"Een cederboom in een knollentuin",
„De apostel weet, hoe de duivel de huiselijke staat vijandig is en hoe hij er op uit is om een elk te ieren hoe hij bij zijn beroep en bestemming een heiligenkastje moet maken en liever uit zijn bestemming uitgaan, als hij daarvoor niet lang genoeg kan knielen, om zich goddelijk, geestelijk en heilig te maken. Daarom wijst hij hier de vrouwen haar plaats aan, die zeggen : ja, geloof en liefde enz. al wel, maar een heiligenkastje, een atmosfeertje apart om zalig te worden. Neen, zegt de apostel: dèt weg — ontvang kinderen — draag ze met pijn en angsten — baar ze met smart en leid ze zo op; daardoor zult gij zalig worden als gij vrouwen blijft in het geloof, zoals ik haar geleerd heb, in liefde tot de heiligen enz. Maak nu eens de toepassing op uw kantoor;
Maak nu eens de toepassing op uw kantoor; mensen zijn wij, laat het ons bekennen ; tel-tel-tel, belijd den Here dat gij telt, dat gij Hem niet ge- 'ooft. Kom niet op uw kantoor als een heilige, anders loopt gij er als een zondige hypocriet weer af; — schrijf en wrijf en reken en tel zoals gij zijt, zonder wat uit u te maken of van u bizonders te geloven — en het zal goed gaan, èls gij genade gelooft".
Deze realistische en menselijke woorden stonden in een brief, die op 15 februari 1842 uit Utrecht verzonden werd aan de toenmalige directeur van tie Nederlandsche Handelmaatschappij te Amsterdam, wiens vrouw gevraagd had naar de bedoeling van Pauius' woorden: „de vrouw zal zalig zijn in kinderen te baren, zo ze blijft in het geloof en de liefde." Die directeur was Willem de Clercq, en de theoloog, die hem deze zilte uitlegging schreef en vooral niet verzuimde er een rake toepassing voor de mannelijke parhier aan toe te voegen, was K.ohlbrugge, een man, die zijn tijd zó ver vooruil was, dat hij wellicht pas in onze eeuw in breder kring verstaan kan worden. Willem de Clercq, een belangrijk man uit de grote handelswereld van die dagen, gevoelig en begaafd, zeer belezen in de klassieken en een ongeëvenaard improvisator, vol intense belangstelling voor alles om hem heen en met een verbazingwekkende kennis van allerlei mensen en zaken, behoorde tot de Reveilkring.
Die kring was een zeer beweeglijke groep orthodox-gelovige mensen van grote verscheidenheid in aanleg en inzicht, maar allen vervuld van een honger naar vernieuwing van het geestelijke leven in Nederland op basis van de nationale reformatie uit de 16e eeuw. „Water van Nederlands geestelijke geschiedenis in de 19e eeuw de moeite van het vertellen waard is, begint bij dat Reveil", schreef eens wijlen prof. Roessingh, de vrijzinnige hoogleraar te Leiden. Als men de nadruk legt op „geestelijke" geschiedenis en die niet verwart met „geestes-geschiedenis", is deze stelling ongetwijfeld waar. Men leze daarvoor maar eens de nog altijd onovertroffen tekening van die Reveilkring in „Oudere Tijdgenoten" van Allard Pierson.
Intussen gold toch mede voor de Reveilkring, wat Allard Pierson in 1872 daarin schreef over onze Nederlandse volksaard in het algemeen. „Een volk wil, dunkt mij, vooral gekend worden uit zijn vrouwen. Wat wij zijn, ligt ten slotte in de hand onzer moeders. Vriendelijkheid, lieftalligheid, trouw, geduld, godsdienstzin tekenen de Nederlandse vrouw, te goed in de regel om een geweldig karakter te zijn. Messalina, Fredegonde, Jeanne d'Arc, Lucretia Borgia, Maria Stuart werd zij nooit gedoopt. Het fanatische, dat haar. godsdienst soms aankleeft, pleegt meer het gevolg te zijn van de algemene overhelling in Nederland tot het theologische, verbonden met onkunde en zenuwachtige aandoeningen, opgewekt door predikantenvergoding. De Nederlandse vrouw is niet hartstochtelijk; hoe zou ons volk het dan zijn ? Het munt veeleer uit door een zekere goedaardigheid, die zich veel laat welgevallen door het tegendeel van prikkelbaarheid. Het pleegt tevreden, ja ingenomen te zijn met hetgeen het eenmaal heeft. Het is ongedurig noch wisselziek. Zijn goedaardigheid is zelfs openbaar in zijn dagelijkse taal, waarin verkleinwoorden een hoofdrol vervullen. Gevoed door een stukje vlees, gelaafd door een kopje thee, rookt men onder het genot van een glaasje wijn zijn sigaartje, een fijne sigaar, voor een dubbeltje gekocht en met een lucifertje aangestoken; of vraagt men zijn kleintje om een zoentje, tenzij men het nog hebbe af te bedelen van zijn meisje, van zijn liefje. Ook is de Ood van een deel der Nederlandse burgerij ons lieve Heertje, Wien ter ere een ander deel een versje zingt. Én klinkt het niet trouwhartig, dat: „Willen we vast eventjes bidden", waarmee de eerzame huisvader te onzent het ongeduld zijner hongerige huisgenoten tracht te paaien ? Zelfs is „je" te vormelijk, „ie" verkieslijk; kopje nog te grammaticaal ; koppie wel zo gezellig.
Een volk, dat van verkleinwoorden houdt en in het gebruik daarvan zijn bescheidenheid en natuurlijke bedeesdheid bevestigt, blijft een hartstochtelijkheid vreemd en bij uitnemendheid huiselijk. Binnen zijn enge grenzen beperkt, leidt het schier het leven ener grote familie en verkeert het gaarne in een zachte feestvierende stemming. Persoonlijkheden, die een eigen mening volgen en ontaard genoeg zijn om de Nederlandse axiomata niet te aanbidden, ziet men als vanzelf onder het licht van feestverstoorders, die men niet haat, maar lastig, maar onaangenaam vindt. Men was zo genoeglijk bijeen in de knollentuin zijner staatkundige en godsdienstige gevoelens. Wat behoefde nu deze of gene zich excentriek aan te stellen en over de muur te klimmen ! Dat staat hem lelijk."
Allard Pierson schreef dat in verband met de botsing tussen Isaac da Costa en die Nederlandse volksaard. Maar toen zelfs Da Costa in conflict kwam met Kohlbrugge, bleek hoezeer hij ten slotte toch ook behoorde bij de „knollentuin der Hollandse staatkundige en godsdienstige gevoelens", waar Pierson het over had. Kohlbrugge bleek werkelijk de enige, die in vrijwel geen opzicht in die knollentuin paste. En dat niet omdat hij zich „excentriek aanstelde en over de muur klom", maar omdat hij door de onontkoombare groei van zijn godsdienstige inzichten die knollentuin met de muur eromheen onweerstaanbaar ondermijnde èn overschaduwde. Vandaar het opschrift boven dit artikel: „Een cederboom in een knollentuin". Kohlbrugge's geloof sloeg zijn wortelen zo veel dieper en hief zijn bladerkruin zo veel hoger dan heel het godsdienstig en zedelijk denken van zijn dagen, dat hij dat betalen moest met een jarenlange en in zeker opzicht zelfs levenslange eenzaamheid. Willem de Clercq was een der weinigen, die zich niet aan de macht van Kohlbrugge's vervaarlijke zielszorg kon onttrekken, er al meer van onder beslag kwam en daardoor vervreemdde van zijn vrienden Groen en Da Costa en de hele Reveilkring. Want Kohlbrugge was niet gewoon orthodox. Hij was niet normaal Luthers en ook niet normaal Calvinistisch. Hij was, om het riskant uit te drukken, een „Barthiaan" honderd jaar vóór Karl Barth. Hij was een „doorbraak"-figuut honderd jaar vóór wat wij tegenwoordig zo plegen te noemen. Hij was, om het nog riskanter uit te drukken, een gelovige „existentialist" honderd jaar vóór wat wij in onze eeuw daarmee aanduiden. 44
Het zou een lang verhaal worden om in details te vertellen hoe Kohlbrugge's geestelijke en theologische ontwikkeling verliep en welke maatschappelijke en kerkelijke ontbering en miskenning hij heeft moeten doormaken. Hij werd er in elk geval door voorbestemd om, in die eeuw vrijwel nog geheel alleen, in radicale theologische botsing te komen niet zozeer met de goddeloze alswel met de vrome wereld, het officiële „christendom" van zijn eeuw. Een gehele „christelijk" geachte wereld, in zijn tijd nog naar het scheen in volle bloei, stortte in zijn eigen levenservaring en geloofsprediking volledig in elkaar. Wie zijn, ongetwijfeld vaak ouderwets aandoende, preken en brieven in onze eeuw herleest, en onder de oude vorm de nieuwe lente en het nieuwe geluid weet te onderkennen, ziet daarin de nog maar nauwelijks te vermommen voosheid onzer hedendaagse christelijkheid reeds een eeuw tevoren visionair aangewezen.
Kohlbrugge zei van zichzelf, dat hij „tweemaal bekeerd" was, en dat voor ieder christen die tweede bekering de voornaamste en beslissende was. Zijn eerste bekering, in de zin van een zich „persoonlijk eigendom van Christus weten", viel in 1826 bij de dood van zijn vader, toen hij zelf 23 jaar was. Zijn jeugd was moeilijk geweest: zijn vader had een zeepziederij in Amsterdam, die door de Napoleontische crisis achteruit was gegaan, en de jonge Herman moest al vroeg meehelpen in de zaak. Zijn diepe theologische studie-interesse kon hij alleen in late nachtelijke uren bevredigen. Toen zijn vader stierf moest hij die studie zelf bekostigen ; hij heeft zich daarvoor vrijwel alles ontzegd en werd het volgend jaar hulpprediker bij de Lutherse gemeente te Amsterdam. Alles zou nu gewoon zijn verlopen, ware hij niet in botsing gekomen met een der voornaamste predikanten van zijn gemeente, tegen wiens prediking hij scherpe bezwaren had ingediend, als gevolg waarvan hij als hulpprediker werd afgezet. Ziek geworden maakte hij toen een diepe crisis door; door onbekende vrienden ondersteund kon hij echter weer doorstuderen en in Utrecht zelfs promoveren. Door zijn huwelijk met een vermogende jonge vrouw werd hij voorlopig bovendien financieel onafhankelijk, en kon blijven studeren. Tijdens deze studie kwam hij tot de overtuiging dat hij lidmaat moest worden van de Hervormde Volkskerk ; het liberale kerkbestuur van Noord-Holland wees hem echter na veel heen en weer sturen af. Zijn vrouw stierf in die tijd, en hij stond geestelijk, kerkelijk, moreel en financieel berooider dan ooit weer op de keien. Tijdens deze tweede nog veel ingrijpender crisis van zijn leven valt dan zijn „tweede bekering" : het inzicht, dat Ood in Zijn genade niet alleen vrij is, maar ook vrij blijft juist jegens Zijn gelovigen I Op een reis langs de Rijn, ter herstel ondernomen, komt hij o.a. in Elberfeld en wordt daar gevraagd te preken. Dat geschiedt onder zoveel toeloop, dat de Duitse kerkelijke instanties onrustig beginnen te worden. Vooral zijn veel omstreden preek over Romeinen 7 : 14 („Wij weten, dat de Wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde"), waarin duidelijk de „tweede bekering" uitkwam, baart veel beroering en de kansel wordt hem „von höchster Stelle" verboden. Hij keert terug naar Nederland. Hij was intussen hertrouwd en blijft tien jaar lang in het „vrome" Utrecht wonen, gemeden door de meeste „gelovigen", teruggetrokken studerend en slechts corresponderend met een kleine kring van vrienden in Nederland en Duitsland. In die tijd werd o.a. de brief geschreven, die aan het begin van dit artikel werd aangehaald.
Ten slotte is hij echter toch predikant geworden en wel in datzelfde EIberfeld, waar hem de kansel was ontzegd. Als in 1845 aldaar, mede door verzet tegen een van boven af opgelegde kerkorde en liturgie, een zelfstandige gemeente ontstaat, onderdrukt hij zijn bezwaren legen afscheiding en sektarisme, en neemt het beroep daarheen aan, maar met het vaste voornemen, deze gemeente een waarachtige Nederlandse oecumenische Volkskerk in miniatuur te doen zijn — een in het Rijnland natuurlijk nogal onmogelijke onderneming ! Toch heeft hij het volgehouden, al viel het hem daarbij niet mee, in het Duits te moeten preken en schrijven; hel Nederlands was en bleef, al was zijn vader van Duitse origine, zijn moedertaal, en Nederland zijn vaderland. Dertig jaar heeft hij er gewerkt en een kring van theologische vrienden en leerlingen in binnen- en buitenland gevormd. Een dogmatiek of ethiek heeft hij nooit geschreven ; zijn kracht lag in preken, corresponderen en pastorale gesprekken. Hij was, in de goede zin van het woord, biechtvader van aanleg. Wie zijn brieven leest krijgt een diepe indruk van zijn gave om zielen te leiden. Dat gebeurde echter allerminst op zoetsappige manier; voor velen was het èl te krachtdadig. Daarom zeiden sommigen, dat hij „meer geschikt was om goddelozen tot inkeer te brengen dan om tere zielen tot gids te strekken" — een uitspraak die meer de psyche van deze beoordelaars dan die van Kohlbrugge typeerde !
Kohlbrugge heeft namelijk in zijn prediking en zielszorg altijd weer de nadruk gelegd op de heiligheid van Gods Wet. In de bovengenoemde preek over Romeinen 7 : 14 zegt hij o.a., dat de Wet van God daarom zo hoog en onaantastbaar moet worden gehouden: „opdat alle praat-christenen en vrome huichelaars met hun farizeese trots, als waren zij iets meer dan anderen in het Koninkrijk Gods of als maakten zij zich met hun deugdelijkheden bij Christus verdienstelijk, de mond gestopt worde, zoals ook de mond van alle vlees; en opdat de hoge heiligen, die op hun werken roemen, te schande gemaakt worden, omdat zij zeggen dat zij niet op hun werken roemen";
uopdat er tegen allen, die zich aanstellen als waren zij christenen, omdat zij gedoopt zijn en tof lidmaten aangenomen of omdat zij ten Avondmaal gaan en het hunne opofferen, opdat het Koninkrijk van God uitgebreid worde, en die zich aldus op Gods liefde verlaten (met hun bekering van de grove tot de fijne wereld, van de duivel tot de zeven duivels, van de wellust tot de kloosterheiligheid, van de dansvloer tot de trappen van de preekstoel en tot de wereld van tractaten, beoefeningsleringen, moraalstelsels, overdenkende christelijkheid en allerlei eigenwillige geestelijkheid, of van het liberalisme tot de mis, tot het anti-christenddm van het Westelijk Europa of tot des Heren oude altaren, maar waarop men zijn eigen zonnebeelden heeft opgericht), het getuigenis afgelegd worde, dat zij naakt zijn (dat zij Christus niet hebben aangetrokken) en bij al hun christelijke werkzaamheid en liefde dood in zonden en vervreemd van het leven van de Geest uit God in Christus Jezus; en opdat dezulken onder hen, die onder het zegel der verkiezing liggen, uit dit hun paradijs van christelijk doen en laten en geestdrijverij en een vermeend het-goed-te-hebben en er-welbijte-staan worden uitgedreven en van de zandgrond van hun eigen lopen en willen af en naar de rotssteen Christus gejaagd worden".
Verbluffend is, dat zulke vervaarlijke woorden hem de naam bezorgden dat hij niets van de Wet van God wilde weten. Het tegendeel was het geval. Kohlbrugge is zijn hele leven opgekomen juist voor de Wet van God en dus b. v, in het bijzonder voor het Oude Testament! Hij heeft er altijd op gestaan, dat daar niet mee „geknoeid" werd, zoals hij het uitdrukte; hij bedoelde, dat de vrome mensen van de botsing tussen God en mens, van de strijd tussen vlees en geest telkens weer niet wilden weten en dus met allerlei raffinement Gods geboden in eigen menselijke maatstaven veranderden, waardoor men niet zichzelf en anderen liet meten, maar waarmee men wel zichzelf en anderen ging meten! Dit in de hand nemen en hanteren van Gods Woord en Wet was hem een gruwel. Hij wilde de mens mens en God Oód laten zijn en blijven. Hij wilde het mens-zijn van de mens alléén door God, alléén „in Christus" gerechtvaardigd en dddrdoor geheiligd laten zijn en blijven. Diirom stelde hij Jezus Christus zo hoog en onaantastbaar boven en tegenover alle christelijkheid en kerkelijkheid — en juist niet in een soort verhevenheid, maar in Zijn onloochenbare menselijkheid ! Vandaar, dat hij al spoedig evenzeer beschuldigd werd van aantasting van de heiligheid van Christus als van de heiligheid der Wet! Toen hij namelijk met name over het geslachtsregister van Jezus Christus in Mattheüs 1 een vervaarlijk boekje had geschreven, waarin hij met wegvagen van iedere moralistische uitlegging om zo te zeggen het doopceel van Jezus' voorgeslacht lichtte, gaf dat al evenzeer aanstoot aan talloze vrome gemoederen. Er gaat ook inderdaad over de bladzijden van dat boekje een adem en schaduw van iets wat bijna op blasfemie zou kunnen lijken: zo radicaal en realistisch tekent hij daarin de reeks van alleen maar gelovende zondaren en zondaressen, waaruit Jezus voortkwam. En wat hij over Jezus Christus' leven en sterven pleegde te zeggen betekende al in dezelfde mate een breuk met iedere idealisering van een zekere edele volmaakte Joodse rabbi Jezus van Nazareth. „Al wat niet uit God geboren is, is te engelachtig", zegt hij. „Bij Oèds heiligen is alles goed, alles overeenkomstig Zijn raad, alles naar Zijn welgevallen, terwijl het toch in hen en op zichzelf niets anders is dan zijzelf, zonde en nog eens zonde." Zo was Jezus ook „het tegenovergestelde van wat Hij was". „Zodanig was Hij zonder zonde" voegt hij er betekenisvol aan toe. „Toen Hij niet was wat Hij was, maar was wat wij voor ons waren, handhaafde Hij op het Woord af, wat Hij was". „Zonder acht te nemen op goed of kwaad, zonder notitie te nemen van goed of kwaad, heeft Hij God Zijn krediet weergegeven. Hij deed de wil des Vaders, ofschoon Hij het contrairie zag. Bij elke schrede, die Hij deed, gevoelde Hij Zich verlaten, het scheen dan altijd even als deed Hij Gods wil niet." Christus was „in de onmogelijkheid om Gods wil te doen en te weten".
Naar déze door God voor eeuwig gehandhaafde en verhoogde mens Jezus, en juist zó de rots Christus, joeg Kohlbrugge alle hovaardige harten heen en met deze Jezus Christus troostte hij alle gebroken en verslagen harten, in ontelbare preken, brieven en gesprekken. Ik moet de verleiding weerstaan, dit artikel te lang te maken door veel citaten. Ik moge zijn zielszorg typeren door een brief te citeren, die hij in maart 1838 aan een neergebogen vriend schreef en waarin heel zijn brandende hart sprak : „Zo als gij schrijft, dat gij u bevindt, bevind ik mij ook en gevoel mij nog duizendmaal erger dan gij — en of gij het geloven wilt of niet, het is toch zo — en daarom zal ik het u altoos gemakkelijk vergeven, als gij met nog erger klachten aankomt — ja, niet vergeven, want ik weet niet, dat ik iemand iets te vergeven heb, als ergerde hij mij, die mij goed doet. En ik kan veel gemakkelijker duizend verdragen, die mij zulke mededelingen doen hoe het met hen gesteld is dan één, die meent wat te zijn en gaat knoeien met de Wet. Uw hart mag misschien tot wat anders uitgaan dan het mijne, het is toch : gelijke monniken gelijke kappen — maar gij houdt mij te heilig om mij altijd alles mee te delen en ik mij te heilig om u alles te zeggen. Zo schijnt het mij tenminste toe — daarom nodig ik a, dat wij tezamen op dat ondier jacht maken ; en als gij mij niet voor te heilig houdt om mij meer en meer te klagen, zelfs bij gehele cedullen, ik hoop mij niet te heilig te houden om u wederkerig mee te delen al meer en meer wie ik ben. Want ik vorder nog dagelijks 46 in zelfkennis en word er zo mee aan de grond gehouden dat ik, zo dikwijls ik mij vleugelen aangewassen voel om ten hemel te vliegen, mijn voet aan een blok gekluisterd voel, dat zo groot is als ikzelf en als de wereld. En zo gebonden en gekluisterd word ik menigmaal desperaat en wil er maar niet aan om, terwijl ik zelf en de duivel roepen: gij zijt gebonden, en ik het met mijn ogen zie en met mijn verstand begrijp — tegen alle gezond verstand, tegen mijn eigen en des duivels waarheid in, te geloven : dat ik vrij ben en niet gebonden, en in de hemel en niet op aarde, en met Christus in God en niet aan het blok. Maar ik moet wel, en ik mag ook, en ik geloof — want bij al mijn zonden heeft God almachtig, goedertieren en ontfermende, mij zulk een vreze voor Zijn heilige Naam en zulk een ontzag voor Zijn eeuwige Wet gegeven, dat ik ril en schrik en benauwd word, als ik op zou houden of ophoud, ten spijt van de duivel, in die éne zonde te volharden, die, al onze zonden weggenomen hebbende, ons tot rechtvaardigen gesteld heeft en stelt (11 Cor. 5:21). Maar, dat mijn ik verrot is, zeg ik u nu niet na, want mijn ik is goed en het uwe ook: geloof alleenlijk! Daar toch zit bij u het punt: dat gij er niet aan wilt te geloven, dat uw verrotte ik goed is en bloeit van alle vruchten des geestes, ik zeg: uw verrotte ik. „God is goed", zult gij zeggen — ik zeg : „Christus is goed." Ja, „Christus", zult gij zeggen — ik zeg: „gij". „Ja, naar het nieuwe deel", zult gij zeggen. Ik zeg : „gij". „Hoe ? Mijn oude deel ook ?" zult gij vragen. Ik zeg: „gij"- — Maar hoe kan iemand goed wezen, aan wie geen haar goeds is ? Evenzo als hemel en aarde gemaakt is; uit niets schiep God, door Zijn Woord; zo«dan : wij zijn heilig, omdat Hij het gezegd heeft en zijn begenadigd in de Geliefde. Toen gij een kleine jongen waart en als uw vader u prees wegens uw schrijven (en het waren kromme streepjes en hoekige beentjes), waart gij dan niet blij ? Och, die eenvoudige kinderlijke hoogmoed : „ik kan wel goed schrijven ; Abba heeft het gezegd." Ik zeg: „Wat kan Antje al mooi lopen", en als er nu een vreemde komt, wil Antje haar loopkunst tonen en zegt op grond van mijn woord : „Antje mooi lopentjes kan." Houdt u aan de eenvoudigheid in Christo Jesu, aan de eenvoudigheid Christi — en doe dagelijks fris op deze belijdenis: ik grote reus ben een klein kind, vervuld met alle kinderzin, ofschoon ik, vervuld met alle kinderzin, ik, blijvende een klein kind, mij verbeeld te zijn een grote reus en te zullen opgroeien tot de lengte van de Westertoren — mijn verrotte ik is zo fris als een cederplant en bloeiend in de hof Gods — ik zondaar ben een heilige — ik goddeloze een gerechtvaardigde, en mijn hart, dat niets dan slijk en modder opwerpt, is rein. Maar daarbij geldt geen rekenen met kwarten, achtsten en zestienden, die op een miljoen een gehele som uitmaken — maar: „ik, bankroetier, heb allen betaald zonder korting" — ik, arme, ben rijker dan Rothschild — niet met berekeningen, niet in beschouwingen en niet in mijzelf het op te dringen, maar in mij te buigen, neer te knielen in het verborgene voor de ogen des Heren in de geest en tot Hem te schreeuwen: „Here, Here, zijt Gij niet de waarachtige Ood en Waarmaker van Uw Woord, hebt Gij niet hemel en aarde gemaakt, de zee en al wat er in is ? — Uw is het koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid — Gij alleen zijt God — behalve U geen God — waar is een God gelijk Gij"".
Onderschrift van de redactie
Bovenstaand artikel van Ds. K. H. Kroon, hervormd predikant te Amsterdam, is overgenomen uit „De Groene Amsterdammer" van 28 januari IQöl. Toen het enkele weken geleden verscheen, heeft het overal in ons vaderland aandachtige lezers gevonden. AI is het oorspronkelijk geschreven voor een heel andere lezerskring dan die wij met ons blad bereiken, toch heb ik gemeend, aan dit uitnemende stuk een plaats in het „Kerkblaadje" te moeten inruimen. Dankbaar ben ik zowel Ds. Kroon als de directie van „De Groene Amsterdammer", dat zij mij welwillend toestemming hebben gegeven, dit artikel in het „Kerkblaadje" over te nemen.
Enkele vreemde woorden, die in bovenstaand artikel voorkomen, wil ik voor die lezers, wie deze woorden onbekend zijn, verklaren : hypocriet — huichelaar; axiomata — waarheden die zonder bewijs aan de ervaring ontleend worden ; excentriek — raar, vreemd ; existentialist — aanhanger van de wijsbegeerte b.v. van Sartre, die de nadruk legt op het creatuurlijke of zondige bestaan van de mens; details — bijzonderheden ; visionair— met zienersblik ; von höchsterStelle — vanwege de allerhoogste instantie; in miniatuur — in het klein ; dogmatiek — geloofsleer; ethiek — zedeleer ; psyche — ziel; raffinement — geraffineerdheid; moralistisch —zedekundig; blasfemie — godslastering ; contrairie — tegendeel; cedulle — reeksen ; desperaat — wanhopig ; Westertoren — bedoeld is de toren van de Westerkerk te Amsterdam, die zeer hoog is.
D. VAN HEYST
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 maart 1961
Kerkblaadje | 8 Pagina's