Oe tempelreiniging als teken
Johannes 2 : 13—17
En het Pascha der Joden was nabij en Jezus ging op naar Jeruzalem. En Hij vond in de tempel de verkopers van runderen en schapen en duiven, en de wisselaars, die daar zaten. En Hij maakte een zweep van touw en dreef allen uit de tempel, de schapen en de runderen. En hp^ r^oJ •" ran -'c wissslnc-.'s wieip Hij op de grond en hun tafels keerde Hij om. En tot de duivenverkopers zeide Hij: Neemt dit alles hier vandaan, maakt het huis Mijns Vaders niet tot een verkoophuis. En Zijn discipelen herinnerden zich, dat er geschreven huis zal Mij is: De ijver voor TJw verteren.
Jezus, die toornig met een zweep de tempel reinigt: dat is een andere Jezus, dan zoals wij ons Hem gewoonlijk voorstellen. Hoe kan Jezus zó doen? Hoe kon het zover komen?
Dit is het derde verhaal, dat de Evangelisten ons berichten over Jezus in de tempel in Jeruzalem. Tussen die drie verhalen is evenveel verschil als overeenkomst.
[ De eerste keer komt Hij in die tempel, als Hij nog maar veertig dagen oud is, en Zijn ouders Hem daar binnendragen, om er het offer der armen te brengen. Een onaanzienlijk ouderpaar, waar niemand op let! Maar de ogen van Si- Inieon zijn er voor geopend, dat dit kind, dat Israels Messias is, een scheiding der geesten zal brengen in Israël en in de volkeren-wereld. „Deze is gezet tot een val en opstanding". Dat wordt van Jezus gezegd in Israels tempel, als Hij veertig dagen oud is.
Twaalf jaar lateir komt Jezus op het Paas,- feest in diezelfde tempel en blijft daar een laantal dagen, terwijl Hij daar zit temidden der leraren. Een zwaard gaat door Maria's ziel, naar het woord van Simeon, omdat Jezus' gedachten en wegen zo anders blijken dan Maria's gedachten en wegen. Maar dan gaan de jaren verder.
Maar dan gaan de jaren verder.
En weer wordt het Paasfeest. En weer trekt Jezus op naar de tempel in Jeruzalem. Hij zal toen vermoedelijk omstreeks dertig jaar oud zijn geweest. Tevoren had Hij in stille zelfbeheersing Zich teruggetrokken uit het openbare leven. Maar nu wordt Hij door Zijn Vader geroepen naar voren te treden. In besloten kring,. m Kana, 'ic \^:iZi.i or.ó Jcaannes --, geelt Hij een eerste, stille teken van Zijn heerlijkheid, van Zijn herscheppende en vernieuwende macht.
Maar nu treedt Hij plotseling naar voren in de tempel. Hier voor het eerst wordt Zijn strijd voor de eer van God openlijk zichtbaar. Maar hier ook wordt de scheiding der geesten openbaar, waarvan Simeon dertig jaar geleden op diezelfde plaats geprofeteerd had: er zijn er, die daarover zullen vallen en zich ergeren, maar er zijn er ook, die door dit teken zullen opstaan tot geloof in deze Messias.
Zo komt Jezus in de dagen vóór Pasen in de tempel. En Hij ziet met ontzetting, wat daar plaats vindt in de voorhoven van de tempel. Vier voorhoven omringden het eigenlijke tempelgebouw. Vlak vóór de tempel was de voorhof der priesters, alleen toegankelijk voor de priesters en hun dienaren. Daarvóór lag de voorhof der mannen, en nog weer meer naar voren de voorhof der vrouwen, waar deze nog komen mochten. Maar dan was er nog weer meer naar voren het grote, brede plein, dat voorhof der heidenen heette. Dat was het enige tempelplein, waar niet alleen Joden, maar óók heidenen komen mochten. Dat was dus de enige plaats, waar kerk en wereld, om zo te zeggen, elkaar ontmoetten, waar de heidenen iets te zien kregen van Israels aanbidding en Israels schuldbelijden en Israels geloof in Gods verzoening.
Welnu, wat krijgen de heidenen daar te zien en te horen van het wonder der verzoening? Handel drijven! Vee verkopen! Munten wisselen! Geld verdienen!
Dat kreeg de wereld daar te zien van de kerk! Daar, in de voorhof der heidenen, stonden immers de Paaslammeren en andere offerdieren. Wilden zij geofferd kunnen worden volgens de wet, dan moesten zij aan zóvele eisen voldoen, dat het makkelijker was ze ineens, gekeurd en wel, in de tempel te kopen.
Daar stonden ook de wisselaars. Elke pelgrim moest eenmaal per jaar zijn tempelschatting betalen, — zoals nu nog ten onzent de „hoofdelijke omslag". Maar niet elk geldstuk werd aangenomen: zeker niet een geldstuk, waarop de kop van de heidense Romeinse keizer stond afgebeeld. De echte oude Joodse penningen waren in geen eeuw bij-gemunt. Nu verkochten de wisselaars op het tempelplein die antieke Joodse penningen voor een hoge prijs en kochten die later weer terug van de priesters, als ze in de schatkist geworpen waren. Dat was het, wat de heidenen te zien kregen
Dat was het, wat de heidenen te zien kregen van de Joden op het tempelplein: zaken doen, geld verdienen, loven en bieden.
Geen enkel beeld stond in Israels tempel opgericht. Toch was er een reusachtig altaar in de voorhof dagelijks in gebruik: het altaar van de Mammon, de geld-god!
Jaar in jaar uit was men gewoon geraakt aan die tempel-ontwijding. Gewoon kunnen ook wij geraken aan het ergste, ook nu! Gewoon kan men er aan geraken om niet te bidden en geen Bijbel te lezen en niet ter kerke en niet ten Avondmaal te gaan en aan zo heel veel méér, waaraan wij niet gewoon mogen raken. Ook Israël is er gewoon aan geraakt, dat het huis Gods tot een verkoophuis is geworden.
En nu heeft Jezus tot dit ogenblik gezwegen en geduld gehad. Maar nu treedt Hij naar voren. Een zweep maakt Hij, en met bevelend gebaar heft Hij de handen op, en drijft Hij handelaars en dieren uit de heilige voorhoven. In soevereine minachting werpt Hij de tafels der wisselaars om. Niemand waagt het, zich te verzetten tegen deze Ene. Ongehoord is, hoe deze Ene weerloze gezag oefent en gehoorzaamheid oproept.
Daarna spreekt Hij. Tot de duiven-verkopers richt Hij Zich, omdat hen misschien het minst schuld treft, en Hij beveelt hen: „Neemt dit alles hier vandaan, maakt het huis Mijns Vaders niet tot een verkoophuis".
Het is de Zoon, die hier spreekt, en die opkomt voor de eer van Zijn Vader.
Het is niet de ijver van een of andere tempelhervormer of beelden-stormer. Het gaat Jezus om iets oneindig anders dan alleen om het protest tegen een misbruik. Het gaat hier ook niet om farizeese ijver voor preciese naleving der geboden.
Het is de Zoon, die Zijn volk oproept tot er-kenning van de heerschappij Gods. Want nu vragen de discipelen zich af, wat deze
Want nu vragen de discipelen zich af, wat deze daad te betekenen heeft. En er komt een ogenblik, waarop zij zich herinneren het woord uit de Messiaanse Psalm 69 : 10 „De ijver voor Uw huis heejt mij verteerd". En hun harten gaan er voor open: in Jezus' reiniging van de tem.- pel wordt dit psalm-woord vervuld. Hier zien zij de ijver voor de heerschappij van God, voor de genade van God, en daarom voor het huis van God.
De tempel is immers het huis, waar God openbaart het mysterie van de verzoening der schuld, van de vergeving der zonden. De tempel is het teken, dat God Zijn volk genadig wil zijn, dat Hij onder zondaren wonen wil. Als Israël verstaan had, wat het betekent, dat genade genade is, dat God alleen uit genade zondaren deed wonen in Zijn Huis, ondanks de stroom van ongerechtigheden, — dan was alles anders geweest in die voorhoven. Dan was er eerbied, ontzag, en daarom stilte. Eerbied niet alleen voor het huis Gods, maar eerbied voor de verzoening der schuld, waarvan dat huis een teken is.
Daarom heeft deze tempel-reiniging een veel hogere en diepere betekenis, dan wat hier te zien en te horen was. Jezus stelt door deze daad Zijn volk voor de beslissing, voor de keuze, of men aan dit teken zich zal ergeren en het verwerpen, of dat men het zal verstaan en zich daardoor zal bekeren. Jezus roept Zijn volk op, het gehele leven in tempel en voorhof te stellen onder de heerschappij Gods. En wat antwoordt Zijn volk?
„De Joden antwoordden Hem: Welk teken toont Gij ons, dat Gij dit moogt doen?" De Joden ergeren zich aan Jezus' optreden en betwisten Zijn gezag. Zij buigen zich niet onder Zijn oordeel en verwerpen Zijn Messiaans optreden. „Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël, en tot een teken, dat weersproken wordt".
Later zal deze tegenspraak en deze ergernis uitlopen op Zijn kruisiging. En Z ij n kruisiging zal onze redding zijn.
Want dit teken van de tempel-reiniging is een teken, dat uitwijst boven zichzelf. Het wijst uit naar Christus' toekomst.
Straks zal Hijzelf worden gegeseld door de Romeinen en uitgedreven worden door de Joodse Raad in datzelfde tempel gebouw. Zijn lichaam zal worden afgebroken. Hij laat Zich doden, maar zal binnen drie dagen opstaan. Maar juist zó, door te sterven; heeft Hij voor altijd ons gereinigd. Gereinigd zijn wij alleen door Zijn bloed. Daar, waar Hijzelf niet meer de zweep ophief, maar Zich liet slaan. Zich liet doden, daar is onze reiniging, die ons behoudt.
Daarom is in de dagen van een ander Paasfeest een andere tafel niet omgekeerd, maar opgericht in het midden van Zijn Gemeente: de Avondmaalstafel, die er ons aan herinnert, ;, dat Christus eens voor altijd Zijn Gemeente i heeft gereinigd door Zijn bloed.
Maar zó komt van hier uit tot ons allen de 2 vraag: Erkennen wij het recht van Christus, , ook nu nog ons gemeentelijk leven te reinigen 1 en tot bekering te roepen? Buigen wij ons voor f Zijn oordeel over onze afgoderijen? Of ergeren 1 wij ons daaraan? Willen wij in ons gemeenteleven alles maar liever laten zoals het nu eenmaal is?
Wij hebben immers in ons midden wel niet t meer een heilige tempel zoals Israël. Maar God i wil nu op nog andere wijze onder ons wonen.
„Of weet gij niet — zo vraagt immers de apostel Paulus reeds — dat gij Gods tempel zijt, , en dat de Geest Gods in u woont? . . . Want t de tempel Gods — en dat zijt gij — is heilig". (I Cor. 3 : 16v.)
De tempel Gods — dat is de Gemeente van 1 Christus!
De Gemeente mag leven uit het wonder van 1 Zijn verzoening, van Zijn genade. De Gemeente mag het teken zijn, dat God nog onder zondaren wonen wil en door hen geloofd, gedankt t en aanbeden wil worden.
Maar leven wij werkelijk in diepe dankbaarheid daarvoor, dat God ons weerspannig overtreden verzoent en zuivert om Christus' wil? ? Leven wij in voortdurende verwondering, dat t wij Gemeente van de Messias mogen zijn?
Telkens blijkt immers het tegendeel!
Dat geldt van onze kerkdiensten. Als wij het huis des Heren binnengaan en daar verkeren, is er dan bij ons de diepe eerbied en 1 de gespannen verwachting, omdat wij daar : God mogen loven en danken, omdat wij daar Z ij n heilig Woord mogen horen? Zijn onze samenkomsten niet vaak een onder-onsje, waar : wij elkaar ontmoeten?
Worden lied en gebed en prediking daar niet ; vaak overstemd door „al 't aards gedruis", door onze eigen gedachten en plannen en belangen? ' Is het huis des gebeds voor ons waarlijk — huis des gebeds, waar wij „Zijn heilstem horen, , ja wonen in Zijn Huis"?
Jezus, die de tempel reinigt, — dat stelt ons óók : voor de vraag, of ons gehele kerkelijke en gemeentelijke leven staat onder het gezag van 1 Jezus Christus. — Want ons kerkelijke leven 1 heeft reiniging nodig door Zijn Geest.
Verontreinigd is het leven der Kerk door alle mogelijke menselijke zonden. Telkens gaat het er om eigen heerschappij, eigen macht, eigen belangen. De heerszucht dringt telkens naar voren. En leven wij allen met elkaar in vrede en verzoening, of ook in twist en tweedracht? En wat zijn wij daaraan gewend geraakt! Wat is de tempel Gods — dat is de Gemeente — telkens ontheiligd!
Dat geldt óók van ons samenleven in de v o o r - hoven, waar kerk en wereld elkaar ontmoe- ten.
Staat het leven in de voorhoven, —• het publieke leven, het gehele maatschappelijke leven, — werkelijk onder het gezag van Christus? Neen, de Mammon, de geld-god beheerst de samen- leving.
Wat de mensen telkens van Christus' Gemeente te zien krijgen, dat is, dat het in de voorhoven zo werelds toegaat, en dat er zo weinig te bemerken is van Christus' Geest. Het moet ons diep verontrusten, dat tallozen daarom ook niet naderen tot die voorhoven, — niet komen tot Christus' Gemeente, — omdat door onze schuld onze woorden en werken vaak zo werelds zijn en Zijn Huis zo ontheiligd wordt.
Daarom komt de roep tot ons allen: Stel uw kerkelijk en persoonlijk leven onder de tucht van Christus! Laat Hem toe, Zijn Huis, dat is Zijn Gemeente, te reinigen! Roep elkaar daartoe op, wees elkaar daarbij van dienst.
Hij alleen kan ons reinigen. Zijn ijver heeft Hem het leven gekost. Maar Zijn ijver is ons behoud. Want door Zijn dood en opstanding heeft Hij Zijn tempel, dat is Zijn Gemeente, hersteld. Aan Hem alleen danken wij het, dat wij, als Zijn Gemeente, mogen leven uit Zijn genade rondom de tafel der verzoening, het Avondmaal. En met nieuwe verwondering en vreugde mogen wij zingen:
Een stroom van ongerechtigheden
had d' overhand op mij,
maar ons weerspannig overtreden
verzoent en zuivert Gij.
Welzalig, dien Gij heht verkoren,
dien G' uit al 't aards gedruis
doet naad'ren en Uw heilstevfi horen.
ja, wonen in Uw huis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1968
Kerkblaadje | 8 Pagina's