De namen van Davids helden,
Herdenking van het beleg en ontzet der stad Leiden, in de Pieterskerk op 3 October 1947.
2 Samuel 23 : 8 „Dit zijn de namen der helden, die David gehad heeft".
„Het was een seer ongehavent, gehackt ende gekurven afgrijselijk volk, sommigen aan armen, sommigen aan benen verminkt, als sijnde meer aan diergelijken dans geweest".
Zo beschrijft ons een Rotterdams dagboek de 800 Zeeuwse mannen, die met admiraal Louis van Boisot in de schepen gingen om over het verdronken land heen het belegerde Leiden te gaan ontzetten.
Als we over helden spreken, dan hebben we het niet over aantrekkelijke mensen. Het volk der helden is altijd een ruig en hard volk geweest. Ze gingen in de schepen, ze voeren en ze vochten, ze deelden brood en haring uit, maar ze vroegen niet om dank en wilden niet geprezen worden.
Ze waren niet aantrekkelijk zoals ze daar voeren in de schuiten, of zoals ze in Leiden stonden op de wallen, vermagerd en afgemat door een leven tussen hoop en vrees; maar ook: was de strijd die ze streden altijd een edele strijd, was hun hartstocht een zuivere hartstocht, waren ze overtuigd, zich te geven voor een vrij en onafhankelijk volksbestaan ?
Ook in dit opzicht zouden de helden van Leiden ons kunnen tegenvallen. Bij xcVca, zeer velen van hen, was het meer de harde wraaklust die hen dreef, de begeerte, eindelijk aan koning Filips en zijn wrede iyrannen het eens betaald te zetten.
Daarom is de manier waarop ze streden, niet altijd te bewonderen. Dat men krijgsgevangenen meedogenloos vermoordde, dat één van Boisot's matrozen bij een gevecht op de landscheiding van Rijnland een zieltogende Spanjaard het hart uit het lichaam scheurde, dat zijn dingen die we bij strijders voor de vrijheid liever niet hadd?n gezien. Neen, niet altijd is het volk der helden een aan
Neen, niet altijd is het volk der helden een aantrekkelijk volk, en toch hebben we heden Ie gedenken, dat door zulke mensen die zulke daden deden, ons land tot vrijheid kwam en dat deze helden in de kracht Oods bet benauwde I eiden hebben bevrijd.
Maar er is nog iels waarop we wel zeer in 't bijzonder moeten letten, als we de geschiedenis van Leiden's ontzet opnieuw willen verstaan. Het getal van de helden is altijd geweest, en is ook in Leiden en Holland van 1574 geweest: een klein getal. Het is al vele malen gezegd, maar het moet
Het is al vele malen gezegd, maar het moet vandaag opnieuw gezegd worden: de heldhaftigheid van Leiden is «/^^geweest de heldhaftigheid van alle Leidenaren. „Er waren er (in Leiden), die blaakten van geloofsijver en vrijheidszin, en die met den Prins wilden leven en sterven. Maar er waren er ook, die voor het sterven terugdeinsden, die van het leven gaarne wat genoten, die den Prins wel wilden volgen, mits het zonder al te groote opoffering kon geschieden ; er waren er eindelijk, die tamelijk onverschillig, wel voorkeur gaven aan den nieuwen staat van zaken, maar zich in den vroegeren locïj ook wel konden schikken, en die dus geen sterken drang behoefden om van den Prins tot den koning terug te keeren". (Fruin, blz. 38) En er waren tenslotte de glippers en verraders, die het openlijk of in 't geheim met de vijand hielden.
Is dat alles eigenlijk zo vreemd ? Het was immers in Leiden gegaan als in vele steden van Holland: Leiden was een stad, die wel verandering van regering begeerde, maar met een vreesachtige magistraat, die in 1566 uit vrees voor de beeldenstormers, zelf de beelden uit de kerken liet halen om de orde te bewaren; die duizend verontschuldigingen liet maken bij landvoogdes Margaretha, opdat het kwaad Leiden maar niet zou worden aangerekend; die pas in 1572, na hevige aandrang van teruggekeerde bannelingen, ertoe durfde overgaan, de geuzen binnen de poorten te laten en zich voor de Prins te verklaren.
De hopman Jan Eilof kwam 26 juni 1572 in Leiden met een vendel voetknechten en zo werd Leiden voor de Prins gewonnen. Leiden was niet de eerste, maar één van de laatste steden die durfden meedoen met de opstand tegen Spanje. Is het dan niet te verstaan, dat de stad zich maar zeer ten dele bewust was in welke onderneming zij zich begaf en welke prijs er voor deze verandering wel eens betaald zou moeten worden ? Men was blij, dat men van de Spaanse soldaten en van de tiende penning bevrijd was, en dat de oude stadsrechten weer in ere hersteld waren. Dat vele andere Hollandse steden evenzo hadden gedaan, was een moedgevende gedachte. Maar hoe weinig overtuigd, hoe weinig beslist schijnt deze keus te zijn gedaan,
ja, zelfs na de korte ongerustheid van het eerste beleg, was men niet algemeen overtuigd, dat het een strijd op leven en dood zou zijn, en dat de beslissing vóór of tegen de vrijheid en de Prins door ieder genomen zou moeten worden.
Doch toen de benauwenis kwam, tóen scheidden zich de geesten ; tóen bleek, wie tot het offer bereid was, en wie niet.
Het bleek in de stadsregering, bij de pogingen om te onderhandelen over overgave van de stad (met Valdez, de belegeraar, en de graaf De la Roche, de stadhouder van Holland namens koning Filips); het bleek bij de burgerij, die zich door de Spaansgezinde burgers liet bepraten, zodat Dirk van Bronckhorst op de Breestraat een galg moest laten oprichten, waaraan ieder gehangen zou worden, die van overgave aan de vijand durfde reppen.
Toen bleek, wie de helden waren, en wie die vele anderen die van het leven gaarne wat wilden genieten. Toen bleek, wat altijd weer gebleken is : dat het getal van de werkelijke helden een klein, een zéér klein getal is en dat het velen, zeer velen aan die volharding en beslistheid, die de grote zaak waard is, heeft ontbroken.
En toch, ondanks al deze dingen die we zeker niet voorbij willen zien, toch heeft de stad Leiden ontvangen de eer van haar standvastigheid en volhardend geduld, de eer dat ze de bittere beproeving van de hongersnood en de vrees dat de vijand zijn doel ten leste toch bereiken zou, haeft verdragen ; toch heeft Leiden haar hogeschool gekregen, als beloning van haar moed bij het beleg getoond. Toch is ons volk geprezen als het volk van het
Toch is ons volk geprezen als het volk van het verzet, van de strijd om de vrijheid en om de ware religie als voorwaarde voor die ware burgerlijke vrijheid.
Ons volk en onze stad Leiden is toegerekend wat in werkelijkheid toekwam aan dat kleine getal, dat de zaak van dit ons volk heeft voorgestaan beter dan het volk zelf zich dat bewust was, ja, beter dan de helden het zichzelf bewust waren in hun verbeten weerstand tegen een ondragelijke tyrannie.
Het getal van de helden is een klein getal. Dat is ook de taal van het bijbelgedeelte waaruit de tekst gelezen is. Aan het eind van zijn regering gaan de herinneringen van koning David terug naar het verleden. Nu is hij koning van een sterk rijk, nu heeft hij vele vrienden, nu telt hij in zijn volk 1.300.000 mannen die het zwaard trekken, die het \ooï\itmo^r\&m&n, nu hetgoedgaat. Maar hij gedenkt, dat hij dit alles, voorzover het aan mensen gelegen was, te danken heeft aan een klein getal van ruwe mannen, die hem trouw waren in de barre dagen van vernedering en miskenning, toen hij zwierf op de bergen van Juda, achtervolgd door koning Saul, of toen velen, zeer velen, het hielden met zijn opstandige zoon Absalom. Toen was het de tijd, dat de helden hun daden hebben verricht, en al was er ook op die daden heel wat aan te merken, David erkent, dat in hun harde soldatendaden de kiem van zijn koninkrijk verborgen was. Deze mannen kent hij één voor één, en hun
Deze mannen kent hij één voor één, en hun heldendaden worden stuk voor stuk nog eens voor ons uitgemeten. In hen ziet de oude koning de verpersoonlijking van zijn ganse volk; het is alsof hij even wil vergeten dat er ook zovele anderen zijn, die liever wat van het leven genieten willen, en die het wèt best vinden, dat David met zijn helden hun daar de kans voor geboden heeft.
Als de koning aan zijn roeping, zijn goddelijke zalving tot vorst over dit uitverkoren volk denkt, dan denkt hij daarbij aan deze mannen, door wie zijn troon en kroon naar Qods leiding is gevestigd.
Zó willen wij nu denken aan die onversaagden, die binnen en buiten Leiden voor de zaak der waarheid en der vrijheid hebben gestreden, of smaad en honger hebben verdragen. Uit de eerste tijd van het beleg denken we aan hopman Andries Allertsz. In de nacht van 25—26 mei 1574, toen de Spanjaarden onverwacht verschenen en de schans Leiderdorp genomen hadden, trok hij er met dertig man op uit „meenende den vijant, aleer hij hem vast ghemaeckt hadde, enighe afbreuk en schade te doen". Maar hij liet er het leven bij, als eerste martelaar voor Leidens zaak.
We gedenken Mees Havickz., kapitein der schutterij. Op 29 juni deed men vanuit de stad een uitval naar de schans van Boschhuizen, dicht onder de wallen van Leiden aan de tegenwoordige Haagweg gelegen. Hij met zijn mannen heeft de schans genomen en in brand gestoken, maar later moest men het tegen de overmacht weer opgeven. Mees Havicksz. werd, dodelijk gewond door een musketschot, de stad binnengedragen. Van hem schijnt hel woord te zijn, later door de Leidenaars herhaaldelijk hun vijanden toegeroepen: „dat ze liever hun linkerarm zouden opeten om met hun rechter te strijden, dan de stad prijs te geven aan den koning van Spanje".
We willen ook de dappere jongen Leeuwken niet vergeten, die zo herhaaldelijk, ondanks zijn 16 jaren, de Spanjaarden afbreuk deed door zijn stoutmoedige pionierstochten. De vijand greep hem en na afschuwelijke martelingen werd hij in de schans Ter Wadding ter dood gebracht.
Na de tijd van uitvallen en schermutselingen komt voor Leiden de tijd van afwachten, van geduid en volharding, van toenemende honger, ziekte en ellende. Dan toont Leiden ons het heldendom der trouw, der standvastigheid voor de zaak van vrijheid en recht, ook als het erom gaat zich te stellen tegenover mensen uit eigen volk.
Dirk van Bronckhorst treedt dan naar voren : de vertegenwoordiger van de Prins van Oranje binnen Leiden. Een vastberaden, soms hard man, die zich verzette tegen alle pogingen om met de vijand tot een accoord te komen ; de brieven van de glippers en van - Valdez onbeantwoord liet; maar tijdens het beleg aan de pest overleed, terwijl helaas ook Van der Werff op dat ogenblik aarzelde of men niet tot overgave zou moeten komen. We eren dan ook dankbaar de namen wan Jacob
We eren dan ook dankbaar de namen wan Jacob en Jan van der Does, die juist op d^t ogenblik ongevraagd de opengevallen plaats van Bronckhorst innamen en met hun besliste woorden in de raadsvergadering van 6 september het ergste wisten te voorkomen.
De oude Jacob van der Does die met zoveel nadruk vroeg of men de belofte van pardon van de Spanjaard méér vertrouwde dan de beloften van de Staten en de Prins, dat Leiden ontzet zou worden ; de jongere en meer bewogen Jan van der Does, de bevelhebber der bezetting. „Zullen wij dan zulk een voorslag overwegen", sprak hij, „als we weten dat wij straks als landverraders en eedbrekers door ieder zullen worden uitgekreten, zodat we als Leidenaren in de toekomende tijden onze hoofden nergens zullen durven opheffen ?"
We denken ook aan het voorzichtig beleid van Jan van Hout, de secretaris van de stad. Als de bi;sprekingen in de raad verward worden, en de partij, die de overgave van Leiden aan de vijand voorstaat, de anderen haast niet aan het woord laat, vraagt Van Hout: „Of de heren niet wat langzamer en op de beurt willen spreken, dan kan hij hetgeen ze zeggen, beter opschrijven voor de notulen", waarop de heftige sprekess opeens bedachten, dat alles wat ze zeiden opgeschreven werd en later wel eens tegen hen getuigen kon.
We noemen ook, toch niet de minste van hen ondanks zijn somtijds aarzelende houding, burgemeester Van der Werff, die als enige van de vier burgervaders van Leiden zijn belofte gestand deed om Leiden voor de Prins te behouden. „Siet, ick hebbe eedt ghedaen, dat ick verhoope door den ghever aller goeden ghaven standvastelijck te houden. Sijt ghy met mijn doot beholpen, neemt mijn lichaem, snijdet dat in stucken en deelt daarvan zoveel als strecken mag, ick bens getroost".
Standvastigheid en moed, voorzichtigheid en geloofsvertrouwen, dat is bij deze mannen gezien, in Leiden en buiten Leiden, bij Duivenboden ün Van Broeckhoven, bij Van der Laan en bij de velen, wier namen wij niet meer kennen, die met een uitgeteerd lichaam op de wallen kropen om de wacht te houden, en thuisgekomen vrouw en kinderen dood vonden van honger en ziekte.
Dat stille langdurige lijden, dat zien, hoe de ondergang schijnbaar onvermijdelijk van dag tot dag dichterbij kwam, was bijna niet meer te dragen. We kunnen het begrijpen, dat het hun vaak te veel werd, we kunnen ons ook van deze stille helden indenken, dat de moedeloosheid hen overviel bij het zien van de ene begrafenis na de andere, toen de „sware hongersnood gebracht had tot der dood binaest (= bijna) zes duysent mensen" zoals het opschrift van het Leidse stadhuis nog altijd doet weten. Des te meer verwonderen we ons, dat Leiden
Des te meer verwonderen we ons, dat Leiden toch nog op de 2e October de vlaggen op de torens en de molenwieken hees om Boisot en zijn geuzen te doen weten, dat de stad het nog hield.
En wij zullen ook hem gedenken, die de ziel was van gans dit haast hopeloos bedrijf en dit bijkans dwaas volharden tot het uiterste: Prins Willem van Oranje. Alleen uit de verte, uit Rotterdam en Delft, kon hij met de belegerden van Leiden meeleven.
Maar toch, ook hij ontving slagen en benauwenissen als moest hij het met hen verdragen, ja, als moest hij nog méér te verduren krijgen dan zij allen.
Zijn broeders Lodewijk en Hendrik verloor hij in de strijd bij Mook, bij de mislukte poging om Leiden en Holland door een tweede inval van over de Rijn te bevrijden. En is dan niet elk woord er één, als hij aan zijn enig overgebleven broeder Jan schrijft: „Al kwamen wij ook allen te sterven, wij moeten altijd blijven geloven, dat God de Zijnen nimmer zal verlaten" ? 155
Hij moet voortdurend pleiten bij de Hollanders, dat ze hem gelri en middciPT voor d" s'rijd zullen verschaffen, ja, herhaaldelijk moet hij dreigen dat hij weer naar Duitsland zal vertrekken a!s men hem niet helpen wil.
Hij krijgt tegenkanting van de boeren van Delfland en Schieland, wanneer de dijken moeten worden doorgestoken om het water over de kostbare landerijen heen naar Leiden te laten vloeien, het water, dat Leiden helpen moet om de vijand te.verjagen. Als de geuzen de landscheidingen doorgraven, trachten de boeren de gemaakte bressen weer te dichten, omdat hun grasland hun meer waard is dan het behoud van Leiden en Holland voor de zaak van geloof en vrijheid.
Straks schijnt het einde van zijn leven nabij; juist als hij meer dan ooit onmisbaar is, wordt hij zwaar ziek. Uitgeput, niet in 't minst door de zware zorgen en vermoeienissen van de laatste dügen, uitgeput en alléén ligt hij in een kamer te Rotterdam ; zijn vrouw Anna van Saksen heeft hem trouweloos verlaten ; ze wenst dit leven van strijd en ontbering niet met hem te dragen ; zijn oudste zoon wordt in Spanje opgevoed, zijn andere kinderen heeft hij in jaren niet meer gezien. Is het vreemd, dat Oranje, held zonder weerga, hef is, die in ons volkslied en trouwens ook in andere geschriften van die dagen, bij koning David wordt vergeleken, die ook met zijn handjevol trouwe vrienden zo'n wanhopige zwerftocht ondernam ?
„Als David moeste vluchten voor Saul den tyran, so heb ick moeien suchten met menigh edelman; maar Godt heeft hem verheven in sijner grooten noot, een koninkrijk gegeven in Israël seer groot".
Hij wanhoopt bij tijden met ons volk mee, als hij straks bij de val van Zierikzee voorstelt „de dijken door te steken en met schepen de zee op Ie varen om een ander vaderland te zoeken", omdat de zaak der vrijheid hier toch verloren schijnt. Maar hij gelooft ook met dit volk mee, als hij getuigt van zijn „vast verbond met den oppersten Potentaat aller potentaten door wiens machtige hand wij eindelijk verlost zullen worden".
„Dit zijn de namen der helden, die David gehad heeft". De namen van weinigen, maar die weinigen wafen er op de tijd, dat het nodig was, en ze waren er om de zaak van een heel volk met hun klein getal te schragen.
En toch, ook de helden zijn het niet geweest, die Leiden uit de nood konden verlossen. Hoe merkwaardig stil is het eindelijk in Leiden, als de vruchteloze pogingen tot onderhandelen met de vijanden eindelijk gestaakt zijn ! Hoe weinig getuigenissen, hoe weinig heldhaftige dingen laat Leiden ons horen en zien in die laatste dagen vóór 3 October 1574!
Hoe kon het ook anders ? I De stad is aan het .einde van haar krachten. De beloften dat het ontzet komen zal, maken bijna geen indruk meer. Leiden deelt het vlees van de laatste paarden die geslacht worden, eet de laatste resten van wat nog te eten is ; Leiden's helden zijn zelf hulpeloze mensen geworden die zich moeten laten helpen. „Op dezen tijd", zegt het dagboek van Fruytiers, „heeft de Heere der heirscharen beginnen te toonen, dat zwaard, schild, paard, man noch geschut niet kan helpen, zoo Zijn krachtige hand de zaak niet wil vorderen, want met al deze konden zij niets uitrichten, zoo hun wind en water ontbrak, die de Heere moest geven".
En zo komt dan eindelijk, in de diepste nood en afhankelijkheid, als een wondere verrassing, de dag van het ontzet. Dan steekt, onverwacht nog, de 29e september de storm op, die met de springvloed het water door de bressen der dijken stuwt, op Leiden aan.
De vloot van Boisot, die na felle strijd eindelijk tot bij Zoeterwoude was doorgedrongen, maar daar moest blijven wachten, kan weer varen. De Spanjaarden, verschrikt door het stijgende water en de naderende geuzen, geven zoveel te spoediger hun schansen bij Zoeterwoude en de Meerburger-wetering op en worden in een bloedig gevecht verjaagd ; alleen ligt er nog de sterke schans van Lammen, halverwege tussen Zoeterwoude en Leiden.
Als de Leidenaren nu een uitval wagen tegen die schans zullen de geuzen haar van de andere zijde beschieten en bestormen. Het lijkt een wanhopige onderneming, maar het moet, anders is Leiden nog verloren in het zicht van de redding. Maar de duif, die dit bericht naar Leiden brengt, raakt verdwaald en Boisot wacht vergeefs op de uitval uit de stad. Zou Leiden zich al hebben overgegeven ? Bange vrees buiten en binnen Leiden, nog op de 2e October.
Dan komt de duif aan in de stad en de burgers maken zich gereed om op de 3e October goed te maken wat ze de vorige dag niet konden doen. Ook Boisot zal op die dag de aanval wagen.
Maar dan is het niet meer nodig. De schans van Lammen is reeds door de Spanjaarden opgegeven en verlaten. De vrees voor het water en de Hollanders is de vijand om 't hart geslagen en in alle stilte zijn ze in de nacht naar Leiderdorp vertrokken.
Wonderbare verrassing als men dit ontdekt! Een jongen, die 's nachts de aftocht vanaf de wallen meende te zien, waagt zich voor een paar guldens het eerst in de schans, de anderen volgen. En dan komt het: „Een zonderling grote vertroosting en verwondering over de wonderbare verlossinge". De geuzen varen met hun schepen de Vliet op en komen in de morgen van 3 October de uitgehongerde stad binnen met brood voorde ellendige burgers en vrijheid voor stad en land.
tn op die 3e October als alles naar de Pieterskerk stroomt, wordt met de 9e Psalm Ood gedankt en geprezen. Niet de helden, maar de Heere, die de nooddruftigen niet vergeet en de trotse vijand heeft doen vluchten. Hij ontvangt de dank en de heerlijkheid.
Zo is Leiden ontzet, tot verrassing en ontzetting óók van de helden.
Zo bleek hun dapperheid, hun volharding en hun vertrouwen slechts een middel te zijn in Gods almachtige hand, om ons volk in zijn bittere nood te hulp te komen. De spreuk op de noodmunten fe Leiden gemaakt: „Qodt behoede Leiden", bleek méér te betekenen dan al de woorden van Van der Werff, de Van der Doezen, Van Bronckhorst en Van Hout bij elkaar.
De helden van Leiden, ze waren weinige, ze waren niet aantrekkelijk in alle opzichten, ze waren ook op het beslissend ogenblik niet meer dan de verbaasde toeschouwers van Gods wonderbare werken.
Maar ze zijn er geweest, toen ons volk ze nodig had; en door Gods onbegrijpelijke gunst was er standvastigheid voor een schijnbaar onvoordelige zaak, wès er die zelfverloochening tot de dood toe bij een volk, dat zozeer op zichzelf en zijn dierbare leven gesteld was.
Ook heldenmoed en heldendaden zijn voor een volk de gunstbewijzen van een genèdige Ood, die helpt op Zijn tijd.
De geschiedenis van Leiden's ontzet en ook die van na Leiden's ontzet, geeft reden te over om alle eer aan mensen te ontnemen.
Een paar jaar na het ontzet, ja zelfs al heel spoedig vinden we Leiden weer bezig te twisten over allerlei kleine dingen, en zijn we weer midden in het gedoe van een stad, waar iedere groep en elke partij weer strijdt voor eigen belangen. Daar zien we ook de helden van Leiden terug, maar hoe geheel anders dan tevoren ! Dan zien we Van der Werff, hoogst ontevreden
Dan zien we Van der Werff, hoogst ontevreden omdat hij bij de benoeming van nieuwe burgemeesters gepasseerd is ; dan is Jan van Hout de handige burgerman, die behoorlijk voordeel weet te trekken uit de nieuwe lakenindustrie en graag wat van het leven geniet; dan twisten de predikanten hevig met de stadsregering en met elkaar over het recht van benoeming der kerkeraadsleden ; dan geeft de pasgestichte Universiteit allerlei meningsverschil over de eigen rechtspraak en het gedrag der studenten. We spreken daar niet over, want het vermoeit
We spreken daar niet over, want het vermoeit ons, dat allemaal te horen; we weten er immers na enkele jaren bevrijding óók van mee te getuigen, hoe een volk nauwelijks meer verstaat waartoe het als vrij volk geroepen is ? Wanneer een latere geschiedschrijver de tijd
Wanneer een latere geschiedschrijver de tijd van de bevrijding met ónze dagen vergelijkt, zal hij het dan óók te onwaarachtig, te onheilig vinden om er lang bij stil te staan ? De eer der verlossing komt niet aan mensen, maar aan Qod toe. Owk Jai tüG.il ons dt geschiedenis van de helden van Leiden.
En ook dit moeten wij elkaar op deze dag nog vragen: Wij verwonderen ons over hetgeen in Leiden gebeurd is in 1574. Maar was het ontzet van Leiden voor onze volksgeschiedenis van beslissende betekenis ? Waren de daden der helden zo onmisbaar voor Holland's behoud ?
Een paar jaar later schijnt het, dat zelfs het heldhaftige verzet van Leiden en de wonderbare verlossing van die stad maar een incident is geweest, een gebeurtenis van maar zeer betrekkelijke waarde in onze strijd tegen Spanje.
Dan zien we hoe met de onverwachte dood van stadhouder Requesens, met de daarop volgende muiterij van de Spaanse soldaten, en met de politieke stuurmanskunst van de Prins tegenover de onzekere Don Juan, ons land tienmaal beter geholpen is dan met het ontzet van één enkele stad. Dan komt de Unie van Utrecht tot stand en
Dan komt de Unie van Utrecht tot stand en staan de Nederlandse gewesten gereed om de bittere strijd tegen de onderdrukker ten einde toe te strijden, en Leiden ziet de vijanden nooit meer voor haar poorten terug.
Zou dat alles misschien niet evenzo verlopen zijn, zo kan de historicus een ogenblik vragen, als Leiden zich wèl had overgegeven, als het land van Zuidholland eens niet terwille van Leiden verdronken was geweest ? Wie weet! Ons leger heeft in 1040 ook gecapituleerd en ons land is niettemin bevrijd. Zijn de helden en hun daden eigenlijk wel nodig geweest?
Dat alles gaat ons niet aan, eenvoudig omdat we niet hebben te letten op wat mogelijk zou zijn geweest, maar op wat is geschied en wat wij heden gedenken. Mag dan voor de historicus alles verklaarbaar en daarmee alles betrekkelijk worden, wij spreken heden over Aft geschiedenis, waarin de helden en hun daden een plaats hebben ; waarin de heldenmoed van Leiden een teken is waérom 't ons volk in deze strijd ging; waarin onze stad en universiteit een teken werden van vrome standvastigheid ; een geschiedenis, waarin ook plaats was voor het ophouden van de kracht der helden en de verwondering over de regering Gods; waarin naast Davids helden ook Davids lof en danklied staat; waarin gezongen wordt van een God, die de nooddruftigen niet om doet komen. De barmhartigheid Oods, waarvan de Kerk van Jezus Christus getuigt, die is het, die aan de geschiedenis van een volk haar eigenlijke zin verleent. Daarvoor heeft ons volk oog gekregen door het beleg en ontzet van de stad Leiden: daarom was het nodig, dat de helden er waren en dat Leiden behouden bleef; daarom blijft deze gedenkwaardige dag het keerpunt in de geschiedenis van de opstand der Nederlanden, waard te gedenken, prijzende de Heer.
En in deze feestvierende stad wijst op dit ogenblik de christelijke gemeente als in oude tijden op Gods wonderdaden, op Hem die op Zijn tijd de helden geeft en hun standvastigheid verleent — de helden die er zijn tot op deze dag, omdat ze een weerspiegeling zijn van Gods ontferming in Jezus Christus met het verdrukte en verlorene —; op Hem die op Zijn tijd de kracht der helden doet ophouden, opdat Hem alleen de eer der verlossing zal blijven. Want dit is het, wat ons in het verhaal van 3
Want dit is het, wat ons in het verhaal van 3 October ontroert: de schaamte, dat wij het zijn die zulke wonderen mogen gedenken; dat ons volk het is dat zovele malen onverdiend en onverwacht geholpen is; dat in ons midden de helden zijn geweest om ons onstandvastige en vaak zo kleingeestige volk béter te vertegenwoordigen dan het waard is, door voor en namens dit volk te zijn: „Den vaderlandt ghetrouwe", ook zelfs tot in de dood.
Zulk een wonder van Gods ontferming is het, dat Leiden herdenkt; het wonder dat God de zonden ook van een volk niet gedenkt en nochtans weer behoudenis geeft om Christus' wil. En zingen we dan met de verloste Leidenaren mee uit die 9e Psalm:
,0 Heer, die daar eeuwiglijk leeft, Maak, dat der boozen harte beeft. Doe hen verstaan (dit is mijn wensen) Dat zij niet zijn dan zwakke mensen".
Dan erkennen we daarin een waarschuwing, ook voor ons eigen volksleven, en te meer willen we belijden, met de bede, dat ook óns leven daarvan beter dan tot op heden, een teken mag zijn:
„Maar de mens ootmoedig, o Heer, zult gij vergeten nimmermeer. Zijn hope, die hier is misprezen. En zal bij U niet ijdel wezen".
Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 oktober 1958
Kerkblaadje | 8 Pagina's