Bij een gedicht van Gerrit Achterberg
Een van de meest aangrijpende verhalen uit het Oude Testament is wel dat van Jakobs worsteling bij Pniël (Genesis 32 : 22—32). Hierin wordt ons beschreven hoe een aan zichzelf ontdekt, zondig mens, eenzaam en ontdaan van alle franje, voor zijn God verschijnt, of juister: door zijn God ontmoet wordt; hoe hij in het geschil met Hem het pleit wint — God gééft zich gewonnen — en als herboren verder trekt. Je voelt: hier staan we op heilige grond, hier worden dingen verwoord die het meest wezenlijke van ons menszijn raken. Wie daarover zo gemakkelijk en gladweg, zo „populair" preekt, spreekt, rijmt of zingt, weet er niets van, kent de God van de Bijbel niet en daardoor zichzelf niet, aanbidt een „lieve Heer" van eigen makelij. Wie daar wél weet van had? De psalmist en bovenal Hij die geen zonde gekend heeft, denk aan Gethsémané, denk aan Golgotha: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten!" Het is te begrijpen, dat juist dichters door zulke geschiedenissen worden aangesproken: zijn zij niet bij uitstek degenen die intuïtief het wezenlijke weten te vangen? Een van hen is Gerrit Achterberg, de boerenzoon van hervormd-gereformeerden huize uit Neerlangbroek, die in 1962 overleed. Hij v%^ordt wel de dichter van het ene thema genoemd: de poging om weer in contact te komen met de gestorven geliefde. Daar kun je zo je eigen gedrchten over hebben. Uit zijn honderden gedichten nemen we het navolgende:
OVER DE JABBOK
Toen ik het einde had bereikt
van mijn verdorvenheden,
stond God op uit het slijk
en weende;
en ik stond naast Hem^ ziende neder
op een verloren eeuwigheid.
En HIJ zei: je had geen gelijk;
maar dat is nu voorbij, van heden
tot aan die andere eeuwigheid
is maar één schrede.
Ik ga u dit gedichtje niet „uitleggen", dat kan ik niet. Maar misschien dat ik door enkele opmerkingen het wat naderbij kan brengen.
De titels van Achterbergs gedichten zijn altijd zeer evocatief: ze roepen werelden in ons op; ze nodigen meer uit tot associëren dan tot redeneren. Bij een gedicht als „Deïsme" bv. moeten we niet zonder meer aan het Deïsme*) denken; het gaat daarin om Achterbergs „deïsme", dat heel wat anders blijkt te zijn: een belijdenis van Christus als de enige weg ten leven! Zo ook hier: het „verhaal" uit Genesis vinden we er maar gebrekkig in terug. Zoals Jakob zijn Jabbok-ervaring had, zo had de schrijver de zijne. Ze vertonen wel punten van overeenkomst!
Anders dan in Genesis vertelt de „ik" zelf wat heim is wedervaren voor hij aan de overzijde van de rivier voet aan land zette.
Door zijn eigenwilligheid (,,Ik heb altijd gelijk") liep hij volkomen vast, hij bleef in de modder steken die hem neerzoog. Maar dan — STAAT er uit het SLIJK een WENENDE God OP. Dus niet God die als rechter vanuit de hoge hemel neerdaalt, maar God die als redder vanuit het diepe slijk — symbool van zonde en schuld, dood en ondergang — waarin Hij dieper dan enig mensenkind ondergedompeld is geweest, oprijst. Wie anders kan hier bedoeld zijn dan Jezus, de Engel des Heren in nieuwtestamentische gedaante, die bewogen is met ons lot? En — o wonder — de „ik" mag op gelijke voet, als broeder met Hem verkeren.
Er is sprake van twee eeuwigheden: „een verloren eeuwigheid" waarop de dichter neerziet, en „die andere eeuwigheid" waar Christus hem op wijst. In Adam is ze niet meer te vinden, alleen in Hem.
Met neergeslagen ogen en zonder verweer_ hoort de ik-figuur uit Christus' mond de waarheid van zijn leven: „Je had geen gelijk". Denk over deze paar woorden niet te gering: ze hou-den een veroordeling in van de totale mens zoals hij van nature is. Wie laat zich dat gezeggen? De schrijver wèl, hij heeft immers na dezen weer vaste grond onder de voeten gekregen!
„Maar dat is nu voorbij": „Zie, Ik maak alle dingen nieuw", en in gedachten z;ien we hem de ogen opslaan.
En zoals David tot Jonathan sprak: „Er it maar één schrede tussen mij en de dood" (I Samuel 20 : 3), zo spreekt deze Godmens: „Ei is maar één schrede tussen u die in de dood zijt, en HET LEVEN". „VREES NIET, GELOOF ALLEENLIJK".
=:=) Godsdienstig-wijsgerige stroming in de 18e en 19e eeuw, die zich niet wenste te baseren op de openbaring, maar op de menselijke rede. God is wel de oergrond van al het zijnde, maar na de wereld geschapen te hebben en ,,in werking te hebben gesteld", zoals een horlogemaker een klok opwindt, bekommert Hij zich niet meer om Zijn maaksel; alles verloopt werktuiglijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1977
Kerkblaadje | 8 Pagina's