Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

H. F. Kohlbrugge, een leraar onzer dagen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

H. F. Kohlbrugge, een leraar onzer dagen

23 minuten leestijd

Door de „leidinggevende" mannen van zijn tijd en van zijn „vak" gering geacht, zo al niet geheel veracht en toch onder hen allen degene, die een hoofd-lengte boven hen allen uitstak, telkens weer in de hoek geduwd waar op hem niet gelet werd, als een zonderling verketterd en terzijde geschoven, „afgemaakt" met het zeer oppervlakkig oordeel: „Het is niet de moeite waard, de gewrongen theologische gedachtengangen van deze man verder na te gaan"^), tot op deze dag slechts door enkelen gekend, maar onder de theologen van de negentiende eeuw toch de getuige van de God van de Bijbel, een kenner en verkondiger van de Heilige Schrift,

zoals ons na Luther tot nu toe geen tweede geschonken werd, en een zielszorger bij de gratie Gods, die, of hij nu op de kansel moest staan of aan ziek- en sterfbedden vertoeven of een sterfhuis binnentreden moest, nooit anders dan staande in de vreze Gods en in de gehoorzaamheid aan Zijn standvastige wil en onveranderlijke opdracht steeds de rechte leer bracht en midden in alle ellende de gerechtigheid Gods, d. i. Christus' barmhartigheid, heeft doen stralen in een heldere glans —- dat was Hermann Friedrich Kohlbrugge ^).

„Mond Gods" is hij geweest, verder niets. Hij heeft zijn tijdgenoten slechts Gods Woord gezegd. Dit „slechts" zal wellicht velen een „te weinig" voorkomen ; in waarheid is het toch het grootste, wat ooit en dan gezegd, wat ooit alleen dan en daar vernomen kan, maar ook mag worden, wanneer en waar de heilige God Zijn stilzwijgen verbreekt en uit Zijn incognito te voorschijn treedt om Zich in het getuigenis van een Zijner dienstknechten aan onder de zonde verkochte, desdoods-schuldige zonen en dochters van Adam in Zijn onverschuldigde goedheid en in Zijn even onwrikbare als onnavolgbare trouw als Heiland heel genadig te openbaren.

Kohlbrugge heeft het Woord Gods als GODS Woord gesproken. Dat wil echter zeggen : Hij heeft geen menselijke wijsheid en deugd verkondigd, maar datgene, wat alle wijsheid en deugd der mensen als dwaasheid en schande openbaar maakt, geen menselijke gedachten over God, maar Gods gedachten over de mensen — Jeremia 2Q: 11; I Timotheüs 2:4! —, niet iets nieuws en interes

I Timotheüs 2:4! —, niet iets nieuws en interessants, waarnaar de mens gretig luistert, maar het nieuwe oude, het woord, dat God reeds in het paradijs tot de slang heeft gesproken : „Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw en tussen uw zaad en haar Zaad Dat zal u de kop 1) Zo Albrecht Ritschl (!) in zijn „Geschiclite des Pietismus". 2) Lees Sirach 32 : 18—20. vertreden, en gij zult Het in de hiel steken" (Oen. 3 : 15). Dit „oer-evangelie" als „geschiedenis" in de ware, oorspronkelijke zin van het woord, d. w. z. als verleden, als lieden en als toekomst, dat heeft Kohlbrugge gepredikt. En „dat daar, waar deze vijandschap is, de vrede verbroken en door Ood Zelf een tjreuk gemaakt is tussen alle zonde en degene, die uit God geboren is", dat heeft Kohlbrugge gepredikt. En dat alle heerlijkheid, goedheid, voortreffelijkheid, wijsheid en vroomheid van het vlees moet vergaan, omdat dat alles zonde, niets dan zonde is,

dat heeft Kohlbrugge gepredikt. En dat de Oeest der heiligmaking uit goddelozen rechtvaardigen, uit zondaars heiligen, uit doden levenden maakt en wel „op grond van de opstanding van Christus uit de doden" (Rom. 1 : 4), dit reslitutie-edict van Ood aan een verloren wereld, dat zij niet verloren ga, maar als het ware nog eens van voren af aan beginnend als schepping Gods mag ademen en leven, dat heeft Kohlbrugge gepredikt: „Jezus Christus, onze Heere", opdat onze zelfheer-lijk-heid worde opgeheven en „de zonde" — lef wel! de éne, eigenlijke zonde, als God te willen zijn — „een einde neme en de eeuwige gerechtigheid aangebracht worde" (Dan. Q : 24). „De Heere onze gerechtigheid" (jer. 23 : 5 v. ; 33 : 15 V.).

„Deze drie stukken : Christus, onze ellende en het eeuwig-blijvende van de Wet, zijn het oogmerk van al mijn preken. Waar deze drie stukken ontbreken, daar is geen waarachtig leven, doch daar bestaat het Christendom uit een gedachfen-stelsel, dat louter heimelijke schande en leugen is" ^). Met deze verkondiging „slaat" Kohlbrugge — als men dan hier tenminste van een „staan" en niet liever met Kohlbrugge van een neergezonken-zijn wil spreken — op het „fundament der Apostelen en Profeten"; en slechts terwille van dit zijn „standpunt" en omdat het zo zelden wordt ingenomen, heb ik telkens weer zo nadrukkelijk op zijn geschriften menen te moeten wijzen.

Want Gods Woord, even onverkort als zonder enige toevoeging rein, is immers juist datgene, wat wij ons in een tijd waarin niet weinigen zich laten bewegen en wiegen door allerlei wind van menselijke leer, eerst weer geheel nieuw moeten laten zeggen, om het weer geheel nieuw te kunnen horen als het Woord, dat de Waarheid is en zal blijven tegen alle dwalingen, huichelarijen en leugens der quasi-profefen, die ten allen tijde aanwezig zijn als de legermacht van satan, die er steeds alleen maar op uit is, ons af te brengen van het WOORD, ons op een dwaalspoor te brengen, ver weg van Hem, die toch als „het enig Kind van de eeuwige Vader" het leven is midden in onze dood en het licht, dat onze gang veilig en zeker maakt op de weg door het „dal der reuzen", dat overschaduwd is door 1001 duisternissen. ^) II Cor. 4 : 2. Kohlbrugge heeft het Woord Gods gesproken als GODS Woord, Hoe echter heeft hij daartoe kunnen komen? Anders, juister gevraagd; hoe is hem dat, wat toch niemand van ons ,,hebben" kan, geschonken?

Deze vraag heb ik telkens weer nagespeurd, en ik heb in de loop van vele jaren bij bijna dagelijkse bestudering van de geschriften van Kohlbrugge op velerlei wijze van hemzelf antwoord gekregen, heb hierover ook in ander verband reeds iets medegedeeld. *) Heel algemeen, volgens de Schrift zal het antwoord ongeveer mogen luiden: Vroeg is zijn geest uitgegaan naar God, en hij heeft het „Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, die vinden Mij" (Spr. 8 : 17) als een onbedriegelijk woord aan en bij zichzelf mogen ervaren.

In zijn geschrift ,,De Tale Kanaans" heeft Kohlbrugge voor zijn grootmoeder Anna Teerhuys, die naast de vader, die een godvrezend man wa^, de geestelijke opvoeding van de jongen had overgenomen, en hern reeds in zijn prille jeugd met de Heilige Schrift bekend gemaakt had, een gedenkteken opgericht, dat even eigenaardig als enig in zijn soort is.

„Ik had een grootmoeder, die Loïs heette (I Tim. 1:5); zij ging dikwijls met mij een schone hof binnen. Daar zag ik onder de bomen een schone man en een schone vrouw. In een andere laan zag ik, dat deze beiden heel lelijk waren geworden en uit de hof werden verdreven door een man in een wit kleed. Deze had een vlammend zwaard in de hand, waarmee hij hen verdreef. Dan was het mij steeds, alsof i k eruit gedreven werd. Ook bracht zij mij wel eens in een zwijnenstal. Daar zat een uitgehongerde jongeman met zeer fijne trekken; deze begeerde te eten. wat de zwijnen aten; maar hij kon niet bij de trog komen. Dan dacht ik altijd, dat i k daar zat. Dikwijls bracht zij mij bij een kribbe en legde mij uit, dat het kleine kind, dat daarin lag, mijn Koning was. Van daar bracht zij mij bij een kruis en zeide; Daar hangt uw- Koning met uw zonden! En wanneer zij mij dan een graf liet zien, waaruit deze Koning te voorschijn kwam, had ik hieraan méér blijdschap dan aan al mijn speelgoed..." "]

Maar — de eenvoud des harten is geen onverliesbaar bezit, en het geloof is geen erfgoed, ^) zo zeker als het niet uit het bloed des mensen komt, doch in ons gewerkt wordt door den Heiligen Geest, wanneer en waar het Gode behaagt, door de prediking van het Evangelie. — Onder het lezen van de dichters en wijsgeren der oudheid werd de jongeling een ,,dwepend humanist".

*) Vgl. Kerkblaadje, 42e Jaarg-ang No. 5 en 44e Jaargang No. 16. 5) Vgl. de biografische inleiding tot de door mij uitgegeven bloemlezing uit familie-brieven van Kohlbrugge: „Lass dir an Meiner Gnade genügen " {Furche- Bücherei, Bd. 4), Furche-Verlag, Berlijn z.j., blz. 8. 0) Lees Matth. 3:9! Toen moest de Bijbel op de achtergrond treden, en Kohlbrugge verwijderde zich hoe langer hoe meer van God. Maar God verloor hem niet uit het oog en leidde hem op wonderlijke wegen, zoals Hij immers altijd ,,Zijn heiligen wonderlijk leidt. Altijd heel anders, dan zij het zich hadden voorgesteld". Die Hij tot Zich wil trekken, laat Hij van Zich weggaan; en wanneer zij voor Hem op de vlucht zijn, dan weet Hij hen wel te vinden. Hij slaat met Zijn onweders achter hen in, en zo worden zij ,,be-zocht" en gered.') Hetgeen Luther eens met het oog op de leidingen Gods in zijn leven, dat zo rijk was aan grote geestelijke aanvechtingen, heeft beleden: „Periissem nisi periissem", d.i. ,,Ik zou te gronde gegaan zijn, wanneer ik niet te gronde gegaan was" —•, Kohlbrugge heeft het op zijn wijze moeten belijden: ,,Wil God u ziende maken, dan maakt Hij u blind; en wil Hij u héél maken, dan slaat Hij u in duizend stukken".

Met de dood van de vader (1825) werd de zoon, die in de vader zijn enige vriend verloor, krachtig door God ,,gegrepen". Het kwam tot een eerste ,,bekering" en in het vervolg ervan tot een ,,actief leven" van werkgerechtigheid en -heiligheid. De Wet Gods mocht tot geen prijs der wereld worden opgeheven door het geloof. Toen was Kohlbrugge ,,de mens, die alles opgeeft om zijn leven vast te houden ais een drenkeling". Hij heeft later van deze tijd eens gezegd; ,,Ik dacht vroeger, dat ik mij zelf zalig moest maken; dat heb ik echter n u anders geleerd! Ik dacht vroeger, dat ik mij zelf zalig kon maken; ik heb het echter nu anders ondervonden! Ik dacht vroeger: wanneer bij mij het willen en lopen ontbreekt, dan is er niets; ik heb het echter anders beleefd! Ik heb het nu opgegeven en geef het op, en God zij mij genadig, dat ik het niet weer opneem, wat toch slechts dood brengt; en wanneer ik het weer opneem, dan zij Hij mij zó genadig, dat Hij mij het werk nog onder de vingers verbrandt, zodat er niets overblijft".

Niets blééf er over! Op die eerste „bekering" is na vele jaren een tweede gevolgd. Onder de voorbereiding van een preek, waarvoor hij Romeinen 7 : 14 had gekozen, onder het lezen van deze woorden in de grondtekst, bij het zien van de komma in de zin: ,,Ik ben vleselijk" — komma!! — ,,verkocht onder de zonde", overkwam Kohlbrugge iets soortgelijks als destijds, toen Luther de betekenis van de woorden in Romeinen 1 : 16 V en Psalm 31 : 2 b leerde ,,begrijpen": ,,Het hangt niet meer van mij af, wat de zaligheid, wat de goede werken, wat de heiliging, rechtvaardiging en volharding aangaat. Zonder mijn toedoen ben ik geboren; zonder mijn toedoen word ik zalig", en ,,Dat is de hoofdsom: dat wij tenslotte verder niets weten dan Chris-

") Vgl. hierbij de indeling van de eerste der „Zeven preken over den profeet Jona". tus, onzen Heere, en dag aan dag kapot gaan of verootmoedigd worden — niet onder een donderende Wet, neen! maar onder 'sHeeren ontferming".

Van de ,,geschiedenis", die God met Kohlbrugge heeft gehad, legt een brief getuigenis af, die hij d,d. 11 Maart 1844 geschreven heeft. Hierin lezen wij het volgende:

,,In het jaar 1826, toen ik nog geen idee had van bekering en nog niets had gehoord van het volk Gods of iets dergelijks, toen — in een donkere, diepe weg, ja, in de angst der hel, had ik de Bijbel vóór mij. In een ogenblik drong iets mijn hart binnen, dat ik niet kan beschrijven. Het was sneller dan de bliksem, en de gloed vermag ik al evenmin te beschrijven. Maar in die gloed las en hoorde ik de woorden, die geschreven staan in Jes. 54 : 7—10: ,,Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten, maar met grote ontferming zal Ik u vergaderen. In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen, maar met eeuwige genade zal Ik Mij over u ontfermen, zegt de Heere, uw Verlosser; want dat zal Mij zijn als het water van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet weer over de aardbodem zouden heengaan, zo heb Ik gezworen, dat Ik niet op u toornen noch u schelden zal.

Want bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn genade zal niet van u wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, spreekt de Heere, uw Ontfermer." — Een wolk van diepe vrede was in mij en om mij heen, en al mijn zonden waren van mij weg, en van stonden aan sprak ik een andere taal, zodat de oude vromen mij voor zeer oud in de genade hielden.

Zo is het voortgegaan. Ik wies en nam boven alle anderen toe in de Wet; en allen, die mij hebben gekend, zullen het betuigen, dat ik hun gelijk was of zelfs overtrof, Sommigen hebben zelfs aanstoot genomen aan zoveel heiligheid en méér nog daaraan, dat ik die zo consequent doorzette.

Dat heeft geduurd tot 1833.') Van toen af komt er een ommekeer in mijn leven, en de vraag rees in mij op; ,,Waarom is het u toch zo?" Toenmaals ben ik in een weg gekomen — ik verwonder mij er nu nog over, dat ik daarin niet om het leven ben gekomen! De openbaringen van God en Christus vermenigvuldigden en herhaalden zich elke morgen, voordat de nacht was voorbijgegaan, en tot tweemaal toe ben ik slechts als aan 'n oorlapje uit de muil van den Satan gekomen. De eerste maal had ik Romeinen 7 : 14—

8) Uit dit jaar hebben wij een brief, die Kohlbrugge vanuit Elberfeld aan zijn vriend J. D. Ludwig te Utrecht geschreven en waarin hij een wónder-heerlijke uitleg van de woorden Jes. 54 : 10 gegeven heeft. Deze brief is in het Hollands origineel door mij gepubliceerd in de bundel brieven, die in 1935 is verschenen onder de titel ,,Door Zijne wonden is ons genezing geworden". (H- Veenman en Zonen, Wageningen 1935, blz. 65—80.) In Duitse vertaling heb ik de brief in het tweemaandelijks tijdschrift ,,Die Furche", 19e Jaargang 1933, afl. 4, aangeboden (blz. 273 v.v.). de andere maal: ,,Gij zijt om niet verkocht, gij zult ook om niet verlost worden".") Toen werd mij Gods gerechtigheid geopenbaard. Hier leed mijn gerechtigheid volledig schipbreuk..."

„Lang heb ik standgehouden om met de Wet in eigen hand tot volkomenheid te geraken en ten bloede toe te strijden, en steeds dieper moest ik zinken; en toen ik niet dieper meer kon zinken, omdat ik nog beneden den duivel verzonken lag — toen, in mijn radeloosheid en verlorenheid heeft mij de Heere ontmoet en heeft tot mij gezegd; ,,Zo, als gij zijt, zijt gij Mij heilig! Niets eraf, niets erbij!" Dat was mij onverwacht. Dat was in mijn gedachten niet opgekomen! Ik zag een Lam ter rechterhand der heerlijkheid.

Toen heb ik afstand gedaan van de Wet, van mijn weten van goed en kwaad, van mijn wedergeboren-, bekeerd- en vroom-zijn, van mijn God-kennen, God-beschouwen, van alle godsvrucht, kortom van alles, wat vlees heeft, geeft en werkt — en nu is mijn enig heil in de hoogte en in de diepte; „Met ons God". Dat is mijn eeuwige vreugde, vrede, leven, gelukzaligheid. Evangelie, Wet en Gebod.

Dat heb ik den Heere plechtig beloofd, dat, als Hij mij eruit zou halen, ik het allen, die het maar zouden willen horen, wilde verkondigen, dat Hij goddelozen rechtvaardig verklaart, dat Jezus, de Enige Gezalfde, in vlees gekomen is. Deze gelofte heb ik betaald en zal ik betalen, zolang als ik in deze tabernakel zal zijn; maar zij hebben mij met hopen weerstaan, zodra ik aanving, Gods Wet te bewaren. Dat had mij ook dronken gemaakt van troost, dat, toen ik vanwege mijn ongerechtigheden niet kon zien — want zij waren méér dan haren op mijn hoofd! — en mijn hart mij verlaten had en mijn melaatsheid met haar plaag op het hoogst gestegen was, de Heere tot mij zeide; ,,Gij melaatse zijt rein;

gij hebt den ouden mens uitgetrokken; uw oude mens is mede-gekruisigd; gij hebt den nieuwen mens aangetrokken!" En wie was ik, dat ik niet geloven zou, wat de Heere tot mij zeide? Ja, ofschoon de dui\el van toen af aan opnieuw met alle woede mij uit dit Woord trachtte te verdringen —' het Woord, waaraan ik met al mijn ellende ben blijven hangen, is sterker geweest dan alles, wat tegen mij was, en dit Woord is mijn stok en mijn staf en een lamp voor mijn voet".

God heeft hem in de loop van zijn leven telkens opnieuw al het eigene uit handen geslagen om die te vullen uit Zijn volheid, heeft hem alles ontnomen, waaraan het hart van de mens met o zo grote liefde hangt, en het valt 't vlees ten allen tijde zeer moeilijk, dit over te geven, ^"j Tel-

«) Jes. 52 : 3. >") In het in Opm. 4 allereerst aangeduide artikel heh ik over de lotgevallen uit het leven van Kohlbrugge ten dele op grond van de gesprekken, die ik met zijn kleinzoon, Prof. Dr. J. H. F. Kohlbrugge te Utrecht, kon voeren — in het kort iets medegedeeld. kens weer heeft de grote Smelter, die God toch is, hem gelouterd, zoals het goud gelouterd wordt in de smeltkroes — ,,Gij loutert ons door hevig lijden!" —; maar hoe meer de sintels eraf kwamen, des te meer werd hij waardig gekeurd, een instrument te worden tot Gods eer, Zijn Woord zó te verkondigen, dat de anderen het konden horen en aannemen niet als eens mensen, doch als Gods Woord, hij evenwel ten laatste de vrijmoedigheid en stoutmoedigheid bezat om te zeggen; ,,Hierop sterf ik en herroep van alles, wat ik heb geschreven en gij in handen hebt, geen tittel en jota. Ik weet, dat het Gods Woord is in zuiver goud en zilver; want ik heb het niet uit de mouw geschud, maar vanuit het diepste lijden heb ik het u meegedeeld..."

En hoe heeft hij het meegedeeld! Een enkele proeve slechts zij hier in vertaling weergegeven, een der vele nagelaten schetsen, „meditaties", die wel allermeest voorbereidende werkzaamheden voor zijn preken waren — een enkel voorbeeld slechts van de onvergelijkelijke uitlegkunde, dat bij de een of andere lezer wellicht het verlangen wakker roept, méér te lezen van de man, die met alles, wat hij schreef of sprak, steeds in de diepste diepten der Schrift, naar beneden leidde tot de goudaders van het eeuwige Woord, Wij hebben van Kohlbrugge de volgende ,,opmerkingen" bij

Psalm 113 : VS. 1; Gij knechten — gij vrijgekochten des Heeren. Looft de Naam — de Naam JEZUS, die boven alle namen is. Weg met eigen naam en werk! Wie zich beroemen wil, die beroeme zich in den Heere!

VS. 2; Geprezen — gezegend zij de Naam des Heeren — Hij is de Levensbron. Van nu aan — aangezien gij Zijn genade ervaart, daar Hij u al uw zonden vergeeft en u verlost uit de diepte der nood.

VS. 3: Van de opgang der zon tot aan haar ondergang — overal, waar Hij Zijn arm volk heeft, moet Zijn Naam geloofd en beleden worden.

VS. 4: De Heere is hoog — vooral aan Zijn kruis! Hij heeft alle vlees in zijn gerechtigheid te schande gemaakt en verheerlijkt bij allen slechts Zijn genade, Rom. 1 : 17, Jezus van Nazareth, de Koning der Joden. Hij is aller Koning. In Hem zijn gezegend alle geslachten.

VS. 5: Wie is als de Heere? — Niemand (Hooglied 8:7). Die zo hoog woont — ter rechterhand des Vaders, als Borg, om van daar uit Zijn hemelse gaven uit te storten over Zijn erfdeel.

VS. 6; Die zeer diep ziet — op het geringe, vgl. Psalm 130.d i ep daalt Hij neer!

VS. 7: Vgl. I Sam, 1 Hanna ca Peninna; hoeren en tollenaars; arme vissers, VS, 8: Jozef uit de gevangenis. Die in zichzelf de allerarmste is, deelt onder Gods kinderen het allermeeste uit. ,,Ik heb méér gearbeid dan zij allen", zo schrijft Paulus, God geeft genade en ere, als men bij het getuigenis van Jezus b 1 ij f t,

vs. 9: Hanna, Sara, Jes, 55. Drijf de dienstmaagd uit met haar zoon! God is almachtig. Hoe verblijdde de Gemeente zich, toen Jezus was opgestaan, en daarna -— op het Pinksterfeest!

Het Boek der Psalmen met zijn bange klachten en gebeden der heiligen heeft Kohlbrugge bijzonder dierbaar geacht, aangezien hij in al de stemmen, die hem uit dit boek tegemoet kwamen, Christus' stem hoorde. En alleen een met den Geest Gods gezalfde uitlegger der Schrift, zoals hij er één was, kon bij het schijnbaar nietszeggend ,,opschrift" van de 69ste Psalm opmerken : „Een Psalm van David op de Schoschannim — Luther vertaalt: „Van de rozen". Van de doornen?! Ik weet wel, dat ,,rozen" een muziekinstrument betekent; maar de Psalm wordt alleen goed gezongen met de blik op de doornenkroon des Heeren en daar, waar men in Zijn gemeenschap de doornen voelt steken".

De Psalmen vooral hebben Kohlbrugge — daarvan leggen ons zijn méér dan 2000 bladzijden omvattende verklaringen van de eerste 95 Psalmen getuigenis af — een krachtige troost, een grote blijdschap en kracht des geloofs geschonken om te lijden en te overwinnen, alle geschakeerde tegenstrijdigheden van dit leven ten spijt: ,,De Psalmen zijn meestal ,,Psalmen in de nacht", in de nood, en dat zijn de rechte zwaarden om iederen vijand in stukken te houwen. Het ziet er telkens in werkelijkheid heel anders uit, dan de Psalm schijnt uit te spreken. Men zou graag telkens weer willen beginnen te juichen; ,,V!/elgelukzaüg is het volk, dat juichen kan! O Heere,

zij zullen in het licht van Uw aangezicht wandelen". Wanneer dat echter pas goed begint, dan zal het volk, dat juichen kan, zeggen: ,,Welgelukzalig is het volk!"; maar het ware volk, terwijl het dat zegt, kan voor het ogenblik niet juichen, tenzij de Heere de vermoeide ziel op de wagen van Zijn genade zet, zodat zij met den Heere een eindweegs voorwaarts komt. Zo weet ik uit vroegere ervaring nog heel goed, hoe ik eens zo ellendig was, mijn leven overdacht en beslist geen vijf minuten meer kon leven, in het bos lag en luide tot God riep, of Hij mij mocht doen sterven van alle nood, ellende en moedeloosheid; want het was niet maar één nood, die op mij aankwam, doch het sneeuwde nood. Daar komt echter een woord van deze Psalm (Ps, 89) als uit de hemel oor en hart binnen, en de schijnbaar stervende man liep twee uur gaans in één 62 uur,,. Dat doet hun, die God vrezen, beslist goed, dat, wanneer zij met den profeet Elia onder de boom liggen en wensen dood te zijn — dat zij opeens spijs ontvangen, die hen sterkt om te gaan een weg van veertig dagen en van veertig nachten. Dan is de troost, die zij verkrijgen, niet een zichtbaar houvast — dat is niet de ware troost! —, maar de onzichtbare God, die vertroost,"

En wederom is het een Psalmwoord geweest, dat Kohlbrugge eens heel onverwacht als de enige, ware troost in beangstigde zielen wierp: ,,Weigelukzalig is hij, wiens zonde bedekt is!" ") Dat werd uitgesproken in een sterfhuis, toen men een dode met het witte linnen bedekte. Toen kwam, als altijd, uit de rechte zorg om het Woord de rechte zielszorg, die steeds op deze twee dingen uit is; te verwonden en te genezen, er opmerkzaam op te maken, dat er een ,,geschiedenis" der zonde is, en er opmerkzaam op te maken, dat er een „geschiedenis" der genade is.

Met de Apostel heeft Kohlbrugge geleefd in de zekerheid; ,,Alle Schrift, door God ingegeven, is nuttig tot onderwijzing. ,.""). Alle Schrift! Dus ook het ,,allang \erouderde", ,,allang verjaarde" en vooral om zijn ,.Aziatische" afkomst zo ,,afschuwelijke" z.g.n. ,,Oude Testament", dat toch de ,,Bijbel" van onzen Heiland was, waarin Hij dagelijks leefde en waarop Hij heeft gewezen als op de Schrift, die van Hem getuigenis aflegt! '^)

Er zijn maar weinig Bijbelplaatsen, die Kohlbrugge niet uitgelegd of waarbij hij niet tenminste ,,opmerkingen" gegeven heeft. Wij hebben ons door hem laten zeggen; ,,Ik heb het niet uit de mouw geschud". Dikwijls was hem vooreerst en lange tijd een tekst, die hij wilde prediken, niet duidelijk. Dan liet hij hem liggen en wachtte, totdat hem een ,,inzicht" jïeschonken werd.

Adolf Zahn heeft ons verteld, dat Kohlbrugge eens aarzelde, over de roeping van Mozes (Exodus 4) te preken, omdat hij nog niet precies wist, hoe het werpen met de staf verstaan moest worden en het aangrijpen van de slang bij de staart. Later gaf hij dan een diepzinnige uitleg, hoe wij altijd aarzelen, het Woord, welks dragers wij zijn, uit de hand te werpen de wereld in, hoewel wij met het vasthouden van het Woord in moedeloze zwakheid slechts de zonde van het ongeloof vasthielden. „Eruit ermee de wereld in, al wordt het ook tot een slang! Grijp deze slang in de Naam des Heeren daar aan, waar

") Psalm 32 :1. ") Il Tim. 3 :16. 13) Ik verwijs ook hier naar Kohlbrugge's geschrift „Waartoe het Oude Testament? Leiddraad voor de juiste waardering van de Boeken van Mozes en de Profeten", in het bijzonder naar het 3de hoofdstuk ,,Wat Mozes en de Profeten voor Jezus Christus zijn geweest in de dagen Zijns vleses". Dit geschrift is de wapenkam.er, waarin de scherp geslepen wapens hangen, die wij nodig hebben in de strijd, die heden om het Oude Testament in volle gang is. zij haar kracht heeft, bij de staart! Treed het gevaar tegemoet, dat door het Woord zelf gewekt wordt — het gevaar zal u tot een stok en staf in uw hand worden en u in geen enkel opzicht schaden!" —

En wanneer nu tot besluit iemand zou willen vragen naar een woord, waarin al Kohlbrugge's uitleggingen van het Woord Gods gegrondvest zijn, dan zou men wel kunnen wijzen op II Cor. 5 ; 19: ,,God was in Christus en verwisselde de wereld met Zichzelf — wisselde de wereld met Zichzelf uit; kosmon katallassón heautoi! en rekende hun de zonden niet toe". Tussen hemel en aarde heeft de Christus Gods gehangen aan het kruis en heeft met Zijn heilig, dierbaar bloed — alle ander bloed is niet heilig! — volkomen betaald voor al mijn schuld. Ja, dat is het bijzondere, wat wij ons in Kohlbrugge's school moeten laten zeggen: ,,Vergeving van zonden slechts in 't algemeen te geloven, is een geschenk van den duivel. Gij moet weten, dat zij er voor u is! Ik moet weten: voor mij! voor mij!" Al het andere, wat ik naast de betaling, die Christus voor mij beeft gebracht, achteraf nog mede ter betaling zou willen besteden, deugt niet; en al hield ik het ook voor goud, het is vals goud, valse, waardeloze munt.

Er is ongelooflijk veel religieus leven onder ons ontwaakt. Maar zou het niet kunnen zijn, dat heden opnieuw evenals eens in de dagen, toen Achab, de zoon van Omri, koning was over Israël, openbaar wordt, dat wij met alle uitingen van onze ,,religie" méér doen om God te vertoornen, dan allen, die vóór ons zijn geweest. De Kerk echter en de enkeling in haar wordt door Kohlbrugge voor de beslissing gesteld met de vraag;

,,Wie zal het dan nu doen? God of wij? Wie zal zalig maken? Christus of wij? Wie zal verlossen, wie de ere hebben? De Heilige Geest of het verdoemde vlees?"

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 april 1955

Kerkblaadje | 8 Pagina's

H. F. Kohlbrugge, een leraar onzer dagen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 april 1955

Kerkblaadje | 8 Pagina's