Bij het begin van het jaar onzes Heeren 1954,
„Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was". Philippenzen 2 : 5. Het heeft een diepe zin, dat wij eerst Kerstfeest vieren, en dan pas een nieuw levensjaar ingaan. De zin van ons leven ligt daar in de kribbe van Bethlehem.
Daarvan spreekt Paulus in het woord, dat hierboven staat: „Laat die gezindheid bij u (Grieks : in u) zijn, welke ook in Christus Jezus was". „Weest innerlijk zo gezind, als Christus Jezus het was". Daarmede wordt echter niet bedoeld een zich terugtrekken op „het innige leven", op de verborgen omgang van het hart met God. Neen; de gezindheid, die in Christus Jezus was, omvatte, doorstraalde, ja was: heel Zijn leven, heel Zijn denken, spreken, handelen en zijn tegenover God en mensen, zoals ons dat in het Evangelie beschreven wordt.
Die „gezindheid", die de zin van heel Christus' bestaan was, omschrijft Paulus in zijn brief aan de gemeente te Philippi aldus : „in de gestalte Gods zijnde, heeft Hij het Gode-gelijk-zijn niet als een roof geacht, maar heeft Zichzelf ontledigd, en heeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen, en is den mensen gelijk geworden. En in Zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood des kruises" (Philipp. 2 : 6—8).
Hoe ootmoedig, hoe nederig, hoe gehoorzaam tegenover God was heel dit bestaan van Jezus. Hij was „in de gestalte Gods". Hij was in wezen van eeuwigheid God, het Woord door hetwelk God alles geschapen heeft. Hij kón dus goddelijke heerlijkheid, het Gode-gelijk-zijn, naar Zijn Wezen opeisen. Op de hoogste plaats had Hij recht. Doch, hoewel Hij er het recht en de macht toe had, „heeft Hij het Gode-gelijk-zijn niet als een roof geacht", niet als een roof willen grijpen. Waarom gebruikt Paulus deze vreemde uitdrukking : Christus „heeft het Gode-gelijk-zijn niet als een roof geacht" ?
Omdat wij dat wèl als een roof geacht hebben. Paulus leidt ons met onze gedachten terug naar het verloren Paradijs (Gen. 3). Toen satan ons de verboden vrucht van de boom der kennis des goeds en des kwaads begeerlijk maakte door de voorspiegeling: „dan zult gij als God zijn, kennende het goed en het kwaad', hebben wij, in Adam, het Gode-gelijk-zijn als een roof willen grijpen, en wij gaan er nog steeds mee door. Tot ons verderf! Want om als-God te worden, zijn wij God en elkander kwijt geraakt, en het Leven. Ja, zulke rovers en moordenaars zijn wij geworden tegenover elkander en tegenover God Zelf, dat wij ten slotte Gods eigen lieven Zoon, en in Hem God Zelf, aan het kruis hebben genageld. Dat hebben de Joden niet alleen gedaan, ook Pilatus niet alleen, ook wijsgeren als Nietzsche niet alleen, maar wij allen, Adam ! En watdoetGod nu met ons,opstandelingen,die het Gode-evengelijk-zijn als een roof wilden grijpen ? „Ziet, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt". Daar zendt God Zijn eigen lieven Zoon, Zijn eigen Ik, tot die opstandige rovers en moordenaars, om in hun plaats te doen, wat zij hadden moeten doen.
Wat hadden wij dan moeten doen? God naar de ogen zien van ogenblik tot ogenblik! Precies het tegenovergestelde van wat wij gedaan hebben en doen I Geschapen in Gods beeld, naar Zijn gelijkenis waren wij geroepen ónder God te blijven, in de diepste afhankelijkheid in zijn, weten en kunnen ' Niet zelf uit te maken wat goed of kwaad is, maar het van Hem te horen, te leren, bij Zijn Woord te blijven ! In al ons weten, doen of laten, in heel onze gezindheid, met geheel ons hart en verstand. Hem naar de ogen te zien. Hem ge-hoor-zaam te zijn ! Daartoe schiep God ons als mensen, in Zijn beeld, in Zijn zalige gemeenschap En als wij daarin gebleven waren, ootmoedig en blij, voorwaar, wij zouden ook op God geleken hebben. Want Hij schiep ons in Zijn beeld, naar Zijn gelijkenis. Maar ziet nu, wat God doet met een mensenwereld,
Maar ziet nu, wat God doet met een mensenwereld, die deze afhankelijkheid van God, dit leven uit God en in God, te geringe eer hebben geacht. Daar zendt Hij Zijn eigen eeuwigen Zoon onder ons, om in heel Zijn leven en sterven te doen, wat wij hadden moeten doen ; gezind te zijn, zoals wij het hadden moeten zijn tegenover God. Die eeuwige Zoon was van eeuwigheid bereid om als mens in onze plaats ge-hoor-zaam te zijn aan den Vader. „Zie, Ik kom om Uw wil te doen", sprak Hij reeds in de 40ste Psalm. Het geboren worden uit een arme, zondige, aardse moeder, het liggen als machteloos kind in een beestenkrib, is nog maar een zwakke schaduw van de wezenlijke vernedering, van Zijn ootmoedig God naar de ogen zien, van Zijn algeheel afhankelijk blijven van den Vader, van het zijn en blijven in het beeld Gods. Vooral de evan
gelist Johannes vermeldt telkens woorden van Jezus, waaruit deze wezenlijke afhankelijkheid, dit geloof, deze gehoorzaamheid van Gods Zoon in het vlees blijkt. Wanneer Hij van Zichzelf getuigt, dat „Hij het leven heeft in Zichzelven", dan grondt Hij deze uitspraak daarop, dat de Vader den Zoon gegeven heeft, het leven te hebben in Zichzelven. Die eer heeft Hij niet genomen, niet „geroofd", maar gekregen. Ootmoedig erkent Hij : „Ik kan van Mijzelf niets doen. Gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig; want Ik zoek niet Mijn wil, maar de wil des Vaders, die Mij gezonden heeft" (Joh. 5 : 26, 30). „Mijn spijs is, dat Ik doe de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbreng" (Joh. 4 : 34). „Want Ik ben uit de hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft" (Joh. 6 : 38). „De woorden, die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij blijft, die doet de werken" (Joh. 14 : 10). Daarom bidt Hij ook : „de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven" (Joh. 17 : 8). Daarom beroept Hij Zich ook, èn tegenover satan, èn tegenover de mensen, niet op Zijn eigen wijsheid, maar op het Woord Qods, het geschreven Woord, waaruit Hij ook wist, dat de Zoon des mensen lijden en sterven moest.
Onze zonde, die ons van Ood vervreemdt, is, dat wij Ood op Zijn Woord niet vertrouwd hebben, en het verdacht-makend woord van satan wèl geloofd hebben. Daardoor zijn wij van God af-geraakt. Want Ood en Zijn Woord zijn één. Maar Christus, ofschoon in ons vlees verzocht als wij door denzelfden satan, is bij Gods Woord gebleven, tot driemaal toe den verzoeker wederstaande, ja Zijn leven lang Zich door het Woord latende leiden, al ging het ook door dood en hel heen. . Daarom heeft de Vader van Hem getuigd : „Deze is Mijn geliefde Zoon, in Welken Ik Mijn welbehagen heb. Hoort Hem". Maar in deze ge-hoor-zaamheid ging het door de diepte.
Paulus worstelt, in de brief aan de Phiiippenzen, met woorden om die diepte der gehoorzame afhankelijkheid enigszins naar waarde uit te drukken. „Die gezindheid", zo schrijft hij aan de Phiiippenzen — neen aan óns —, „zij in uw hart en leven, die ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Oods zijnde, het Gode-gelijk-zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en den mensen is gelijk geworden.
En in Zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood des kruises". Zietdaar dan, ten voeten uit getekend, de gestalte des harten, de gezindheid van den Tweeden Adam, die in ootmoed herstellen kwam, wat de eerste Adam in hoogmoed verdorven had. In gehoorzaamheid aan den Vader heeft Hij vrijwillig van al Zijn goddelijke privileges afstand gedaan. Zich van al Zijn goddelijke heerlijkheid ontledigd, is van Heer: knecht geworden, van Ood : mens; ja „de onwaardigste onder de mensenkinderen".
Want bedenkt het wel: niet slechts tegenover Ood, neen, ook tegenover ons, mensen, is Hij de minste willen worden. Oods Zoon werd „vlees", en dat is onze lelijkste naam, onze schandnaam. Nog erger: met het ergste van ons heeft Hij Zich laten vereenzelvigen, als een onreine heeft Hij Zich laten dopen, „zonde" is Hij voor ons gemaakt, een vloek is Hij voor ons geworden. Zo hangt Hij daar aan het kruishout. Hij, de Schepper en Heer van allen, is de minste van allen willen worden, om ons te redden. Zietdaar: de gezindheid van Christus Jezus. Op de plaatsbekledende waardij van deze vernedering, van deze ontlediging, valt in Paulus' brief aan de Phiiippenzen niet de nadruk. Dat was niet nodig. In de erkenning en beiijding van Jezus' plaatsbekledend lijden en sterven in overeenstemming met Jesaja 53, en in de vreugde daarover, was de gemeente te Philippi niet verachterd. Met allen rondom Oods troon beleden en zongen ze: „Het Lam, voor ons op aard geslacht, is eeuwig waard t' ontvangen de wijsheid, rijkdom, eer en kracht en dankb're lofgezangen". Het zoenoffer van den Gekruiste was hun blijdschap en hoop. Maar één ding hadden ze uit het oog verloren.
Maar één ding hadden ze uit het oog verloren. Ze waren vergeten, of hadden misschien zelfs weggetheologiseerd, dat de Heere Ood zulk een welgevallen heeft aan die nederige gezindheid van Jezus, dat Hij diezelfde gezindheid ook bij Zijn gemeente zoekt. En als Hij die niet vindt, is Hij bedroefd, en Zijn heilige engelen met Hem ; en Paulus is er ook bedroefd en teleurgesteld over. Hoe groot het welgevallen van God den Vader is in de ootmoedige zelf-vernedering van Zijn gehoorzaam Kind Jezus, dat tekent Paulus met zulke treffende woorden, dat wij er aandachtig naar luisteren moeten. „Omdat" — zo schrijft hij — „Jezus zo ootmoedig dienstknecht geworden is, van God en van ons, tot in de dood des kruises, daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en heeft Hem de Naam boven alle naam geschonken, opdat in de Naam van Jezus zich alle knie zou buigen ... in de hemel en op de aarde en onder de aarde, en alle tong zou belijden : Jezus Christus is Heer (is Heere) tot eer van Ood den Vader" (Philipp. 2 : 9—11). Let op dat „daarom" ! Die radicale zelf-vernedering, die ooimoedige
Die radicale zelf-vernedering, die ooimoedige knechts-gestalte van den Zoon des mensen staat zó hoog bij God aangeschreven, dat Hij daarom dien vrijwilligen „dienstknecht" tot aller „Heer" verheven heeft in hemel en op aarde. Ja, daarom zal Hij de Naam dragen, die God Zelf draagt: Heere, Ik zal zijn, die Ik zijn zal. Hij is dus Gode-evengelijk ! Maar nu is dit Oode-gelijk-zijn niet geroofd, maar als goddelijk loon op de waarachtige ootmoed ontvangen ! Ja, aan dezen Knecht des Heeren kan de almachtige Ood en Vader met een gerust hart alle macht geven in hemel en op aarde, deze „Knecht" mag „Heer" zijn over alles wat in de hemel en op de aarde en onder de aarde leeft, omdat Hij immers toch altijd naar de wil des Vaders vraagt en gehoorzaam is.
Dat is dan „de gezindheid, die in Christus Jezus was". En nu roept Jezus' apostel, staande bij de kribbe en heenwijzende naar het kruis, ons toe, bij het begin van het jaar onzes Heeren 1Q54: „Laat die gezindheid nu ook in u zijn, welke in Christus 3 Jezus was. Laat die gehoorzaamheid aan Ood, dat blijven bij Zijn Woord, die dienstknechtsgestalte nu ook onder u wonen en regeren, ook toon-aangevend zijn voor het leven der gemeente". In heel dit gedeelte van de Philippenzen-brief is Paulus bezig die ootmoed tegenover God en tegenover elkander, die bereidheid om de minste te zijn, den ander hoger te achten dan zichzelf, den ander te dienen in liefde, in plaats van over hem te willen heersen, de gemeente op het hart te drukken Zo alleen kan er een eendrachtig geloven en belijden van hel Evangelie zijn, zo alleen een volhardend strijden en lijden vóór het Evangelie.
Zo alleen zal er ware blijdschap kunnen zijn in de gemeente, en ook in het hart van Paulus, hun vader in Christus. Ja, hij bezweert hen als het ware: „Indien er dan enig beroep (op u gedaan mag worden) in Christus, indien er enige bemoediging is der liefde, indien er enige gemeenschap is des geestes, indien er enige ontferming en enige barmhartigheid is, maakt (dan) mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, één in liefdebetoon, één van ziel, één in streven, zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder lette ook op dat van anderen" (Phil. 2 : 1—4). Ja, als die „gezindheid" ons gaat beheersen in 1Q54, dan gaat het er anders uitzien in huis en kerk en wereld.
En begrijp het goed : Paulus uit dit alles niet als „een vrome wens", als een toch eigenlijk onbereikbaar ideaal, waarnaar we toch streven moeten. Neen, alleen wanneer de gemeente werkelijk dit gebod gehoorzaamt en zich gedraagt waardig het Evangelie van Christus, zal zij vrede hebben en Oodsgunst wegdragen (Phil. 1:27—30).
En als hij tot vier malen toe haar als bezweert met zijn : „indien dan ... (2:1 v.), dan trekt hij niet in twijfel of er nog wel zulke levenstekenen in de gemeente gevonden worden. Neen, ze zijn er wel degelijk. Maar dan zal dat ook moeten aan de dag treden, in overeenstemming met de gezindheid die in Christus Jezus was, in een ootmoedig dienen van elkaar. En dat om hunner zielen zaligheid. Want hoe kan een gemeente wezenlijk gelukkig, wezenlijk gezegend zijn en blijdschap in God kennen, als de gemeenschap der heiligen zoek is, of ziek is ?
Daarom roept hij dan ook, na de gezindheid van Christus te hebben geschilderd, tot diezelfde gezindheid de gemeente nog eens op in de woorden : „Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven" (of, N. V.: „blijft uw behoudenis bewerken met vreze en beven"), „want God is het, die om Zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt" (Phil. 2 : 12 v.). Met deze oproep tot „werken" zwakt Paulus niet af zijn prediking, dat wij niet uit de werken worden gerechtvaardigd, maar uit het geloof alleen. Maar wijzende op den lijdenden Knecht des Heeren, die „om de arbeid Zijner ziel het zien zou en verzadigd worden" (Jes. 53), roept 4 hij ons op tot dezelfde dienstknechisgezindheid, die ootmoedig, vrezend en bevend, het werk van den Heer doet verrichten.
En „zalig die dienstknecht, dien zijn Heer, als hij wederkomt, zal vinden alzo doende" (Luc. 12 : 43). Maar den ontrouwen knecht, die in stede van ootmoedig te dienen, zichzelf verheft en verzorgt, wordt geen zaligheid toegezegd (Luc. 12 : 45 v).. Zo is dan ook de oproep, om, met vreze en beven dienend, het werk onzes Heeren te doen, geen andere, dan de oproep waarnaar wij heden luisteren : „die gezindheid zij in u, die ook in Christus Jezus was". „Hoort en uw ziel zal leven". „Hoort aandachtig naar Mij, opdat gij het goede eet en uw ziel zich in overvloed verlustige" (Jes. 55 : 2 v.).
Maar nu komen wij toch in grote verlegenheid ! Zó gezind zijn als Jezus gezind was ! Zó onszelf weg-cijferen, dat we zelfs onze hogere ontwikkeling of onze hogere kom-af, ja welk wezenlijk voorrecht boven anderen ook, niet mee laten tellen, gelijk Jezus zelfs Zijn godheid niet wilde laten meetellen ! Zich zó ontledigen, vernederen en dienstknechtsgestalte aannemen, maar dan ook wezenlijk God en den naaste ootmoedig dienen, zoals Jezus het deed! Ja, het is een heerlijk voorbeeld, dat ons voor ogen gesteld wordt ter navolging. Maar is het niet té heerlijk, té hoog ? Ja, nog eens, als wij, jong en oud, hoog en laag, zo gezind waren, en uit die gezindheid leefden, dan zou het er in de huisgezinnen, en in de scholen, in de werkplaats en op de kantoren, in Kerk en Staat, ja vooral in de politiek, heel anders gaan uitzien. Dan kon 1954 een vredesjaar bij uitnemendheid worden. Maar dat is toch voor ons, mensenkinderen, zwakke en zondige mensenkinderen, een veel te hoog ideaal! Ja, zo denken wij er eigenlijk allen over: het is te mooi om waar te zijn ! Maar dat is een leugen. Gods Woord, het Evangelie komt nooit met
Gods Woord, het Evangelie komt nooit met idealen en utopieën aandragen. Dat doen wij, om met ons „streven" te camoufleren, dat wij zondaren zijn. God komt altjjd tot zondaren, maar Hij komt nooit tot zondaren met idealen, die die zondaren moeten pogen te verwerkelijken. Hij komt tot ons met gebod en met belofte, die één zijn. Want Hij komt tot ons in Christus. Nooit zonder Christus.
De Wet van Mozes is vol van Christus, Tabernakel en Tempel zijn vol van Christus. En God zendt tot de volken geen gezanten om de Wet te prediken, maar het Evangelie, Christus, waarin de Wet vervuld is en wordt. In Christus belooft Hij wat Hij beveelt, en beveelt, wat Hij belooft. Juist omdat Hij het belooft, beveelt Hij het. Dat geldt ook het bevel, waarmede Christus' apostel bij de aanvang van dit nieuwe jaar tot ons komt: „Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was". Zo beveelt Christus de gemeente, omdat Hij het haar belooft.
Die weg der zelf-ontlediging en der dienende gehoorzaamheid, die Jezus ons vóór-geleefd heeft tot in de dood des kruises, blijft niet zonder vrucht voor óns leven. Met Zichzelf heeft Hij ons, zondaren, heel dien ouden Adam die als-God wezen wil, meegedragen dood en hel in. En Hij belooft, in het Woord en in de Doop: „uw oude mens is in Mij en met Mij gekruist, gestorven en begraven". fin als God Jezus uitermate verhoogt in Opstanding en Hemelvaart, dan belooft Hij daarbij: „met Hem zijt gij, zondaren, als nieuwe mensen opgestaan, ja gezet in de hemel".
Dat verkondigt Paulus nadrukkelijk in zijn brieven (Rom. 6, Kol. 2 en 3, Eph. 2). Hij beveelt ons niet slechts gezind te zijn als Christus Jezus. Mij beveelt het omdat God het belooft en met Zijn Sacrament bezegelt. Paulus zegt dit zelfs met zóveel woorden, als hij beveelt: „Werkt uw zaligheid" (of: „blijft uw zaligheid bewerken") „met vreze en beven. Want Qod is het, die om Zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt" (Phiüpp. 2 : 12 v.).
Zo rust dan heel dat geweldige, overstelpende, ons te machtige gebod van den apostel: Leeft tegenover God en mensen uit dezelfde gezindheid, waaruit Christus leefde en stierf, — heel dat machtige gebod rust in Gods belofte en verzekering : die gezindheid van Jezus is de uwe. Geloof alleenlijk. Want die het gelooft, die hééft het. Die alleen.
Ach, gij aarzelt, gij durft het bijna niet geloven, omdat gij het bij uzelf niet vindt, omdat zo menigmaal een heel andere gezindheid zich openbaart, thuis, en in de gemeente, en in het maatschappelijk leven. En ge vraagt: maar waarom beveelt dan toch de apostel, en vermaant en bestraft, als er zoveel tegenstrijdigs aan dit bevel in de gemeente en bij onszelf huist ? Waarom eindigen dan toch al de brieven der apostelen in ernstige vermaningen en bevelen tot een heilige wandel ? Weet gij hoe dat komt ? Dat bevelen en vermanen en aansporen en bestraffen komt daaruit voort, dat wij, mensen, geschapen zijn in Gods beeld en naar Zijn gelijkenis (Gen. 1 : 26 v.).
Wat betekent dat ? leder begrijpt wel, dat daarmee geen uiterlijke gelijkenis, geen afbeelding naar de vorm bedoeld wordt. Want God heeft geen uiterlijke gedaante, en Israël mocht nooit enige afbeelding van God maken. „Qod is Geest, en die Hem aanbidden moeten Hem aanbidden in geest en waarheid" (joh. 4 : 24). Zo moet dan ook ons geschapen zijn in Gods beeld en naar Zijn gelijkenis, zien op het innerlijke, de gezindheid van ons hart en van ons leven. Het gaat om datgene, wat den mens onderscheidt van alle andere schepselen (als wij de engelen even buiten beschouwing laten). Al die andere schepselen moeten God gehoorzamen, zonder Hem te kennen, in gedwongen, automatische, onderwerping. Ons mensen echter heeft God geschapen om Hem te kennen en Hem vrijwillig, uit geloof en liefde, gehoorzaam te zijn. Dat is ons geschapen zijn in Zijn beeld, naar Zijn gelijkenis. De vrijwilligheid is daar een wezenlijk deel van. Met al die gedwongen, automatische knechten, ofschoon toonbeelden Zijner scheppings-macht en-wijsheid, was de Heere God nog niet tevreden. Hij wilde een schepsel hebben met een hart om Hem te kennen en lief te hebben en te gehoorzamen, vrijwillig, gaarne. Maar zou het vrijwillige gehoorzaamheid zijn, dan moest de mogelijkheid om ongehoorzaam te zijn, ook openstaan. Zo heeft de Almachtige het dan gewalgd den mens te scheppen, die wel geroepen wordt tot liefdevolle gehoorzaamheid ; die echter ook „neen" tegen God zeggen kan. En die mens hééft het bestaan „neen" te zeggen ; heeft dus in werkelijkheid God de gehoorzaamheid, het geloof en de liefde opgezegd. Maar God laat Zich Zijn scheppingsbedoeling
Maar God laat Zich Zijn scheppingsbedoeling met den mens niet verderven noch ontroven, door geen mens en door geen duivel. Heeft de eerste Adam „neen" gezegd tegen zijn Schepper en Vader, God herschept in Zijn eigen lieven Zoon,die„vlees"wordt,een Tweeden Adam, die Hem vrijwillig gehoorzaamt in geloof en liefde. O, dat ging bij den Tweeden Adam ook niet automatisch toe, al menen ook vele christenen hun Heer daardoor te eren, dat zij zeggen : Jezus kón niet zondigen, want Hij was God. Neen, Zijn gehoorzaamheid moest vrijwillig zijn en niet automatisch. Daarom is Hij verzocht als wij, als de eerste Adam, zo wezenlijk, dat Hij medelijden hebben kan met onze zwakheid, ja, Hij heeft gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij geleden heeft, als Hij tegen alle aanvechting in Zich vastgeklampt heeft aan Gods Woord, en in de keuze heeft volhard: „niet Mijn wil. Uw wil geschiede".
Zo is, in vrijwillige onderwerping, de Tweede Adam in het beeld Gods gebleven, en staat Hij voor ons geschilderd als de mens naar Gods hart.
In dien Ene grijpt God nu ook dien andere vast, die „neen" tegen Hem gezegd hebben, en voortgaan, de eeuwen door „neen" tegen Hem te zeggen. Hij laat hen Christus prediken en noodt hen tot het geloof in Hem tot vergeving van zonden, tot verzoening met God. Hij lijft hen door het geloof in Christus in, en daarmee in Zijn beeld.
Het is alles Gods eigen genade-werk. Het geloof is Gods gave. Hij voert Zijn Kerk door roeping, geloof, rechtvaardiging en heiliging heen tot de verheerlijking, waarin wij voor eeuwig den Zoon Gods naar lichaam en geest zullen gelijkvormig zijn (Rom. 8 : 29 v.). Maar bij heel dit werk der toebrenging handhaaft God Zijn grondgedachte van onze schepping en herschepping in Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. Ood is nooit tevreden met gedwongen gehoorzaamheid, met automatische onderwerping. Hij zoekt en leert en formeert die vrijwillige liefde en dat hartelijk verjrouwen, dat het wezen is van het beeld Gods.
Daarom zeggen de Canones van Dordt — die overigens niet consequent deze lijn vasthouden — in hfdst. 3 en 4, § 16 : „de goddelijke genade der wedergeboorte werkt in de mensen niet als in stokken en blokken, en vernietigt de wil en zijn eigenschappen niet, en dwingt die niet met geweld, zijns ondanks, maar maakt hem geestelijk levend, heelt hem, verbetert hem, en buigt hem tegelijk liefelijk en krachtiglijk; alzo dat, waar de wederspaiinigheid en tegenstand des vleses tevoren ten enemale de overhand had, daar nu een gewillige en oprechte gehoorzaamheid des Geestes de overhand begint te krijgen, waarin de waarachtige en geestelijke wederoprichting en vrijheid van onze wil gelegen is".
Juist! Was onze Kerk daar maar bij gebleven ! Het is te vrezen, dat duizenden zich tegen elke oproep van Christus en van Zijn gezanten tot bekering en geloof en gehoorzaamheid en liefde verzetten meteen gereformeerd-gewaande stokkenen blokken-onmacht.
Wanneer wij echter ernst maken met het wezen van het beeld Gods als vrijwillige ootmoedige onderwerping aan God en Zijn Woord, gaan wij beter verstaan, waarom Gods gezanten in het Oude- en in het Nieuwe Testament zo machtig gepredikt hebben : „bekeert u" en de verantwoordelijkheid voor een weigering ten volle op den weigeraar hebben doen rusten.
Heel die prediking en die verantwoordelijkheid zou voor alle eeuwen kunnen saamgevat worden in de klacht en aanklacht van Jezus : „Jerusalem, Jerusalem, gij die de profeten doodt en stenigt die tot u gezonden zijn, — hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, — en gij hebt niet gewild. Ziet, uw huis wordt u woest gelaten" (Matth. 23 : 37). Ongeloof en onbekeerlijkheid liggen voor onze rekening. En wee ons, als wij beproeven de verantwoording daarvoor op God terug te wentelen.
Maar evenzeer als de roeping tot geloof en de eis tot bekering ten nauwste samen hangen met het beeld Gods, waarin wij eenmaal geschapen zijn, evenzeer geldt dat van de vermaningen, die de apostelen tot de gemeente van Christus richten, Paulus nu in Philipp. 1 en 2. „Gedraagt u waardig het Evangelie van Christus" (1 : 27). „Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was" (2 : 5). „Blijft uw behoudenis bewerken met vreze en beven" (2 : 12). Waarom volstaat hij niet met de constatering: „het is God, die in u werkt beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen" (2 : 13)? En waarom is hij niet tevreden met de blijde boodschap: de gezindheid van Christus woont reeds in u, want uw oude Adam is met Hem gestorven, en de nieuwe mens opgestaan ? Waarom moeten die vermaningen tot een heilige wandel er toch nog bij ?
Omdat wij het nieuwe leven, in ware gerechtigheid en heiligheid naar Gods beeld en gelijkenis nooit passief kunnen deelachtig zijn. God schenkt het ons wel alles in de belofte des Evangelies. Maar het wezen van het beeld Gods, dat is dus van de door God gewilde verhouding tussen Hem en ons, brengt mee, dat wij de weldaden dier belofte in geloof, in vrijwillige geloofsgehoorzaamheid, toeëigenen en beleven. Met minder kan noch wil God tevreden zijn. Daarom belooft God in Ps 110 aan Zijn Messias niet een leger van gedwongen knechten maar „een gewillig volk ten dage Zijner heirkracht". Dat is een volk, waarin dezelfde gezindheid woont, die ook in Christus Jezus was.
Misschien zegt of denkt ge nu: heel die laatste uiteenzetting — over ons geschapen zijn in Gods beeld en naar Zijn gelijkenis, en dat het daaruit voortkomt, dat Christus en Zijn apostelen telkens weer de gemeente roepen tot vrijwillige gehoorzaamheid aan Gods gebod, — is mij toch nog al erg ingewikkeld. Daar moet ik toch eerst nog eens ernstig over nadenken en lezen. Doet dat dan maar, ernstig en biddend. Want inderdaad is de spanning tussen Wet en Genade, die ons overal in de Schrift, maar vooral in Paulus' brieven, tegenkomt, voor ons aller verstand, en hart, een moeilijke levensvraag. Maar of gij er nu meer of minder van gaat verstaan, één ding moet voor u vaststaan: het is God Zelf, die door Paulus ons toeroept: „Die gezindheid zij in u, die ook in Christus Jezus was".
Dat gebiedt God u. Dat raadt de Heere God Zijn gemeente, omdat Hij haar liefheeft, omdat Hij wil, dat zij leven en vrede hebbe, dat zij een licht zij op een kandelaar, dat zij de wereld ten zegen zij. Schrijf dit gebod der liefde maar eens met duidelijke letters op een stuk papier en laat het tot u spreken. Ood Zélf spreekt in dit woord tot u.
En als onze Heere Jezus Christus al de listige influisteringen en redeneringen, en zelfs bijbeltexten van satan, wederstond, niet met diepziiipige uiteenzettingen, maar alléén met een drievoudig „daar is geschreven", — dan moogt en kunt ook gij den boze wedersfaan en op de vlucht jagen, uit uw hart, uit uw huis en overal vandaan, met niets anders dan telkens weer met datzelfde wapen : je moogt zo wijs zijn als je wilt, satan, maar „er staat geschreven": „Laat dezelfde gezindheid in u zijn, die ook in Christus Jezus was". En God belooft er bij, dat Hij het willen en volbrengen om Zijn welbehagen in ons werken zal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Kerkblaadje | 8 Pagina's