Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verticaal-Horizontaal

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verticaal-Horizontaal

Zijn wij op weg naar een nieuwe werkheiligheid ? accent en situatie, gekenmerkt door een sterk horizontalistische aanpak van de vragen. Wat hen bezig houdt is niet zozeer de verticale dimensie, zoals we die b.v. vinden in Psalm 25, waar de dichter spreekt over Gods verborgen omgang, maar de horizontaal. Het is hen te doen cm de betekenis van het Evangelie hier en nu, voor mens en samenleving. Hoe kan men dit Evangelie in de huidige wereld geloofwaardig maken? De antwoorden die op deze vraag gegeven worden zijn niet alleen een theoretische aangelegenheid, maar grijpen diep in in de practijk van het kerkelijk handelen. Ze raken de geloofsbeleving en de geloofsuitingen, de eredienst en het gebed.

24 minuten leestijd

Inleiding

De titel doet ons denken aan een kruiswoordraadsel en zou ons daarom op een dwaalspoor kunnen brengen. Het gaat immers in dit artikel om de belichting van een aantal facetten van de hedendaagse theologische ontwikkeling. Dat is bepaald geen kwestie van tijdverdrijf of ontspanning. In één opzicht is de vergelijking met een puzzle op zijn plaats: In de moderne vernieuwingstheologie wordt de inhoud van het Evangelie zó problematisch gemaakt, dat je het gevoel hebt in een doolhof van raadsels terecht te komen.

Nu kan men op allerlei wijze deze moderne theologie typeren. Er is gesproken van „vernieuwingstheologie", ,,saecularisatietheologen", „anti-metaphysische theologie", „post-barthianen", etc.1). Men kan genoemde stromingen m.i. ook nog op een andere noemer zetten: Al deze theologen worden, bij alle verschil van

Horizontalistische tendens

We willen dit door enkele voorbeelden toelichten. Enkele jaren geleden heeft dr. L. A. Hoedemaker in de aan zijn proefschrift toegevoegde stellingen gezegd: „Verdedigers van de stelling dat godsdienst opium voor het volk is, kunnen deze stelling dokumenteren met behulp van de hervormde gezangenbundel". Vooral de liederen waarin gesproken wordt over de verlossing uit het aardse tranendal, de rust in God, de troost voor het geweten, moeten het ontgelden. Een lied als „Rust mijn ziel, uw God is Koning", zou onder de critiek van Karl Marx vallen. Want •— zo wordt gezegd — het gaat God om de aarde. Christelijk geloof is actie, daad, streven naar gerechtigheid onder de volken. Het verlangen naar de hemelse zaligheid betekent een vlucht uit je verantwoordelijkheid 2).

Anderen pleiten er voor om in de nieuwe kerkliederen dit eigentijdse levensgevoel te laten 'doorklinken. De herders en de grazige weiden dienen plaats te maken voor de vliegtuigen, de auto's en de techniek.

Ook de kerkdiensten moeten van karakter veranderen. Zo komt het voor, dat de tiweede dienst in één van de kerken in Amsterdam gebruikt werd voor een bespreking van het boek: „Verantwoorde revolutie". De preek-bespreking liep uit op een gesprek over politieke vragen, waarbij uiteraard de gevestigde orde het moest ontgelden en de dienstweigering bepleit werd. Aan het slot kwamen kinderen de kerk binnen, die in spreekkoor allerlei politieke leuzen aanhieven. Een dergelijk experiment staat niet op zichzelf. Ds. A. H. v. d. Heuvel heeft eens geschreven: ,,Aanhangers van de vernieuwingstheologie zijn meestal slechte kerkgangers. De zondagmorgen is hun een kwelling. En dat niet uit hoogmoed, maar uit wanhoop" 3). De prediking is in de ogen van deze vernieuwers te weinig verbonden met politieke en maatschappelijke vragen.

De crisis in de samenleving, de verhouding arme landen-rijke landen, de conflicten in Vietnam en Biafra houden velen bezig. Dat zijn, zo zegt men, de niet mis te verstane voorbeelden van falend menselijk handelen. En wij mogen dit niet uit de weg gaan met een beroep op het heil des Heren. Want de vernieuwingstheologen zijn niet geïnteresseerd in een heil, dat met genoemde crisissituaties niets uitstaande heeft. Daarom moeten wij vanuit de wereld naar het Evangelie toedenken. Daarom moet men niet alleen vragen: „Wat heeft de openbaring van God aan de wereld te bieden?" maar ook: „Welke inhoud moet aan de evangelieprediking gegeven worden, wil de wereld een zinvolle bestemming tegemoet gaan?" De vraag van Luther: „Hoe vind ik een gena

De vraag van Luther: „Hoe vind ik een genadige God?" acht men een typisch voorbeeld van middeleeuwse monnikenvroomheid. Het probleem van onze generatie is de vraag: „Hoe vind ik een genadige naaste?" Dat raakt ook de geloofsbeleving. In het rapport over de geloofsbeleving, zoals dat ter sprake kwam op het Pastoraal Concilie der R.K. Kerk, wordt gezegd: Er zijn er, voor wie geloven is: je inzetten voor de ander, de medemens. In allerlei variatie zijn deze geluiden hoorbaar

Wij mogen niet met Van Lodenstein het oog omhoog heffen en het hart naar boven. Ons parool dient te zijn, zo zeggen velen: Broedersblijft de aarde trouw! In plaats van de vlucht in een hiernamaals, een hemelse zaligheiii heeft, naar de opvatting van de horizontalisten, een christen zich in te zetten voor het leven hier en nu.

Het is dan ook niet verwonderlijk, dat het ge bed in de crisis komt. De engelse bisschop Robinson schreef in het, nu alweer bijna vergeten boekje ,,Eerlijk voor God": „Bidden is verant woordelijkheid aanvaarden voor de ander, om hem te ontmoeten met alles wat je hebt". De voorbede kan voor een modem christen alleer nog maar zijn het je onvoorwaardelijk openstellen voor de ander, het wuivend gebaar 4). De kernwoorden van de Schrift worden bij deze visie horizontalistisch vertaald. Verzoening is ontmoeting en verzoening met de medemens. Bekering houdt in: de omkering, naar je taak tegenover de armen. Schuldbelijdenis beteken; de erkenning dat je tegenover de naaste tekort geschoten bent. En uitverkiezing houdt in: dp vervulling van de taak ten opzichte van de ander.

Ook bij Harvey Cox zien we waar deze herinterpretatie (dit opnieuw vertolken) van de bijbelwoorden op neerkomt 5). Gods heil heeft bij hem primair politieke afmetingen. De vrede is het heil voor de wereld, de vrede tussen rassen en volkeren. En zonde is de traagheid, de schuldige weerzin om je eigen lot in handen te nemen. Daarom vindt men bij verschillenden van deze theologen ook een verheerlijking van de revolutionairen. Wij mensen moeten immers de messiaanse opdracht volvoeren en recht en gerechtigheid herstellen. God heeft mensen nodig. Soms krijgt men de indruk, dat de komst van Gods Rijk afhangt van ons toegewijd handelen.

Alleen maar reactie?

Nu is wel gezegd, dat we deze horizontalistische theologie moeten zien als een reactiebeweging tegen een eenzijdig piëtisme, dat aarde en mensheid prijsgaf en vluchtte in een egoïstisch hemelverlangen. Een reactie ook tegen een eenzijdig individualisme, dat alleen bekommerd was om eigen zieleheil en in vrome lijdelijkheid de wereld de wereld liet. De conclusie die men 'er dan aan verbindt, is

De conclusie die men 'er dan aan verbindt, is deze, dat de horizontalisten wel te ver gaan, maar dat we niettemin hun eenzijdigheden nodig hebben als welkome aanvulling van de piëtistische verticalisten. Dr. W. A. Visser 't Hooft heeft in Uppsala gezegd: „Een christendom dat zijn verticale dimensie Verloren heeft, heeft zijn zout verloren; het is dan niet alleen in zichzelf flauw en krachteloos, maar ook zonder nut voor de wereld. Daarentegen zou een christendom dat tengevolge van de concentratie op de verticale dimensie zijn verantwoording voor het sociale leven verwaarlozen zou, ie incarnatie verloochenen: de liefde van God voor de wereld, zoals die liefde in Christus is gemanifesteerd" (6).

Nu biedt inderdaad de kerkgeschiedenis vele voorbeelden van eenzijdigheden. Lodenstein's woorden: „Hier beneden is het niet" zijn inierdaad vaak misbruikt. De vrede, de sjaloom, IS vaak verinnerlijkt en eenzijdig vergeestelijkt. Van de wijde uitzichten van Israels profeten heeft men dan geen weet meer. Het blijkt voor ons moeilijk te zijn de volheid van het bijbels getuigenis vast te houden. Denkt u alleen maar aan de verschillen inzake ie verhouding tussen rechtvaardiging en heiliging!

Toch zijn wij er niet klaar mee om de gesigaaleerde horizontalistische theologie alleen als reactieverschijnsel te verklaren. Prof. Van Niftrik heeft er terecht op gewezen, dat de verti- •-alen, dus zij die opkomen voor het leven uit de daad van Gods werk, het rusten in Christus' kruisoffer, nooit alleen maar verticalen ^ijn. Zij weten, dat het Evangelie politieke, sociale en maatschappelijke gevolgen heeft, dat de Here van hemel en aarde Zijn schepping niet loslaat. Wij zouden ter illustratie kunnen wijzen op een zo veelzijdige figuur als Abraham Kuyper.

Maar in de moderne vernieuwingstheologie zijn mensen aan het woord, die een strijd op leven en dood voeren tegen elke verticale geloofsbeleving, tegen alles wat riekt naar piëtisme, hemelverlangen, kerkelijke patronen. Voor de horizontalisten zijn woorden als hoop en troost, stilzijn in God eenvoudigweg contrabande. Zij zijn alleen maar horizontalist. Dat in tegenstelling tot de verticalisten 7). Het is niet maar alleen een kwestie van theo

Het is niet maar alleen een kwestie van theologisch evenwicht. Tegenover hen die ons geruststellen door te zeggen: „Nu ja, de horizontalisten slaan wel wat door, maar als reactie hebben we hen nodig", staan de horizontalisten-zelf met hun felle bestrijding van het verticale denken en prediken. De horizontalisten zijn van oordeel, dat je alleen maar met God in contact kunt staan in de dienst aan Zijn Rijk. Het uitgangspunt is voor hen het handelen van de mens. En waar de Naam van God wordt genoemd betekent dat een belofte en een opdracht, een marsorder. ,,Als zijn naam wordt genoemd, dan gaat de blik niet omhoog, maar dan richt zich het oog, dan richten zich de voet en de hand naar een stad in de verte, waarin mensen als mensen, naar hun bestemming leven en samenleven,... Als zijn naam wordt genoemd, dan kijkt de medemens ons aan, de vreemdeling, de arme, de verdrukte, de weduwe, de wees, en dan concentreert al onze aandacht zich op de vraag hoe wij samen de eerste stappen kunnen zetten op weg naar de stad, waarin wij eenmaal allen kunnen wonen" 8). En Jezus is dan de mens, die eenmaal deze weg in volstrekte gehoorzaamheid is gegaan. Nu komt het er voor ons op aan, zich te wagen op de weg waarop Jezus ons is voorgegaan. Ons bezwaar gaat tegen de exclusieve wijze waarop hier tegenover elkaar worden gesteld de blik naar omhoog (verticaal) en de blik naar de verte (horizontaal). Ons bezwaar gaat ook tegen de Christologie, die uit dit citaat spreekt. Jezus is de mens, die voor ons model staat. Wij zijn het eens met Berkhof, die van de hierboven weergegeven opvatting van dr. A. J. Nijk zegt: Nijk geeft subtielere namen, maar kiest voor wat Van Niftrik het horizontalisme noemt.

Saecularisatie

Wij kunnen daarom niet volstaan met te spreken van een reactiebeweging. De lezing van de geschriften van de horizontalisten doet de vraag bovenkomen: Staan we hier niet voor een ander evangelie, een evangelie dat als een nieuwe wet over de mensen komt? Wat is daarvan de achtergrond?

Ter beantwoording van deze vraag dient allereerst gewezen te worden op de waardering van de saecularisatie, het proces waarbij allerlei Lerreinen van leven en denken aan godsdienstige en kerkelijke bindingen onttrokken worden. De saecularisatie wordt beschouwd als het afscheid van een wereld, waarin de kerk op allerlei terreinen het laatste woord heeft, omdat deze wereld zichzelf als mondig beschouwt. In de vernieuwingstheologie acht men dit doorgaans geen ramp, maar juicht men dit verschijnsel toe. Harvey Cox 9) beschouwt de saecularisatie als een stuwkracht in de geschiedenis van de mensheid, die op weg is in deze eeuw van de techniek naar de stad van de mens. Hij meent, dat deze saecularisatie bijbels-gewettigd is. Natuur, staat en zede verliezen hun sacraal en goddelijk karakter. Het resultaat van deze ontwikkeling is de vrije, mondige mens, die niet gericht is op een wereld achter deze wereld, maar zich inzet voor een leefbare samenleving.

Bij anderen vinden we de gedachte, dat allerlei dingen die men vroeger aan het ingrijpen van God toeschreef, nu op rekening van de mens komen. Wij behoeven, zo zegt men, dat niet meer te verklaren vanuit een godsdienstige achtergrond. Vandaar dat er bij deze saecularisatietheologen ook een sterk optimistische visie valt waar te nemen.

De mens bevindt zich in een evolutieproces, op weg naar de stad van de mens. Waar deze zichtbaar wordt, is het Rijk van God te zien. En omdat deze doorbraak tegengehouden wordt door de bestaande verhoudingen, de gevestigde orde, kunnen we de revolutie niet missen. De evolutie voltrekt zich in de weg van revolutie. Daarom pleit Cox voor een theologie van de revolutie, van de sociale veranderingen, een theologie waarin de mens als partner van God gezien wordt als de bouwer van het Rijk, dat zich verwezenlijkt in sociale en politieke omwentelingen.

Het is daarom niet verwonderlijk, dat vertegenwoordigers van deze theologie der revolutie de grote revoluties in de historie positief waarderen, met name ook het werk van Karl Marx. Soms neigt men er toe om te zeggen: Overal waar gestreden wordt voor recht en menselijkheid is God aan het werk. De verwachting van het Koninkrijk van God wordt bepaald door deze activistisch-triomfantelijke visie. De positieve waardering van revolutie en saecularisatie betekent, dat deze theologie geen oog heeft voor de afval, de anti-christelijke tendenzen, voor de daemonie van de verwereldlijking. Te weinig wordt gezien dat, waar de onttroning van de machten niet gepaard gaat met de erkenning van het Koningschap van Christus, aan Wie gegeven is alle macht in he-mei en op aarde, een nieuw heidendom zich baanbreekt. Te weinig ook wordt de zonde als schuld gezien, eerder als een onvermijdelijke groei-stoornis in het evolutieproces.

God en mens

Deze visie op de saecularisatie staat ook weer niet los van de Godgleer. De moderne theologie weet met de prediking van een God boven ons, een God die ingrijpt in dit aardse gebeuren, weinig of geen raad. Duidelijk zien we die bij Dorothee SoUe. Haar boek draagt de ondertitel: Theologie na de dood van God. God is in de wereld afwezig. Hij is op weg naar zijn identiteit. Hij is nog niet klaar met zichzelf. Hoe ver zijn we hier verwijderd van de bijbelse prediking aangaande God, die bewogen is over onze nood, maar die nochtans de Onafhankelijke in Zichzelf is, en die het niet nodig heeft om van mensenhand gediend te worden!

Bij Dr. SöUe 10) is Jezus degene, die de rol speelt van de afwezige God. Hij neemt de plaats van God waar. Net zolang totdat wij mensen die rol overnemen en de hoofdrolspeler volgen. Dan zijn ook wij Gods plaatsbekleders. God heeft ons nodig als mensen die zijn rol overnemen. Hij maakt zich afhankelijk van ons. De slotzin spreekt duidelijke taal: „Toen de tijd vervuld was had God lang genoeg iets voor ons gedaan. Hij zette zich op het spel . . . Nu is het tijd iets voor God te doen". God heeft mensen nodig om tot zijn eigen verwerkelijking te komen.

Ook Harvey Cox, die we overigens niet tot de God-is-dood-theologen kunnen rekenen, is van mening dat God op weg is naar zijn ontwikkeling. Scherp protesteert Cox tegen het traditionele christelijke Godsbegrip. De God, die de mens zijn zelfstandigheid ontneemt, moet onttroond worden. Maar gelukkig, God gun^ de mens zijn zelfstandigheid. Hij komt tot ons in de sociale veranderingen, en wij ontmoeten Hem b.v. in de strijd om burgerrechten, in de worsteling om een rechtvaardige samenleving. Lopen met een spandoek kan dan betekenen spreken over God. „Wij spreken over God in de stijl van de stad van de mens als we de mens erkennen als Gods partner, als degene aan wie de taak is toegevallen een zin te geven en ordening aan de geschiedenis der mensheid 11).

Ook hier bestaat God bij de gratie van de mens. De prediking van de profeten en apostelen aangaande de levende God, die in Christus redt, is toch wel ontstellend vermagerd Het is dan ook te begrijpen dat men, in de lijn van Cox en Sölle redenerend, wel moet komen tot een horizontalisme. Als God tot je komt via de mens, als de God van het wonder dood is, dan blijft slechts over het hier-en-nu, als de speelruimte van het toegewijde handelen.

In deze horizontalistische theologie is de mens de maat aller dingen geworden en mag God be- 3taan bij de gratie van de mens. Theologie is geworden tot anthropologic, tot een leer over de mens. En het Evangelie is geworden tot een sociaal program, een wet.

Het behoeft geen betoog, dat dit alles ook sa- .nenhangt met de crisis van het Schriftgezag. Velen hebben afgerekend met de bijbelse voorstellingen van een God boven ons, van hemel Bïi hel, engelen en duivelen. Dat God Zijn Zoon n de wereld gezonden heeft, dat Christus geooren is uit de maagd Maria, wordt afgedaan lis primitieve mythologie, waar een modern mens niets mee beginnen kan. Geen wonder, iat uiteindelijk het horizontale overblijft!

Een ander evangelie, en dat .s geen Evangelie

^n Galaten 1 : 6 spreekt Paulus zijn verwondering erover uit, dat de Galaten zich hebben laen afbrengen van de apostolische prediking tot 3en ander evangelie, dat geen Evangelie is. Dat Dseudo-evangelie was de leer, dat de mens door wetswerken, door de inachtneming van geboien en verboden, behouden werd. Wij menen, iat het scherpe vonnis van Paulus over de Jwaalleer der Judaïsten ook van toepassing is op de horizontalistische theologie van onze tijd. ' mmers hier wordt de mens op de troon gezet, jn het Rijk Gods wordt tot een politiek-sociale langelegenheid. Wij vrezen, dat een dergelijk mdernemen uiteindelijk verzandt in het humanisme. Prof. Berkhof heeft in de radio-colleges )ver het thema „Verticaal-Horizontaal" gezegd: .Uiteindelijk zie ik de horizontalisten als men- -;en die het evangelie willen modelleren naar de deeën en idealen van de tijd. Dat hebben de nensen vanaf de gnostiek geprobeerd. Het is gelukkig telkens weer mislukt of vergeten" 12). óij een dergelijke „aanpassing" verliest men de •nhoud van het Evangelie. Dat leert de kerk- -;eschiedenis ons telkens weer. Dat was in Ga- :atië het geval. Dat oordeel geldt de gnostische -letters. Dat zien we levensgroot in het moderlisme van de negentiende eeuw vóór ons 4aan. En in onze tijd beleven we een herleving ,an dit modernisme.

3en evangelie, dat geen Evangelie is: Dat be- :ekent ook, dat we in het spoor van deze hori- .ontalisten terecht komen in het diensthuis. jDaarom luidt de ondertitel van dit artikel: -Zijn wij op weg naar een nieuwe werkheilig- :ieid?"

Wij menen helaas, deze vraag bevestigend te moeten beantwoorden. Het is ook opvallend hoe weinig vreugde en troost, rust en ontspanning in deze theologie doorklinkt. Alles wordt gezet op de éne kaart van de actie, de daad, het revolutionaire élan. De toon van Psalm L;6: „Hier wordt de rust geschonken" is ten enenmale afwezig. Dat wordt al spoedig in de lijn van Marx afgedaan als opium voor het volk. De mens moet door daden van medemenselijkheid en gerechtigheid het Evangelie geloofwaardig maken.

Echter, er blijkt niets nieuws onder de zon te zijn. In het Evangelie horen we Christus nodigen: „Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven" (Matth. 11 : 28). Dat is de roep van de Heiland aan het adres van hen die voortgejaagd werden door de zweep van de wettische vroomheid, die het juk van het Rijk op zich moesten nemen. Maar Christus openbaart ons, dat Gods Koninkrijk niet komt in de weg van onze menselijke inspanning of wettische vroomheid.

Het Koninkrijk Gods is in Hem nabij gekomen. Daarom wordt aan de armen de blijde boodschap verkondigd. Daarom verricht deze Redder der armen aan zieken en bezetenen Zijn Heilandswerk. Daarom wordt dit Rijk en de ingang daarin als een gave toegezegd aan de armen van geest, de treurenden, de zachtmoedigen (Mattheüs 5 : Iv.v.).

De komst van dit Koninkrijk en de openbaring ervan, liggen gefundeerd in Christus' kruisdood en Zijn opstanding. Het is Pasen geweest. Dat betekent, dat het heilswerk volbracht is, en dat de verhoogde Here alle macht ontvangen heeft in hemel en op aarde. Gezeten aan Gods rechterhand stuurt Hij Zijn gezanten uit met de boodschap: „Zie, nu is het de dag des heils, nu is het de welaangename tijd" (2 Cor. 6 : 2). En na Pasen zien we de gemeente samenkomen en brood breken met gejuich, in gespannen verwachting van de uiteindelijke openbaring van dit Rijk (Hand. 2 :46v.v.; ICor. 11 : 26; Openbaring 22 : 20). Die uiteindelijke openbaring dwars door de crisis en de gerichten heen, is geen vrucht van onze inspanning, maar daad Gods. Daarnaar ziet de gemeente reikhalzend uit. Dat doet haar niet werkeloos zijn. Maar de arbeid in de Here heeft iets bevrijdends, iets vreugdevols, omdat de verwachting gericht is op wat God gedaan heeft, doet en doen zal, dwars door alle satanische tegenkrachten heen. Daarom is de Openbaring van Johannes ook het troostboek voor de kerk bij uitnemendheid.

Maar wat zien we dan? Telkens weer wordt deze evangelieprediking misverstaan. Wij, mensen, blijken de zweep van de drijver moeilijk los te laten. Paulus vindt op zijn weg de Judaïsten en voert een felle strijd tegen de poging van het mensenhart zichzelf te rechtvaardigen met behulp van de wet. Hij klaagt de Galaten aan, dat zij het Evangelie van Gods genade voor goddelozen inruilen voor de nieuwe wet.

En zó is het de eeuwen door gegaan. Ging de grote worsteling van de reformatoren tegen de Koomse kerk ook niet om het zuivere verstaan van dit Evangelie? Tegenover de ver diensteleer van Rome, de loonzucht en de werkheiligheid hebben zij met kracht getuigd van het: Door genade alleen, door Christus alleen.

En in de vorige eeuw heeft Kohlbrugge zijn eenzame strijd gestreden tegen het moralisme en het „brave-burger-chiistendom" van zijn tijd. Dat betekent niet, dat hij geen ernst gemaakt heeft met Gods Wet. Integendeel, zozeer heeft hij ernst gemaakt met de heiligheid van Gods Wet, dat hij als een goddeloze teruggeworpen werd op Christus' volbrachte werk alleen.

Vandaag beleven we een aanval op de verticale geloofsbeleving. Schijnbaar staan we dan op een heel ander front. Maar in werkelijkheid is het een variant van de oude strijd tegen de verwettelijking van het Evangelie. Wij zijn van oordeel, dat in het geroep om geloofwaardigheid een stuk zelfrechtvaardiging schuilt. Daarmee wordt opnieuw de gesel van de wet over de mensen gelegd, en de gewetens worden niet tot rust gebracht 13). En het synergisme, het medewerker-zijn van de mens in de verwezenlijking van zijn heil, dat de hervormers in navolging van Paulus zo fel bestreden hebben, steekt in een nieuw gewaad opnieuw de kop op. De mens wordt immers, zo zagen wij, als medeschepper gezien met God, en helpt aldus God tot zijn ontwikkeling. De handelende mens die, politiek en sociaal, revolutionerend bezig is, wordt beschouwd als een soort heilsmiddelaar.

Ook de Christusprediking ondergaat een diepingrijpende wijziging. Christus wordt tot een revolutionaire kracht in de geschiedenis. Wij horen in de moderne theologie nagenoeg niet meer spreken over de Middelaar, die het heilswerk volbracht heeft. Hoogstens is Jezus de tijdelijke plaatsbekleder, wiens rol ik moet overnemen (Söllé). Is Hij nog de Verlosser? Of is Hij alleen nog maar de meest menselijke mens, het proto-type van de rebel en de vrije mens, die dan op één lijn gezet wordt met Mozes, Cyrus, ja met allerlei politieke figuren door wie God handelt?

Het een hangt hier met het ander samen. De verwettelijking van het Evangelie leidt er toe de mens een plaats te geven in het heilswerk. En dit synergisme berooft ons van de heilszekerheid, van de troost en de geborgenheid. En Jezus Christus wordt tot het grote Voorbeeld! Zó koersen we naar een nieuwe vrijzinnigheid, die in wezen niets verschilt van het modernisme van de. vorige eeuw.

En de komst van het Koninkrijk van God is dan niet meer Gods werk, maar resultaat van onze inspanning. Het wordt, op de wijze van Ritschl, gezien als resultaat van een binnenwereldse, politieke ontwikkeling.

Ons antwoord op deze horizontalistische theologie zal niet mogen bestaan in een negatieve afweerhouding alleen, waarbij we de gevaren signaleren en daarmee volstaan. Wij zullen vooral positief, in prediking en catechese, aandacht mogen vragen voor de rijke reformatorische belijdenis van de rechtvaardiging van de goddeloze, zoals deze in de Heidelbergse Catechismus in zondag 23 en 24 zo diep vertolkt is. Wij zullen — tegen allerlei modestromingen in — het moeten aandurven met de „verticale" prediking van I Cor. 1: Christus is ons van God geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing. En we zullen vooral ook elkaar er op mogen aanspreken: Leven wij ir. het persoonlijk leven, in de gezinnen en in de gemeenten, uit deze bevrijdende waarheic. Gods?

Daarmee pleiten we niet voor een schoolse verstarde repetitie van wat altijd gezegd k Maar we komen wél op voor de actualitei' van de belijdenis der Kerk. Ligt hier ook geei taak voor kerkeraden en meerdere vergaderin gen? De Kerk houdt zich ook in haar meerdere vergaderingen met van alles en nog wat be zig, tot en met het nut van Taptoes toe. Kom' de belijdenis der Kerk nog wel ter sprake? Be zinning op de grondwoorden van de Schrift en op de reformatorische belijdenis is dringen' geboden voor de gezondmaking van ons kerke lijk leven. De „Open Brief" van de 24 ambt? dragers heeft twee jaar na verschijnen daai om nog niets van zijn actualiteit ingeboet 14).

Te e e n z ij d i g, ?

„Maar maakt deze leer geen zorgeloze en god deloze mensen?" U herkent de vraag. Ze wen' aan het adres van de Reformatie gesteld ii 1563. Ze wordt ook vandaag gesteld, zij hci dan ook in gewijzigde vorm. Vandaag zijn d"^ tegenwerpingen de volgende: Bent u met uv aandringen op de prediking van de rechtvaar diging niet gruwelijk eenzijdig? Heeft he' Evangelie dan geen politieke en sociale kar. ten? Israels profeten gaven toch ook sociale prediking? Mag men de heiliging van het leven zi' verwaarlozen? Hebben we niet broodnodig een eigentijdse sociale ethiek nodig? Heeft de gerechtigheid van God niet alles te maken me de gerechtigheid onder de mensen?

Wij zouden deze vragen met verschillende andere kunnen vermeerderen. Ons antwoorc daarop moet in de eerste plaats luiden: Genade is in de Bijbel nooit goedkope genade. En het gevaar dat we de genade goedkoop ma-ken door een goddeloos leven, is een iedere keer weer terugkerende mogelijkheid, die helaas maar al te vaak werkelijk aanwezig is. Reeds in het Nieuwe Testament horen we Paulus daartegen waarschuwen (Romeinen 6). En Ie christenheid zal steeds weer moeten bedenken, dat Paulus en Jacobus beide in de canon staan.

Voorts mogen wij nooit vergeten, dat Gods Koninkrijk over alle dingen gaat, ook over po- 'itiek, maatschappij en ontwikkelingshulp. En A^ie gegrepen is door het Evangelie van dit Koninkrijk zal vanuit dit Evangelie mogen lezen en handelen. Wij zullen dat terdege heboen vast te houden, juist wanneer we de komst /an dit Rijk als daad van God belijden.

3r is rechtvaardiging en er is heiliging. Dat Tiogen wij vasthouden in de spanningsvolle 'enheid. Maar beide zijn weldaden, die ons ieelachtig worden uit de verbondenheid met Christus. Dat mogen we er nooit van losmaken, ïn juist de Reformatie — men denke aan boek II van de Institutie van Calvijn! — heeft te ^eer het werk van de Heilige Geest (Die de Wet jods schrijft op de tafels van het hart) belelen, om hieraan voorbij te gaan. vVe kunnen zelfs nog een stap verder gaan. Er-

vVe kunnen zelfs nog een stap verder gaan. Er- ;ens is deze horizontalistische theologie ook >en aanklacht en een protest tegen een goedkope genade-prediking, tegen een christendom lat wel de leer eerde maar het leven verwaar- 'oosde, tegen een verinnerlijking waarbij staat n cultuur, politiek en sociale leven vergeten verden.

Vlaar wij mogen de zaak niet omdraaien. Zecer, de boom wordt gekend aan de vrucht. Maar bij verschillende vertegenwoordigers van de vernieuwingstheologie zijn de sociaal-politieke kanten niet maar de vrucht waaraan het leven uit de genade wordt gekend, maar de inhoud van het Evangelie zelf.

Wij zullen ook hier terug moeten gaan naar de Schrift, zoals b.v. Calvijn die zo diep en breed verstaan heeft. En juist het Oude Testament kan ons hier behoeden voor spiritualisme en verinnerlijking. De prediking van Thora en Profeten is concreet. En deze Wet en deze Profeten zijn vervuld (niet afgeschaft! !) in Christus. Leven door de Geest is in het concrete leven wandelen in Zijn voetsporen, in navolging en dienst.

Maar de navolging waartoe de Schrift oproept, is geheel anders gefundeerd dan de oproep tot medemenselijkheid bij b.v. dr. SöUe. Bij haar is Jezus model, leraar, en wordt de verzoehing uitgehold, omdat de schuld in al zijn verschrikking niet gepeild wordt.

Als Paulus in Fil. 2 oproept tot navolging wijst hij op Hem die in ons midden gekomen is als een die dient, die tot zonde gemaakt is, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Leven door Hem is dan ook: leven voor Hem. Een leven uit genade door het geloof, naar de Wet.

En het geloof in Christus, de omgang met Hem ontneemt ons niet de blik voor het hier-en-nu, maar doet ons juist onze taak en roeping verstaan. Het is de roeping om in gebondenheid aan Christus, staande in deze wereld, onderweg naar Zijn toekomst, naar het Jeruzalem dat boven is, Zijn Naam te belijden en Zijn lof te verkondigen.


n Van de vele literatuur die ^'er'?chenpn i>; noemen wij slechts: A.F.N. Lekkerkerker, Nieuwe Theologie,'s-Gravenhage 1968 ; J. J. Buskes, God en mens als concurrenten, Amsterdam 1968; J. H. Velema en W H. Velema, Nieuwe wegen, oude sporen, Apeldoorn 1968.


2) Zie de l<roniel< van Prof dr. G. C. van Niftrik in het october-nummer 1966 van Kerk en Theologie, Wageningen

3) In: Rondom het Woord, Theologische Etherleergang van de NCRV, jaargang 11, nr. 1, biz. 1. 216

4) Zie ook B. v Qinkel, Twistgesprekken met God, Nijkerk z.j., bIz. 67v.v.

5) H Cox, Gods revolutie en de verantwoordelijkheid van de mens, Baarn z.j.


6) Zie Rondom het Woord, jaargang 11, nr. 1, blz. 2.

7) Zie Rondom het Woord, jaargang 11, nr. I, blz. 4v.

8) Zie Rondom het Woord, jaargang 11, nr. 1, blz. 22.


9) Harvey Cox, De stad van de mens, Amboboeken, Utrecht 1966.

10) Dorothee Sölle, Plaatsbekleding, Amboboeken, Utrecht 1966.

11) Harvey Cox, a.w., blz. 286.


12) Zie Rondom het Woord, jaargang II, nr. 1, blz. 37.


13) Zie de critiek van Prof. dr. G. C. van Niftrik in Rondom het Woord, iaargang II, blz. 5 v.v. Terecht beschrijft Van Niftrik de tegenstelling Vertikalisme-Horizontalisme als een nieuwe variant op de oude tegenstelling Wet en Evangelie,

14) Zie het artikel van ói. W. Aalders, Twee jaar na dt Open Brief, in „Kerkblaadje", jaargang 60, nr. 22, blz- 186 v.v.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1969

Kerkblaadje | 20 Pagina's

Verticaal-Horizontaal

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1969

Kerkblaadje | 20 Pagina's