Worstelend geloof
Hoe lang^ Here, roep ik om hulp, en Gij hoort niet; schreeuw ik tot U: geweld! en Gij verlost niet?Habakuk 1 :2
„Het geloof is een onrustig ding", heeft Luther ons voorgehouden. En wij moeten hem daarin gelijk geven. Want het is steeds in beweging. Het rijst en het daalt. Het heeft zijn ups en zijn downs. Het is helemaal geen gunstig teken, als iemands geestelijke barometer onveranderlijk op hetzeitde punt blijft staan.
De profeet Habakuk doet ons een boekje open over de ontwikkeling van zijn geloof: van een geestelijk dieptepunt naar een geestelijk hoogtepunt. Dat innerlijke proces verliep bij hem in drie opeenvolgende fazen. In het eerste hoofdstuk maakt hij ons getuige van een worstelend geloof, in het tweede gaat dat over in een verwachtend geloof en in het derde eindigt dat weer in een overwinnend geloof. Hoeveel tijd en moeite dat gekost heeft, kunnen Vvij zelf raden. Want er moest heel wat verwerkt worden!
Habakuk brengt zijn worstelend geloof onder woorden in de hartekreet: ,,Hoe lang, Here, roep ik om hulp, en Gij hoort niet; schreeuw ik tot (J: geweld! en Gij verlost niet?" Klaarblijkelijk /echt hij met zijn God, net als een worstelaar net zijn tegenstander. En wat is het grote strijd- )unt? De raadselachtigheid van Gods bestuur! )aar kan hij niet over uit.
Zelf doet hij uit de doeken hoezeer de mistanden in het volksleven hem dwars zitten. Al lie onderlinge haat en nijd en al dat onrecht in 'e samenleving zijn voor hem niet te harden. '"n, zeker, de mensen doen dat elkaar wel aan, laar de Here God zou er toch een eind aan unnen maken. Waarom doet Hij dat dan niet?
Habakuk heeft de hemel al wie weet hoe lang iestormd met zijn smeekgebeden en jammerlachten. Maar hij krijgt geen gehoor. God hult jch in een eindeloos stilzwijgen. En als Hij tenlotte antwoord geeft, raakt onze arme profeet naardoor nog verder van huis. Want God onthult hem, dat Hij de Israëlieten onder handen /al laten nemen door de Chaldeeën (de Babyloniërs). Die zullen in een bliksem-oorlog het land overvallen en bezetten.
Maar daarmee is Habakuk helemaal niet gelukkig. Want dat lijkt nog meer op een overwinning van het onrecht dan van het recht. Die Babyloniërs zijn immers geen haar beter dan de Israëlieten en zelfs nog een stuk slechter. Hoe kan God toelaten, dat de goddeloze verslindt wie in elk geval nog wat rechtvaardiger is dan hij? Pr blijft de profeet niets anders over dan het brandende probleem met zijn God uit te vechten in een intense geloofsworsteling.
Kunnen wij niet van harte met deze Godsman meevoelen? Omdat het raadsel van het Godsbestuur ook telkens levensgroot voor ons komt te staan en ons dan in grote moeilijkheden brengt? Elke uitzending van de nieuwsdienst betekent een aanslag op ons geloof, een aanvechting voor ons geloof. Want het wereldgebeuren is een ellenlang gruwelverhaal, dat maar steeds wordt vervolgd. Wanneer wij ons rekenschap geven van zoveel verschrikkingen, kunnen wij de noodkreet van Habakuk letterlijk overnemen: „Hoe lang. Here, roep ik om hulp, en Gij hoort niet; schreeuw ik: geweld! en Gij verlost niet?" Het is voor ons haast niet om aan te zien. En wat moet het zijn voor de slachtoffers om het persoonlijk door te maken?
Wij moeten er, net als Habakuk, voor vechten om het hoofd geestelijk boven water te houden. Het komt ook voor ons aan op een worstelend geloof. Maar moet ons dat zo vreemd voorkomen? Dat is ons toch door Jezus Zelf onomwonden voorzegd. Vergelijkt Hij de positie van de gemeente in de wereld niet met die van een in het nauw gedreven weduwe, die hulp en bijstand moet vragen bij een onrechtvaardige rechter? Elke dag staat ze bij hem op de stoep, steeds sterker druk oefent ze op hem uit, tenslotte zet ze haast de voet tussen de deur. Maar keer op keer komt ze onverrichterzake thuis. Zal ze het maar niet liever opgeven en proberen in haar lot te berusten? Nee, ze houdt net zo lang vol, totdat haar recht gedaan wordt. Haar motto is blijkbaar: „de aanhouder wint".
Nu, dat moet ook óns motto zijn, wanneer ons bidden alleen maar vechten tegen de bierkaai schijnt. God lijkt inderdaad op die onrechtvaardige rechter uit de gelijkenis, maar we mogen, gelukkig, beter weten. Een bekende spreuk geeft ons de raad: „Wanneer je Gods hart kent. twijfel dan niet aan Zijn hand". Wij kennen Gods hart, want Hij heeft het binnenste buiten ge-keerd in de zending en overgave van Zijn Zoon Jezus Christus. En toen bleek het over te stromen van liefde voor gevallen mensen en voor een verongelukte wereld. Ook al kunnen wij Zijn albestuur niet volgen, Hij moet toch het beste met ons voor hebben.
Zelfs de onrechtvaardige rechter greep tenslotte in ten behoeve van de verdrukte weduwe, zodat ten langen leste toch nog het recht zegevierde. Hoeveel te meer zal God, als de rechtvaardige Rechter, tenslotte ingrijpen ten behoeve van Zijn verdrukte gemeente, zodat uiteindelijk toch nog het Recht zal zegevieren.
Het is alleen maar de vraag of wij het wel zullen volhouden om te blijven bidden en te blijven geloven: dwars door alle beproevingen heen, tot aan de grote ontknoping toe. Het hart van Jezus is daarover van zorg vervuld: „Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij het geloof vinden op de aarde?" Gelukkig maar, dat de noodzakelijke volharding niet alleen een prestatie is, die wij hebben te leveren, maar ook en vooral een genade, die ons wordt geschonken door de Heilige Geest. Intussen haalt niemand de eindstreep zonder worstelend geloof. Want voor elke christen geldt: „zonder strijd geen overwinning!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1976
Kerkblaadje | 8 Pagina's