toch de Schepper van deze wereld met al haar schoons:
In het koor der engelen mag de stem der mensen zich mengen om Zijn lof te zingen:
Wie in zijn geweten overtuigd is, dat hij een deugdzaam leven lijdt, behoeft die God als Rechter niet te vrezen:
Wat Kohlbrugge als jongeman van 18 jaar dichtte, kon men in de preek ook beluisteren en er zal voor hem, evenals voor zovele landgenoten, die te verlicht waren voor het „dwaze" van een echte evangelieprediking, maar overigens God en deugd en onsterfelijkheid in ere heten, geen reden geweest zijn om aan de kerk de rug toe te keren. In het Dagboek van zijn reis naar Duitsland in 1822 vertelt hij vrij uitvoerig van een godsdienstoefening die hij in Menslage meemaakte, maar meer om het bizondere van een Duitse dienst, zo geheel anders van inrichting dan die in zijn eigen kerk te Amsterdam te beschrijven, dan om over de eigenlijke verkondiging van het Woord iets te vermelden. De jonge Kohlbrugge is wel 19e eeuws-godsdienstig, maar de woorden die hij in de brief van 1828 op zijn aanklacht tegen zichzelf laat volgen, hadden op dié levensperiode geen betrekking: ,,De vrije genade Gods heeft mij vergiffenis van zonden geschonken in het bloed van Christus. Christus heb ik lief. Hij is mijn Heer en mijn God. Mijne keus staat vast. Plechtig heb ik gezworen voor Hem te leven, voor Hem te strijden, voor Hem te lijden, voor Hem te sterven, als het zoo zijn moet".
Men zou nu willen vragen: hoe is het mogelijk, dat zo'n vroom kind dat al ,,gezichten" had, dat een jongen die al zo vroeg met de bijbel vertrouwd was en eens Gods schapen zou weiden, zo van God af ging leven? Wie eigen hart kent zal hier het antwoord niet schuldig blijven.
Kohlbrugge was een jonge man van vlees en bloed, een mens, zich bewust van zijn verstandelijke kracht en de heerlijkheid van het leven, en — het Evangelie is niet naar de mens. Psychologisch bezien vraagt men toch naar een verklaring van deze innerlijke ommekeer; men zal die, naar ik meen, in het karakter van zijn geloof van de kinderjaren moeten zoeken. Dat geloof droeg sterk de sporen van piëtisme en rustte niet in de objectiviteit van het volbrachte heil, door God zelf gewrocht, maar leefde van de invloed daarvan op en had zijn wortels in de koestering ervan in de ziel van de ,,bekeerde", dat wil hier zeggen : de de wereld verzakende mens. Over het Piëtisme — historisch een veel omvat
Over het Piëtisme — historisch een veel omvattend begrip — is in de loop der tijden veel kwaads gezegd. Oorspronkelijk is het een beweging in de reformatorische kerk, die als reactie op een dor en doods dogmatisme de nadruk legt op een innerlijk beleven van de bijbelse geloofswaarheden. Dan wordt het een formering van groepen van gelovigen, die steeds meer buiten de officiële kerk komen te staan en waarbij soms zeer ver gaande separatistische tendenties optreden; men verliest daarbij dikwijls de kerkelijk reformatorische geloofsleer al te zeer uit het oog en komt dan wel tot allerlei speculatieve opvattingen, spiritualisme, sectarisme en in zijn slechtste konsekwenties daarvan tot niet onschuldige aberraties. Bleef het kerkelijk geincorporeerd, dan bleef het in zijn beste vorm een stroming, die een warmgetinte geloofsbeweging bracht, die tegenover een bloot verstandelijk voor-waar-houden van de leer weldadig aandeed en in de gemeente heilzaam werkte; zo was het ook door Spener bedoeld en door Francke nader gestipuleerd. Van het begin af aan is het woord piëtist ook scheldwoord geweest in de mond van hen, die voor alle openbaringsgeloof in rationalistische hovaardij niet veel meer dan verachting hadden. Ook later hebben de aanduidingen piëtisme en piëtist zonder onderscheidend besef dienst gedaan om alles wat met bijbels geloof te maken had en ieder die van reformatorische huize niet van deze wereld wilde zijn, maar het Koninkrijk Gods verwachtte, als duisterling en lid van de nachtschool belachelijk te maken. Objectief beschouwd moet men onder piëtisten in de 18e en het eerste gedeelte van de 19e eeuw — dus ook in Kohlbrugge's jonge tijd — toch wel die gelovigen verstaan, die een innerlijk christendom voorstonden, mensen die in geen innerlijke relatie tot deze wereld stonden of wilden staan, die zich buiten de progressie van de tijd stelden, althans wat hun eigenlijke zelf betrof, die met kimst en wetenschap geen geestelijke aanknopingspunten v/ensten te hebben, die aards geluk niet ongevaarlijk achtten, ja, die bevrediging en vermaak die deze wereld kunnen schenken, slechts als tegenwerkende krachten beschouwden bij hun streven om het hemels geluk en de hemelse zaligh'eid te kunnen genieten en verwerven. De latere Réveilbeweging hield, ook in haar nawerking, aan dat innerlijk beleven van het geloof vast (,,orthodoxie des harten"), ook wel aan de afwerende houding tegenover wat men noemt wereldse vermaken, juist om hun saeculariserende zuigkracht — maar stond open voor de cultuur en voor v/etenschap, al wilde ze deze in hun activisme zoveel mogelijk in harmonie met het christendom brengen om er ook innerlijk aandeel aan te kxmnen hebben. Het christelijk geloof van Kohlbrugge in zijn
Het christelijk geloof van Kohlbrugge in zijn jongenstijd was afkerig van de wereld en van het aardse leven. Door ziekte, maatschappelijke moeilijkheden en bestaanszorgen van zijn vader in de Napoleontische tijd, door de gedrukte stemming in het huiselijk leven, waar ook andere tegenslagen in het groeiend ouderlijk gezin niet uitbleven, lag over zijn jong leven steeds een schaduw van somberheid. Het geloof van thuis en van grootmoeder was heel sterk op het hemels Jeruzalem gericht en had voor het leven op aarde wel troost, maar geen goede woorden. ,,Ik hoorde van een stad des verderfs", aldus Kohlbrugge later over deze periode, ,,en nu vroeg ik mijn lieve grootmoeder: ,,Zeg me toch eens, lieve grootmoeder, wat dat voor een stad is!" ,,Dat is de wereld", antwoordde mijn grootmoeder mij. Ik vroeg haar toen: ,,Wij zijn toch niet in de stad des verderfs?" ,,Zeer zeker!" antwoordde ze, „zolang we niet bekeerd zijn, bevinden we ons in deze stad en komen we om in deze stad". In de voortzetting van dit gesprek vertelde zijn grootmoeder hem, dat men zich moet bekeren, iets wat slechts de Heilige Geest hem kon bijbrengen en God hem kon leren. God zou hem ook zeggen of hij waarachtig bekeerd was en of hij in de hemel zou komen; hij moest maar vlijtig de bijbel lezen. Een nieuw en echt reformatorisch belijden in onze eeuw heeft zonder pardon piëtisme veroordeeld, omdat de vrome mens zijn lot en bevindingen in het middelpunt plaatste en zijn onsterfelijke ziel belangrijker vond dan de realiteit van het goddelijk Woord en de boodschap van het geschiede heil voor een gevallen mensheid, van wie geen eigen vroomheid verwacht wordt, maar een volkomen vertrouwen in wat God gedaan heeft en doet. Dat is juist en dat heeft Kohlbrugge in zijn jaren van rijpheid ook geleerd; ,,0f ik blind ben dan wel dat ik zie, of ik een zondaar ben dan wel een heilige, een verkeerde dan wel een bekeerde, een wedergeborene dan wel een verlorene, of ik vergeving van zonden heb dan wel dat ik vol zonden zit, daar kan ik niet naar vragen. Is het goed, dan hebt ge het; deugt het niet. dan hebt ge het ook. Ik ben een arm mens, zwak en een zondaar, in mij woont geen goeds. Gij, Heere Christus, zijt het alleen, zoals gij mij door de Vader gegeven zijt; dat weet ik in de Heilige Geest". Toen de jonge Kohlbrugge bij het opgroeien de
Toen de jonge Kohlbrugge bij het opgroeien de heerlijkheid van het aardse leven zag, zoals God het aan ons mensen wil geven, ook in de gave van het verstandelijk denken, had hij geen verweer en verloor zijn geloof. Altijd echter heeft hij voor zijn grootmoeder een grote liefde behouden en met grote dankbaarheid aan de godsdienstige opvoeding gedacht, die ze hem in zijn kinderjaren gegeven had, altijd tot in zijn laatste levensjaren toe. Dat is niet maar vergeeflijk en getuigende van piëteit, maar begrijpelijk en ook zinvol. Zijn grootmoeder had steeds haar kinderlijk geloof behouden, had geen geloofsproblemen gekend en dus ook geen behoefte gehad daar bovenuit te komen; ze kon haar kleinzoon ook niet helpen, toen hij in de branding van het leven kwam. Het kon ook niet anders, de godsdienstige opvoeding van de kleinzoon moest wel ,,piëtistisch" zijn. De vraag doet zich voor: kan het bij het jeugdige kind ooit anders? Zal de godsdienstige opvoeding van het jonge kind niet altijd gericht moeten zijn op de betrokkenheid van het geloof op het kind zelf? Ook bij kinderen is het geloof uit het gehoor en een kind kan toch niet meer horen dan het kennen kan: Jezus is de hemelse kindervriend en ik ben zijn schaapje. Dit stadium kan men ook niet zonder schade overslaan. Juist het hart van een jeugdig kind is zo ontvankelijk voor dit eerste contact met God en goddelijke dingen; dit gestrooide zaad schiet dikwijls diep wortel; dit eerste onderwijs kweekt liefde, waarvan de kiemen in latere tij- 134den van verkoeling of welv/illende onverschilligheid toch vaak niet dood blijken te zijn en tot nieuwe groei in staat zijn. Zo ook bij Kohlbrugge. Waar volwassenen in hun eenvoud in een minder gecompliceerde tijd dan de onze niet verder kwamen dan bespiegeling van de eeuwige dingen, betrokken op het eigen gemoed, daar moge men een woord van Jung Stilling bedenken, die, door culturele en wetenschappelijke belangstelling uitgegroeid boven de piëtistische kring waaruit hij was voortgekomen, toch getuigde van deze kringen: ,,Ik behoor bij jullie; jullie zijn het zout der aarde".
Gelukkig anderzijds het kind, dat, als het critisch denken zich gaat ontwikkelen en door aanleg en milieu niet buiten de maalstroom van het leven zal blijven, in de dingen aangaande het Koninkrijk Gods door bekwame en gelovige opvoeders breder wordt onderwezen. Dat, om tot rijpheid te komen, ook tot het besef gebracht wordt, dat het niet gaat om een vlucht uit dit leven, om alleen schaapje te zijn in de grazige weide van hemelzaligheid, maar om de presente werkelijkheid van de Herder te midden van een schone en heerlijke, een verdorven en zondige, een niet uit te bannen ofte negeren wereld. Deze leiding heeft de jonge Kohlbrugge ontbroken. Toen de vloedgolf kwam, spoelde de grond onder zijn voeten weg.
De jonge Kohlbrugge werd ,,heiden met zijn verstand", men zou ook kunnen zeggen: rationalist. F. Horn wijst in een artikel ,,Hermann Friedrich Kohlbrugge" in ,,Zwischen den Zeiten" (1924. Heft VI), waarin hij aan de hand van zeer welgekozen citaten van Kohlbrugge zelf (waarvan ik enkele passages hier dankbaar gebruikte) een beeld geeft van Kohlbrugge's ontwikkeling als mens, theoloog en prediker, op het feit, dat toen het Piëtisme opkwam, zijn stiefbroeder, het Rationalisme, al was geboren. Zulks in overeenstemming met W. Lütgert („Die Religion des deutschen Idealismus und ihr Ende" I, 1923) in zijn bewering, dat het Piëtisme steunde op de bijbel en de systematische dogmatiek verwaarloosde, terwijl het Rationalisme van de Orthodoxie slechts de autoriteit van het verstand overnam: ,,Twee ongelijke broers, die de erfenis van het orthodoxe vaderhuis onder elkaar verdeelden'. ,,Beide zijn", zo zeg't Horn, ,.psychologisch bezien, de uitbeelding van de poging, het religieuze vraagstuk door de mens op te lossen, het ene langs de weg van zeer innig gevoel, het andere langs die van het helder en nuchter scheidend verstand. Ieder mens is van nature in beide richtingen geïnteresseerd". Dat dit rationalisme niet ongodsdienstig behoefde te zijn (eerst in zijn latere konsekwenties voerde het tot atheïsme) is een bekend feit. We zagen dit ook bij de jonge Kohlbrugge bewaarheid,
Kohlbrugge zou echter in zijn rationalisme niet blijven vastzitten, maar zijn bijbels geloof rijker hervinden. In zijn hart was het vroeger gestrooide zaad niet dood en kreeg nieuwe kiemkracht. Gewoonlijk neemt men aan, dat het sterven van zijn vader in Maart 1825 een nieuwe omkeer in zijn leven bracht en dit valt niet te ontkennen.
Maar in ,,Kohlbrugge als Dichter" heb ik aangetoond, dat al eerder en om ook andere reden een vernieuwing van zijn gemoed bij hem is te constateren. Ik denk hier aan het gedicht Schuldbelijden van Mei 1824, waarin sprake is van de doodse nacht der zonde; van de mens, beeld van God, ,,nu diepgevallen zondaar", aan wie de vraag wordt gesteld; „Was dit uw wijsheid, dit uw wil?" Niet in de eerste plaats door tegenspoed en ongeluk; ook niet door studie en nieuw inzicht, maar door de ontdekking van eigen zondig hart ontstaat bij hem het gevoel van rampzaligheid, dat hem tenslotte zal doen schreeuwen om verlossing. Het piëtistisch jeugdmotief keert even weer; ,,Uw schaapje, zal niet meer van Uwe kudde dwalen", maar hij zal verder moeten worstelen om de harmonie te vinden tussen hart en hoofd, tussen zichzelf met zijn hele persoonlijkheid en God. Vanwaar op eenmaal dat zondebesef, dat hem onrustig maakt en dat hij niet kwijt kan raken? Heeft de jonge Kohlbrugge misschien gevoeld, dat de zonde in het hart wroet, toen hij zich bewust werd, dat in de gezochte omgang met het meisje dat hij beminde, het element van zinnelijkheid een niet te ontkennen drijfveer was? Hierover hebben wij geen uitspraken van hemzelf, maar het lijkt mij zeer waarschijnlijk. Het zinnelijk begeren is toch juist bij jonge mensen, die van grove zonden vrij blijven en van huis uit ethische normen meegekregen hebben, dikwijls oorzaak dat de stem van het geweten gehoord wordt. En God appelleert aan het geweten door Zijn Woord en door kennis daarvan. Frits kende zijn bijbel en door grondig godsdienstonderwijs van zijn catechiseermeester Schultze had hij mede kennis van de geloofswaarheden verkregen. Die kennis was wel onbenut weggesloten geweest, maar niet verloren gegaan; ze was wel slechts verstandelijke kennis geweest, maar vroeg nu om een ander verstaan en ging hem nu existentieel raken. Van het op de catechisatie uit het hoofd geleerde 3e hoofdstuk uit de Filippenzenbrief zouden het 18e en het 19e vers ,,hem een heel leger doen zien, dat zich tegen hem keerde", maar ook ,,dat zijn zwakke armen door een vreemde kracht doorstroomd werden". ,,Hoe ligt toch onze hele biografie in dit hoofdstuk" schrijft hij in 1847 aan Wichelhaus. Er komen meer dingen die zijn onrust zullen ver
meerderen en hem tot een gebrokene maken. Door sluw bedrog wordt de compagnon alleenbezitter van de zeepziederij; het gezin geraakt in armoede en men ziet geen mogelijkheid om nieuwe inkomsten te verwerven; vader wordt ziek door al die ellende en sterft na enige maanden. Frits heeft vader op zijn sterfbed moeten beloven tot doctor in de theologie te promoveren zonder te weten waar de middelen daartoe vandaan moesten komen. Hij zet nu zijn theologische studie voort, maar de innerlijke onrust blijft. Hij zoekt het bij mystici en leest gretig Jacob Boehme. In zijn gebrokenheid bidt hij, maar hij gevoelt dat hij verkeerd bidt. In deze tijd ontmoet hij Cato Engelbert en hij weet dat dit het meisje is, aan wie hij zich voorgoed verbinden zal, dat God het is die hen bijeenbracht en dat ze samen Hem zullen zoeken en vinden. In October 1825, als ook de vader van zijn verloofde gestorven is, schrijft hij haar; ,,Wij zijn door God bij elkander gebracht. Hij had er Zijn wijze oogmerken mede".
Het gebeurt; in zijn gebrokenheid wijst God hem zijn weg. De candidaat in de theologie, hoewel nog geen proponent, zal voor 't eerst voor een gemeente preken en daar zit hij met zijn bijbel voor zich in zijn kamer en piekert over zijn tekst Romeinen 5 ; 1 en weet niet wat hij er mee aan moet. Maar ,,in een punt des tijds", zo vertelt hij later, ,,schoot iets in mijn hart, dat ik niet beschrijven kan, — het was sneller dan de bliksem, en de ferveur kan ik ook niet uitspreken, maar de woorden in die ferveur, die gij Jesaja 54 ; 7—10 leest, heb ik gehoord en gelezen". De gebeden zijn verhoord, de jonge Kqhlbrugge heeft God gevonden. ,,Een wolk van diepen vrede was in mij en om mij heen en al mijne zonden waren van mij af". Deze uitspraak was geen constateren van vrome gevoelens, geen zelfbespiegeling en spreken over eigen ziel van een op de hemel gericht mens in een wereld van verderf; ook geen constatering van een logisch denkend man, overtuigd van doelmatigheid en waarde van hoge zedelijke beginselen — hier geeft hij de schrik en ontsteltenis, de blijdschap en zaligheid weer bij het luisteren naar wat God sprak en spreekt tot het hart en het hoofd van elk die vastgelopen is, ook tot hèm persoonlijk; hier wordt elk en werd hij geoordeeld en — groot wonder van alle bekering! — vrijgesproken. Ik arm? Ik rijk? Wat ik, ik ben een zondig mens! Maar Hij! Hij is heilig en geducht, groot, heerlijk en machtig. Ik kan alleen maar sidderen voor Zijn heiligheid en gerechtigheid en moet toch Zijn grootheid roemen. Maar deze God komt ook met woorden van troost en goedertierenheid, spreekt ook mij aan en tot mijn heerlijke verbazing ontfermt Hij zich ook over mij en zegt, dat Hij geen lust heeft in mijn dood en ondergang.
De jonge Kohlbrugge wordt nu de prediker van dit heil door hem zelf ervaren, spreekt als een ,,oude" in kennis van zonde en genade en wil nu God dienen en gediend hebben — zonder transigeren of enige concessie. Nieuwe beproevingen wachten hem. Hij wordt aangesteld als
Zo komt hij voor de eerste maal in Elberfeld en vindt levendig contact met de gereformeerde kringen in het Wupperdal, Hij mag er in kerkdiensten voorgaan. Het is weer bij de voorbereiding voor een preek, dat zijn geest, de laatste tijd veel bezig met het probleem van het moeten en niet kunnen houden van Gods heilige Wet, verlicht wordt; hij doet de ontdekking van de komma in Romeinen 7 : 14 achter het woord vleselijk. Die ontdekking opende hem de ogen voor de volle heerlijkheid van Gods Woord, Hij zag nu in, dat hij niet met de wet in z ij n hand tot de volmaaktheid kon komen en niet meer behoefde te strijden, zoals hij gedaan had, tot den bloede toe, (Zie zijn brief aan Drost van 12 Maart 1844,] ,,Ik zonk er daarbij al dieper in, «n waar ik niet dieper kon, maar ver beneden den Duivel verzonken lag, daar in mijne verlorenheid en radeloosheid is de Heere mij ontmoet en heeft mij gezegd: Zooals gij zijt, zoo zijt gij Mij heilig; daar niets af, daar niets toe! Dat was mij onverwacht, ongedacht. Ik zag een Lam ter rechterhand der Heerlijkheid, — en daar heb ik afstand gedaan van de wet, van alle heiligheid, van al mijn weten van goed en kwaad, van mijn wedergeboren, bekeerd, vroom zijn, van mijn God kennen. God beschouwen, van alle godsvrucht, van alles wat vleesch heeft en geeft en werkt, en nu is mijn eenig heil in de hoogte en in de diepte: Met ons God, en dat Hij is, is mijn eeuwige, eenige vreugde en vrede en leven, en blijdschap en evangelie en wet en gebod — al het andere acht ik, gelijk mijzelven, stof en nul".
Hij zal nu verder steeds de heiligheid van de Wet prediken, zoals hij dat tot nu gedaan heeft, maar met dit complement, dat voor zovelen bevrijding zou gaan worden: dat Christus voor ons de Wet vervuld heeft en wij in Hem heilig ^zi/n. Hij is nu ten volle gerijpt en zal van zijn weg
Hij is nu ten volle gerijpt en zal van zijn weg zijn leven lang niet meer afwijken, noch ter linker noch ter rechter zijde.
Hij is nog niet oud aan jaren, hij moet nog dertig worden, maar — hij is al lang de ,,jonge" Kohlbrugge niet meer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 augustus 1953
Kerkblaadje | 8 Pagina's