Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Looft den Heere.*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Looft den Heere.*

19 minuten leestijd


Psalm 118 : 1. „Looft den Heere, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Dat Israël nu zegge, dat Zijn goedertierenheid

Dat Israël nu zegge, dat Zijn goedertierenheid in eeuwigheid is.

Het huis Aarons zegge nu, dat Zijn goedertierenheid in eeuwigheid is". De gemeente Huizen zegge nu, dat Zijn goeder

De gemeente Huizen zegge nu, dat Zijn goedertierenheid in eeuwigheid is.

Het Gereformeerd Oranje-Weeshuis zegge nu, (Jat Zijn goeüeriiereriheid iti eeuwigheid is.

„Dat (al)degenen, die den Heere vrezen, nu zeggen, dat Zijn goedertierenheid in eeuwigheid is".

Halleluja ! Looft den Heere I

Zo mogen, zo moeten wij elkander toeroepen op deze gedenkdag in het jubeljaar van Huizens Weeshuis.

Aanstaande Zondag zal het 50 jaar geleden zijn, sinds het Weeshuis werd geopend.

Na een strijd van 7 jaren zag de man, wiens nagedachtenis bij ons in zegening blijft, Jean Louis Bernhardi, zijn liefdevol ijveren voor Huizens arme wezen bekroond door de opening van het Gereformeerd Oranje-Weeshuis, op 31 Augustus 186Q,toen het werd ingewijd in dit kerkgebouw met toespraken van Ds J. J. Gobiusdu Sart, den heer Bernhardi, den heer Van Heumen en Ds P. Deetman.

Toen reeds was de grondtoon van heel de inwijding hetgeen nu nog in steen gegraveerd te lezen staat aan de gevel van ons huis:


De stichters zelf spraken het daarmee uit, dat niet hun, maar Gode alleen alleeeren dank toekwam. En als wij nu, na 50 jaren, terugzien op de afgelegde weg, op al hetgeen is doorleefd, op ai de 132 wezen, die in deze stichting zijn verzorgd, dan moet het ook thans met ootmoedige dank worden beleden : „Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil" (Ps. 115 : 1). Zeker, ook aan mensen hebben wij veel te danken. Wie onzer gedenkt niet met eerbied en liefde,

Wie onzer gedenkt niet met eerbied en liefde, naast de beide reeds genoemde praesides uit de eerste 25 jaren, Bernhardi en Gobius du Sart, mannen als de reeds in den Heere ontslapen Ds Oberman en de broeders A. Beijer en P. S. Verwelius, die in het tweede tijdvak van 25 jaren bun heste krachten wijdden aan het Weeshuit' Wie van de wezen vergeet ooit Vader en Moeder Kop, aan wie (na het echtpaar Van Dijk) 30 jaren aaneen de zorg voor de kinderen was toevertrouwd ? En ik behoef slechts de naam te noemen van onzen grijzen ere-voorzitter Ds H. A. J. Lütge, die meer dan 25 jaren achtereen voorzitter was, sinds het jaar IQOl getrouw ter zijde gestaan door onzen ijverigen en bekwamen secretaris, br. H. L. Houthoff, om u allen dadelijk te doen toestemmen, dat het Weeshuis met zijn bewoners ook aan mensen veel te danken heeft. Maar het is de Heere, uit Wien en door Wien en tot Wien alle dingen zijn, die de harten der mensen neigt als waterbeken. Hij was de Formeerder. Hij was ook de Onderhouder, Bewaarder en Bestuurder van het Weeshuis al die lange vijftig jaren.

Hoeveel geduld en lankmoedigheid, hoeveel zorgende liefde en uifreddende trouw, hoeveel genade en ontferming zijn gedurende die halve eeuw van 's Heeren wege aan ons ten koste gelegd ! En daarom kan en mag het niet anders, of op deze gedenkdag rijst uit ons midden de dankzegging op : „Looft den Heere, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid".

„Looft den Heere !"

Maar is het wel de tijd om te loven en te prijzen en om ons te verblijden ? Is het niet veeleer de tijd om te roepen uit de diepte tot God ? Wanneer wij het oog slaan op de nood der tijden, op de toestand van ons volk, en allereerst, a!s wij de hand in eigen boezem steken, neen, dan is er geen aanleiding om feest te vieren.

Nog bloedt de hele wereld uit duizend wonden, die zij zichzelve geslagen heeft, waarmee God haar geslagen heeft in Zijn heilige toorn, door die grote, vreselijke oorlog. En al zijn wij dan zelf gespaard van de verwoesting, van bloed en vuur en rookdamp, en al is dan de vrede gekomen, zou het ons niet ter harte gaan, als daar het land van Luther vertreden in zijn bloed lerneerligt, en zou ons oog kunnen gesloten blijven voor de ontwrichting van het gehele maatschappelijk leven en de voortdurende dreiging van revolutie en anarchie met al haar gruwelijke gevolgen? Neen, wij zijn niet blind voor de oordelen, die immers ook óns getroffen hebben. Het heeft Oode behaagd, ook het Weeshuis in de algemene rampen te doen delen. De uitgaven voor de nodigste levensbehoeften stegen schrikbarend, en even schrikbarend verminderden de inkomsten. De dijken dreigden te bezwijken en buitengewone maatregelen moesten genomen worden om de gaten te stoppen. De Heere Zelf heeft ons de mogelijkheid tot een luisterrijke feestviering als vóór 25 jaren ten enenmale afgesneden. De toekomst blijft vol dreigende zorgen. En toch zal het heden zijn : „Looft den Heere,

En toch zal het heden zijn : „Looft den Heere, want Hij is goed !" De tijden mogen boos en dreigend zijn, Gods oordelen vreselijk; maar God is goed, zowel in Zijn oordelen als in Zijn weldaden. Temidden van de algemene verwoesting staat daar nog het Weeshuis, tot hiertoe gespaard en onderhouden. Al moesten, gelijk in menig huisgezin, zo ook in ons grote huisgezin. Vader en Moeder, Regenten en Regentessen menigmaal met zorg vragen: Waar moet het eten, waar moet de kleding vandaan komen ?, het kwam er, van Hem, die een Vader der wezen is, „Looft den Heere, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid".

Ja, al moesten er nog banger tijden over ons beschikt wezen, zoals er gewisselijk bange tijden in aantocht zijn, het zal toch deze eeuwige waarheid niet kunnen teniet doen, dat de Heere goed en genadig is en blijft voor al Zijn volk.

Mag ik u nogmaals herinneren aan het geloofswoord van Willem van Oranje, door Ds Oberman 25 jaren geleden van deze plaats reeds u meegedeeld, het geloofswoord in het bange jaar 1574 geschreven aan zijn broeder graaf Jan van Nassau : „Van droefheid weet ik nauwelijks wat ik doe. En desniettemin moeten wij ons altijd schikken in den wille Gods, gedachtig, dat Hij, die het bloed van Zijn Zoon gestort heeft om Zijn Kerk in stand te houden, nietsdoen zal dan lot Zijn eer en tot bescherming van Zijn gemeente, ofschoon het der wereld onmogelijk schijnt. En al kwamen wij allen te sterven en al werd dit arme volk geheel vermoord en verjaagd, toch behoren wQ verzekerd te zijn, dat God de Zijnen niet verlaat". Dat geloof van Vader Willem, is het niet hetzelfde 122 als de belijdenis van Jeremia op de puinhopen van Jeruzalem : „Dit zal ik mij ter harte nemen; daarom zal ik hopen. Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben ; zij zijn alle morgen nieuw. Uw trouw is groot. De fieere is mijn deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen" (Klaagl. 3 : 21—24).

Is het niet wederom hetzelfde als de juichkreet van Habakuk midden in de tijd der oordelen Gods: „Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal en er geen vrucht aan de wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal en de velden geen spijze voortbrengen, dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal en er geen rund in de stallingen wezen zal, zo zal ik nochtans in den Heere van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den Gods mijns heils" (Hab. 3 : 17v.). „Looft den Heere, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid". Gij weet het toch wel, al is het reeds 50 jaren

Gij weet het toch wel, al is het reeds 50 jaren geleden, onder welke omstandigheden het Gereformeerd Oranje-Weeshuis is tot stand gekomen ! Is uw Weeshuis uit de overvloed geboren ? Neen, nietwaar! Het was de barre winter van 1860 op '61, die armoede, nood en dood over Huizen bracht, die de Bommelerwaard met de schrikkelijke watersnood bezocht; het was al deze nood en ellende, die in Gods hand het middel werd om aan Huizen het Weeshuis te schenken. Toen Koning Willem III vol erbarmen, trots ijs en baren, de geteisterde streken bezocht en getroost had, gloeide de oude Oranje-liefde in ons volk weer op, en duizenden gaven gehoor aan Bernhardi's oproep, den Koning de dank van het volks te tonen door de schone Statenbijbel, die nog altijd deel uitmaakt van de kunstschatten van het Koninklijk Huis.

Toen dit huldeblijk, Gods Woord, als enige Bron van duurzaam geluk voor Oranje en Nederland, de 22ste Maart 1862, den Koning was aangeboden, besloten de mannen, die dit volvoerd hadden, nog dezelfde dag, de handen ineen te slaan tot stichting van een Oranje-Weeshuis te Huizen, waar Bernhardi met eigen ogen de armoede en ellende, inzonderheid van vele wezen, had gadegeslagen.

De f 1483.41 Va, die er over waren van het huldeblijk aan den Koning, werden het grondkapitaal, dat onder 's Heeren zegen door het onvermoeid ijveren van Bernhardi en de zijnen, tegen veler tegenkanting in, in 6 jaren tijds aangroeide tot ruim f 18000.—. In 1868 was de bouw, zonder schulden, voltooid ; en 31 Augustus 1869 had de plechtige inwijding plaats.

Oordelen Gods over ons Vaderland waren dus de directe aanleiding tot stichting van ons Weeshuis. Uit nood en dood werd het geboren. Daarom zal ook thans de nood der tijden, de kastijding der wereld en onze eigen verdrukking ons niet de mond snoeren, maar wij zullen het op deze gedenkdag uitspreken met ootmoedige


Maar is er niet veel ernstiger oorzaak om ons de lof op de lippen te doen verstommen ? Was het maar alleen de aardse ellende ! Dat zou nog zo erg niet zijn. Maar hoe jammerlijk is het gesteld met ons volk — want tot Nederland zullen wij ons nu maar bepalen — op geestelijk terrein ! Wat is er geworden van het hopen en worstelen van mannen als Bernhardi — tot uitdrukking gebracht in het geschenk aan den Koning —, dat Oranje en Nederland toch blijven mochten bij, wederkeren tot het eeuwig Getuigenis Gods? Hebben de oordelen van toen, de schrikkelijke oordelen van nu, Nederland tot bezinning, tot bekering gebracht, hebben zij in brede kringen tot verootmoediging en verbrijzeling geleid ? Zijn, als eertijds in Israël in tijden van nood, de afgoden weggeworpen en vergruisd ?

Maar immers is er nooit in ons Vaderland een tijd geweest van zo brutale opstand tegen God en Zijn Woord, van zo openlijke verachting van Christus en van Zijn Kerk — inzonderheid in de grote steden — als nu.

Eén grote afgod wordt aangebeden en nagehoereerd in Nederland, en dat is: de Mammon. En een tweede afgrijselijke afgod staat er naast en wordt door ons volk bewierookt, en dat is: het eigen ik. Men geeft dien laatslen afgod allerlei mooie namen, b.v. „democratie" of „het volk". Maar in waarheid is het de aanbidding van het eigen ik, dat de teugels van het bewind in handen wil nemen, dat de wereld beter regeren zal dan God en mensen tot nu toe hebben gedaan. En luide wordt het verkondigd, van de daken wordt het gepredikt, dat men met God, met Christus, met Bijbel en Kerk heeft afgedaan. De mens zal zijn eigen zaken wel regelen in het vervolg.

Moet de angst ons niet om het hart slaan, als wij deze afgodendienst, deze zelf-aanbidding aanschouwen bij een volk, zo rijk met het Evangelie gezegend als geen volk misschien ter wereld ? Qod laat niet met Zich spotten.

God moet komen, en Hij zal komen over het ondankbare Nederland met Zijn vreselijke oordelen. Kunnen wij daarbij nog feestvieren ?

Ja, als wij zelf vrij-uil gingen, gemeente van Huizen, als wij zelf vrij-uit gingen. Wezen, Vader en Moeder, Regenten en Regentessen, Vrienden en Vriendinnen van het Weeshuis!

Maar wij gaan niet vrij-uit. De wezen niet, en al de anderen niet. Meen niet,

De wezen niet, en al de anderen niet. Meen niet, dat ik het oog heb op dezen of genen. Het eigen ik, die lelijke afgod, die ook onder ons zoveel verborgen tempels heeft, het eigen ik, het vrome eigen ik, het eigengerechtig eigen ik is dadelijk in het geweer tot zelf-handhaving, als de aanklachten komen. Neen, ik heb niemand bijzonder op het oog. Ik bedoel u en mij. Gemeente van Huizen, wat hebt gij met, wat hebt gij vóór het Weeshuis gedaan ? Wij, die de wezen moesten regeren en opvoeden, wat hebben wij met de wezen gedaan? Zeker, wij hebben goed voor hen gezorgd, hun kleding, spijae en drank gegeven, hen ter school, ter catechisatie en ter kerk gezonden, hun in één woord een Christelijke opvoeding gegeven. Wij hebben ook het huis goed onderhouden en noodzakelijke verbeteringen aangebracht : een nieuwe kap van buiten, electrisch licht van binnen enz. enz. Maar wat hebben wij met de zielen gedaan? Hebben wij er steeds mee geworsteld voor de troon der genade ? Hebben wij de wezen op het hart gedragen als onze eigen kinderen ? Wezen van nu en van vroeger, wat hebt gij met de goede leer en vermaning gedaan en met heel de opvoeding in het Weeshuis ? Wij allen tezamen, wat hebben wij met God en Zijn Woord, met Christus en Zijn genade gedaan ?

Wij staan schuldig voor God, al hebben wij dan misschien voor het oog der mensen onze plicht gedaan, zodat alles nog we! redelijk van stapel gelopen is. Wij staan diep schuldig voor Hem, die niet aanziet wat voor ogen is, maar het hart aanziet. Wij hebben ons voor den Heere te verootmoedigen op deze gedenkdag voor al het ongeloof, voor al de liefdeloosheid, voor al de ongehoorzaamheid, voor al de zonden, in één woord, van deze vijftig jaren.

Waarlijk, over onszelf hebben wij niet te roemen. Als wij op onszelf zien, mogen wij geen feest vieren. Maar, geliefden ! maakt deze beschamende waar

Maar, geliefden ! maakt deze beschamende waarheid Gods goedheid niet nog groter ? Met het oog op onze ontrouw moeten wij het vandaag uitroepen : „Hij deed ons niet naar onze zonden en vergold ons niet naar onze ongerechtigheden". Waren wij slecht tegenover Hem, Hij was en bleef goed voor ons en heeft niet opgehouden dag en nacht te zorgen en te waken, ook in deze oorlogsjaren. Hij bleef ons dienen met goede gaven, met de heerlijkste gave ook, met Zijn Woord, met Zijn Christus, met Zijn vergevende genade en met Zijn goddelijke goedertierenheid. Dat kunnen wij toch niet ontkennen, het moge met ons zo ellendig staan, als het staat, dat Hij goed is. En zo zullen wij dan, met ootmoedige schulderkentenis in het hart, het belijden en zingen op deze dag: „Looft den Heere, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid". Mocht er maar waarlijk schuldbelijdenis in uw en mijn hart zijn, niet slechts met betrekking tot het Weeshuis, maar schuldbelijdenis over ons persoonlijk bestaan tegenover den Heere ! Toehoorder, jong of oud, zijt gij reeds zondaar voor God, hebt gij in het verborgen reeds om genade geroepen ? Uw onmacht, o daar zijt gij misschien al te gemakkelijk van overtuigd. Maar hebt gij reeds in de binnenkamer met tranen des harten niet slechts uw onmacht, maar bovenal uw zonden, uw overtredingen van Gods gebod, voor Zijn aangezicht beieden ?

O, als gij daaraan kennis hebt, als gij eigen verkeerdheid hebt ontdekt en Gods toorn vreest, dan kom ik op deze feestdag tot u met een büjde boodschap : „De Heere is goed, en Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid".

tierenheid is in der eeuwigheid". Goed is de Heere en gaarne vergevende, genadig en barmhartig en rechtvaardigende den goddeloze. Zó goed is Hij, zó genadig, dat Hij Zijn eigen lieven Zoon niet spaarde, maar gaf Hem over in dood en hel, uw zonde en schuld dragende. Zó goed en barmhartig, dat Hij u, die tot Christus vlucht, al de zonde en schuld kwijtscheldt. Het bloed van Christus reinigt van alle zonde. Gelijk Mozes het stervende volk wees op de vurige slang, zo iaat de Heere ons, stervend in onze zonde, op Christus wijzen en ons boodschappen : „Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt". Dat is een feestelijke boodschap van uit de troon

Dat is een feestelijke boodschap van uit de troon Gods ons toegezonden op deze feestdag. Ja, als wij niets hadden dan deze boodschap alleen, dan hadden wij oorzaak genoeg om te zingen en te juichen.

O zondig en schuldig volk, o zondige en schuldige Wezen, Regenten, Regentessen, Vader en Moeder, of hoe ge ook heten moogt, „gelooft dit heil- en troostrijk woord, verhardt u niet, maar laat u leiden".

En als ge het gelooft, op deze stond, wat de God aller waarheid en barmhartigheid u laat boodschappen, dan moogt ge treuren wegens eigen ellende, maar dan worden u hart en mond geopend om Hem te roemen, die u vrijspreekt om den wille van het Lam, en mede te juichen: „Looft den Heere, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid". Ja, in der eeuwigheid I

Ja, in der eeuwigheid I

Dat is een belofte, een heerlijke waarheid voor de toekomst. De Heere was goed en genadig. Hij is het heden. Hij blijft het ook morgen en overmorgen. Jehovah, Ik zal zijn, is Zijn Naam.

Jehovah, Ik zal zijn, is Zijn Naam.

„Christus Jezus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid".

Daarom, ook met hel oog op de dagen, die komen, leve het in ons hart: „Looft den Heere, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid".

Zijn eeuwig, onveranderlijk, goddelijk Wezen is : goedheid, barmhartigheid, ontferming.

Ja, de Heere is ook heilig! „Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen". Maar zo heilig als Hij is, zo goedertieren en ontfermend is Hij. En Zijn goedheid doet aan Zijn heiligheid niet tekort. Zie het Lam Gods aan Golgotha's kruis. Daar aanschouwt gij Gods heilige liefde, Gods rechtvaardige genade in één persoon, in één daad. „Looft den Heere, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid". Zeker, God kan ook toornen, schrikkelijk toornen

Zeker, God kan ook toornen, schrikkelijk toornen 124 en werpen in de helse vuurvlammen. Maar éérst is Hij geiiadig. Eerst biedt Hij Zijn verzoening aan. Eerst brengt Hij Zijn verzoening teweeg en laat door Zijn gezanten noden: „Laat u met God verzoenen". En dan eerst, als Zijn liefde en genade veracht en verstoten wordt, dan eerst ontbrandt Zijn heilige toorn tot in de hel toe. Maar niemand vergaat in Zijn toorn, niemand, die op Zijn goedertierenheid hoopt. „Looft den Heere, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid".

Dat is de grond der hope voor de toekomst van ons Weeshuis.

De Heere zal dezelfde genadige God zijn, die Hij tot nu toe geweest is.

En wij, wat zullen wij zijn en doen in de toekomst, wij, die het moesten belijden: wij hebben gezondigd ?

Wij gaan een nieuw tijdperk in. Zullen wij het er beter afbrengen ?

Zullen wij het er beter afbrengen ?

Zullen wij ons voornemen, zullen wij heden plechtig beloven. Wezen, Vader en Moeder, Regenten en Regentessen, Vrienden in Huizen en daar buiten, zullen wij heden de gelofte afleggen, ons beter te zullen gedragen ?

Het kan niet anders, waar oprechte smart over de zonde is, droefheid over het kwaad, dat wij bedreven, daar is ook de begeerte, daar is ook een vurig verlangen in hel hart, den Heere niet meer te bedroeven, maar Hem welbehagelijk te leven. Maar, o mijn geliefden, als het van onze voornemens en beloften komen moet, dan gaat het er mee als met zovele voornemens en beloften op Oud- en Nieuwjaar.

Luther had bij smartelijke zelf-ontdekking zichzelf zó leren wantrouwen, dat hij zeide : „Ik beloof nooit meer iets aan God". En hij liet zich zinken op de steenrots : Christus, op de steenrots: genade. Gemeente van Huizen, en gij allen, die op enige wijze bij het Weeshuis hoort, dat wij ons ook voor de toekomst niet verlaten op wat wij doen willen en wezen willen, maar dat wij ons laten zinken voor heden en toekomst op de goedertierenheid Gods, op Gods genade in Christus. Dat wij het daarop wagen, voor heden en toekomst, dat God Zich over ons ontfermt, dat Hij — die toch al onze ellende kent — ons in Christus aanneemt, ons voor Zijn rekening neemt. Dan zuilen wij het ervaren, dat de genade Gods over ons meer en beter vermag dan duizend beloften van een mensenkind.

Want het is onmogelijk, dat degenen, die Christus door een oprecht geloof zijn ingeplant, dat degenen, die op Gods goedertierenheid hopen, niet zouden voortbrengen vruchten der dankbaarheid, tot Gods eer!

Die vruchten zijn er geweest in de jaren, die achter ons liggen. Die vruchten zijn er geweest, ook al wisten zij, bij wie de Heere ze zag, er zelf niet van. Het aanhoudend gebed voor het Weeshuis en de wezen bij menig vriend of vriendin der stichting, de stille, jaren-lange toewijding van o menigen Regent, van zo menige Regentes, e tiOüwe zoig van Vader en Moeder, de geoorzaamheid en liefde van oudere of jongere ezen, daarbij menig legaat —, de Heere heeft e aangenomen in genade als vruchten van oprecht eloof, als vruchten van Zijn eigen werk. Die ruchten zullen er wezen in de dagen, die komen, olang er vrienden van het Weeshuis zijn, die ij zichzelf geen goed ontdekken en het op geade wagen.

oor de toekomst zullen wij het wagen op de oedheid, op de goedertierenheid des Heeren. an de afgoden, ook van den afgod van het rome, het bekeerde ik. Is geen heil te wachten. .Israël, vertrouw gij op den Heere, Hij is hun ulp en hun schild.

ij huis Aarons, vertrouw op den Heere, Hij is un hulp en hun schild".

ereformeerd Oranje Weeshuis, Wezen, Vader n Moeder, vertrouwt op den Heere, Hij is hun ulp en hun schild. jGijlieden, die den Heere vreest, vertrouwt op

jGijlieden, die den Heere vreest, vertrouwt op en Heere, Hij is hun hulp en hun schild.

e Heere is onzer gedachtig geweest. Hij zal egenen. Hij zal het huis Israels zegenen. Hij zal et huis Aarons zegenen. Hij zal zegenen, die en Heere vrezen, de kleinen met de groten. De 'eere zal de zegen over ulieden vermeerderen, ver ulieden en over uw kinderen" (Ps. 115). ,Looft den Heere, want Hij is goed ; want Zijn oedertierenheid is in eeuwigheid". Amen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 augustus 1955

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Looft den Heere.*

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 augustus 1955

Kerkblaadje | 8 Pagina's