Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Reformatorische prediking in onze tijd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Reformatorische prediking in onze tijd

Referaat, uitgesproken op de conferentie van de Kring van Vrienden van Dr. H. F. Kohlbrugge op zaterdag 16 april 1966

29 minuten leestijd

Inleiding

In zijn boek „Reformatorische opmerkingen in de ontmoeting met Rome" maakt Prof. Dr. A. A. van Ruler de opmerking: „De prediking is met name door de Relormatie in onze samenleving een zeer bekende en zeer 'centrale grootheid geworden" (blz. 155). Dat is treffend juist. We kunnen de Reformatie van de zestiende eeuw kenschetsen als een terugkeer tot de Heilige Schrift en een herontdekking van het Evangelie van Gods genade in Christus, waardoor goddelozen vrijgesproken worden. De belijdenis „sola gratia, sola fide" (alleen door de genade, alleen door het geloof) kwam weer centraal te staan. Het laat zich verstaan, dat dit verstrekkende consequenties inhield voor de prediking. Ze kon niet meer moraal-toespraak zijn, zoals veelszins in de middeleeuwen het geval was, en evenmin opgaan in allerlei verhalen over heiligen en hun ervaringen; neen, ze moest weer worden, wat ze ook naar haar wezen behoort te zijn: verkondiging van Gods genade, woord der verzoening. Want de God en Vader van onze Heere Jezus Christus wil immers, dat de boodschap van Zijn reddende genade alom aan de mensen bekendgemaakt wordt. Het is dus niet te veel gezegd, als we stellen, dat de Reformatie met zich meebracht een eerherstel van de prediking als uitleg en toepassing van de Heilige Schrift, Gods Woord. De prediker is dienaar van het Woord, wiens roeping en opdracht het is: „Predik het Woord; houd aan tijdig, ontijdig; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer" (2 Tim. 4:2).

De hoge waarde, die de Reformatie hecht aan de prediking als bediening van het Woord Gods, komt ook tot uiting in de reformatorische belijdenisgeschriften. Ik geef een tweetal citaten ter illustratie uit de Dordtse Leerregels. In hoofdstuk II, 5 lezen wij: „Voorts is de belofte van het Evangelie, dat een ieder die in de gekruisigde Christus gelooft, niet yerderve, maar het eeuwige leven hebbe. Welke belofte alle volken en mensen, tot welke God naar Zijn welbehagen Zijn Evangelie zendt, zonder onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden, met bevel van bekering en geloof". En wanneer in hoofdstuk III/IV, 17 gesproken wordt over de wedergeboorte, wordt nadrukkelijk gezegd, dat deze werking Gods „geenszins uitsluit noch omstoot het gebruik des Evangelies, hetwelk de wijze God tot een zaad der wedergeboorte en spijs der ziel verordineerd heeft". Ook het klassieke formulier voor de bevestiging van dienaren des Woords is op dit punt zeer verhelderend. „Ten eerste, dat zij des Heeren Woord, door de Schriften der profeten en apostelen geopenbaard, grondig en naar waarheid aan hun volk zullen voordragen en toeëigenen, zo in het algemeen als in het bizonder, tot nuttigheid der toehoorders, met onderwijzen, vermanen, vertroosten en bestraffen, naar eens ieders behoefte, verkondigend de bekering tot God en de verzoening met Hem door het geloof in Christus".

Calvijn als prediker

Het zou de moeite waard zijn een en ander breed toe te lichten aan de hand van de prediking der reformatoren. We moeten ons evenwel beperken en willen daarom zeer kort even ingaan op de predikarbeid van Calvijn. Wie zich in Calvijns preken verdiept, wordt al direct getroffen door de opzet van deze preken. We hebben geen last van ingev^ikkelde themata met puntverdelingen en onderverdelingen, die de — overigens vaak voortreffelijke — preken uit later tijd kenmerken en de lezing ervan tot een vermoeiende zaak maken. Neen, Calvijn volgt de tekst — doorgaans een bepaalde pericoop — voor zijn preek op de voet, weidt over allerlei onderdelen uit al naar gelang van de inhoud en kan soms zeer abrupt en zeer nuchter een preek beëindigen. Het is dus allerminst een fraai retorisch betoog, waarbij één bepaalde gedachtengang uitgewerkt wordt. Maar en dat maakt de lezing van zijn preken na zoveel eeuwen tot zulk een boeiende zaak — Calvijns preken zijn voluit verklaring en toepassing van de Schrift. U weet, dat de Geneefse reformator de gewoonte had gehele bijbelboeken achter elkaar te bespreken (de zgn. lectio continua). Dat hangt met het voorafgaande samen. In opbouw en inhoud, in opzet en vorm komt uit, dat Calvijn alleen dienaar des Woords wilde ajn. Dit Woord hebben — aldus Calvijn — de dienaren getrouw en ongeschonden door te geven. Ze zijn immers de deurwachters van het Koninkrijk der hemelen (zie commentaar bij Matth. 16 : 19).

Preken is voor Calvijn prediking van het Woord van God, zoals het hier en nu alleen naar ons toekomt in de Heilige Schrift. Verkondiging van het heil in Christus alleen. Wars van alle speculatie waarschuwt de hervormer ons er keer op keer voor, ons op te houden met onbetekenende kwesties. In de prediking van het Evangelie moet Christus verkondigd worden naar de Schrift. Die Schrift is voor hem geen dode letter, maar het levende en krachtige Woord van God. Wat Calvijn in de Schrift ontvangen heeft, heeft hij eens als in een loflied op de volgende wijze verwoord: ,,Zij is de sleutel die ons het Koninkrijk Gods opent met het doel ons daar binnen te leiden, opdat wij weten welke God we moeten aanbidden en waartoe Hij ons roept". De Schrift is voor hem de zekere weg die ons leidt, de enige regel, het licht en de lamp, de school van alle wijsheid, de spiegel waarin we het aangezicht Gods aanschouwen, de koninklijke scepter waardoor de Heere ons regeert, de herdersstaf, het document van Zijn verbond, het getuigenis van Zijn goede gezindheid, het enige voedsel van onze zielen, dat voedt ten eeuwigen leven.

En in de prediking wordt deze Schrift vertolkt. De prediking is immers het unieke en exclusieve middel, waarvan de Heilige Geest zich bedient om het heil in Christus toe te passen. De bediening van het Woord is de bediening van de Geest, van de gerechtigheid én het eeuwige leven. Als daarom het Evangelie met onze oren ontvangen wordt, wordt voor ons de deur der zaligheid opengezet (zie Inst. IV, 2, 3; II, 1, 4). Elders noemt Calvijn de prediking van het Woord Gods de moeder, die ontvangt en baart, en het geloof de dochter, die nimmer haar oorsprong mag vergeten. Er is tussen Geest — gepredikte Woord — geloof dus een nauwe relatie. Het gepredikte Woord is trouwens ook het voedsel, waardoor God ons onderhoudt. Verachting der prediking is daarom een zware zonde. In zijn commentaar op Matth. 10 : 14 (Christus' woord om het stof van de voeten te schudden, als ergens de prediking der apostelen niet aanvaard wordt) schrijft Calvijn zelfs, dat geen misdrijf God zó zwaar beledigt als het verachten van Zijn Woord. „Want noch van overspelers, noch van doodslagers, noch van andere boosdoeners gebiedt Christus ons met zulk een plechtige handeling onze afschuw te kennen te geven".

Het bovenstaande illustreert ons inziens genoegzaam, welke hoge betekenis de Reformatie toekent aan de prediking van het Evangelie.

Een aangevochten zaak

Het is ons vanmiddag echter niet primair te doen om een historisch exposé. Neen, we willen nadenken over reformatorische prediking in onze tijd. En dan blijkt, wanneer we het geheel van het kerkelijk leven overzien, deze reformatorische prediking als bediening van het Woord, als uitleg en toepassing van de Schrift, een aangevochten" zaak te zijn.

Velen stellen de vraag: „Heeft deze predikiiij nog bestaansrecht? Heeft de prediking überhaupt nog reden van bestaan?" Het is voldoende bekend, hoe er ten aanzien van de bestaande prediking binnen de reformatorische kerken allerlei critische geluiden doorklinken. Talrijke boeken en brochures zoeken een antwoord op de vraag: Hoe bereiken we de moderne mens met het Evangelie? Hoe moet er gepreekt worden? — Nu is deze critiek op zichzelf niet erg. Juist wie weet heeft van de betekenis van de prediking zal dankbaar zijn voor elke critische toetsing van de prediking, waarbij hel Woord Gods — de bron en de norm der preuiking — zelf de criticus is.

Erger is het, wanneer de critiek wordt tot een klacht over de gemeenten, die doodgepreekt zouden worden, gedegradeerd tot een gehoor, etc. En we zien dan, hoe velen hun toevlucht zoeken in de liturgie, het sacrament, of ook in allerlei apostolaire experimenten.

Met dat laatste hangt samen een toenemende critiek op de bestaande kerken en het kerkelijk leven. Wie „de kerk binnenste buiten keert" heeft over het, algemeen weinig goede woorden voor een eredienst, waarin de prediking des Woords centraal staat. Men acht de traditionele prediking een „Fremdkörper" in het geheel van de kerkelijke ontwikkeling.

Nu kunnen we ons van al deze bezwaren en critische geluiden niet zonder meer afmaken. Ook al zijn we niet geneigd te zwichten voor de argumenten van hen die de prediking willen degraderen of zelfs min of meer elimineren ten gunste van dienstbetoon, medemenselijkheid etc, toch zullen we juist wanneer de reformatorische belijdenis ons lief is, ons rekenschap hebben te geven van de enorme taak van de prediking in deze tijd. Wij staan immers als reformatorische christenen in deze tijd. En de factoren, die onze tijd bepalen (cultureel, wijsgerig, technisch, politiek), doen hun invloed gelden en veroorzaken ook binnen de reformatorische kerken allerlei verschuivingen. Verschuivingen, die ook de prediking raken.

Actueel, niet actualistisch

De prediking is immers geen tijdloos gebeuren. Dat kan de geschiedenis der prediking ons al leren. Wie zich verdiept in reformatorische preken uit verschillende eeuwen ontdekt bij alle inhoudelijke overeenkomst toch typerende verschillen. Verschillen, die samenhangen met levensklimaat, situatie van kerkelijk leven, stijlveranderingen, enz. Vergelijkt u b.v. maar eens een preek over dezelfde tekst van Calvijn, Smytegelt, Kohlbrugge en Koopmans, om slechts een paar namen te noemen.

Van de prediking van Calvijn is gezegd: „In zijn prediking tintelt het van echte actualiteit. De ge-dachten der Schrift moeten met onverbiddelijke konsekwentie toegepast worden op het leven" (zie W. H. V. d. Vegt in „Het gepredikte Woord", deel I, blz. 28).

We mogen daarom zeggen: Reformatorische prediking is actuele prediking, niet actualistisch. Met dat laatste bedoelen we, dat de prediking ontaardt in allerlei sensationele verhalen, smakeloze voorbeelden en gewild-populaire uitdrukkingen.

Maar met het woord „actueel" willen we uitdrukken, dat reformatorische prediking bediening van het Woord is aan de mens, levend in een bepaalde situatie. Met de nadruk op beide elementen: bediening van het Woord aan de mens van nu. Dat houdt in, dat we telkens weer geroepen worden bij het licht van de Schrift en lettend op de situatie te vragen: Hoe en wat prediken we aan de mens van heden?

Dat zijn we verplicht aan het Woord, waarvan we dienaren zijn. Dat Woord is geen dode letter, maar het gewaad waarin Christus tot ons komt. En van Christus staat geschreven: „Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond".

Dat zijn we voorts ook verplicht aan de kerk, die ons lief is en wier ontwikkeling ons vaak met zorg vervult. Wanneer we inderdaad menen dat het erfgoed der Reformatie ook vandaag niets aan waarde heeft verloren, zullen we deze bezinning niet mogen ontwijken. Opdat duidelijk moge worden, dat de belijdenis der Reformatie in het geheel van het kerkelijk leven van nu nog niets aan actualiteit heeft ingeboet.

En tenslotte is deze bezinning ook een zaak van pastoraal belang. Ook onze gemeenten staan in een razend-snelle ontwikkeling. Het ontkersteningsproces dringt door, ook tot in de meest geisoleerde dorpen. En de leden der gemeente worden dag aan dag op hun werk, via de pers en de televisie, geconfronteerd met de grote vragen van elke dag. Hoe prediken we aan déze mens het Woord Gods als een boodschap van God voor de mens van nu?

Dat is de vraag, waar we voor staan. En de beantwoording van deze vraag roept de spanningen op. Hier gaan soms de wegen uiteen. In de beantwoording van de vraag: ,,Hoe loopt de weg van de tekst naar de gemeente? Hoe doen we de Schrift recht en voorkomen we tegelijk, dat de preek een tijdloos exposé wordt, het opsommen van een aantal leerstellige waarheden?" Prof. Dr. H. Jonker heeft deze kwestie eens dui

Prof. Dr. H. Jonker heeft deze kwestie eens duidelijk en klaar als volgt geformuleerd: „Het vraagstuk van de laatste decennia is voor de prediking de verhouding tussen de gehoorzaamheid aan het volle Woord Gods en de gerichtheid op de concrete situatie van de gemeente, levend in het atoom-tijdperk temidden van een vertechniseerde samenleving" (Chr. Encyclopedie, s.v. prediking, deel V, blz. 500).

God spreekt tot ons

Wanneer we in dit verband enkele opmerkingen mogen maken, moet vooropstaan, dat we in alle bezinning over deze zaak hebben uit te gaan van het feit dat in de prediking de God en Vader van Jezus Christus, de God van het Verbond zelf tot ons komt. No^ eenmaal citeer ik het klassieke bevestigingsformulier: „Neemt dan het Woord aan, hetwelk hij u volgens de Schrift zal verkondigen, niet als een mensenwoord, maar, gelijk het in waarheid is, als Gods Woord". „God, de Schepper van hemel en aarde, spreekt met u door Zijn predikers", zegt Luther in zijn tafelgesprekken. Ook Calvijn beklemtoont dit gezichtspunt. In zijn commentaar op Exodus 14 : 31 schrijft hij: „Zij, die het Woord Gods getrouw verkondigen, moeten daarom aangehoord worden alsof Godzelf uit de hemel tot de hoorders daarvan neerdaalde". Predikers zijn gezanten Gods. Herauten van Koning Jezus. Deze Christus verkeert in de prediking onder ons. ,,Zo zijn wij dan gezanten van Christus' wege, alsof God door ons bad; wij bidden van Christus' wege: Laat u met God verzoenen" (2 Cor. 5:20).

Van Christus' wage! Dat mag ons als hoorders en predikers wel met .ontzag en verwondering vervullen. Dat mag ons ook tot ootmoed stemmen. Maar dat heeft voor ons onderwerp: prediken aan de mens van nu ook enorme consequenties. Waar in de prediking God zelf tot ons komt, mogen we dus nooit ons uitgangspunt nemen in de situatie om van daaruit te naderen tot een vertolking van het Woord. Die God, Die zich in Christus geopenbaard heeft. Die ons Zijn Naam heeft bekendgemaakt, wil ons ontmoeten daar waar Zijn Woord verkondigd wordt.

Dat gaat van Hem uit. Hij bepaalt dus ook, waar het in die ontmoeting over zal gaan. En dienaar en gemeente zijn aan dit Woord gebonden. „Spreek, Heere, Uw knecht hoort " Deze houding van Samuel zal ook de onze moeten zijn, zal de kerk waarlijk haar profetische roeping in de wereld van nu kunnen vervullen.

Woord Gods en situatie

Hier nu gaan de wegen uiteen. Immers, er maakt zich een theologisch denken breed in Duitsland, Engeland en Amerika, dat ervan uitgaat, dat de kerk de boodschap zó moet „vertalen" dat het aankomt bij de moderne mens. Dat klinkt nogal argeloos en onschuldig. Wie zal daar op tegen kunnen zijn? Het Woord zó brengen, dat het weerklank vindt Maar het program van de genoemde „vernieuwingstheologie", zoals men deze stroming pleegt te noemen, houdt niets minder in dan dit, dat de kerk — wil zij nog iets te zeggen hebben — zich in prediking en apostolaat heeft aan te sluiten bij het levensbesef van de moderne mens. De situatie, waarin deze moderne mens verkeert, vormt het uitgangspunt en niet meer het Woord Gods. De prediker heeft vanuit zijn inzicht in- en kennis van de moderne mens — kennis, die hij moet opdoen uit romans, films en toneelstukken — deze mens te benaderen en dient hem aan te spreken volgens het bepaalde beeld, dat hij van die mens bezit. Op deze wijze zoekt men dus in prediking en theologie aansluiting bij het moderne levensbesef.

Het is met name Paul Tillich, die hier grote invloed uitgeoefend heeft. Ik noem slechts het boekje „Eerlijk voor God" van bisschop Robinson en ten onzent Barthold van Ginkel. Tillich gaat er n.1. van uit, dat er een onderscheid is tussen de eeuwige Waarheid en de tijdelijke uitdrukking van die Waarheid. Tillich's bezwaar tegen de rechtzinnigheid is, dat zij vergeet dat de Waarheid altijd vertolkt wordt in een bepaald taaikleed, afkomstig uit een bepaalde situatie, die steeds wisselt. En juist dat laatste, dat de situatie steeds wisselt, moet men — aldus Tillich — in het oog houden. De vragen, waar de mens mee zit, wisselen dus ook steeds. Daarom moet men in theologie en prediking de boodschap en de situatie verbinden, op die wijze, dat de theologie (en dus ook de prediking) antwoord geeft op de steeds wisselende vragen van de mens. Deze antwoorden dienen gezocht te worden vanuit de zelf-interpretatie van de moderne mens. M.a.w. bepalend voor het antwoord, dat de prediking geeft, is de vraag: „Hoe verstaat de moderne mens zichzelf?" Nu kan men zonder meer toegeven, dat de situatie waarin de mensen verkeren, het moderne levensbesef, natuurlijk niet onbelangrijk is. Die situatie zullen we terdege hebben te kennen. Maar op welke wijze verdisconteren we de situatie? Benaderen we de situatie vanuit het Woord Gods of laten Vi'e het Woord Gods bepalen door de tijdsfactoren? Bij Tillich en zijn aanhangers wordt de inhoud der prediking bepaald door de situatie. Er moet geantwoord worden op vragen, die de moderne mens in zijn situatie, vanuit zijn verstaan van zichzelf stelt. De mens roept God a.h.w. op tot een antwoord.

Het gevolg is, dat het antwoord daarmee in een bepaalde richting getrokken wordt. En het Woord Gods wordt ondergeschikt gemaakt aan de denkwijzen van de moderne mens. In de practijk komt dat hierop neer, dat die bestanddelen van de bijbels§ boodschap, die voor de moderne mens onverstaanbaar zijn, eenvoudigweg geëlimineerd A'orden als niet ter zake doende, zoals het geheimenis van de maagdelijke geboorte, het plaatsbeïJedend offer van Christus, de feitelijkheid van de opstanding en de hemelvaart en de verwachting ' an de wederkomst op de wolken des hemels. Terecht is gezegd, dat, wanneer Christus slechts

Terecht is gezegd, dat, wanneer Christus slechts het antwoord is op onze problemen, de menselijke mogelijkheden en problemen worden tot inaatstaf voor de ruimte waar God ingrijpt. Bovendien ziet men voorbij, dat in de ontmoeting

Bovendien ziet men voorbij, dat in de ontmoeting met het Woord niet slechts de mens zijn vragen stelt, maar dat vóór alles God die mens ter ver- •ntwoording roept. En de Heere God doorkruist, • orrigeert, verdiept onze vragen. Ik moet hierbij lenken aan wat Kaj Munk ergens vertelt. „De luensen vragen", zo zegt Munk, „aan de Heere God: „God, waar zijt Gij?" — en het klinkt soms als een aanklacht. Maar God draait het om en antwoordt op uw vraag: „En waar zijt gij?" " Dat is het. Het Woord Gods stelt zijn vragen. Ont

tlekkende en onthullende vragen. En zó, in de ontmoeting met het Woord, leert de mens zichzelf kennen. Zó leert hij ook God kennen. Uit Zijn Woord. Wie de boodschap van het Evangelie door de filter van het moderne levensbesef laat heengaan, raakt de inhoud van het Evangelie kwijt. Die verliest de levende God uit het oog. Daarom menen we, dat de door Tillich, Bultmann en Robinson gewezen weg de dood betekent voor de prediking. De prediker kan dan alleen nog spreken bij de gratie van de moderne mens en zijn cultuuranalyse. En de vragen van deze mens gaan de inhoud van de bijbelse woorden bepalen. Woorden als verzoening, vergeving, schuld en genade worden volkomen in het vlak van de medemenselijkheid getrokken: het dienstbetoon aan de ander, het je openstellen voor de ander. De Christus Gods, de gekruisigde en de opgestane Heere, wordt tot een Jezus, die men moet navolgen op de weg door het absurde heen. In wezen komt men dus terecht bij de oude, negentiende-eeuwse vrijzinnigheid.

Men wil het Evangelie geloofwaardig maken door eerst de aanstoot weg te nemen, die er ligt voor het moderne levensbesef. Maar men raakt het Evangelie kwijt en houdt een vlakke moraaltoespraak, een christelijk getint humanisme over. Het Woord Gods komt niet meer aan het woord, maar wordt verzwolgen door de situatie. En het heilshandelen Gods vervaagt en wordt van zijn inhoud beroofd via het levensbesef van de mens. Jezus wordt tot een belichaming van hetgeen in mensenharten opklimt. Terecht is door Prof. Dr. G. C. van Niftrik aan het adres van Ds. Barthold van Ginkel gevraagd: „Waar blijft hier de objectiviteit van het spreken en handelen Gods in Christus, dat Hij volbracht heeft buiten mij, zonder mij en nochtans voor mij?" (zie Herv. Weekblad „De Geref. Kerk" van 15 april 1965).

Verbond en prediking

Dat zullen we in alle bezinning over de prediking in onze tijd hebben te honoreren. Wij prediken niet onszelf en we kunnen eraan toevoegen: evenmin een analyse van het levensbesef van onze tijd. Wij zijn geroepen Christus als Heere te verkondigen. We zullen juist in onze tijd in de prediking aandacht hebben te schenken aan het heilsfeitelijke: aan wat God in Christus gedaan heeft en doet en doen zal. „Er zijn daden Gods", schrijft Van Niftrik, „waarop mijn heil rust". Inderdaad. En in de prediking worden we met deze heilsdaden Gods geconfronteerd, opdat wij het heil zouden zoeken buiten onszelf in Christus. De laatste zinsnede moge duidelijk maken, dat we

De laatste zinsnede moge duidelijk maken, dat we dus met de nadruk op het heilsfeitelijke geen koude objectiviteit bedoelen, die geen ruimte meer laat voor de geloofsbeslissing, voor de toeëigening des heils door de Heilige Geest. De verkondiging van Gods grote daden (wat in het Nieuwe Testament dus kerygma genoemd wordt) is geen vrijblijvende mededeling, die we als een bepaalde stand van zaken op een rationalistische wijze hebben te accepteren.

Ik meen, dat we aan dit misverstand kunnen ontkomen, als we op de rechte wijze het verband tussen Verbond en prediking in het oog vatten. Over het Verbond is binnen de reformatorische kerken heel wat te doen geweest. De angst voor het hierboven gesignaleerde rationalisme heeft ten gevolge gehad, dat in verschillende kringen deze goed-schriftuurlijke notie van het Verbond op de achtergrond geraakte. Dat is gelukkig aan het veranderen. Met name de publicaties van Dr. Woelderink (o.m. zijn boek over het Doopsformulier) hebben velen de ogen geopend voor de betekenis, die het Verbond heeft in de Schrift.

In de prediking komt de God van het Verbond met Zijn eis en belofte tot de gemeente. Als de verkiezende God handelt Hij verbondsmatig met de mens. Dat betekent geen vrijblijvende houding. Integendeel, juist daar waar wij in de prediking de God van het Verbond ontmoeten wordt ons alle valse rust ontnomen. ,,Zijn volk zijn wij, de schapen Zijner weide. Heden zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet " (Ps. 95).

In de beloften van het Evangelie komt Gods heil tot ons. Want Gods beloften zijn maar geen holle klanken. Integendeel, het zijn de toezeggingen des Heeren, die in Jezus Christus ja en Amen zijn. „Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig " (1 Tim. 1 : 15).

En juist waar de beloften van het Verbond ons op het hart gebonden worden, daar komt met klem de eis tot geloof en bekering op ons af. Nooit mogen we de Verbondsbelofte uitspelen tegen de noodzaak van bekering en geloof. De belovende en gebiedende God roept ons in Christus tot de overgave aan Hem en Zijn Woord. Waar zó het Verbond een plaats krijgt, wint de oproep tot geloof en bekering aan kracht en geladenheid. De prediking van Israels profeten vormt daartoe een duidelijk voorbeeld. De scherpste aanklachten en het meest dringend appèl wordt daar gehoord, waar het volk des Verbonds geconfronteerd wordt met het heil des Heeren, met de weldaden door Hem aan Israël bewezen.

Kind des Verbonds te zijn is een adeldom, maar stelt ook verantwoordelijkheid. Het is geen kwaliteit in zichzelf, waardoor men voorbij kan gaan aan zonde en genade. In de ontmoeting met God worden we gesteld voor een beslissing, waarbij ons hart en leven betrokken is. „Juist omdat God in Christus zulke rijke beloften schenkt en met zulke ernst en waarachtigheid, daarom is er nu alles aan gelegen, dat wij door het oprechte geloof deze beloften aanvaarden". (Graafland. Verschuivingen in de Gereformeerde Bondsprediking, blz. 53.)

Het gaat erom, dat wij door Woord en Geest God in Christus leren kennen als onze God. Dat de diepten van zonde en genade, van schuld en vergeving, voor ons opengaan. Dan wordt niet de mens grootgemaakt, ook niet het Verbondskind, maar God in Christus, Die mensen opjaagt uit de valse rust en ze als goddelozen doet rusten in het offer van Golgotha.

Om het met een „modewoord" te zeggen: Reformatorische prediking, die zó het Verbond een plaats geeft, is zeer existentiële prediking. „Be-keert u, want u komt de belofte toe " (Hand. 2 : 39). We zijn dan geen toeschouwers of museumbezoekers, maar worden eibij betrokken in de prediking. In de prediking spreekt God ons aan. Hij snijdt ons de pas af en ontneemt ons de vluchthavens, zodat we er niet meer onder uit kunnen. Een afwachtende houding is dan onmogelijk. Waar Gods Geest de prediking gebruikt als instrument, daar dringt de prediking tot een beslissing: aanvaarden of afwijzen. Ergernis of geloof.

Door zó de nadruk te leggen op het ontmoetingskarakter, op de ik-gij-relatie binnen het Verbond, zou het misverstand kunnen rijzen ais zouden God en mens gelijkwaardige partners zijn. Dat is zeer stellig niet bedoeld.

De ontmoeting gaat van God uit. Als de Souvereine heeft Hij het eerste en het laatste woord. En de mens, die opgeroepen wordt tot horen, is geen gelijkwaardige partner. Daarom ben ik er wat huiverig voor om de preek aan te duiden als een dialogisch gebeuren. Het woord ,,dialoog" miskent m.i. dit overmachtige, eenzijdige van het spreken Gods en belast het antwoord van de mens wat te zwaar.

Het is en blijft een ontmoeting in de genade. Wij worden geroepen om te horen en gehoor te geven.

Prediking van zonde en genade Wanneer we dit ontmoetingskarakter van de pre

Wanneer we dit ontmoetingskarakter van de prediking nog wat nader willen concretiseren, kunnen we zeggen, dat de reformatorische prediking ontdekkende en onthullende prediking is. In de prediking komen we tot de mens van vandaag met zijn concrete noden en zorgen. Die mogen nief verwaarloosd worden. Maar de rechte, schriftuurlijke prediking werpt deze vragende mens terneer als zondaar voor het aangezicht Gods. De masker^, waarachter wij ons verschuilen in ons verzet, worden afgerukt. Opdat we openbaar komen in onze schuld voor God. Er is gezegd Soor Van Ginkel: Het thema „zonde-genade" bewoog de mens van de 16e en 17e eeuw. Maar de twintigste-eeuwse mens wordt gekluisterd door de angst voor de zin en de zinloosheid. En de prediking in onze tijd heeft daarop dus een antwoord te geven (zie H. Jonker e.a., Actuele prediking, blz. 193v.). Echter, al is het waar dat velen bewogen worden door de vraag naar de zin van het leven, men kan dit niet losmaken van de schuldvraag. De vragen, die het Woord Gods ons stelt, houden niet halt bij de analyse van het moderne levensbesef. Ook deze twintigste-eeuwse mens zal moeten leren verstaan, dat hij zondaar voor God is en slechts gered kan worden door het geloof in Christus' volbrachte werk. Het is waar wat ik ergens las: „De prediking moet altijd weer pogen om de verborgen mens achter zijn maskers, d.w.z. de werkelijke mens achter de ,.officiële" mens, te bereiken. Opdat de verontschuldigingen en bezwaren van deze mens het zwijgen opgelegd wordt en de ware droefheid over de zonde geboren wordt. Anders gezegd: De prediking heeft bedie ning des Geestes te zijn, Die door het Woord over-tuigt van zonde en ongeloof om in deze weg plaats te maken voor, Christus". Hier komt de gehele verhouding van V/et en Evangelie in het gezicht, waar we nu niet op in kunnen gaan. Alleen wil ik u de veelzeggende opmerking van H. Bavinck niet onthouden: „De ware droefheid over de zonde komt met alleen door de Wet tot stand, maar evenzeer en in nog sterkere mate door het Evangelie" (Geref. Dogmatiek, IV, 146). Verwaarlozen we dit aspect, dan verarmt en ver

Verwaarlozen we dit aspect, dan verarmt en vermagert de prediking. Dan komt de prediking van Gods genade evenmin tot haar recht. Waar het e\'angelisch getuigenis door de zeef van onze critiek gaat en waar liet moderne levensgevoel de beheersende factor wordt, daar raken we de volle prediking van Christus in Zijn vernedering en verhoging kwijt en houden we een bloedarme historische-Jezus-prediking over, wiens voorbeeld dan moet opwekken tot navolging.

De prediking van Christus' kruisoffer, van Zijn verzoenend lijden en sterven, is ook voor de moderne mens met zijn levensangst en levensnood het waarlijk bevrijdende woord. „Wanneer dat Evangelie gepredikt wordt", aldus Calvijn in zijn verklaring op Hebr. 9 : 21, „begint tegelijk met de stem van de prediker het heilig bloed van Christus te droppelen".

Met dat Evangelie hebben de apostelen in hun tijd gestaan op de knooppunten van het leven in de antieke wereld en hebben zij de uitdaging -fan de machten beantwoord. Dat Evangelie hebben manlon als Luther, Calvijn, Kohlbrugge in al zijn volheid verkondigd. En zonder de actuele problematiek van onze tijd te verwaarlozen doen we er goed lan, voortdurend bij deze grote predikers in de icer te gaan. Hun prediking was boodschap van /onde en genade. Daar waar de mens in al zijn irmzaligheid voor God gesteld wordt, daar zijn I evens de tonen van het Evangelie het diepst en •iet volst. Wam God verklaart in Christus goddeüzen rechtvaardig.

\v'ie dit eenvoudige en toch zo rijke Evangelie van -onde en genade niet meer aandurft, kan nog zoi'el diepzinnigheden ten beste geven en nog zoveel psychologisch inzicht inzake het levensbesef > \n de mens, maar hij geeft dan stenen voor brood i-e klassieke reformatoi-ische prediking, die opl.omt vanuit de volheid van de Schrift, is dooron-door actueel. In tegenstelling tot de magere re- '"Itaten van een vernieuwingstheologie, waarin de ' lodschap van het Evangelie verhorizontaliseerd ' ordt en vervlakt tot een „social gospel". We zegden dit niet vanuit een hoogmoedige pretentie, maar vanuit het Woord. De prediking van de rechtu'iardiging van de goddeloze is niet uit de tijd, naar bij de tijd. Omdat ze naar het Woord is.

Concrete prediking

Het Evangelie van Christus doorkruist en corrigeert dus onze vragen, zoals we dat zien gebeuren op het eerste Pinksterfeest in Hand. 2. Dan ver- !>laat u wel, dat deze prediking geen abstract, tijdloos gepraat is, maar door-en-door concreet. Wij mogen Christus verkondigen aan de mens van nu. En de betekenis van het heilshandelen Gods in Hem strekt zich uit tot het volle leven. Dat mogen we nooit vergeten.

Wanneer we enerzijds waarschuwen tegen een horizontalisering, waarin het alles dienstbetoon en medemenselijkheid is wat de klok slaat, dienen we anderzijds eerlijk te erkennen, dat wij vaak zo tijdloos en abstract kunnen spreken. Dat is zeker niet reformatorisch. Een man als Calvijn betrok het volle leven in zijn prediking (misstanden op sociaal terrein, vragen van kerk en maatschappij, van huwelijk en gezin). Zijn prediking was een stuk pastoraat aan mensen in nood, verlegen om raad en leiding en troost. En Luther's preken gaan in op de concrete situatie van de kerk in zijn dagen. En Kohlbrugge kende eveneens de aandacht voor het gebeuren om hem heen. Ik herinner u alleen maar aan zijn preken uit het jaar 1870.

Dat zullen we dus hebben te verdisconteren. Het geloofsleven is geen aparte sector, die los staat van het gewone leven. En de huiver voor moralisering en vervlakking mag er nooit toe leiden, dat het gewone leven uit de gezichtskring verdwijnt. U moet de brieven van Petrus en Paulus en Jacobus maar eens doorlezen om te ontdekken hoe concreet hun woorden zijn. Hoe de boodschap van Gods genade in Christus van betekenis is voor alle verhoudingen, waarin we staan. Zeker, we hebben onze bezwaren tegen leuzen als

Zeker, we hebben onze bezwaren tegen leuzen als „Het gaat God om de aarde ". Maar laten we eerlijk erkennen, dat wij vaak aarde en wereld wel eens afgeschreven hebben als delen van Gods schepping. Het Woord Gods grijpt de mens in alle levensgebieden aan. En juist wie de verborgen omgang met God kent in de binnenkamer zal de wereld niet afschrijven, maar verstaan: Deze wereld is Gods wereld, waar Hij Zijn Koninkrijk tot openbaring brengt. Reformatorische prediking in onze tijd, die voluit bijbelse prediking wil zijn, zal ook hieraan aandacht moeten schenken. Wij stellen vaak allerlei begrippen aan de orde. Woorden als bekering, geloof, wedergeboorte zijn bij ons vaak losgemaakt van het concrete leven. In de Bijbel zijn ze gericht tot concrete mensen in een concrete situatie.

Mogelijk kan de zgn. lectio continua, waarbij dus niet maar losse teksten bepreekt worden, maar een geheel bijbelboek in vervolgstoffen aan de orde komt, hier een oplossing zijn. We worden dan tevens bewaard voor willekeur in de tekstkeuze en gedrongen ook eens minder geliefkoosde themata aan te roeren.

Dan zullen vanuit het hart van het Evangelie, de prediking van Gods genade in Christus, ook aspecten naar voren komen, die we anders licht verwaarlozen. Ik denk aan de bezinning op Israël, de zin der geschiedenis, het vraagstuk van de machten, etc. Wie bezwaar heeft tegen vermagering en vervlakking in de prediking zal ook zelf waakzaam hebben te zijn. Als in de prediking niet meer de Schrift functioneert, maar de gemeente geleid wordt langs de platgetreden paadjes van systemen en schema's, treedt een verstarring op, die minstens even erg is als het bij anderen gesignaleerde gevaar.

Reformatorische prediking kan en mag niet anders zijn dan bediening van het Woord. Waar we ook staan, steeds zullen we hebben te waken voor een verschraling en vereenzijdiging. Welke woorden we ook kiezen, wanneer er niet meer is de band aan het levende Woord Gods, leidt dit onherroepelijk tot verarming. Daarom heeft ieder die arbeidt in het Woord, zijn werk in het geloof te verrichten. In geloof en gebed. De prediker blijft leerling. Leerling van de Schrift. Opdat we — zelf onderwezen — anderen mogen inleiden in de verborgenheden des geloofs. Hoe nodig is de voortdurende voorbede der ge

Hoe nodig is de voortdurende voorbede der gemeente voor alle dienaren des Woords, opdat zij in ootmoed en eenvoud het Woord mogen verkondigen: Jezus Christus, in Wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen liggen. Hem hebben we te verkondigen — ook in de we

Hem hebben we te verkondigen — ook in de wereld van vandaag. Wie in deze dienst staat en geroepen is dit Evangelie door te geven, zal het alleen maar kunnen doen in ootmoed en afhankelijkheid. Gedurig weer luisterend naar de stem van Hem, Die zelf op de weg naar Emmaüs de Schriften geopend heeft en onder Wiens critiek we gedurig weer doorgaan. Aan Hem is de Kerk gebonden.

En we zullen elkaar telkens weer voor hebben te houden: Weten we nog, wat het Evangelie inhoudt? Om het te zeggen met de woorden van Buskes (In de Waagschaal, 17 april 1965): „Prediken we nog een evangelie, waarvoor we ons niet behoeven te schamen?"

Dat Evangelie is een kracht Gods voor elk die gelooft — ook in deze tijd.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1966

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Reformatorische prediking in onze tijd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1966

Kerkblaadje | 8 Pagina's