Herderlijk Gesprek, *)
Tekst: Johannes 21 : 17: „Hij zeide tot hem ten derden male: Simon, Jona's zoon, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden male tot hem zeide: Hebt gij Mij lief ? en zeide tot Hem : Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn schapen".
Gemeente van Amsterdam, geliefden in Christus Jezus!
Gij verwacht van mij, dat ik iets zeggen ga over de vijf en twintig jaren, waarin mij de bediening des Evangelies was toebetrouwd in uw midden. Maar de Heere Zelf heeft het al voor mij gezegd, in de geschiedenis, die wij lazen uit Gods Woord. Het is mij vergaan als die zeven discipelen op de zee van Oalilea.
Simon Petrus had opeens gezegd : „Ik ga vissen". De anderen waren gaarne meegegaan in het icheepje.
„Maar in die nacht vingen zij niets", hoe goed ze ook de kunst verstonden, hoe ze ook zwoegden. Toen had Jezus van de oever geroepen : „Werpt het net aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden". Dat hadden zij gedaan, hoewel Hem niet herkennende. En ziet, het net werd vol grote vissen, tot 153 toe.
Dat werd een wondere maaltijd : aan wal gekomen zagen zij reeds een kolenvuur liggen met brood en vis. Toen mochten zij ook brengen van de vissen, die zij gevangen hadden.
Maar zij hadden niets gevangen. Hij alles.
Dat werd een wónder-stille, feestelijke dis: alles van Hem, hun gestorven maar levenden Heiland, Niets van hen, alles van Hem, die vroeger reeds tot hen gesproken had : Laat uw vistuig nu verder maar varen. „Ik zal u vissers van mensen maken". Twaalf en een half jaar geleden, 7 Januari 1923, was in de Oranjekerk mijn tekst die andere visvangst, waarbij Simon Petrus Jezus in het scheepje te voet viel, zeggende: „Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens". Maar Jezus antwoordde : „Vrees niet; van nu aan zult gij mensen vangen" (Luc. 5 : 8—10).
Dat was toen mijn, en uw, vertroosting en lering. En nu, nu het 25 jaren geworden zijn, waarin ik mensen-visser mocht zijn in uw midden en verder in Noord-Holland en Nederland, heeft God mij geleerd, grondig geleerd, onder al het vissen, diezelfde les van de discipelen : „In die nacht vingen zij niets".
Als Jezus van de oever roept: „Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs ?", dan klinkt het nors en kort terug : „Neen!" Als de mensen ons vragen — en dat kan óók een vraag Gods zijn — : „Gaat het goed met de Kerk, vangt zij er velen ?", dan hebben wij telkens weer moeten erkennen: „Neen!" En als de duivel tergend riep: „Kunt ge uw eigen kinderen, uw eigen catechisanten nogal bekeren ?", dan moest het antwoord wel vaak öf bitter 5f met diepe smart luiden: „Neen !" — Dat wij predikers geen zielen vangen kunnen, geen mensen bekeren, dat leert God ons wel grondig 25 jaar achtereen, en zo nodig nog langer, tot wij het goed weten : „Wij vangen niets 1"
En toch, Jezus laat Zijn beschaamde mensenvissers niet ledig terugkeren.
Hij zendt ze. Hij beschaamt ze. Maar Hij beveelt ze tóch het net uit te werpen, dadr, waar Hij het zegt, al schijnt het een rare plaats om te vissen, waar geen kans tot vangen schijnt.
Het worden er tóch 153, Gods getal.
Want „er geloven er zovelen, als er geordineerd zijn tot het eeuwige leven".
Geen onbekwaamheid der vissers, geen onwil en vijandschap van welke mensen ook, kan dat keren. Oods net wordt vol en scheurt niet. Het einde is het eeuwige feest, de bruiloft des Lams, waar we het zien zullen, met ópen ogen, nog beter dan hier: Niets van ons! Alles van Hem ! En wij zingen :
„Het Lam, voor ons op aard' geslacht, is eeuwig waard t' ontvangen
is eeuwig waard t' ontvangen de wijsheid, rijkdom, eer en kracht
de wijsheid, rijkdom, eer en kracht en dankb're lofgezangen.
en dankb're lofgezangen.
Hij overwon met leeuwenmoed de hel en al haar machten,
de hel en al haar machten,
Hij kocht ons Gode met Zijn bloed
uit allerlei geslachten".
(Oez. 41 : 1 en 2).
Zo zal het didr zijn.
En hier zet God ons ook wel eens stil, en toont ons eerst óns werk — en dan Zijn werk, dat wij ons verwonderen moeten.
„Heeft het u aan iets ontbroken", vraagt Hij dan, „toen Ik u uitzond en gij toch maar niet wist, hoe rond te komen met al de uwen ?" En wij moeten stil antwoorden: „Aan niets, Heere!"
En als Hij dan zegt: „Hoeveel hebt gij gevangen ?", dan moeten wij antwoorden : „Ik niets, Heere. Maar tel Gij ze maar. Want ze zijn er toch. En het wordt een schare, die niemand tellen kan, dan Gij alleen !"
Want „de Heere kent degenen, die Zijne zijn". En „Zijn Woord keert nooit ledig weder".
Dat gelóven wij, ook al zien wij het niet.
Maar een enkele maal laat God het ons zien, dat het Woord niet tevergeefs verkondigd is, ook onder degenen, die ons lief zijn.
Vandaag brachten een zoon en dochter in Indië in de Zendings-gemeente Modjo-Warno op Java een zoontje in Gods huis, om het zegel des Doops te ontvangen door de hand van een Javaans prediker. Zij vroegen ons hier aan hen te denken, gelijk zij aan ons.
Daar zijn ook vele leerlingen uit de vervloten jaren, van wie wij weten, dat zij den Heere vrezen. Dat is feest vieren aan des Heeren tafel, waar het brood, en de vissen, en de vissers, — waar het èlles van Hem is.
Die vissers van mensen noemt Hij ook: herders over Zijn schapen en lammeren. En gelijk Hij aan die vissers beschamend onderwijs gaf en geeft, zo óók aan Zijn herders.
In het woord des Heeren voor dit gedachtenisuur beproeft Christus Zijn herders en leraars, opdat zij waarlijk uw herders kunnen zijn en blijven, gemeente. Het is dus niet slechts voor die herders bestemd, wat Christus spreekt. Want hoe grondiger de Opperste Herder Zijn knechten onder handen neemt, des te beter voor u, gemeente. Het gaat er Jezus om, dat Zijn schapen en lammeren goed geweid worden. En bovendien, als Christus Zijn herders beproeft, is er lering in voor ons allen. Want wie onzer is nooit herder ? 58 De ouders zijn herders over hun kinderen. En niemand is herder over niemand. Want ieder heeft met iemand te maken. Ieder mag dus zieleherder wezen, zo hij slechts luistert naar de stem van den Goeden Herder.
Welnu, hoor dan, wat Christus u en mij te zeggen heeft: „Jezus zeide tot Simon Petrus ten derden male: Simon, Jona's zoon, hebt gij Mij lief? — Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden male tot hem zeide : Hebt gij Mij lief ? en zeide tot Hem : Heere, Gij weet alle dingen. Gij weet, dat ik U liefheb. — Jezus zeide tot hem : Weid Mijn schapen".
I. Hier werpt de hemelse Goudsmid ons metal onze liefde en geloof, met al ons werk, in Zijn smeltkroes.
„Jezus zeide ten derden male tot Petrus : Simon, Jona's zoon, hebt gij Mij lief?"
Ten derden male! Eerst had de Heere, nadat ze die wondere maaltijd hielden, op eenmaal Simon aangezien en hem gevraagd: „Simon, Jona's zoon, hebt gij Mij liever dan dezen ?" Is uw liefde voor Mij nog altoos groter dan de liefde der anderen, zoals toen gij zeidet: al werden die allen aan U geërgerd, ik nooit, ik zal met U in de gevangenis gaan, ja in de dood, als het moet?
Toen Simon, zijn meerdere liefde beschaamd doodzwijgend, nochtans geantwoord had : „Ja, Heere, Gij weet, dat ik U liefheb", had Jezus na enkele ogenblikken voor de twééde maal gevraagd: „Simon, Jona's zoon, hebt gij Mij lief ?" En Simon had geantwoord : „Ja, Heere, Gij weet toch, dat ik U liefheb". Maar nu komt Jezus ten derden male en zegt: „Simon, Jona's zoon, hebt gij Mij lief?"
Ten derden male. Dat is diep beschamend. Daar ligt toch duidelijk in opgesloten twijfel aan Simons verzekeringen, ja, Simon, gij zegt nu wel, dat gij Mij liefhebt, eenmaal en andermaal, maar is het wel waar?
Bovendien, het is maar niet een drievoudige herhaling van dezelfde vraag. Neen, al dieper gaat het beproevingswerk, al fijner wordt het zieleonderzoek. Elke liefdesbetuiging van Petrus gaat in de smeltkroes.
Eerst gaat in de smeltkroes zijn liefde tot Jezus, die groter is dan de liefde der andere apostelen. Dan gaat in de smeltkroes de liefde tot Jezus zonder meer. En als Petrus voorzichtig voor zijn liefde tot Jezus een minder sterk woord kiest, dan Jezus gebruikt had; als hij niet zegt: Ik heb U lief, maar tot tweemaal toe: „Ja, Heer, ik houd van U", of: „Gij weet toch, dat ik Uw vriend ben", dan brengtjezus ook déze getemperde vriendschap in het geding en vraagt: „Zijt gij werkelijk Mijn vriend ?"
Is het wonder, gemeente, dat Simon bedroefd wordt en onder tranen uitroept: „Ja, Heere, Gij weet alle dingen. Gij doorgrondt toch mijn hart, Oij weet, dat ik wezenlijk van U houd".
Die fijne nuanceringen in Jezus'vragen en Petrus' antwoorden zijn moeilijk in het Hollands uit te drukken. Het doet er niet toe. Als wij maar verstaan, waar het om gaat.
Er wordt zo gemakkelijk en vurig gezongen : „Al wat gedaan wordt uit liefde tot Jezus, dat houdt zijn waarde, zal eeuwig bestaan".
Ja, gemeente van Christus, — maar Christus brengt die liefde van Zijn vrienden en liefhebbers in het vuur Zijner reine liefde. En dan verbrandt er heel wat, dat wij voor liefde en vriendschap hielden. Uit liefde tot Jezus trok Simon het zwaard en sloeg op de vijanden in. Maar Jezus wees die liefde af.
Uit liefde tot Jezus zwoer Simon trouw. Maar in die nacht zwoer hij Jezus tot drie malen af en sprak: „Ik mag vervloekt zijn als ik Jezus ken". Is het wonder, dat hij bedroefd wordt, als de Heere nu ook, als verwijzende naar die drievoudige verloochening, voor de derde maal vraagt: „Hebt gij Mij lief?"
Wat heeft zijn betuiging van liefde te betekenen ? Hij heeft immers kort tevoren op het hoogste betuigd en bezworen, dat hij Jezus kent noch mint. Petrus werd bedroefd, diep bedroefd.
En als de Heere vanavond ons vraagt, kennelijk terugwijzend op de 25 jaren die achter liggen, en ook ons bij name noemend, u en mij: „Hebt gij Mij lief ?" ; misschien wel: „Hebt gij Mij liever dan dezen ?", omdat Hij weet, dat wij ons getrouwer dan anderen verbeeld hebben te zijn, wat zal dan ons antwoord zijn ? En als wij dan beschaamd antwoorden; „Ach Heere, niet méér dan anderen, maar lief heb ik U", — en de Hartedoorgronder houdt aan en vraagt wederom: „Is dat wel zo, hadt en hebt gij Mij werkelijk lief ?" — en wij binden dan wat in, maar zeggen: „Ja Heere, er was en is toch wezenlijk eerbied en geloof jegens U in mijn hart" ; — en de Heere houdt nóg aan en vraagt: „Is dat zo, was en is er wezenlijk eerbied en geloof (om van vurige liefde nu maar te zwijgen) jegens Mij in uw hart ? — zullen gij en ik dan niet diep beschaamd en bedroefd moeten worden, gelijk Petrus het werd, meer dan eens.
Reeds uit Kajafas' binnenhof was hij bitterlijk wenend na zijn drievoudige verloochening weggeslopen. En nu weer eindigt de proef in smartelijke beschaming. Hoe harder wij gezongen hebben : „'k Heb Jezus
Hoe harder wij gezongen hebben : „'k Heb Jezus lief", hoe méér wij gejubeld hebben : „Al wat gedaan is uit liefde tot Jezus, ook door mij, dat blijft van waarde", des te dieper zullen wij beschaamd staan, als Jezus Zijn oog op ons blijft richten, en op heel het tijdvak, dat achter ons ligt, en ons Zijn vragen gaat stellen naar hoe het was, en hoe het is, en wat wij deden, in Zijn liefde-gericht.
Ons werk, en ónze liefde, en óns geloof, ze kunnen in dat gericht niet bestaan. Juist omdat Hij ons liefheeft met een liefde, die zelfs een verloochenenden Petrus niet verstoot, met een liefde tot in dood en hel, dddrom brengt Hij ons werk, onze liefde in Zijn gericht, éénmaal en nog eens en weder, ten derden male, tot onze eigenwaan en onze geestelijke hoogmoed breken, en wij ootmoedig belijden : „Zo Gij in 't recht wilt treden, o Heer, en gadeslaan onze ongerechtigheden, ach, wie zal dan bestaan?"
En zuilen wij dan antwoorden : „Ik heb U niei lief"? Daar is Jezus te lief voor, en daar heeft Hij ons te lief voor.
II. Gemeente van Amsterdam, het is er Christus in Zijn vuurproef niet om te doen onze liefde te verbranden, maar ons te louteren.
Daarom, Petrus wordt wel diep-beschaamd en ziels-bedroefd, als Jezus door Zijn driemaal herhaalde vraag hem er aan herinnert, wat zijn liefde en wat zijn woord waard waren.
Maar zal hij dan nu antwoorden : „Neen, Heere Jezus, ik heb U noch bemind, noch liefgehad, noch waarlijk van U gehouden " ? — Dat kan hij niet. Daar is Jezus te lief voor, daar is Zijn Meester te heerlijk voor. —
Petrus mag het er dan zo ellendig afgebracht hebben als hij het er afgebracht heeft, hij moge. in zijn liefde voor Jezus, in zijn geloof, in zijn trouw, in zijn woord en in zijn daad totaal te schande geworden zijn — maar Jezus, Die is waarachtig en getrouw bevonden. Die heeft alles wonderlijk, maar heerlijk gedaan, Diens liefde is aanbiddelijk geduldig en sterk en heilig gebleken. En daarom, Jezus niet liefhebben, zeggen : „Ik heb U niet lief", neen, dat kan niet, dat mag niet. Ik heb Hem lief. Want Hij is lief.
Ja maar. Petrus, uw daden bewijzen toch het tegendeel, en uw v/oorden, zelfs uw eden, hebben .niets te betekenen, het zijn altemaal leugens en verloocheningen ? —
Ja, Heere, Gij hebt gelijk — Gij zijt rein in Uw richten. Gij zijt heilig in Uw spreken — het is bij mij alles verkeerd; en nochtans: „Gij weet alle dingen. Gij weet, dat ik U liefheb". — En de Heere ontkent het niet en verwerpt hem niet. Hebt gij het verstaan : het vuur der beproeving, dat Petrus met al zijn vroomheid verbrandt, drijft hem tot Christus. „U hebt gelijk, al zeg ik duizendmaal, dat ik U liefheb, mijn woord heeft geen waarde. Maar Gij doorgrondt en kent mij — Gij weet alle dingen. Gij weet toch, dat ik U liefheb", En de Heere zegt niet: Neen, Petrus, dat weet Ik niet. Want de Heere weet het wèl. Maar déze liefde van Petrus heeft een andere klemtoon, een andere inhoud, een ander fundament. Hier is het niet meer Petrus' trouwe liefde, die Jezus omvangt en Jezus vasthoudt en zelfs voor Jezus strijdt; hier is het Christus' genade en liefde, die Petrus' hart overweldigt en vasthoudt en in beslag neemt.
O geliefden, het mag dan met uw en mijn liefde tot Jezus nog zo onzuiver, nog zo half, noch zo jammerlijk en ellendig gesteld zijn, als het heilig oog des Heeren het alles onderzoekt; — maar Xezus, het Lam Oods, onze Hogepriester en Koning, Zijn Woord en Zijn werk, Zijn liefde, Zijn geloof. Zijn genade. Zijn geduld, het is alles even heerlijk, even vol, even aanbiddeiijk.
O, Hij kent ons precies, kende ons van uit de hemel der heerlijkheid, vóór Hij op aarde kwam; van eeuwenlange kennismaking kende Hij ons. En wétende, dat wij „vlees" zijn, werd Hij vlees, wezenlijk vlees, zoals wij vlees zijn, dat wil zeggen: niet geestelijk, maar van-Ood-af, den broederen in alles gelijk, verzocht als zij — ja, zonder toe te geven als wij, — nochtans wezenlijk verzocht als wij, opdat Hij medelijden zou kunnen hebben met onze zwakheden in dit van-Ood-af-zijn. Welk een liefde 1 Hij, die eeuwig-Oeest is, werd vlees in ons vlees. Ja, dieper nog daalde Hij in onze ellende. Want Hij kwam niet van buiten af eens kijken, hoe diep wij in de zonde verzonken zijn. Maar „Hij, die geen zonde kende, werd zonde voor ons gemaakt", één en al zonde. En daarom één en al vloek. „Hij is een vloek voor ons geworden". Want waar de heilige God zonde ziet, daar ontbrandt Zijn eeuwige toorn, die de hel uitmaakt. Zo is dan Zijn toorn ontbrand tegen Jezus, die één en al zonde en dus één en al vloek werd, en in die helse vuurgloed het uitschreide : „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten ?"
Welk een liefde van Jezus, gemeente! — Terwijl Hij dat alles voor ons door-lijdt—,zijn wij bezig Hem te verloochenen voor de mensen, méér de gunst van mensen lief te hebben dan Hem ; méér geld en allerlei aards genot lief te hebben dan Hem; méér onszelf lief te hebben en te koesteren, dan Hem.
En voor dezulken draagt Hij de schuld. Aan dezulken schenkt Hij Zijn heiligheid en gerechtigheid, en neemt voor Zich hun schande en zonde. Voor zulken staat Hij op uit de dood en zoekt ze, hoewel ze allen aan Hem geërgerd werden en Hem verloochenden, Hij zoekt ze op en vindt ze en ontdekt hen aan hun ontrouw en liefdeloosheid. — En nochtans rust Hij niet, vóór het er uit komt: „Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb".
Gemeente, welk een heerlijke Heiland ! Welkeen reine liefde ! Welk een geduld en genade ! Voor vijanden gaat Hij in de dood. Voor Zijn moordenaars bidt Hij aan het kruis. Voor zulken als wij zijn — en Hij weet het precies — pleit Hij nu dag en nacht vóór Oods troon.
Daarom, wij mogen het er zo jammerlijk afgebracht hebben èls wij het er afgebracht hebben, 25 jaar lang, ja ons leven lang, nochtans: Jezus fs het waardig bemind te worden. Hij zal geloofd en geprezen zijn. Hij zal ons hart hebben voor eeuwig.
„Wij hebben Hem toch lief, omdat Hij ons het eerst liefgehad heeft".
En wij willen dat samen uitspreken door te zingen Gezang 75 : 3 :
„Och, dat aller mensen tongen,
aller eng'len zang, o Heer,
samenstemden, samen zongen
eeuwig tot Uw lof en eer!
Zonder einde geeft Uw lof,
Jezus, ons de rijkste stof!
Trek tot U ons hart naar boven,
dat w' U eeuwig lieven, loven".
UI. Zulken, wier liefde en geloof in de vuurproef te schande worden, en die tochfezus liefhebben, omdat Hij Jezus is, zulken wil Hij gebruiken om Zijn schapen en lammeren te hoeden en te weiden.
Als Simon Petrus wenende uitroept: „Heere, Qij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb", dan spreekt de Heere: „Weid Mijn schapen". De Grote Herder der schapen, de Goede Herder, die Zijn leven stelde voor Zijn schapen, stuurt dezen slechten, ontrouwen herder Simon niet weg. Hoewel Hij den Opper-Herder verloochend heeft, hoewel hij in de ure des gevaars noch aan den Groten Herder noch aan de schapen en lammeren gedacht heeft, maar alleen maar gepoogd heeft zichzelf te redden, nochtans jaagt de Goede Herder hem niet weg, als een ontrouwen, onbruikbaren knecht.
Tot driemaal toe wordt hem, die driemaal verloochend heeft, de kudde van Jezus toevertrouwd. De eerste keer, toen Petrus zijn grótere liefde, die hij gewaand had te hebben boven anderen, door Jezus had laten vonnissen, had de Heere gesproken: „Weid Mijn lammeren". Want wie zo groot van zijn liefde tot Jezus denkt, kan Jezus' lammerkens niet weiden. Die jaagt ze dood. Maar wie met al zijn gróót geloof en zijn grote liefde een grote leugenaar en verloochenaar en meinedige geworden is, die krijgt Jezus' lammeren te weiden. „Weid Mijn lammeren". Toen kwam echter de liefde van Petrus voor
Toen kwam echter de liefde van Petrus voor Jezus zonder meer in het vuur, en toen Petrus ook daarvan niet meer roemen kon, werden ook de schapen hem toevertrouwd: „Hoed Mijn schapen". En nu hij niets meer overheeft van al zijn vroomheid en waarheids-liefde, nu hij niets meer heeft dan Jezus alleen, nu spreekt de Heere: „Weid Mijn schapen". Weiden is nog wat méér dan hoeden. Want om ze te weiden, moet ik wel ze hoeden en over ze waken, maar ook ze in grazige weiden voeren. Want van „hoeden" alleen kunnen ze niet leven.
De verbrijzelde, verootmoedigde Simon mag èn mensen-visser èn herder van Jezus' kudde zijn, mag Jezus' schaapkens en lammeren hoeden en weiden. Dat geldt niet slechts dien énen apostel, het geldt niet slechts al dien apostelen, het geldt voor alle eeuw en voor ieder aan wien Jezus zielen toevertrouwt op welke wijze ook. Natuurlijk geldt het allereerst den herders en leraars. Maar ook u. Wantaan niemand wordt niemand toevertrouwd. Laat de eenzaamste dat weten uit Gods hart: Gij zijt uws broeders hoeder. Wat aan Petrus geschiedde geldt óns.
Wat aan Petrus geschiedde geldt óns.
Ik verbeeld mij niet een apostel te rijn. Ook i> het met mij niet gegaan door zó diepe en gans bijzondere wegen als met Simon.
Maar twee dingen weet ik, zo goed als Simon. Ten eerste, dat mijn liefde en mijn liefde-arbeid voor Jezus „gewogen, gewogen en te licht bevonden is", geoordeeld in Oods gericht.
En ten tweede weet ik, dat Jezus Christus in Zijn aanbiddelijke genade en liefde mij nochtans geroepen heeft en roept om Zijn lammeren en :schapen te weiden.
En al zou het wezen, dat dit mijn weten en geloven aangevochten werd en betwist door vromen of goddelozen, ja door Ood Zelf, door Jezus Zelf, dan zou ik tenslotte zeggen als Simon Petrus : Heere, Oij weet alle dingen, Gij kent mjjn hart en Uw hart. Oij weet, dat ik het niet waard ben een herder te zijn, en toch hebt Oij mij er toe geroepen.
Zo kan ik U dan nooit tegenvallen. Oij hebt het van tevoren geweten, voor wat voor schepselen Oij in de dood gegaan zijt. Zo kunnen ze U nooit tegenvallen. Oij hebt het geweten, wie de apostelen waren, die Oij verkoort. Zo konden ze U nooit tegenvallen. Zelfs Simon niet, met al zijn verloochening. Oij hebt het ook geweten, toen Oij mij riept. Dan is het ook Uw zaak, als zulkeen herder is over Uw schapen. Het ligt voor Uw rekening!
O gemeente, welk een heerlijkheid is dat, te weten: ik lig voor Jezus' rekening. Hij is mijn Borg. Hij heeft al mijn zonde en schuld, mijn persoonlijke en ambtelijke zonde en schuld, eens voor goed voor Zijn rekening genomen.
Zo is Hij dan, ook als Herder, de Jehovah mijn Oerechtigheid.
Maar bovendien ligt ook de vrucht van mijn herderschap voor Zijn rekening. Wanneer Hij geen engelen, reine engelen, maar zondige, onwaardige mensen, en nog wel bij voorkeur de slechtste er uit, kiest tot zieleherdcrs, dan weet Hij toch wel wat Hij doet ? Petrus en Paulus, die het meeste genade nodig hadden vanwege de grootheid hunner zonde, hebben ook het heerlijkst van genade gepredikt.
Zo zal dan het weiden en hoeden van zulke herders voor u niet zonder vrucht zijn, gemeente. Christus heeft hen zo grondig af-geleerd van hun liefde en van hun geloof en werken te spreken, opdat zij niets zouden over hebben om van te prediken dan van Jezus' liefde en van Jezus'geloof en van Jezus' werk.
Dat is de grazige weide voor Jezus' schapen.
Daarom is dat weiden en hoeden voor zulke zieleherders mogelijk, dadrom alleen.
Als wij de zielen moesten doorgronden en dan voor elke ziel weide vinden, naar zijn aard en behoefte, wat zou er dan van ons weiden en hoeden weinig terecht komen!
Maar Jezus doorgrondt en kent ze allen, hoofd voor hoofd. Hij heeft voor elk het geneesmiddel en de spijze en drank ten eeuwigen leven. Ons weiden en hoeden is : ze tot Christus leiden, van Christus vertellen, ze bij Jezus en Zijn Woord brengen en houden.
Dan zijn ze veilig — en worden gespijsd en gelaafd ten eeuwigen leven.
Vaders en Moeders, weest herders over uw kinderen door ze van het Lam Oods te vertellen, die hun Herder wezen wil, opdat ze in het sterven zingen en prediken mogen: „Veilig in Jezus' armen, veilig aan Jezus' hart. Daar in Zijn teer erbarmen, daar rust mijn ziel van smart". Zo heeft mijn Moeder, die nu bijna 8Q jaar is, met Vader, het mij geleerd. En Ood Zelf heeft het mij geleerd door hen.
Onderwijzers en Onderwijzeressen, weest herders over de lammeren van Jezus' kudde, u toevertrouwd, doordat ge hun de liefde van Christus voor ogen schildert. Hijzelf wil u dat gaarne leren, wanneer gij vreest die kunst niet te verstaan. Heren en Vrouwen, weest herders over uw knechten en maagden en leidt ze in de grazige weiden van Jezus' liefde en genade, in stede van alleen maar uw heerschappij te handhaven. Als gij zelf maar schapen zijt Zijner weide, zal Hij er u wel in oefenen. En gij allen, wie en wat ge ook zijt — Jezus
En gij allen, wie en wat ge ook zijt — Jezus zegt ook tot u: Weidt Mijn schapen, hetzij het uw zondagsschoolkinderen zijn, hetzij uw kameraads op het werk, of uw klant in de winkel. En wanneer er hier zitten, die eenzaam zijn in de wereld, maar Jezus tot vriend hebben—Jezus wil ook u wel gebruiken, al was het op een bank in een park, waar een verdwaalde ziel naast u komt zitten. „Weid Mijn schapen", zegt Jezus ook tot u. Als de Ooede Herder u vond en redde, dan is
Als de Ooede Herder u vond en redde, dan is er ook raad voor andere verdwaalden.
Zoekt het verlorene. Vertelt hun van Jezus. Leidt ze tot Hem, die alleen verlossen kan uit de macht van zonde, satan en dood. „Weid Zijn schapen".
Jezus belooft niet, dat, wie geroepen zijn tot herders over anderen, een gemakkelijk leven zullen hebben. Leest maar het vervolg der geschiedenis, Johannes 21 : 18 en vervolgens.
Maar wèl belooft Hij, dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Oods. „Volg Mij", zegt de Ooede Herder ten slotte. Want niemand kan een herder zijn, die niet zelf een schaap is, dat den Ooeden fierder volgt. „Volg Mij".
Het is mijn verlangen, «tV^ toegesproken te worden in deze ure. Hartelijk dank ik voor alle liefde, die gij ons bewezen hebt in deze 25 jaren en ook in deze dagen. Daar behoeft niets meer van gezegd te worden.
Doch vervult één wens. In deze kerk hebt gij 15 jaren geleden, korte tijd vóór Ood ons kind zo smartelijk van ons wegnemen zou, mij toegezongen : 61
„De Heer zal u steeds gadeslaan, opdat Hij in gevaar,
opdat Hij in gevaar,
uw ziel voor ramp bewaar. De Heer, 't zij g' in of uit moogt gaan,
De Heer, 't zij g' in of uit moogt gaan, en waar g' u heen moogt spoeden,
en waar g' u heen moogt spoeden,
zal eeuwig u behoeden".
(Ps. 121 : 4).
Dit uw gebed heeft de Heere in dat jaar viip beproeving verhoord.
Laten wij datzelfde elkander ook thans voor de verdere levensweg toebidden.
Want Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde Goede Herder en tot in eeuwigheid.
Amen.
•) Prediking, gehouden op Zondag 7 Juli 1935 's avonds in de WESTERKERK te Amsterdam, ter herdenking van de 25-Jarige Ambtsbediening in Amsterdam. Gelezen: Johannes 21 : 1—17. Gezongen: Ps. 65 : 1, 2; Ps. 103 : 1, 2, 11 ; Gez. 75 : 3; Ps. 121 : 4; Ps, 48 : 6.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 april 1956
Kerkblaadje | 8 Pagina's