Gedachten over leven, dood en Leven,
(Lezing, gehouden op de conferentie van de kring van vrienden van Kohlbrugge op 21 mei 1960)
,,Mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God".
Met dit woord uit de 84ste Psalm wil ik beginnen, om er ook mee te eindigen. Mijn gedachten — enkele slechts, want er valt zo veel te zeggen over dit zware, diepe onderwerp — gaan er van uit, keren er tot terug, worden er door geleid. Alles wat ik zeggen mag over dit leven van de dood, dit ,,gestadig sterven", is een roep ,,tot God, die leeft, en aan mijn ziel", die stervende in zichzelve, ,,het leven geeft".
Ons onderwerp is drievoudig: leven, dood en Leven. Die drie staan natuurlijk met elkaar in verband. Toch moeten wij over dat verband niet te sterk denken. Het is niet zo, dat het ene organisch overgaat in het andere, zoals kindsheid in jeugd en jeugd in volwassenheid. Want het leven wordt wel onherroepelijk gevolgd door de dood. Maar is die dood daarom natuurlijk? En gaan wij door hem vanzelve het grote, zalige Leven in? Hier is het vraagteken, dat een ontkenning in zich draagt, zeker op zijn plaats. Laten we nu achtereenvolgens bij leven, dood en Leven stilstaan.
Het leven. Daarmede bedoelen wij het bekende, vertrouwde, natuurlijke, dat wij met al onze medemensen gemeen hebben. Het is in ons. Het is in de klop van ons hart, de stuwing van ons bloed, in alle ftmcties van onze lichamelijkheid. Maar het is ook ons bewustzijn; ons zelfbewustzijn nog wel. Dat we van onszelven en van anderen weten, dat we op al wat om ons is, kunnen reageren, dat alles is „leven". Maar het leven is nog meer. Het is geheel de
Maar het leven is nog meer. Het is geheel de werkelijkheid om ons heen. Het leven is niet alleen in ons, het omringt ons ook van alle kanten. Het is in ons, en wij zijn er in. Een kind gaat het leven in, een stervende gaat het uit. En wat moeten wij er nu van zeggen? Hoe is
En wat moeten wij er nu van zeggen? Hoe is onze waardering ervan? Wij kunnen het zonder overdrijving ,,vreselijk" noemen. Ik ga hier niet argumenteren. Ik noem slechts één naam, nu terwijl ik spreek, nog recent: ,,top-conferentie". Wat daar al niet mee samenhangt! De gedachten vermenigvuldigen zich. Wij zien ,,tekenen der tijden", die op de ondergang van een vervallen, bedorven, stervende wereld wijzen. En toch kunnen we van datzelfde leven ook zeg
gen: „het heerlijke". We hebben het lief. Het moge hier dan een verloren paradijs geworden zijn, telkens schijnt dat paradijs toch voor ons in het geluk, waarmede we gezegend worden, hersteld, We verheugen ons in de geboorte van een kind, hoe tijd en wereld ook mogen zijn. We zeggen met Gezelle; ,,mij spreekt het al een tale", en welk een heerlijke! ,,We grijpen" met een andere dichter ,,in het volle mensenleven in, en waar we het grijpen, is het interessant". Het blijde Hooglied staat ook niet voor niets midden in het Oude Testament, en overal is er de vreugde om ,,goede dagen". ,,De aarde is des Heren, en hare volheid"!
Er zijn wel christenen, die beweren, dat het aardse leven ,,niets" is, en dat alleen het vrome leven alles zou zijn. Maar ik acht het een goedkope overwinning van het geloof, om eerst het aarde tot nul te herleiden, en dan te juichen, dat het geloof alles geeft. Laten wij in bijbelse nuchterheid constateren, dat er heel wat goeds en de moeite waard, in 't ,,leven" te beleven valt. Maar daar is dan toch ook nog de dood. Nu worden we bedenkelijk. Die moest er niet zijn. Alle leven huivert er voor terug. De dood is de schaduw over het leven, en als we aan hem denken, krijgt het zonnigste dal iets van „een dal der schaduwen des doods". Kortgeleden heeft een bekend geleerde, de psychiater Prof, Rümke, voor een congres van medici gesproken over ,,de dokter en het probleem van de dood". Let wel: het probleem! Veel medici (en niet-medici met hen) zien de dood als biologisch noodzakelijk, algemeen en dus normaal, als ,,natuurlijk". Maar deze geleerde ziet hem als ,,probleem". Toch noemt hij een leven zonder dood ,,onvoorstelbaar".
Dat is het ook. Wij kunnen ons niet indenken, dat Abraham, Izaak en Jacob en tijdgenoten met al hun nakomelingen hier nog zouden leven. Doch dat wij ons iets niet kunnen indenken wil nog niet zeggen, dat het tegenovergestelde ons duidelijk is. Een eindig heelal b.v. is even ondenkbaar als een oneindig. De dood is en blijft een probleem, We kunnen hem ,,natuurlijk" noemen, maar het is dan toch een duistere, droeve natuurlijkheid. Hoe hoger wij stijgen, hoe duisterder en droever zij wordt. Een dode bloem of vlinder ontroert ons niet. Maar bij een huisdier, een trouwe hond b.v., is het reeds geheel anders. En ook de mens, van wie wij houden, op wie wij steunen, die de vreugde van ons leven is, moet sterven. Dat geest, dat liefde vernietigd kan worden in de dood, als dat geen donker probleem is, dan weten wij niet meer, wat donkere problemen zijn. De dood is het onherroepelijk einde van het aards bestaan. Het einde! Niet: het doel! Hier wringt iets. Een einde behoort tevens doel te zijn. Een jong mens b.v. loopt een school af, om een eind-diploma te veroveren. Hier vallen eind en doel samen, en dat is normaal. Maar we leven toch niet om te sterven, evenmin als een huis voor sloping wordt gebouwd. De Bijbel, die waarlijk wel van leven weet, heeft dit alles ook beseft. Hij noemt de dood kort en krachtig een ,,vijand". En in Psalm 90 staat, dat het uitnemendste (de ,,trots", zegt de N.V.) van het leven moeite en verdriet is, ,,want het wordt snellijk afgesneden". Juist de heerlijkheid van het leven maakt de vergankelijkheid ervan zo triest. Het is heerlijk, als we in onze ouderdom nog ,,vitaal" mogen zijn. Maar wat voelt die vitale bejaarde zich juist door die vitaliteit mortaal! Dat gevoel verlaat hem niet.
Maar.... we mogen toch ook over het Leven spreken. Bij dat woord richten we onwillekeurig de ogen omhoog. We zien op naar de hemel. Daarin mogen wij geloven. Doch zullen wij daar wel komen? Het is merkwaardig, dat, wanneer de mens even ernstig wordt, hij in het aardse leven een voorbereiding op het toekomende gaat zien. Onze heidense voorouders noemden hun [hemel ,,Walhalla", ,,ihal der gevallenen". Hij was er alleen voor gesneuvelde helden. In het Egyptisch dodengericht meet de gestorvene zijn deugden, bestaande vooral in het kwade, dat hij naliet, breed uit. Nu kan hij bestaan. De Islam weet van een paradijs voor de aan de Koran en zijn eisen getrouwen. De verdienstelijkheid der goede werken bij onze Roomse medeburgers is bekend. Wij kennen ook de brave burger, in en buiten alle kerken, die op een plaats in de hemel rekent — als er tenminste een hemel is — omdat hij ,,ieder het zijne gaf"! Doch boven dit alles voelen wij ons als goede positieve Protestanten verheven, We maken ernst met het ,,sola fide". En in dat geloof alleen zijn er heel wat zielen zo niet juichend, dan toch in rustige blijmoedigheid heengegaan. Maar het is, alsof dit heengaan tegenwoordig minder wordt. ,,Je weet wel, hoe je het hebt, maar niet, hoe je het krijgt", hoorde ik eens een diaken tegen zijn dominee zeggen. Hoe vaak is de hoop, waarin men sterft, niet een zekere gelukkige verwachting van het heil, maar een mat lijdelijk afwachten van wat mee-, maar ook geweldig tegen kan vallen. Ik keer terug tot de trits; leven — dood — Leven.
Hoe staat het met ons kennen van deze dingen? Het antwoord is eenvoudig. Van het leven weten wij, dat het er is, en wij kennen — wat niet hetzelfde als begrijpen is — er het nodige (en vaak ook onnodige] van. Van de dood weten wij alleen, dat hij er is, maar kennen doen we hem niet. Hij is een blinde, volkomen ondoorzichtbare muur. Misschien valt het sterven mee. Wie zal het zeggen? Het is ons niet geopenbaard. God liet de dood als een zwaar en zwart mysterie bestaan. Alles wat wij over hem denken en zeggen, is ijdele fantasie, We kunnen dus slechts zwijgen. En het Leven! Wat weten wij daarvan? We zien het niet, We weten (buiten het geloof) niet, hoe het is, en niet eens, of het er is. Het is 108 alles „geloof". Negatief of positief. Ook negatief. Want ieder mens wenst een houding aan te nemen tegenover de dood. Dat kan de houding zijn, ons reeds in Jesaja 22 ; 13 beschreven, van ,,laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij". De houding van berusting, zonder hevig protest. Voor het tegenwoordig geslacht, dat van nabij weet van massale vernietiging van mensenlevens — twee wereldoorlogen! — en de doorlopende vernietiging door het ongeval, is het zo juist geciteerde woord zeker niet minder actueel en tot ,,berusting" nodend dan voor het geslacht uit Jesaja's dagen.
Maar er is ook een andere houding mogelijk, n,l, die van het sterk en innig protest. Ik denk aan de aandoenlijke beschrijving, welke Galsworthy in zijn Forsyte-Saga geeft van de oude Jolyon, die op zijn heerlijk buitenhuis van al het goede in dit leven, van de natuur met zijn heuvels, bomen, bloemen, en van de mensen, die hij liefheeft en die hem liefhebben, met volle teugen geniet, ,,De gedachte, dat op zekere dag, misschien binnen tien jaar, misschien binnen vijf, geheel deze wereld hem zou ontnomen worden, zonder dat hij de krachten van zijn liefde voor haar had uitgeput, scheen hem een onrechtvaardigheid in de natuur, broeiend aan zijn horizont". En ik citeer hier ook de woorden van onze bejaarde dichter Keuls, zo vitaal en daarom zo mortaal:
,,En als Gods adem ons verlaat,
Worden de vaten leeggegoten
En alle zuilen omgestoten.
Met elk van ons 't heelal vergaat.
Slechts eenmaal is al wat bestaat".
Er is echter, gelukkig, ook een bevrijdend, verblijdend geloof.
Wij menen het te kennen. Wij geloven immers in ,,het eeuwige leven". Dat is niet een eindeloos leven (alsof eindeloosheid een troost was), maar het ware leven. Vandaar, dat het Evangelie het ene ogenblik van „eeuwig leven", en het volgende kortweg van „leven" spreekt. (Joh. 3 : 16, 17 : 3 en 11 : 25, 14 : 6.)
Maar wat is dat voor een leven? Voor het antwoord moeten wij, geleid door de
Voor het antwoord moeten wij, geleid door de gang der openbaring zelf, terug' tot het Oude Testament. Daar ademen wij erin. In het paradijs zien wij het reeds: een heerlijke
In het paradijs zien wij het reeds: een heerlijke schepping als onze woonplaats, terwijl de Vader in de hemelen nabij is. Maar het paradijs duurt slechts kort. De schone inzet is snel mislukt. De mens zoekt zijn eigen weg, tegen Gods liefde in. Hij ,,valt". Toch zien wij telkens ook weer iets van een herwonnen paradijs. ,,En Henoch wandelde met God". Dit is de
,,En Henoch wandelde met God". Dit is de oudste, kortste en rijkste levensbeschrijving, die wij kennen. De aartsvaders wandelden, d.w.z. leefden en gingen waarheen zij gevoerd werden, in het geloof, en hoe rijk leefden zij! Nog kunnen wij hen benijden. Abraham bleef voor alle tijden „de vader der gelovigen". Als Paulus ons wil laten zien wat geloven is, grijpt hij op deze patriarch terug. Israël heeft ons echter niet alleen deze figuren, en ik denk hierbij eveneens aan de gelovigen, die „profeten" heten, maar ook de Psalmen nagelaten, In die liederen zingt de Heilige Geest, en in de brieven van Paulus schrijft Hij, zal Noordmans opmerken. Inderdaad, in de Psalmen zingt de Geest. En Hij zingt niet van de hemel, doch van de aarde. Van het aardse leven dus, maar zoals het verborgen is in God. De Psalmen, en geheel het Oude Testament trouwens, zijn één aards „Immanuël". De klaagzang klinkt als dit „Immanuël" verbroken schijnt, „Waar is uw God?" Maar de jubel breekt uit, wanneer het er toch blijkt te zijn. „Looft God, looft zijn naam alom". En dit alles is, om met de Duitsers te spreken, streng „diesseitig". Van hemel-verlangen is geen sprake. Hier tekenen de Psalmen zich scherp tegen die Gezangen, welker grondtoon het „hoe zal 't mij dan, o dan, eens zijn" af. Er is in hen wel telkens sprake van „eens", maar dat slaat op de verlossing, die op aarde werkelijkheid wordt. En verder zijn de Psalmen één lofzang op wat er nu, met en door God, is. ,,Zalig hij, die in dit leven Jacobs God ter hulpe heeft".
Men leze ook Jesaja 38, dat psalm en geschiedenis tegelijk is. „Here, bij deze dingen leeft men". Dit slaat op een genezing' voor 15 jaren. Overigens klinkt er ook de toon van „het graf zal U niet loven". „In de dood is Uwer geen gedachtenis" zegt de 6de Psalm en de Hóste trekt de consequentie; ,,ik zal de Heer prijzen in mijn leven, ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben". Het leven, hier beneden, onder Gods licht (dat ook beschermende schaduw kan zijn), IS goed. Dat zegt ons ook de psalm die maar niet uitgezongen raakt over het thema, hoe goed het leven is voor hen, ,,die ongeveinsd des Heren Wet betrachten". God is er niet, om van Hem ten eigen bate te profiteren, maar om dagelijks naar zijn wil met ons te vragen. Dan wordt dit leven rijk en goed, „Bij U is de fontein des levens", zegt Psalm 36, Dat is geheel het Oude Testament samengevat in één woord. Toch breekt soms ook het andere door. ,,Gij zult mij leiden door uw raad, en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen", zegt de 73ste Psalm. Doch dit is de stem van een enkele vogel, die in de allervroegste lente zingt.
Doch wij weten verder ook, dat in het Nieuwe Testament een nieuw lied wordt aangeheven. Het is vol van opstanding uit de doden. Daar was geen import van Perzische gedachten over leven na dit leven voor nodig. De opstanding van Christus beheerst het gehele terrein. Op de Paasmorgen is „het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht", eens en voor al. (II Tim. 1 : 10.) Wij behoeven hier verder niet te citeren. Van alle kanten komt het ons tegen. Een geheel „hoofdstuk der opstanding" is er aan gewijd. Het is alles leven hier, „op deez' aard, die wij bewonen", èn leven in een eeuwig Vaderhuis, ver boven wat mensenogen zien, en menselijke gedachten kimnen grijpen. „Ik wenste wel ontbonden te worden en met Christus te zijn". Het sterven is niet meer verlies, doch ,,gewin". Toch is er bij Paulus ook een huiver tegenover
Toch is er bij Paulus ook een huiver tegenover de dood. Hij is tot in het diepst van zijn ziel dankbaar, dat hij „van zo grote dood" gered is, (II Cor. 1 : 10.) Niet van zo groot „doodsgevaar", gelijk de N.V, zwak zegt, maar van de echte en volle dood, die hier in overmachtige dreiging oprijst als ,,de koning der verschrikking", de monsterlijke „vijand". En hoe bescheiden is de apostel ook, als hij de wens uitspreekt van „enigszins" (O.V.) „soms" (Brouwer) „etwa" (Duitse vertalingen) te mogen komen tot de wederopstanding der doden (Fil. 3 : 11), dat door de N.V. geheel wordt weggelaten! Maar hoe dit zij: het leven, dat niet meer ster
Maar hoe dit zij: het leven, dat niet meer sterven kan, is geopenbaard. Het „zolang ik nog ben" van de Psalmen verovert de eeuwigheid, en „het land der levenden" is hier op aarde, doch slechts als een pril begin. Het is ten volle daar, waar de zaligen hun ,,looft God, looft zijn naam alom" mogen zingen. De 150ste Psalm komt in de hemel eerst tot zijn recht, ,,Door heel uw kerk wordt steeds, daar boven, hier beneden, in strijd en zegepraal uw grote naam beleden". In één woord: wij mogen spreken van een nieuw
Leven in het Nieuwe Testament. En toch is juist daar ook een nieuwe dood.
Ik ga hierbij uit van het ons vertrouwde woord uit I Petrus 2, waar de gemeente van Christus een ,,koninklijk priesterdom" wordt genoemd. Dat zijn grote woorden. Voor ons gewone aardse burgers veel te grote woorden. Van Michiel de Ruyter wordt verteld, dat, wanneer hij van de Deense koning de hoge, in de adel verheffende ridderorde van ,,de Olifant" heeft ontvangen, hij moet gezegd hebben: ,,maar wie zal dat beestje voeden?" Onze grote vlootvoogd had blijkbaar het nuchtere besef, dat bij stand, die toch ,,opgehouden" moet worden, kapitaal behoort. En er behoort nog iets anders bij, n,l, dat, wat de parvenu mist, n.1 stand! Ik bedoel hiermee, dat een parvenu in enkele jaren kan geboren worden, maar voor wat de Engelsen „an every inch gentleman" noemen, is méér nodig.
En nu zijn wij christenen in de letterlijkste zin van het woord Gods „parvenu's", de er-door-gekomenen. Maar juist, omdat wij er gekomen zijn, hebben wij het eigenlijke nog op geen stukken na bereikt. Wij jagen er naar of wij het ook grijpen mochten. Onze nieuwe stand is ons veel te machtig. Dat heeft weer Paulus het allerklaarst beseft, en eerlijk beleden ook. Hij hield zich niet koninklijker dan hij was. Vandaar zijn Romeinen VII, Zo uitvoerig, zo radicaal en vernietigend eerlijk staat het nergens in het Oude Testament, Met het nieuwe Leven heeft zich een nieuwe dood geopenbaard. ,,Ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont". De Geest getuigt wel met onze geest, maar Hij gaat ook met zijn getuigenis lijnrecht tegen onze geest in. Wij weten met het nieuwe leven geen raad. Wat zijn wij voor ,,heiligen"? Wij zijn heiligen van de koude aardse grond.
En toch zijn wij heiligen, ten voeten uit en tot in onze vingertoppen. Want Christus, die onze rechtvaardigheid èn heiliging is, is er nog. Het komt er maar op aan, hoe wij I Corinthe 1 : 30 lezen. Wij weten, dat de christelijke kerk altijd geneigd was, tussen die beide woorden, waar het hier om gaat, een brede caesuur, een lange adempauze te maken. Er moet goed uitkomen, dat wij na ,,de rechtvaardiging door het geloof" in geloof aanvaard te hebben, wij met „heiliging" op ander terrein komen; het terrein, waarvan een bekend (gelukkig' niet in onze Gezangenbundel opgenomen) lied zingt; ,,Wat moet ik doen voor Jezus?" We zouden met de heiliging bij de menselijke contra-praestatie zijn aangeland. Immers; ,,Voor wat hoort wat". Doch de tekst is anders. Die moet niet met caesuren, doch in één adem worden gelezen. Want één Zaligmaker is Heer over alles en allen. Hij, en Hij alleen, door niets en niemand onderbroken, is ons wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Wij weten geen raad met onze nieuwe stand. Maar Christus is der radelozen Redder. Wij werden in een nieuwe dood geworpen, doch Hij is het Leven in alle dood, in de oude en in de nieuwe. Hier komt „de kracht zijner opstanding" op volle kracht.
Wilt ge bij dit allesi het licht van een gelijkenis? Zie naar die van de verloren zoon. De vergeving van de vader heeft het oude uitgewist. Alle overtredingen zijn van hem weggedaan, zover het westen is van het oosten. Maar diezelfde vader bekleedt hem ook met een nieuwe heiligheid. Zie hem daar aan de feestdis, een dis te zijner ere nog wel, zitten in zijn nieuw feestelijk kleed, met de gouden ring aan de vinger. Hier is een reclassering, een levensherstel, waar wij met onze aardse begrippen geen begrip van hebben. Een verlopen mislukkeling straalt in de heerlijkheid van een overwinnaar. De moordenaar aan het kruis straalt met hem,
In deze dingen mogen wij leven, gelijk eens Kizkia in zijn vijftien jaar heeft geleefd. In deze dingen mogen wij ook eens sterven.
In deze dingen mogen wij ook eens sterven. ,,Hetzij dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heren".
Toch blijft er voor ons gevoel een groot verschil tussen leven en sterven.
Wij leven nu nog op een aarde, die ons vertrouwd is, in een huis, waarin wij ons tehuis voelen, arbeid verrichtend, die wij gemoedelijk aan kunnen. Wij leven ook met anderen, tussen wie wij ons gelukkig weten. ,,Last but not least", wij zijn leden van een gemeente, een kerk van Christus, waarin wij veilig geborgen ademen. Wij leven, in één woord, omringd en beschermd door aardse „gezelligheid". Ik neem dit laatste, op de eerste klank te gemoedelijke woord in de diepe zin van Psalm 122: „Ik ben verblijd, wanneer 110 men mij godvruchtig opwekt: Zie, wij staan gereed om naar Gods huis te gaan. Kom, ga met ons en doe als wij",
„Met ons"!
Maar de dood, de onherroepelijk naderende is de verbreking daarvan. Hij is het grote isolement. Hij is het consequente, naar ons gevoel al te consequente, het overweldigende ,,Immanuër', het ,,met God en met Hem alleen".
Maar God is zo groot; ons veel te groot.
En wij zijn zo klein.
Wie kan eenzaam en onbeveiligd, naakt en uitgetogen, in zo veel licht bestaan? Wie huivert van nature niet terug voor wat geen oor heeft gehoord, geen oog gezien en in geen mensenhart is opgeklommen?
Wij huiveren. Wij huiveren ten dode. Wij begrijpen Hizkia. Wij begrijpen ook Paulus met zijn ,,zo grote dood".
Waarheen moeten wij ons wenden?
Ik zie geen andere weg dan die van het Oude Testament. Het ,,Immanuër' in ons aardse leven. De vreugde van de 84ste Psalm. Laat ik niet citeren, geen enkel woord. Want elk woord zou onrechtvaardig zijn tegen het andere, dat niet werd aangehaald.
Er is een aards ,,Immanuër', een ,,zalig hij, die in dit leven Jacobs God ter hulpe heeft". Dit leven moeten wij weten te genieten, dag in, dag uit. God roept tot een Hem gevallig ,,carpe diem", ,,pluk de dag".
Maar de toekomst? De laatste dag? En achter die dag voor ons aardse oog een grote verpletterende leegte; een rechtvaardig oordeel ook. Nu citeer ik toch uit Psalm 84, en wel alleen de woorden „welzalig hij, die bij U woont". Het was bij de begrafenis van een kerke-dienaar,
Het was bij de begrafenis van een kerke-dienaar, een oude trouwe koster, die zijn ambt met deze psalm in het hart vervuld had, dat we dit ook zongen. Toen zag ik ineens dat grote nieuwe, hoewel mijn oog en mijn verbeelding er niets van zagen. Ik dacht; als het waar is, dat God in dit leven reeds iemand bij zich laat wonen, dan zegt Hij ook tot hem; wees maar niet bang, de dood komt wel, maar Ik doe je niet weg. Ik houd je bij Mij in mijn heerlijkheid.
,,God is geen God der doden, maar der levenden" en „zij leven Hem allen". We behoeven niet bang te zijn. We mogen met de oude Dr. Bronsveld ,,hoe langer hoe nieuwsgieriger worden". En nu begrijpen wij Paulus om — door zo grote dood heen -— ontbonden te worden, en altijd bij de Heer te zijn.
Want Psalm 150 is een „Te Deum", dat aarde en hemel omvat.
We bezitten geen voorstelling van het ,,Hier Boven", evenmin als we weten, wat sterven is. Maar dat behoeft ook niet. Als we slechts weten, dat ons aardse loflied het matte voorspel op het eeuwige is.
Weer citeer ik de dichter Keuls. Hoe heeft hij dat, wat nu komt, bedoeld? Ik heb het niet ge-vraagd, doch schrijf blindelings — en toch helder ziende — over;
,,Zij wacht de dood met stralende ogen,
Voorbij de branding van haar bloed,
Zij wacht tot zij wordt voortbewogen
Om dan te gaan door tempelbogen Oneindig zingen tegemoet".
Oneindig zingen tegemoet".
De cursivering van de laatste twee regels is mijnerzijds een dankbaar ,,amen".
Ik heb beloofd met Psalm 84 : 3 te zullen eindigen. Dat doe ik nu ook.
DE ROEP.
Ik moet, o Heer, uit diepte tot U roepen.
Dat ik naar U en naar uw heil verlang,
En uitzie, vrezend en toch vol verwachten;
Maar ach, wat valt vaak dat verwachten lang!
Toch kan ik het niet missen, het verlangen,
Dat mij zo zwak en sterk maakt tegelijk.
Dat heimwee is en volheid in de leegte.
Waardoor ik arm mij voel en tevens rijk.
De roep tot U, die leeft en ons doet leven,
Is als de tweeslag van een kloppend hart;
Hij is benauwing, die doet adem halen,
Een smart in vreugd, en vreugde in de smart.
Gij zijt mij 't duister, als ik U moet missen.
En toch mijn zonnelicht in 't donker van de nood.
Gij zijt mijn wanhoop en mijn uitzicht tevens;
Ik leef door U, zelfs midden in de dood.
Uw eigen Zoon is in de dood verzonken;
Hij riep tot U. Hebt Gij Hem wel gehoord?
Hij wist zich aan het kruis van U verlaten;
Waar bleef de troost van uw verlossend woord?
Toch kwam dat woord; een morgenstond ging lichten;
't Werd Pasen na 't geweld van zonde en dood,
De Heer stond op, en met Hem zijn gemeente,
O grote God en Redder uit de nood.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 juli 1960
Kerkblaadje | 16 Pagina's