De rechtvaardiging van de goddeloze, *)
Gemeente van Jezus Christus!
Het liefelijk Evangelie wordt ons verkondigd uit Romeinen 4:5:
„Doch degene die niet werkt, maar geloof t in Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid".
Men zou kunnen vragen : Is het nu zó'n gewichtig f^it, dat Dr Kohibrugge op 2Q Juni 1856 in Nederland voor het eerst in de Hervormde Kerk preekte ? Ja — want toen werd weer het machtig reformatorisch getuigenis in een diep-gezonken Kerk geworpen. Een bewijs, dat de Heere God de Hervormde Kerk, Zijn werk, niet had losgelaten.
Het was een dappere daad van Ds Van Duyl, dat hij zijn kansel afstond. Ook is het een goede zaak, dat de kerkeraad en zijn praeses Ds Corts aan dit optreden van Dr Kohibrugge in de kerk van Vianen, aandacht hebben geschonken en deze herdenking hebben mogelijk gemaakt.
De besfuren-kerk van 1816 heeft met liberale onverdraagzaamheid aan Kohibrugge het lidmaatschap onthouden. Er is wat goed te maken. Niet dat hij dit nodig heeft. Wat de mensen ten kwade hebben gedacht, heeft God ten goede gewend. Maar er is veel goed te maken ten opzichte van de zuivere prediking der bevrijdende Waarheid, door deze rijk-begenadigde en zo zwaar-beproefde prediker gebracht. Hoe smadelijk is deze prediking tegengestaan !
Maar machtig breekt God op Zijn tijd door! „Magna est Veritas, praevalebit" : Groot is de Waarheid, zij zal de overhand hebben.
Welk een stroom van zegen is er uit Kohlbrugge's prediking en schriftverklaringen voortgekomen ! In onze dagen is door allerlei invloeden de stroom enorm verbreed, maar niet verdiept. Het is mode geworden met de naam „Kohibrugge" te coquetteren. Zijn eerste leerlingen hebben de smaad gedragen. Dankbaar mogen wij ook hen gedenken. Deze gedenkdagen houden wij niet om Kohibrugge te verheerlijken. Dat zij verre! Maar terwijl ons gedenken danken wordt, is er een gebed in ons hart, dat het leven-wekkende Woord, zoals hij het mocht brengen, doorbreke in onze Kerk. Dat zal dan de echte, gezegende doorbraak zijn ! De doorbraak van Christus en Zijn genade. De doorstroming van de Heilige Geest in de vallei der dorre doodsbeenderen.
Het inzicht van Kohibrugge, dat de Hervormde Kerk aan de prediking van Romeinen 7 : 14: „De Wet is geestelijk, maar ik ben vleselijk, (komma!) verkocht onder de zonde", — zal het goed worden — niet kèn voorbijgaan, moet ons zwaar wegen. Want dan zullen alle door eigenwillige vroomheid opgerichte scheidsmuren vallen. Dan zullen de zichzelf handhavende partijen, thans verwarrend „modaliteiten" genoemd, worden doorbroken. Dan zullen de blinkende namen, waarmee wij onze eigenwilligheid versieren, verbleken. Dan zal het veelstemmig roepen : „ Wij zijn het!" verstommen. Dan zal de Kerk van Christus haar opdracht vervullen en op velerlei wijze uitroepen : „Hij is het, Christus Jezus, de Heer der Kerk en de Heer der wereld!" Dit dringt tot het ootmoedig gebed : „Veni Creator Spiritus!" — Kom Schepper Geest! — En zal de hemelse Vader hun de Heilige Geest niet geven, die Hem daarom bidden ?
Juist nu de reorganisatie van de Hervormde Kerk tot stand is gekomen en wij een nieuwe kerkorde hebben en de Kerk presbyteriaal leven kan, nu God ons onder tyranniek geweld het wonder d:°'^ beleven, dat de zo üstig-gelegde boei van 1816 werd verbroken — nu dreigt een groot gevaar! Het gevaar — en het is al méér dan een dreiging — dat wij met de nieuwe kerkorde afgoderij gaan bedrijven en ons verlopen in allerlei activiteiten ; dat wij met al ons werken het alvermogende werk van Christus tegenstaan en Hem Zijn werk uit handen trachten te nemen. Maar wat uit het geloof, d. w. z. uit Christus, niet is, dat is zonde. Het moet gaan om de ware reformatie, de volstrekte heerschappij van het Woord. Daarmee staat en valt de Kerk. Zonder het Hoofd kan het lichaam niet leven.
Daarom is de prediking van Dr Kohlbrugge in onze situatie zo actueel. Het is opmerkelijk, hoe dikwijls de Heer der Kerk de Romeinen-brief heeft willen gebruiken om Zijn Kerk te reformeren. Denk aan de gezegende Kerkhervorming. Denk aan Luther's : „Heer, Gij zijt mijn gerechtigheid en ik ben Uw zonde". „Red mij door Uw gerechtigheid". — Denk aan het Réveil, al heeft Kohlbrugge later ook uit die kring veel tegenstand ondervonden. — En was het niet Karl Earth's verklaring van de brief aan de Romeinen, waardoor een geweldige beweging ontstond in de theologische en kerkelijke wereld ?
Ook in Kohlbrugge's bekering heeft de Romeinenbrief een bijzondere plaats. In 1826 heeft God hem aangegrepen door een woord uit Jesaja 54, waarvan het tiende vers luidt: „Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere uw Óntfermer". Toen werd hij bekeerd van zijn idealisme tot de levende God. Maar er bleef van de bekeerde Kohlbrugge nog heel wat overeind staan.
In 1833 werd hij van déze bekering bekeerd, ging al zijn vroomheid eraan tegenover de heilige en genadige God, werd hem Gods gerechtigheid geopenbaard en het heilgeheim van het in Christus te worden gevonden. Als een loflied der genade willen wij het nog eens gaarne horen met zijn eigen woorden: „Ik heb lang volgehouden, om met de wet in mijn hand tot de volmaaktheid te komen, en te strijden tot den bloede toe. Ik zonk er daarbij al dieper in, en waar ik niet dieper kon, maar ver beneden den Duivel verzonken lag, daar, in mijne verlorenheid en radeloosheid is de Heere mij ontmoet en heeft mij gezegd : Zoo als gij zijt, zoo zijt gij Mij heilig ; daar niets af, daar niets toe! Dat was mij onverwacht, ongedacht. Ik zag een Lam ter rechterhand der Heerlijkheid, — en daar heb ik afstand gedaan van de wet, van alle heiligheid, van al mijn welen van goed en k\yaad, van mijn wedergeboren, bekeerd, vroom zijn, van mijn God kennen, God beschouwen, van alle godsvrucht, van alles wat vleesch heeft en geeft en werkt, en nu is mijn eenig heil in de hoogte en in de diepte: Met ons Ood, en dat Hij is, is mijne 138 eeuwige, eeuwige vreugde en vrede en leven, en blijdrchip en Evangelie sn wel en gebod, — al het andere acht ik, gelijk mijzelven, stof en vuil". Dit volle licht is hem opgegaan, toen hij het rechte inzicht kreeg in Romeinen 7 : 14. Toen hij de komma ontdekte tussen „vleselijk" en „verkocht onder de zonde". Dit was voor hem een grote ontdekking: de wedergeboren, de • bekeerde mens is in zichzelf vleselijk, verkocht onder de zonde. Zo is hij de machtige prediker geworden van die God, die de goddeloze rechtvaardigt. Zo roemt hij in vrije genade alleen. Het is buitengewoon belangrijk, dat de Kerk dit bevrijdende Evangelie weer leert verstaan. Dat zal een werkelijke reformatie zijn. Aan dit reformatorisch getuigenis zijn wij niet ontgroeid, maar ontzonken. De Kerk is gereformeerd, maar moet, omdat mensen telkens weer het Evangelie verdonkeren, ook telkens weer gereformeerd worden. Dan komt er niet een nieuwe Kerk, maar de Kerk-opnieuw.
„Werp het Woord er maar in, en gij zult wonderen zien".
Dat het gedaan worde met die helderheid en klaarheid, die mede het geheim van Kohlbrugge's prediking zijn. Hij schipperde niet met de Waarheid en smokkelde niet met de Wet. Zijn Christus-prediking was : Christus alléén en Christus gehéél. Niets daarbij en niets daaraf. Alle verhoudingen — maatschappelijke, politieke, de verhouding van Kerk en Slaat, die tussen de kerken onderling, in hetbijzonder de verhouding ten opzichte van de Roomse kerk — worden hierin betrokken. Naar alle kanten verspreidt het Evangelie, dat
Naar alle kanten verspreidt het Evangelie, dat God de goddeloze rechtvaardigt, licht.
Wij bepalen ons thans tot de uitleg van de tekst. De gemeente van Rome wordt door Paulus opgeroepen om de ware eenheid te beleven. Geen valse eenheid met terzijdeslelling van Christus, maar de eenheid in Christus.
De Joden en de heidenen, die nu tot de gemeente behoren, verketteren elkander. Al kan ik daar vanmorgen niet verder op ingaan, toch wil ik erop wijzen, welke hoogst-belangrijke dingen de Romeinen-brief zegt over de verhouding van Israël, de heidenen en de Kerk.
Voor de prediking van de gerechtigheid van Christus zullen allen moeten vallen. „Er is geen onderscheid. Want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade door de verlossing die in Christus Jezus is" (Rom. 3 : 22—24).
Neen, waarlijk, Paulus schaamt zich het Evangelie van Christus niet. Door dit Evangelie alleen zullen allen, wie het om gerechtigheid te doen is, die oprecht in overeenstemming met de Wet begeren te leven, geholpen worden. Erken Christus of kom om!
In Romeinen 4, ons teksthoofdstuk, wordt ons
dit nader aan het hart gelegd. Het hoogmoedig mensenhart moet overwonnen worden, want dat zal zich tot het uiterste toe blijven verzetten. Een mens droomt zich liever een God, die doet wat de mens behaagt, dan dat hij gelooft in die God, die alles doet naar Zijn welbehagen. Tegen de prediking van de vrije genade en van de gerechtigheid des geloofs alléén, breekt altijd verzet en vijandschap los. Dr Kohlbrugge heeft het op ontstellende wijze in zijn eigen leven ondervonden. Daarom breken alle machten der hel tegen dit getuigenis los, omdat God hierdoor waarlijk verheerlijkt wordt. Paulus zelf is midden in dit verzet en deze vijandschap neergeslagen. Hij kende niet alleen de ongerechtigheid, maar ook de eigen-gerechtigheid, en was een bittere bestrijder van de Borg-gerechtigheid van Christus Jezus. Maar hij, de gegrepene door Jezus Christus, wil alles doen, opdat ook anderen mogen delen in het heil, aan de gemeente toegebracht.
Met twee klemmende voorbeelden maakt Paulus duidelijk, dat er geen andere weg is dan de weg van geloof en waarachtige bekering tot Christus. Hij noemt twee getuigen, die bij de Joden in zeer bijzonder aanzien stonden en nog staan : Abraham en David. Hij begint met degenen, die zijn brief lezen, als het ware een gesprek. Hij gaat de tegensprekers niet voorbij. Hij begint niet met te zeggen: O die horen niet bij ons, of: Ze zijn niet van de onzen, gelijk men in Nederland zo vaak hoort; maar de liefde van Christus dringt hem om de moeilijkheden door te spreken.
Met nadruk wil ik zeggen, dat wij dit ook thans in onze Kerk nodig hebben. Wij moeten elkander niet voorbijlopen in hoogmoed, en elkander verdoemen en verachten. Wij moeten met elkander praten, zoals Paulus doet, maar dan rondom de open Bijbel, en voor elkander bidden. AI spreekt men in onze dagen van „modaliteiten", wij leven nog in precies dezelfde blokvorming als vroeger. Vanuit onze standpunten bestrijden wij elkander; uit onze loopgraven schieten we elkander neer. Wij moeten elkander leren verstaan door op de plaats van de ander te gaan staan. Wij moeten ons op één hoop geworpen weten. Wij moeten ons niet verheffen op onze vroomheid, op ons bekeerd-zijn', gelijk de Joden zich beroemden op hun besnijdenis en hun uitverkoren-zijn. Paulus noemt die besnijdenis de versnijdenis. Wat worden ook in onze dagen mooie namen en partijleuzen aangeheven, terwijl het voor God niets is ! Naar mijn mening zal de prediking van de rechtvaardiging van de goddeloze, gelijk deze ook door Dr Kohlbrugge zo klaar werd verkondigd, door alle partij- en groepsvorming heenbreken. Niet door te roepen : „ Wij zijn het", wordt de ware Kerk gediend, maar door het getuigenis: „Hij is het, Jezus Christus!".
De plaats, die Abraham en David in de heilsgeschiedenis innemen, wordt telkens misverstaan. Abraham is immers de vader der gelovigen. Naar veler oordeel staat Abraham dus op een hoog voetstuk, veel dichter bij God dan een gewoon mens.
Hoe anders is de werkelijkheid ! Abraham wordt de vader der gelovigen genoemd, omdat het bij hem toeging zoals het bij alle ware gelovigen toegaat. Op de momenten waarop zijn geloof moest schitteren, zonk hij helemaal weg, maar schitterde alleen de trouwe genade van God, die doorzette en hem vasthield. Die Hij mint, die mint Hij eeuwig ; die Hij grijpt, die houdt Hij vast! Een paar grepen uit zijn geschiedenis. O zeker, het gaat prachtig, als hij gehoor geeft aan Gods roepstem om te gaan naar de plaats, die God hem wijzen zal. „Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest om uit te gaan naar de plaats die hij tot een erfdeel ontvangen zou ; en hij is uitgegaan, niet wetende waar hij komen zou" (Hebr. 11:8). Wij zouden zeggen : Daar is nu alles wat er wezen moet, daar is de roepende God, de horende en gehoorzamende, dus de gelovige mens, die zijn hele lot en leven in Gods handen legt. En het gaat van altaar tot altaar. Hij roept de Naam des Heeren aan over dat land, waarin hij binnentrok, ver de grenzen over. Hij waagt het met zijn God. Maar dan komt er hongersnood; dan is het alsof God hem in de steek laat. Dan raakt hij met God in de war. Een mens moet toch eten, en als Oocl hem niet helpt, dan moet hij zichzelf helpen. Daarom trekt hij het land uit, waarheen God hem juist geroepen heeft om zijn God te zijn. Dan trekt hij naar Egypte, waar immers brood is, en dan moet Sara maar zeggen, dat zij zijn zuster is. Hij wordt verstrikt in allerlei overleggingen en leugens. Want het zou ook zó kunnen lopen, dat de Farao van Egypte hem zou doden en Sara zou laten leven. Maar als het bedrog ontdekt wordt, wordt Abraham als een ongewenste vreemdeling over de grens gezet. En hij, die eigenlijk zijn vrouw had verkocht, neemt al het verkregene nog mee. De vader der gelovigen blijkt niet anders te zijn dan vleselijk, verkocht onder de zonde. Maar op de weg terug komt hij bij het altaar, dat hij daar vroeger heeft gebouwd. En daar laat God hem maar niet zo voorbij gaan. Daar ligt hij aanstonds in het stof en roept hij weer de Naam des Heeren aan. Daar is God weer God en alléén God. Daar beleeft hij de trionrf der genade.
En dan later, als hij weer twijfelt, dat God niet doet wat Hij belooft, wanneer de zoon, die God hem beloofd heeft, niet wordt geboren, dan zal hij God een handje helpen en zal Eliëzer (prachtige naam!) de erfgenaam zijn. Maar de trouwe hand van God laat hem niet los, al zou Abraham God loslaten. God leidt Abraham naar buiten onder Zijn wijde hemel, waar de sterren flonkeren, en overweldigt hem met de belofte: „Zó zal uw zaad zijn". „En Abraham geloofde in de Heere, en Hij rekende het hem tot gerechtigheid"
(Oen, 15 : 6). Neen, waarlijk, de Joden en ook V. ;j ':-i-n^.i :.::* zs^a^^^', tls* Abr^katü, onic vad^r verkregen heeft naar het vlees. Toen hij daar stond als een goddeloze, zelfs als een nietgelovende, heeft God hem overweldigd, ja helemaal in beslag genomen door de belofte. Zo zag God hem in die Ene, in die Zoon, in Wie God een welbehagen heeft. En in die Ene stond die goddeloze Abraham rechtvaardig voor God. Zo verstaan wij : „En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid". Met een verslagen hart kon Abraham alleen roemen in God. Met al zijn willen en werken kwam Abraham er buiten te liggen. Onverdiende zaligheên heeft hij van zijn God genoten; hij kon roemen in vrije gunst alleen.
Wij mogen nog méér leren uit de heilsgeschiedenis van Abraham.
Nog kan hij niet vasthouden, dat God waarlijk God is, en dat God doet naardat Hij belooft. Weer komt Abraham, en ook Sara zijn vrouw, in zware aanvechting. Want de beloofde zoon kan menselijkerwijze niet meer geboren worden. En dan maken ze een plan, dat Hagar, de dienstmaagd, de moeder zal worden van het beloofde kind; en inderdaad wordt er een kind geboren: Ismaël, het kind van de dienstmaagd. Maar God zal op Zijn tijd geven het kind van de vrije, het kind van de belofte. „Dit zijn dingen", zegt Paulus in de brief aan de Galatiërs (welke wij naast de Romeinen-brief moeten lezen), „die een andere betekenis hebben". Dit zijn de twee verbonden : knechtschap of kindschap. God wil geen knechten, die voor loon werken, maar kinderen, die leven uit Zijn liefde. En daarom : „Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met de zoon der vrije". En toch is Abraham de vader der gelovigen, omdat hij door God wordt vastgehouden ten einde toe. Diepe wegen gaat God met Zijn kinderen, opdat het blijke, dat Hij waarlijk God is. Zo is daar de weg van Abraham naar de berg, die God hem wijst, om daar te offeren zijn enige zoon, die hij liefheeft. Zo wil God het. En Abraham gaat en gelooft tenslotte tegen alle zichtbare dingen in. Hij gelooft een samenterugkeren ; God is machtig het kind uit de doden terug te geven. En als de kleine Izaak vraagt, terwijl zij de zware weg gaan : „Vader, ik zie wel het vuur en het hout, maar waar is het lam ten brandoffer ?", dan zegt deze vader in al zijn nood: „God zal Zichzelf een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon". En wanneer Abraham boven op de berg wat stenen bij elkaar schikt fot een altaar en zijn kind spelenderwijze erop legt, en zijn hand bevend tast naar het mes om zijn kind te doden en ten brandoffer te offeren, dan is er de stem van God, van de Engel des Heeren : „Strek uw hand niet uit naar de jongeling en doe hem niets". En als Abraham dan zijn ogen opheft, is er een ram in de struiken verward met zijn hoornen. God heeft
Zichzelf een brandoffer voorzien. God wil het kind van Abraham niel hsbbsr, cr-dat Mij Zijn eigen Kind, Zijn Zoon zou geven, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. — Zó wordt Gods werk van genade aan Abraham beproefd en wordt de duivel verslagen.
Met David ging het niet anders; met David, de zanger en de koning naar Gods hart, van wie ons in bijbels realisme ontstellende dingen worden gezegd. Ook David blijkt vleselijk te zijn, verkocht onder de zonde. Maar David mag zingen van de vrijspraak der genade. „Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven en welker zonden bedekt zijn. Zalig is de man, welke de Heere de zonde niet toerekent". Dit leert hij in een weg van verootmoediging en berouw. Het zondigt waarlijk niet goedkoop.
Prachtige illustraties van onze tekst! Nu moeten wij het maar goed verstaan: degene die niet werkt, die met al zijn werken te schande is geworden, ook met zijn z.g.n. goede werken; degene die ontdekt is aan zichzelf en die weet, dat de Wet op geestelijke wijze, op een Godewelgevallige wijze volbracht moet worden, — wordt geborgen in een andere gerechtigheid. Hier wordt gesproken van een mens, die het oordeel van God moet aanvaarden; die weet dat hij niet alleen zonden doet maar zondig is; die weet dat hij de heerlijkheid, de glans van God mist; die weet dat hij uit het beeld Gods is uitgevallen ; die weet dat hij geen aanknopingspunten heeft, welke God tot ontwikkeling brengt. Een mens, die weet dat hij een kind des toorns is, en dat zijn hart is als een fontein waar telkens alle kwaad uit opwelt. Een mens, die weet dat vlees het omgekeerde is van wat de Bijbel geest noemt, en dat vlees nooit geest wordt. Die weet dat hij van nature geneigd is God en zijn naaste te haten en Gods geboden met gedachten, woorden en werken te overtreden. Een uitgedrevene uit het paradijs; een mens, die weet dat de bezoldiging der zonde de dood is, en dat het vreselijk is te vallen in de handen van de levende God. Een mens, die niet werkt, onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Om het met woorden van Dr Kohlbrugge te zeggen, die daarin een bijbels getuigenis weergeeft: een mens, die blijft liggen waar God hem geworpen heeft, en met helpende genade niet geholpen kan worden of met z.g.n. ingegoten genade niet op de been kan blijven.
Nu komt de tegenstelling: „de mens die niet werkt, maar gelooft". Hoe arglistig is de mens, dat hij waarlijk het geloof nog weer opvat als een Gode-welgevallig werk, alsof het geloof in bijbelse zin goede werken vervangen kan! De geschiedenis der Kerk kan ons leren, hoe taai deze misvatting is; naar de'mens gesproken onuitroeibaar. In de meest subtiele vorm komt telkens de werkheiligheid, waardoor de rechte verhouding tot God wordt verbroken, het hoofd opsteken. Dit is daarom zo grote zonde, omdat dan het geloof onze Christus wordt, onze Zalig- OIUU^., S.U. ,.lj ^,. ^.^^ j , ' . ./.J.-V. U^ ...J ^.» het werk van God tegenstaan. Laat ons van de vader der gelovigen en van David leren, dat dit eigenwillige geloof ons in de critieksle ogenblikken van ons leven in de steek Iaat. Dat zal ons nu duidelijk moeten zijn of duidelijk moeten worden : geloof is niet ons werk, maar staat daar lijnrecht tegenover. „Die niet werkt, maar gelooft". Onze tekst is helder als glas om ons duidelijk te maken, wat eigenlijk geloven is. In bijbelse zin kan alleen geloof genoemd worden, zoals het hier staat: geloof in Hem die de goddeloze rechtvaardigt. Het geloof weet niet allerlei van God ; het geloof is ook niet een voor-waar-houden van z.g.n. geloofswaarheden, waardoor het Evangelie hopeloos wordt verzakelijkt. Het geloof is de wondere binding van God uit met God.
Zonde is: het los-zijn van God, geloof is: met God verbonden zijn en wel met die God die de goddeloze rechtvaardigt. Wij hebben van God en de goddelijke dingen geen verstand. Wij kennen God alleen voorzover en zoals Hij Zich aan de zondaar openbaart. De God die de goddeloze rechtvaardigt, is de Vader van onze Heere Jezus Christus. De Vader die Zijn Zoon heeft gegeven in de kribbe. Het Woord is vlees geworden. Dr Kohlbrugge heeft niet nagelaten ons door de Bijbel te laten zien, hoe diep de Zoon in het vlees betrokken is. Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond. Hij is geworden uit een vrouw, geworden onder de Wet, opdat Hij degenen die onder de Wet waren, verlossen zou. Hij, de Zoon Gods, het eeuwige Woord waardoor alle dingen geschapen zijn, is zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. De Wet die op
Hem doelde, is ook door Hem vervuld, gelijk het oordeel over de verbroken Wet door Hem is gedragen. Dit leert ons de héle Bijbel. Oók het eerste gedeelte, ten onrechte „het Oude Testament" genoemd. Want ook daarin wordt ons de openbaring gegeven van het nieuwe verbond, het verbond der genade, waarvan Christus de Middelaar is. In de tabernakel- en later in de tempeldienst, is de bediening van de verzoening en de vergeving, de verlossing en de verheerlijking van God. Daarom dat smachten om op te gaan naar Gods altaren. „Hoe branden mijn genegenheên om 's Heeren voorhof in te treên!" In het voorhof was het brandofferaltaar, dat dag en nacht brandde. Daarom tekent de Heere Jezus ons de tollenaar uit de gelijkenis, gaande naar Je tempel om daar te bidden, want alleen daar
waar het offer was op het altaar, kon hij zijn ïchuld kwijt en kon hij bidden : Wees weer verzoend met mij. Ood de Vader heeft Zijn Zoon niet alleen ge om het weg te dragen in onze plaats. Hij is onze djói iüi-cgii":' cm het leven en de on'.»:rderfelijkheid aan het licht te brengen. Zijn weg was de weg van geloof. Daarom spreekt de Bijbel van het geloof van Jezus Christus. Het is een verzwakking, wanneer dit zonder meer wordt weergegeven met het geloof in Jezus Christus. Jezus Christus, die Zich van alle heerlijkheid heeft ontdaan, heeft in de plaats van de mens, die God heeft losgelaten, aan Zijn God vastgehouden. Hij heeft in God geloofd, in de diepste nood en verlatenheid aan het kruis heeft Hij nog Zijn geloof beleden in het „Mijn God, Mijn God". Hij is de overste Leidsman en Voleinder van het geloof. Hij was steeds in de dingen Zijns Vaders. Voor ons en in onze plaats heeft Hij geleden om ons oordeel weg te dragen. Hij heeft de gerechtigheid verworven waarvan God zeide : Het is goed. En zoals God de mens in de eerste schepping heeft ingezet, opdat die mens zijn Schepper en Maker zou loven en prijzen, zo zet Ood een in zichzelf verloren mens, dood in zonden en misdaden, die niet werken kan, in het volbrachte werk van Christus in. En als de enige troost in leven en sterven hoort de verslagene van hart uit Jezus' mond: Het is volbracht. Zo heeft de Middelaar Gods en der mensen, de Middelaar der verzoening door voldoening, aan het recht Gods voldaan, de gerechtigheid verworven, welke Abraham en David werd toegerekend, en welke toegerekend wordt aan allen, die met alle eigengerechtigheid te schande zijn geworden en hun vertrouwen alleen op Gods genade leren stellen.
Nu moeten wij nog eens goed opletten, dat er niet staat: die gelooft in de rechtvaardiging door het geloof alleen. Dat is juist de verzakelijking waartegen gewaarschuwd moet worden : dat ons geloof alleen is het geloof in bepaalde leerstellingen. Onze tekst spreekt van het geloof in Hem, de levende God, die de goddeloze rechtvaardigt. Ook Psalm 84 spreekt van een roepen tot de levende God. Wij hebben dikwijls een dode God, die wij hebben ingeperkt in onze schema's, die eigenlijk ook niets meer doen kan. Hoevelen zijn er, die alleen maar hopen iets te weten te komen van Zijn verborgen besluit, of zij wel verkoren zijn ! Zij zouden graag willen geloven in hun uitverkiezing. Op de vraag : Wie is een uitverkorene? antwoordt Kohlbrugge: De tollenaar uit de gelijkenis, want die stond van verre. Veel ware hierover te zeggen, maar we willen nu alleen nog eens met nadruk herhalen, dat het gaat om de binding met de levende God, de Vader van onze Heere Jezus Christus, die door Zijn Woord ons zó toespreekt, dat wij Hem gelijk moeten geven, ja dat wij, die altijd „neen" zeggen tegenover Hem, al is het met een schreeuw in onze ziel „ja" leren zeggen. Of om het weer iz gcvsn met het Hebreeuwse woord, dat samenhangt met geloven: amen zeggen.
Dit amen geeft Ood eer,
dit amen vraagt niet meer:
Zou Ood mijn bede schenken ?
Dit amen stelt gewis,
dat Hij, die d' Amen is.
Zijn waarheid nooit zal krenken.
(Oez. 198 : 4).
En nu nog een laatste accent. Er staat: „wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid".
Geloven is: in Christus gevonden worden, zich aan Ijiem restloos overgeven. Geloven is : God voor waarachtig houden, wanneer Hij ons in Christus de zonde vergeeft en ons de gerechtigheid van Christus toerekent. Geloven, dat God ons in Christus aanziet als nieuwe mensen, terwijl wij onszelf leren kennen als de oude mens. Welk een heerlijk licht werpt dit op geloofswaarheden, waar wij buiten het Woord Gods om, mee in de war raken! Zó alleen kan worden verstaan wat uitverkiezing, wedergeboorte en bekering is. Deze kunnen er niet zijn zonder het geloof in Christus. In Hem alleen ben ik de nieuwe mens. Zo kon Kohlbrugge, toen hem gevraagd werd: Waar zijt ge wedergeboren ? antwoorden : Op Golgotha! God heeft het werk van Christus goed gevonden. Die op het altaar van het kruis is gestorven en uit de doden is opgewekt.
Al het zaligmakende, werkelijk gelukkig-makende werk wordt ons toegesproken door het Woord. Het Woord roept de dingen, die niet zijn alsof zij waren. Het geschreven Woord mag nooit losgemaakt worden van Christus. Buiten Christus zou de Bijbel een dood woord zijn. Hierin werkt het wondere werk van de Heilige Geest, waardoor de Vader en de Zoon worden verheerlijkt; de Heilige Geest die uitgaat van de Vader en, o heerlijk Evangelie, ook van de Zoon.
Het geloof wordt gerekend tot rechtvaardigheid, wondere toerekening van God. God, die de goddeloze rechtvaardigt! De Rechter, die veroordelen moet en vrijspreekt rfis de Redder! God Zelf heeft de enige weg gebaand. Al onze wegen zijn dwaalwegen Ja, welgelukzalig, wie God de zonden niet toerekent. Christus is ons van God geschonken tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en tot een volkomen verlossing. Daarom hebben wij nodig Christus alléén en Christus gehéél. Daarom moet Hij verkondigd worden. Het moet ons duidelijk worden aangezegd, dat buiten Hem geen heil is te verwachten. „De bezoldiging van de zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven door Jezus Christus onze Heere". „Het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods". Alles wordt ons toegesproken, verkondigd.
Tenslotte nog iets over de verkondiging. Het Evangelie wordt ons toegesproken. God wil daar mensen voor gebruiken. Ood heeft op een bijzondere wijze Dr Kohlbrugge tot een getrouwe getuige gesteld van de rechtvaardiging van de goddeloze. Maar juist de verkondiging door mensen geeft moeilijkheden. Dat doet mij denken aan de boodschap die ons in de oorlog telkens door de Oranjezender werd gebracht. Met welk een gretigheid hebben wij geluisterd naar de boodschappen en berichten die tot ons kwamen. Deze uitzendingen werden gestoord. Maar de boodschap was goed. Wat hebben we ons verheugd in de komende bevrijding, toen de inval in Normandië door de zender kwam ! En terwijl daar werd gewonnen, hebben wij nog de bange tijd moeten doormaken van de winter van 1Q44 en van het voorjaar van 1945. Het is een beeld van het geloof. De slag tegen de zonde, de duivel en ons eigen vlees is door Christus gewonnen, maar wij zitten nog steeds in pijn en nood. Wij zijn in hope zalig. Leven in geloof is leven op de belofte van de trouwe God. Daarom ook geeft God ons door de Sacramenten de beloften van het Evangelie beter te verstaan en verzegelt Hij deze. En juist deze overwinningsberichten tracht de vijand te storen. De uitzending is slecht, de ontvangst is slecht — maar de boodschap is goed.
Ik eindig met u in de geest te roepen naar de heuvel Golgotha, waar drie kruisen staan:Jezus temidden der moordenaren. Eerst zijn beiden spotters, maar één spotter wordt een bidder. Ja> de wind blaast waarheen hij wil; zó is het met een iegelijk, die uit de Geest Gods geboren wordt. Deze bidder vraagt zo weinig : „Gedenk mijner!", maar wat ontvangt hij veel! De belofte: „Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn". Dan is hij er. Immers Christus Zelf belooft het. Maar deze begenadigde zondaar blijft hangen aan het kruis, gelijk de spotter. Welk een aanvechting zal hij hebben doorstaan, wanneer de duisternis daalt en hij zijn Koning hoort klagen: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten ?" Waar moet hij dan blijven ? Maar hij wordt vastgehouden. „Het is volbracht". Hij zal niet verlaten worden, ook niet als hij aanstonds met verbrijzelde benen nog wordt weggeworpen in het dal van de zoon van Hinnom op de mestvaalt van Jerusalem. Wat hij heeft, dat heeft hij in geloof, dat heeft hij in de belofte, en in Christus zijn al Gods beloften ja. Waar God ook „neen" zegt in ons leven, in ChrTstus zegt God „ja". En in Christus is tegelijk het amen van het geloof. Dit is de spanning van het geloof: er te zijn en er niet te zijn, het te hebben en het niet te hebben, 't Is alles in Christus. Niets uit ons en 't al uit Hem, zo kom ik in Jerusalem. Welk een troost in leven en sterven, zo'n volkomen Zaligmaker! Mogen wij samen met het reformatorisch getuigenis van onze Heidelbergse Catechismus meebelijden en antwoord geven op de vraag: „Hoe zijt gij rechtvaardig voor Ood ?" — „Alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus; alzo dat, al is het dat mij mijn geweten aanklaagt, dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds lot 5"e s-i'-h-'c? ~""':!^''^ bsn, noch*.?.n£ God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik ook al de gehoorzaamheid voltjracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zoverre ik zulk een weldaad met een gelovig hart aanneem" (Vr. en Antw. 60).
Laat Hem besturen, waken,
't is vvijcheid wat Hij doet!
Zo zal Hij alles maken,
dat g' u verwond'ren moet,
als Hij, die alle macht heeft,
met wonderbaar beleid
geheel het werk volbracht heeft,
waarom gij thans nog [schreit.
(Oez. 180 : 7).
AMEN.
*) Preek, gehouden in de herdenkingsdienst te Vianen op 1 Juli 1956, voorm. 10 uur. Gelezen: Wet des Heeren, waarna Rom. 8 : 31—34. Jesaja 54 : 7—10; Rom. 7 : 13—26; Rom. 4 : 1—12. Gezongen: Ps. 84 : 1, 6; Ps. 77 : 6, 7; Gez. 178 : 4; Qez. 96 : 1, 4.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 augustus 1956
Kerkblaadje | 8 Pagina's