Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het ontzet van Leiden 1574

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het ontzet van Leiden 1574

21 minuten leestijd

3 Oktober 1974 zal het vierhonderd jaar geleden zijn dat Leiden na een belegering van ruim vier maanden door de Spanjaarden, waarbij volgens een schatting rond 6000 inwoners (meer dan twee vijfden van de bevolking, echter niet alleen tengevolge van de honger) omkwamen, ontzet werd. Vragen wij ons af, of het nog zin heeft zulk een feit te herdenken, dan doen we er goed aan nog eens op te halen wat de grootmeester onder de noordnederlandse geschiedschrijvers, Robert Fruin (1823—1899), ter gelegenheid van de 300-jarige herdenking schreef: „Voor onze stad in de eerste plaats, maar voor het gehele vaderland tevens, is het feit dat Leiden in 1574 niet in de handen der Spanjaarden gevallen is, maar geleden en volhard heeft tot zijn trouwe bondgenoten in staat waren om het te verlossen, een gebeurtenis van het hoogste belang die nooit mag worden vergeten" i). Er stond namelijk voor de bevolking van Holland en Zeeland in de jaren 1572—1576, toen van haar het uiterste werd gevergd om zich tegenover de Spaanse overmacht te handhaven, niets minder dan haar staatkundige en godsdienstige vrijheid op het spel. Het waren voornamelijk deze twee van de Zeventien Nederlandse gewesten (die zo ongeveer de tegenwoordige Benelux omvatten) die, voor de keus geplaatst om of zich aan een uitheemse dictatuur te onderwerpen of een eigen nationaal bestaan te vestigen, zich bereid toonden voor dit laatste zo nodig de zwaarste offers te brengen. Zij hebben, ook in weerwil van veel eigen innerlijke verdeeldheid, standgehouden en daardoor de weg gebaand voor de stichting van een zelfstandige republiek, een staatsvorm waarmee men in die tijd min of meer uit de toon viel. De gebeurtenissen in en rondom Leiden in 1574 zijn bijzonder typerend voor de heldenstrijd in een 1) Robert Pruin, Het Noorden op weg naar zelf

van de benardste perioden van onze geschiedenis. Het komt er daarbij vooral op aan dat het ontzet van de stad een zeer belangrijk keerpunt ten goede voor het verdere verloop van de strijd betekende.

De belegering

Toen de hertog van Alva in 1567 naar de jNiederlanden kwam om in opdracht van koning Filips II van Spanje streng en doortastend orde op de zaken te stellen, sloeg de bevolking de schrik om het hart. Men was zelfs algemeen geneigd om, totaal ontmoedigd, het hoofd maar in de schoot te leggen. Enkele gelukkige uitzonderingen dan daargelaten! Willem van Oranje althans begreep dat er voor de Nederlanders niets anders op zat dan naar de wapenen te grijpen om de tyrannie te verdrijven. Het getal dergenen die hem daarin gaarne zouden bijstaan en in hem zelfs hun leider zagen nam gestadig toe. En zo ziet men dan in 1568 de Tachtigjarige oorlog uitbreken, toen enkele, zij het mislukte, pogingen werden ondernomen om het land te bevrijden. Het zou echter tot 1572 duren eer er van een blijvend succes gesproken kon worden en zich ook een zekere frontvorming begon af te tekenen, waardoor er meer systeem in de oorlogvoering kwam. De inneming van Den Briel door de Watergeuzen op 1 april 1572 vormde de inzet, een inzet echter die Oranje onaangenaam verraste, zowel omdat het daarvoor gekozen ogenblik zo weinig paste in zijn voor 1572 vastgesteld bevrijdingsplan als vanwegie de eigengereidheid, waardoor de vrijbuiters zich bij dat optreden kenmerkten. Maar hij legde zich —• hij moest wel — bij het voldongen feit neer. Daarna kon hij zich zelfs ook innerlijk verzoenen met een gang van zaken die hem eigenlijk uit de hand liep, toen verschillende steden in Holland, Zeeland en daarbuiten op eigen initiatief het vreemde juk afwierpen om zich aan zijn zijde te scharen. Deze omwenteling was in het algemeen het werk van een strijdlustige calvinistische minderheid die zich hoe langer hoe minder bereid toonde zich in de door Alva gevestigde orde te schikken. Haar optreden hield inderdaad gevaarlijke risico's in. Men had immers te maken met een nog altijd machtige tegenstander, van wie slechts meedogenloze represailles te wachten waren. In deze situatie van onverzoenlijke vastberadenheid tegenover fanatiek militair overwicht toonde Oranje zich echter bereid te trachten de eenmaal op drift geraakte rebellie in een goede baan te leiden en zich daartoe met de calvinisten te verstaan. Dit laatste kostte hem te minder moeite doordat hij door zijn contacten met hen, met name met de Hugenoten in Frankrijk, in de jaren van zijn ballingschap zich ook geestelijk met hen verwant was gaan gevoelen. Hij wist in ieder geval wat hij aan hen had Dit alles nam toch niet weg dat hij aan zijn oude ideaal staatkundige en godsdienstige vrijheid voor de bevolking van alle Nederlandse gewesten, rooms zowel als protestant, bleef vasthouden Zo wemig behoeft hieraan getwijfeld te worden dat het totaal overbodig mag heten er nog de nadruk op te leggen dat hij niets voelde voor een „confessioneel monopolie" -') Alsof dat nu juist zo kenmerkend voor het calvmisme m het bijzonder zou zijn en Oranje slechts bij wijze van gelukkige uitzondering van de regel zou afwijken' Men zal het echter altijd beleven dat m conflictsituaties maatschappelijke en geestelijke tegenstellingen zich eerder laten toespitsen dan overbruggen Nu was Oranje een staatsman van uitzonderlijk formaat Slagvaardig en bewonderenswaardig geduldig bij het onderhandelen slaagde hij er meestal wel m de onder elkaar ruziënde partijen tot een gemeenschappelijk optreden tegen de overweldiger met elkaar te verenigen Niet dat hij daarmee zijn doel volledig bereikte Teleurstellingen zijn hem waarlijk niet bespaard In de bevrijde gewesten betekende het godsdienstbestand nog geen godsdienstvrede Daar was de tijd niet rijp voor En dat de zuidelijke (gewesten, met inbegrip van Bra-^ bant dat nog altijd een aparte plaats 11 zijn hart irnarn, hun vrijheia piijsgaven voor niet eens zulke grootmoedige concessies, stemde hem bitter De groei naar de Nederlandse eenheid bleek er voorgoed door gestuit Leiden was m juni 1572 „overgegaan" De stads

Leiden was m juni 1572 „overgegaan" De stadsregering had ei weinig voor gevoeld, maar geprest door een burgerij, die zelf weer door Geuzen van elders zich had laten aanzetten, had zi] het er op gewaagd Dat de Spanjaard daar geen genoegen mee zou nemen, stond bij voorbaat vast HIJ had m 1573 kans gezien Haarlem te heroveren En al had hij daarna Alkmaar na een beleg van twintig dagen moeten laten schieten, Leiden was wegens zijn centrale ligging te belangrijk dan dat hij met alles op alles zou zetten om het weer onder zijn gezag te brengen De stad heeft tweemaal een beleg moeten doorstaan, eerst van begm november 1573 tot achterin maart 1574, daarna van 26 mei tot 3 oktober 1574 Voor ons komt het op het laatste aan Er werd echter, anders dan voor Haarlem en Alkmaar, opvallend weinig gevochten De zware offers, die de vijand zich voor de beide genoemde steden had moeten ^getroosten, deden hem thans zijn toevlucht nemen tot de taktiek van omsingeling en uithongering Dat honger een scherp zwaard is, hebben de Leidenaren geducht aan de lijve ervaren Afgezien van enkele uitvallen en schermutselingen, werd het voer hen een kwestie van wachten en nog eens wachten, totdat er eindelijk reddmg van buiten zou opda'gen Daar kwam nog bij dat de pestepidemie, die toen m het gehele land woedde, door het slechte voedsel en de onvoldoende medische verzorging feller om zich heen gmg grijpen en meer slachtoffers maakte dan normaal heu geval zou zijn geweest Door dit alles werd het moreel van de bevolking op een biutengewoon zware proef gesteld

Ja, hoe was ei'genlijk de stemming onder haar? De grote meerderheid stond achter de Prins en de schutterij gedroeg zich uitmuntend Maar dat Leiden niet gevallen is, was toch wel vooral te danken aan de verbazingwekkende geestkracht van een betrekkelijk klein aantal mannen, die vastbesloten waren om vol te houden Het sprak vanzelf dat zij op gespannen voet kwamen met medeburgers, spaansgezmden en zeer vele weifelmoedigen, die in de waan verkeerden dat een overgave bij verdrag het minste van de twee kwaden was Zulk een overgave zou echter, zo ze al niet de liquidatie van de opstand betekende, de situatie toch zeker voor jaren uitzichtloos maken Daarbij stond het nog zeer te bezien, of de vijand zijn schone beloften om het met de bevolking goed te maken wel na zou komen Men was het wel anders van hem gewend Een slechte reputatie verwierven zich de „glippers", konmgs'getrouwe burgers en edelen, die maar al te gaarne het contact met de Spaanse bevelhebber Valdez onderhielden Zij verstrekten hem inlichtingen over de toestand m de stad en kwamen dan terug met goedmoedig klinkende vermamngen en dreigementen om daarmee de burgers te paaien en tegelijk te ontmoedigen Mannen als Douza, Van Hout en Van der Werf f hebben met de glippers heel wat te stellen gehad Jan van der Does (Janus Douza) was als heer

Jan van der Does (Janus Douza) was als heer van Noordwijk wel lid van het staten-college van Holland, maar geen burger van Leiden, zodat hij geen post m de stadsregering kon bekleden Wel voerde hij het bevel ovei het vaandel stadssoldaten „Doch nog meer door zijn persoonlijke mvloed dan door het gewicht van zijn commando, bewees hij aan de belegerde stad ^goede diensten Zijn onverschrokkenheid, zijn onwankelbaarheid, zijn juist mzicht deelden zich mee aan de welgezinde regenten en burgers, met wie hij verkeerde" ^). Hij prees zich gelukkig te mogen samenwerken met de stadssecretaris Jan van Hout, die een uitnemende steun voor hem was. Minder ingenomen was hij met de eerste burgemeester Pieter Adriaansz. van der Werff, die de zaak der vrijheid ongetwijfeld van harte toegedaan was, maar zijn ogenblikken van moedeloosheid had. Wanneer zijn drie ambtgenoten, bij wie hij in ieder geval gunstig afstak, op onderhandelen met de belegeraar aandrongen, verzette hij zich daar niet altijd even krachtig tegen. Maar het is ook voorgekomen dat hij, omringd door hongerigen die om brood riepen of om overfgave van de stad, antwoordde: „Mijn eed mag ik niet breken, maar kan mijn lichaam u dienen, snijdt het aan stukken en deelt het met elkander" ").

De laatste zeven weken van het beleg was de voedselnood heel erg. Het ongeduld liet zich met moeite bedwingen. Maar half september kwamen er brieven van de Staten en de Prins, waaruit men vernam dat er door de Geuzen hard en met succes tegen de Spanjaarden gestreden werd. Men had trouwens op 11 september in de stad het schieten gehoord en in de verte een grote brand gezien. De Geuzen waren door de „Landscheiding" van Rijnland heengebroken. De moed herleefde. Aan het lijden kwam nofg wel geen einde, maar men toonde zich nu meer bereid het te aanvaarden. De Staten schreven: „Leiden behouden is Holland behouden". Fruin voegt hieraan toe: „Leiden leed en volhardde voor gans het volk" s).

De bevrijding

Om zich een juist beeld van het beleg van Leiden te vormen kan men het eigenlijk niet zonder een plattegrond van de wijde omgeving der stad stellen. Er valt ook uit af te lezen van welk een grote betekenis Leiden voor de beheersing van Zuid-Holland als het centrale gebied van de opstand was. Met de uiterste zor'gvuldigheid trof Valdez uitgebreide maatregelen. Het was hem immers niet zomaar om een stad te doen. Hij maakte zich eerst zonder moeite meester van Den Haag, 's-Gravenzande, Maaslandsluis en Vlaardingen. Van Amsterdam, dat aan de opstand niet had willen deelnemen, en Haarlem uit bleef hij de beschikking houden over de Haarlemse en Leidse meren (thans grotendeels drooggelegd) met de waterwegen die van hieruit op de bele'gerde stad uitkwamen. Hij vestigde zijn hoofdkwartier in Leiderdorp, van waaruit hij over Zoeterwoude, Leidschendami en Voorburg verbinding met Den Haag onderhield. Hij legde in Valkenburg een bezetting om de stad aan de westzijde af te sluiten en veroverde de schans bij de Goudse sluis en het versterkte dorp Alfen aan de Rijn om de weg naar Utrecht te bestrijken. Om de afsluiting te voltooien legde hij aan de zuidzijde drie linies aan: een binnenste met de schans Lammen, die evenals de daarachter lig'gende met Voorschoten en Zoeterwoude op Leiderdorp aansloot. De grote buitenste linie liep van Den Haag over Voorburg, Leidschendam, Wilsveen, Zoetermeer, Zegwaard en Benthuizen naar Hazerswoude. Zij diende speciaal ten afweer van een ontzettingsleger. Ten overvloede betrokken kleine legerafdelingen kwartieren in verschillende dorpen ten zuiden daarvan. Eind juni was de afsluiting zo ver gevorderd dat de stad nog slechts met de grootste moeite door boden het contact met de Prins en de Staten kon onderhouden.

Al deze voorzorgen van de vijand in aanmerking genomen, moest het voor de onzen wel komen vaststaan dat bevrijding met behulp van de beschikbare bewapening en strijdkrachten een zo goed als onmogelijke zaak was, tenzij .. . En nu komen we aan een punt dat men reeds eerder overwogen had. Men had er de Prins al eens op attent gemaakt dat het eigenlijk een strategische fout van hem was dat hij zijn aanvallen steeds maar voornamelijk richtte op het centrum der Nederlanden, het gewest Brabant (hoofdstad Brussel), waar de hoofdmacht van Alva gelegerd was 0). Hij ontmoette daar de vijand op een terrein dat al bijzonder in diens voordeel was. Wanneer de strijd nu eens verplaatst werd naar het waterrijke Holland en Zeeland, dat bovendien een open verbinding had met de Noordzee, waar de Watergeuzen, tegen wie de Spanjaard door zijn gemis van een zeemacht van betekenis niets vermocht, heer en meester waren? Naar dat gebied gelokt, zou hij onmiddellijk voor de meest ingewikkelde problemen worden gesteld. Sinds 1572 had men reeds op kleine schaal met succes van het overstromkigswater gebruik gemaakt om de vijand te verdrijven. Het was vooral de Prins die er thans op aandrong dat men een 'groot deel van Zuid-Holland onder water zou zetten. Het gold ditmaal de waterschappen Delfland, Schieland en Rijnland. Het zou ongetwijfeld een waagstuk zijn, niet alleen vanwege de schade die de inundatie zou aanrichten, maar er waren er ook die zich zorgen maakten dat het water zich niet verder zou laten beteugelen. Tenslotte stond het nog te bezien, of het hoger gelegen Rijnland wel vanuit Delfland en Schieland overstroomd zou worden. Men hakte uiteindelijk de knoop door. Men hoopte er in te slagen de vijand uit zijn stellingen te verjagen en met een vloot van galeien en platboomde vaartuigen de stad te ontzetten. Valdez, door zijn Hollandse vrienden op de hoogte gehouden, hield van zijn kant ernstig rekening met de mogelijkheid van een inundatie.

Het was inmiddels augustus geworden, toen men grote gaten ging delven in de zware dijken langs de Hollandse IJssel beneden Gouda en langs de Maas bij Rotterdam en de sluizen openzette. Het water stroomde over Schieland en Delfland, maar bleef voor de „Landscheiding" (of „Zijdwind"), de zuidelijke begrenzing van Rijnland, staan. Deze zou ook doorgestoken moeten worden. Onder aanvoering van admiraal Louis de Boisot verliet in de avond van 10 september de geuzenvloot Rotterdam om over het verdronken land koers te zetten naar de Landscheiding, die zij de volgende morgen beneikte. Men slaagde erin er doorheen te breken, maar zag zich, na veel oponthoud, opnieuw geplaatst voor een ditmaal beslist onoverkomelijke hindernis: de zwaar verschanste, van Wilsveen naar Zoetermeer lopende „Voorweg". Men richtte nog wel een aanval op een brug in deze weg, maar moest na harde strijd, waarbij men ook zeer te kampen had met de ondiepte van het water, rechtsomkeert maken. Er zat toen niets anders op dan een omtrekkende beweging te maken, oostwaarts en verder noordwaarts om de Landscheiding heen, om zo mogelijk door het openbreken van de sluis van Zegwaard zich alsnog een toegang tot Rijnland te verschaffen. Begunstigd door een krachtige noordwestenwind en zware regenval, waardoor het water gestadig rees, .slaagde men daar wonderwel in. Doordat de vijand op een aanval van die zijde helemaal niet bedacht was geweest, konden de Geuzen zonder slag of stoot zich van de Zegwaardse weg, die als voortzetting van de Voorweg naar Benthuizen doorliep, meester maken. Zeer in hun voordeel was dat zij nu ook de beschikking kregen over het toen nog bestaande Zoetermeerse meer. Valdez, door het onstuimige weer verrast, zag het hopeloze van zijn toestand •-'P een voor hem zo verraderlijk gevechtsterrein m en liet de buitenste linie ontruimen. Hij trok -iich van Zoetermeer, daarbij nog bestookt door de Geuzen, op Zoeterwoude, de middelste linie, terug. Het weer bedaarde intussen. Dat betekende op

Het weer bedaarde intussen. Dat betekende opiiieuw lage waterstand, zodat de vloot niet verder kon. De 29ste september echter zag de hemel zwart. Een noordwestenwind zwol aan tot storm. Een springvloed deed het water snel rijzen. Toen draaide de wind weer naar het zuiden om de watermassa de kant van Rijnland en Leiden op te stuwen. De Geuzen konden hun tocht weer voortzetten. Het ging er nu om over de Kerklaan voor Zoeterwoude heen te komen. In de nacht van 1 op 2 oktober werd daar slag geleverd. De vijand trok af. Grote gaten in de dijk gaven toegang tot de Broekpolder. Zoeterwoude werd genomen. Men stond thans nog voor het fort Lammen als laatste hindernis. Valdez echter, die zelf de aftocht van Zoeterwoude naar Voorschoten meemaakte, had intussen de commandant van Lammen bevel gegeven om (Zonder strijd de stelling prijs te geven en naar Leiderdorp weg te trekken. Dat gebeurde dan in de nacht van 2 op 3 oktober.

Zondagmorgen 3 oktober was Leiden bevrijd! Hoe de stemming was onder de bevolking? Bij de 300-jarige herdenking werd zij aldus gekenschetst: „Niet eigen arm en kracht had de vijand geslagen, maar de, wondermacht Gods, die de stormwind en de watervloed tot helpers in de strijd had gezonden. De menigte stroomde naar de kerken en stortte het hart uit in gebed en lofgezang en kwam allengs tot kalmte en tot het zalige bewustzijn van verlost en veilig te wezen" "). Voor wie wel eens een bevrijding heeft meegemaakt, laat zich dat indenken.

Nog de eigen dag werd de blijde tijding aan de Prins van Oranje te Delft doorgegeven. Hij woonde juist de dienst in de Waalse kerk bij en liet de brief door de predikant aan de gemeente voorlezen. Ook in Delft stroomde het volk naar de kerk om God te danken. De volgende dag begaf de Prins zich naar Leiden om de bevolking persoonlijk te bedanken.

Van de Spanjaarden heeft men in Zuid-Holland geen last meer gehad. Zij trokken weg en sloegen aan het muiten. De landvoogd Requesens (Alva had in november 1573 de Nederlanden verlaten) werd daardoor in de grootste verlegenheid gebracht. Het verdient vermelding dat de door volharding behaalde overwinning bij de opstandelingen een gevoel van eigenwaarde wekte dat, door de latere successen nog versterkt, hen met te meer vastberadenheid op de ingeslagen weg deed voortgaan. Zij zagen zich daarbij tevens geplaatst voor een situatie die naar binnen bevestiging en ordening behoefde. „Het is merkwaardig te zien hoe midden in het krijgsrumoer een nieuwe maatschappelijke orde zich aan het vormen was. Geen treffender blijk daarvan dan de stichting van een universiteit — te Leiden, als beloning voor de betoonde volharding —, die voor de nieuwe gereformeerde kerk zijn zou wat Leuven voor de katholieke was" 8).

Leiden zou later zonder zijn universiteit het echte Leiden niet zijn.

Een herdenking in 1941

Het schijnt gebruikelijk te zijn de viering van historische gedenkdagen te motiveren. Dat is nodig, omdat een herdenking zo hcht ontaardt in een wéinig-zeggende vanzelfsprekendheid. De band met het verleden wordt van lieverlede namelijk losser. Men vraagt zich daarbij af, of historische feiten hun vérstrekkende invloed wel behouden. Dat het historisch verloop zich kenmerkt door een logische wetmatigheid, wil men niet tegenspreken, maar men blijft tevens rekening houden met het verrassende element daarin. Ook na het ontzet van Leiden is er nog van alles gebeurd. Aan het ontzet van Leiden alleen is het waarlijk niet te danken dat er thans nog een Koninkrijk der Nederlanden is. Toch willen we blijven herdenken. Maar we willen dat op de rechte wijze, d.i. bewust, ons bij de zaak betrokken wetende, doen. Dat kunnen we door o.a. het heden een woord te laten meespreken. Op indrukwekkende wijze is dat gebeurd op 3 oktober 1941, in het tweede bezettingsjaar, in de Pieterskerk te Leiden. Toen was het heden er naar dat men zich diep en innerlijk verbonden gevoelde met het voorgeslacht dat zo volgehouden en geleden, getwijfeld en gebeden had. Men had er toen oog voor dat er geen hulp dan van God voorhanden was.

Prof. dr. A. J. Bronkhorst heeft in „Kerk en theologie" een artikel ter nagedachtenis van de op 19 december 1972 overleden predikant drs. H. C. Touw gepubliceerd '••). Hij noemt hem daarin een „dienaar des Goddelijken Woords in diepe volle zin". Wie zijn „Herdenking van Leidens Beleg en Ontzet in de Pieterskerk te Leiden op 3 Oktober 1941", toen in een beperkte gestencilde oplage verspreid, leest, zal dat onmiddellijk beamen. De tekst van zijn prediking was 2 Cor. 1 : 10: „God, die ons uit zo grote dood verlost heeft, en nog verlost; op Wie wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal". Prof. Bronkhorst noemt de preek „een klassiek exempel van Bijbels-actuele prediking".

De preek beantwoordt inderdaad aan de verwachtingen, welke de tekst bij ons wekt. Het gaat over het verleden (God heeft verlost), het heden (God verlost nog) en de toekomst (God zal verlossen). De nood, waarin Leiden in het jaar 1574 verkeerde, is de nood, waarin Nederland in 1941 verkeert. Toen ging het tegen „volksverdrukking en geloofsvervolging", thans verkeren stad, Kerk en universiteit eveneens in diepe nood. Dat is niet buiten God om gegaan. Maar God is ons ook in het heden nabij en zal op Zijn tijd ons uit die diepe nood verlossen.

Uit de preek valt te leren, wat herdenken is: we hebben het over het verleden, maar dat verleden brengt ons ertoe het heden in het licht van Gods Woord te beschouwen. In deze zin was de prediking van ds. Touw actueel. We besluiten met enkele fragmenten uit zijn herdenkingsrede.

„Zo gedenken wij dan ook heden, wat daar is gebeurd, en wij danken die God, ,,die ons uit zo grote dood verlost heeft". Willen wij die bevrijding werkelijk zó gedenken, dat wij ootmoedig alle eer geven aan God? Het treffende in het leven onzer vaderen was, dat zij met leeuwenmoed streden tegen tyrannie en onrecht, — maar tegelijk met diepe ootmoed hun lijden aanvaardden uit Gods hand; dat zij m a n- n e 1 ij k waren in hun verzet, — maar k i n- d e r 1 ij k, met oneindige teerheid zich bogen voor hun God; dat zij zelf deden al wat mogelijk was, maar dat zij beleden: onze verlossing komt alleen van God. Willen ook wij niet vervallen in die grote zonde van onze tijd: volksverheerlijking, ook niet in heldenverheerlijking, willen wij alle eer geven aan die God, „die ons uit zo grote dood verlost heeft"?

Als het ooit nodig was, dit dankbaar te gedenken, dan juist n u. Want ons volk is wéér een volk in nood. Wij leven weer temidden van zeer grote en vreselijke gevaren. Ons volk staat weer op een beslissend keerpunt in zijn geschiedenis, zoals zelden tevoren. En weer zal 't voor ons volk er bovenal om gaan, of ook in de toekomst de Kerk in vrijheid het Evangelie zal mogen verkondigen en de overheid rechte overheid zal zijn, dienaresse Gods, aan Hem gebonden. Niets heeft ons volk, temidden van zoveel gevaren, zó nodig, dan dat het Evangelie van Christus Jezus naar de Schriften onbevreesd en onbeperkt verkondigd wordt. En nu zeggen wij genoeg, als wij uitspreken, dat er diepe zorg is in onze harten ter wille van die aUerkostelijkste schat: de vrijheid van de Kerk, de vrijheid om naar het Woord Gods te leven".

„Leidens ontzet roept ons tenslotte maar één ding toe: niet de mens, maar God heeft ons verlost. De God, die over wind en water regeert, de God die trotsen vernedert en nederigen uitredt. Hem alleen komt er de eer van toe. Zo troost ons deze 3e oktober, en bemoedigt ons".


standigheid, Utrecht-Antwerpen 1961H, blz. 11. Hierin het opstel Het beleg en ontzet der stad Leiden in 1574.

2) Prof dr L J Rogier schrijft in zijn Oranje en de Nederlandse staat, opgenomen m P H Winkelman e a De monarchie, Amsterdam 1966 , Helaas heeft de mythe dit ware beeld van de grootste Oranjeprins (deze zou een Erasmiaans relativist zijn K ) gaandeweg gestileerd of — beter gezegd — verminkt Het schijnt wel een natuurwet dat een bovendrijvende partij het verleden herkneedt naar haar beeld en gelijkenis en zo is het te verklaren dat de man wie geen groter onrecht kan worden aangedaan dan hem te tekenen als ijveraar voor een confessioneel monopolie m de veibeeldmg van sommigen nog leeft als de paladijn van de Reformatie (blz 41) Laat me echter hieraan toevoegen dat men m het algemeen bij een serieuze beoordeling van een historische figuur zich aan de verbeelding van sommigen niets gelegen laat liggen

3) Pruin, t.a.p., blz. 34.

4) Pruin, t.a.p., blz. 48.

5) Pruin, t.a.p., blz. 50.

6) Prof. dr. P. C. A. Geyl, Geschiedenis van de Nederlandse stam, I, Amsterdam 1930, blz. 487.

7) Fruin, t.a.p., blz. 82.

8) Geyl, t.a.p., blz. 524.

9) Kerk en theologie, XXIV.2, april 197'3, Boekencentrum B.V. 's-Gravenhage.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1974

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Het ontzet van Leiden 1574

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1974

Kerkblaadje | 8 Pagina's