Heiliging en hoop *)
Inleiding
Van verschillende zijden klinkt in deze jaren in kerk en theologie de roep om een nieuwe maatschappij, om een samenleving waarin vrijheid, gerechtigheid en menselijkheid heersen. Via evolutie en revolutie moeten wij werken aan bevrijding en vernieuwing. De kerken mogen zich^ zo zegt men, in deze sociaal-revolutionaire bewegingen niet afzijdig houden. Want zij weten van een toekomst, van hoop die doet leven. En deze christelijke hoop moet fungeren als motor voor vernieuwing, revolutie en bevrijding. Woorden als uittocht, opstanding, hoop, bevrijding krijgen een politieke interpretatie (vertolking) en vormen de motieven voor een theologie van de revolutie.
We zouden hier een lange rij van namen van filosofen en theologen de revue kunnen laten passeren. Maar het lijkt ons in het kader van deze conferentie beter u te laten zien, wat voor gevolgen deze door de hoop gevoede maatschappij-kritische theologie heeft voor de practijk. Ik kies daartoe als voorbeeld een preekschets van de hand van dr. H. D. van Hoogstraten uit de in november 1977 verschenen Postille. Van Hoogstraten schreef hiervoor een drietal schetsen voor de lijdenstijd, waarbij hij als tekst koos de geschiedenis van Israels uittocht uit Egypte. In de verantwoording voor zijn tekstkeus schrijft hij: „In deze schetsen wordt geprobeerd een interpretatie van de teksten te geven voor onze tijd, nu in kerk en politiek, bij mensen die zich allen op Gods Woord beroepen, zulke verschillende visies op het maatschappelijk handelen te vinden zijn" i).
Wat is nu het resultaat van deze eigentijdse prediking? Sta mij toe u een wat langer citaat te geven uit de schets voor de tweede lijdenszondag over Exodus 6 : 1 en 2. Wij lezen in de aanwijzingen voor de prediking het volgende: „Behoudende politiek is voor mensen, die deze God hebben ontmoet, een onmogelijkheid. De behoudende politiek, inclusief de christen-democratische stromingen in West-Europa, verdedigt in feite de kapitalistische orde. En daarom kan deze politiek het lijden (van het volk Israël, van Jezus, van altijd weer nieuwe groepen mensen) niet echt serieus nemen: in het christendomvan-het-midden wordt het vergeestelijkt, waardoor het christendom een religie wordt, die meer kwaad dan goed doet. Het is altijd maar een kleine minderheid die dit ziet: Mozes, Jezus, een „rest". Maar deze rest is het begin van een nieuwe beweging in het gevecht tegen een vals bewustzijn. Mozes moet naar twee zijden vechten: naar de werknemers en de werkgevers. Hij moet dit doen omdat er maar niet een beetje gegeven en genomen moet worden, maar omdat de condities waaronder de samenleving is ingericht radicaal moeten veranderen. Dit is de boodschap van het lijden dat voorafgaat aan Pasen. Pasen, de bevrijding uit het diensthuis, het wegvagen van de zonde der valse ideologie, waardoor een echte bevrijding uit het hele verdorven economische stelsel kan plaatsvinden"-).
Tot zover dit citaat. U merkt, wat hier plaatsvindt. Alle woorden worden (links-) politiek vertaald. Het lijden van Jezus is het lijden van de economisch-geknechten. God is de God van de armen, de promotor van de klassenstrijd. Bevrijding uit het diensthuis is -bevrijding uit de macht van het kapitalisme. Het morrende volk in de woestijn, dat terugverlangt naar Egypte, vindt zijn toepassing in hen die uit angst en onzekerheid de noodzaak van revolutionaire klassenstrijd niet aandurven.
Wij kunnen in dit alles niet méér zien dan een geseculariseerde (verwereldlijkte) lijdenspredi-king, voortkomend uit een verwereldlijkte heilsverwachting, gevoed door een toekomstdenken, een hoopvol uitzicht dat méér geluisterd heeft naar de marxistische filosoof Ernst Bloch •') dan naar profeten en apostelen. Van Hoogstraten staat hierin niet alléén. Wie de verslagen "•) gelezen heeft van de onlangs gehouden predikantenvergadering, waar dr. W. A. de Pree gerefereerd heeft over heil en werkelijkheid, kwam dezelfde geluiden tegen. Het heil en de hoop op dit heil worden tot een binnenwereldse aangelegenheid gemaakt.
Wie op deze wijze de kerk en de prediking prijsgeeft aan de secularisatie en de verpolitisering kan wel denken wereld en samenleving een dienst te bewijzen, maar wij menen dat hij zich daarin grondig vergist. Zo'n" ondernemen moet uitlopen op een bittere ontgoocheling. Met alle schadelijke gevolgen van dien. Maar wij willen bij deze beoordeling niet blijven staan. Als we de verbinding tussen hoop en revolutie, uittocht en politieke bevrijding, zoals die in de neomarxistische theologie wordt gelegd, afwijzen, zullen we ons niet mogen onttrekken aan de vraag: Wat betekent de christelijke hoop voor leven en samenleven? Vandaar dat ik als thema voor deze lezing koos: Heiliging en hoop.
1 Petrus
Bijbelkenners onder u denken misschien aan het prachtige woord uit 1 Johannes 3: „Een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is" (vs. 3). Daarin vindt u inderdaad ons thema ten volle aangeduid. Te denken zou ook zijn aan het verband tussen uittocht en wetgeving, toekomstverwachting en nieuwe gehoorzaamheid, zoals het Oude Testament daarover spreekt.
Maar ik wil vanmorgen toch nog een andere kant uitgaan. Mijn keus viel op de eerste Petrusbrief. Is de apostel Paulus wel genoemd de apostel van het geloof, Johannes de discipel der liefde, men zou Petrus kunnen karakteriseren als de apostel van de hoop 5). In zijn betrekkelijk korte brief komt de hoop vijfmaal ter sprake. En dan niet als een abstract theologisch thema in een verhandeling, maar in een pastoraal (herderlijk) schrijven aan christenen in een hun vijandige wereld. Christenen, die geroepen zijn te wandelen in de vreze des Heren, waardig het Evangelie waardoor zij geroepen zijn. Wat dat concreet betekent wil ik vanmorgen met u nagaan door met u te luisteren naar de woorden van 1 Petrus 3 : 15^ de tekst die ook op de titelpagina van de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat afgedrukt: ,,Maar heiligt de Christus in UW harten als Here, altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze ".
Hoop
Hier is sprake van de hoop, die in u is. Nu zouden we bij oppervlakkige lezing kimnen denken aan een vaag gevoel, een hoopvolle stemming die zich richt op de toekomst. Zoals wij in het gewone spraakgebruik wel eens zeggen: „We zullen er het beste maar van hopen". Maar u voelt wel: van een dergelijke „hoop", vermengd met vrees en onzekerheid, hoef je geen rekenschap te geven aan de buitenstaanders. Als wij uitspreken: „ik hoop het", zetten we er een vraagteken achter. Als de Schrift getuigt van de hoop die Gods kinderen mogen kennen, staat er een uitroepteken achter. Het is gegronde verwachting.
Petrus geeft dat in 1 : 3 ook duidelijk aan. De grond voor deze hoop ligt in de opstanding van Jezus Christus. Hij heeft de machten van zonde, dood en duivel overwonnen. Door Zijn verzoenend lijden en sterven is er voor wie gelooft een deur geopend naar een nieuw leven, een leven door Zijn dood bereid, een leven in Zijn heerlijkheid. En zeker, al leven we in een wereld waar de zonde zich nog breed maakt, waar de Boze tekeer gaat als een briesende leeuw (5 : 8), waar het lijden de gelovigen niet bespaard blijft en de dood zich openbaart als een grimmige vijand, — het heilsfeit van Christus' opstanding kan door niets en niemand ongedaan gemaakt worden. Daarom is het geloof in Hem, Die Jezus uit de doden heeft opgewekt, tevens hoop op Hem. Daarom zijn christenen zeker van de erfenis die in de hemel veilig bewaard wordt, veilig opgeborgen, zou je zeggen. Want zij worden in de kracht van het geloof dankzij de trouw van Christus voor die erfenis bewaard.
De verwachting is gegronde verwachting, ze is ook gevulde verwachting. Ze is het volstrekte tegendeel van de ijdele hoop^ waar de menszonder-God soms van droomt. Die hoop is een uiteenspattende zeepbel gelijk, gericht als ze is op mensen en machten, op de goden van de tijd. Maar de levende hoop, gewekt door Christus' opstanding, heeft inhoud. De gemeente van Christus leeft uit de belofte, die zij ontvangen heeft en die vervuld is in Christus' komst en verschijning. Zij leeft van hetgeen de Here voor haar verworven heeft en aan haar schenkt door Zijn Heilige Geest. Dat is haar kracht en zekerheid. Dat is ook haar rijkdom: het eigendom te mogen zijn van Hem, Die haar kocht voor de prijs van Zijn bloed. In dat geloof is de gemeente onderweg. Zij staat nog in de strijd. Maar ze ziet de grote vervulling tegemoet. En Petrus wekt haar op: „Vestigt uw hoop volkomen op de genade, die u gebracht wordt door de openbaring van Jezus Christus" (1:13). Ook al mag de gelovige in het geloof zeker zijn van de vergeving en het heil, — de volle verlossing wacht nog. Daar mogen we naar uitzien. In de wetenschap, dat het einde aller dingen sinds Pasen en Pinksteren nabij is (4 : 7) en dat het slechts een korte tijd van lijden (5 : 10) is die doorstaan moet worden.
Overigens komen wij niet automatisch tot deze hoop. Petrus looft God, Die ons naar Zijn grote barmhartigheid heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop. Wij tomen tot deze hoop door een radicale wending, door te sterven aan onszelf en het leven te vinden buiten onszelf in Jezus Christus. Wij komen tot deze hoop, als we ons door Christus laten meenemen door Zijn dood heen naar Zijn opstanding. Als ons leven niet meer cirkelt om ons eigen ik, maar als Christus het centrum van ons leven wordt. Petrus' brief is vol van dat grote geheim, dat werk van Gods genade, idie nieuwe geboorte in het leven van zijn lezers. Ze zijn immers verlost van hun ijdele wandel, verlost uit een leven dat onderworpen is aan de dood. En nu mogen ze delen in een nieuw leven in verbondenheid met de levende Christus. En omdat die levende Christus toekomst heeft, daarom is het leven van de Zijnen vol van hoop. Want Hijzelf is hun hoop.
Heiliging
Deze hoop vormt ook de krachtbron van de christen, tot uiting komend in de strijd tegen de zonde, in de dienst der liefde, kortom in de heiliging van het leven. Reeds in hoofdstuk I horen we van deze samenhang. Na het loflied op de God der hoop en na de belijdenis van de zekerheid der toekomstverwachting horen we Petrus zeggen: „Omgordt dus de lendenen van uw verstand, weest nuchter. Voegt u als gehoorzame kinderen niet naar de begeerten uit de tijd uwer onwetendheid, maar wandelt in deze vreze des Heren" (vs. 13—17). Hoopvolle christenen stellen hun verstand in dienst van hun Here, zijn nuchter en laten zich niet beetnemen door de roes van het leven zonder God. Hoopvolle christenen worden ook geroepen om te wandelen in kinderlijke liefde en eerbied jegens hun hemelse Vader. En wie de Vader liefheeft, krijgt ook de broeders lief (1 : 22).
De hoop als bron van een nieuw leven. Wij lezen daar ook van in hoofdstuk 3 : 15. Petrus spoort zijn lezers aan, de Christus te heiligen als Here. Hij herinnert hierbij aan wat we lezen in Jesaja 8 : 12 en 13. Jesaja en de zijnen moeten temidden van een volk, dat beeft en siddert voor de vijand^ alleen de Here heilig achten. Zijn Naam hoog houden in woord en wandel.
Nu verkeren ook Petrus' lezers in bedreigende omstandigheden. Ze wonen verspreid in Klein- Azië als kleine minderheden in de verstrooiing. Ze zijn vreemdelingen, d.w.z. ze zijn vreemd ten opzichte van hun omgeving, omdat ze niet meer mee kunnen doen met het heidense leven. Als vreemde eenden in de bijt van deze wereld worden ze gediscrimineerd, belasterd en verdacht gemaakt door hun heidense omgeving. Laten we niet vergeten: het sociale leven werd in de oudheid sterk beheerst door het godsdienstige leven. De weigering om andere goden te erkennen had als gevolg, dat men aan allerlei gebeurtenissen in dorp of stad niet kon deelnemen, omdat deze met een of andere tempeldienst verbonden waren. Christenen kwamen zó buiten spel te staan. En de donkere wolk van vervolging bangt dreigend boven hun hoofd. Geen wonder, dat dit alles vrees en schrik
Geen wonder, dat dit alles vrees en schrik oproept. Nu roept Petrus hen op niet te vrezen, maar Christus te heiligen als Here, dat wil zeggen: Hem in het geloof als Here te erkennen, te belijden, en Hem die unieke plaats te geven, die Hem ook toekomt. De heiliging cirkelt dus om de belijdenis in woord en daad van Jezus Christus als Here. Als we bedenken hoe in die tijd de titel Kurios (Heer) als titel van de Romeinse keizer, van allerlei goden en machthebbers, religieus geladen was, dan begrijpt u wel, dat dit belijden insneed in het leven van elke dag.
Dit heiligen van Christus als Here geschiedt, zo staat er, in de harten. Het hart is het centrum van ons bestaan. Maar vanuit het hart zijn de uitgangen van het leven. Laten we niet de vergissing begaan, het belijden met het hart uit te spelen tegen de daad en de levenswandel. Wie de Naam van onze Here Jezus Christus heiligt en hoog houdt, zweert andere goden en machten af. Dat is een voluit existentiële (de gehele mens aangrijpende) zaak, een zaak van ons hart, die ingrijpt in het persoonlijke leven, maar ook politieke en sociale dimensies heeft. Van-daar dat in deze brief ook de houding ten opzichte van de overheid, de verhoudingen tussen werknemers en werkgevers, de relatie manvrouw^ het dienstbetoon in de gemeente, de kerkelijke structuren breed ter sprake komen. Wij behoeven waarlijk niet uit reactie tegen een ^'erpolitiseerde prediking de band tussen prediking en politiek, belijdenis en sociale leven door tesnijden. Datheeftde Reformatie trouwens nooit gedaan. Christus als Here belijden heeft ook gevolgen voor de arbeidsverhoudingen^ de vragen rondom het overheidsgezag, het huwelijks- en gezinsleven. Men denke aan het levenswerk van Groen van Prinsterer, om slechts één naam te noemen. Maar wij tekenen wél verzet aan tegen een verbinding van kerk en politiek, waarbij een bepaalde politiek de inhoud van prediking, kerk-zijn en belijden dicteert en in feite het Woord ontheiligd wordt en ondergaat in de vloedgolven van de secularisatie.
Als de kerk waarlijk ernst mag maken met de heiliging van Christus als haar Here vanuit de hoop die haar geschonken is, dan wordt ze geen koploper in de revolutie, geen luidruchtige vennoot van allerlei actie-bewegingen, dan staat ze haaks op de bewegingen van deze wereld, dan zal het lijden om Christus' wil haar niet bespaard blijven, dan wordt ze, evenals de gemeente aan wie Petrus schrijft, een vreemde eend in de bijt van deze wereld.
Een gemeente, die haar Here heiligt, staat inderdaad kritisch in de samenleving. Omdat ze ook zeK onder de kritiek van haar Here en Koning doorgaat. Niet revolutionair, maar dienend in priesterlijke bewogenheid. In een levenswandel die gestempeld is door Hem, Die door lijden tot heerlijkheid ging^ een levenswandel die totaal anders is dan de eigenwettelijke levenspatronen van deze wereld. Christenen moeten, volgens I Petrus, op de plaats waar ze staan, wél doen, opvallen door hun goede omgang. „Als gij goed doet en dan lijden moet verduren", schrijft Petrus aan de slaven, „dan is dat genade bij God" (2 : 20). Nergens vindt u in deze brief een oproep tot revolutie en omverwerping van de bestaande structuren. De onlangs overleden Utrechtse hoogleraar prof. dr. W. C. van Unnik schrijft in een prachtig boekje „Leven door de hoop" "J; „Niet het verbreken van de bestaande structuren als zodanig is goed, want dat leidt tot chaos of dictatuur, maar in die structuren die voor verandering vatbaar zijn, die daden doen die het zicht op-, het luisteren naar God niet belemmeren doch juist mogelijk maken". Dat betekent heus geen kritiekloze aanpassing aan de bestaande wanorde, zoals ons vaak verweten wordt. Integendeel, juist deze belijdende levenshouding in gehoor-zaamheid aan de Here werkt als een zoutend zout dóór in de samenleving.
Bereid voor wie rekenschap vraagt
Dat blijkt uit het vervolg van 1 Petrus 3 : 15. Daar lezen we, dat de gemeente altijd bereid moet zijn tot verantwoording aan al wie haar rekenschap vraagt. Wat blijkt daaruit? In elk geval, dat de goede wandel in deze vreze Gods, het belijden in woord en daad, vragen oproept bij de heidense omgeving^ verbaasde, nieuwsgierige, misschien wel geïrriteerde vragen! Het bestaan van de gemeente, haar zijn, haar wandel wordt tot vraag in de wereld.
Ik moet u zeggen, dat ik dit een voor ons uitermate beschamend woord vind. Er moeten vragen opgeroepen worden door het bestaan van de Christus heiligende gemeente, van mensen die iets vertonen van het ,,gij geheel anders, ge hebt Christus leren kennen". Waar die vragen zijn, daar kan ook antwoord, ja moet antwoord gegeven worden. De vraag, die ons bezig moet houden, is: Roepen we anno 1978 als gemeente van Christus inderdaad vragen op vanwege ons hoopvol bestaan in een hopeloze wereld? Roepen we inderdaad vragen op vanwege ons belijden van de éne Naam? Of zijn we even wereldgelijkvormig als de anderen in ons denken en doen, in de wijze waarop we in de wereld staan? Hebben we de schutkleur van onze omgeving aangenomen en is ons christendom een zó aangepaste zaak geworden^ dat niemand zich erover verbaast, laat staan: vragen stelt, die om verantwoording roepen?
Wij kunnen terecht verontrust zijn over de secularisatie van het volksleven in deze jaren. Maar zijn we óók verontrust over de verwereldlijking, waar we binnen de gemeente aan lijden? Wij willen niet hooghartig oordelen, en we mogen ook het goede niet voorbijzien, dat de Here God ons in menig opzicht nog geeft in het kerkelijk leven. Maar wat ons toch moet verontrusten is, dat achter de voorgevel van een orthodox, rechtzinnig gemeentepatroon zich niettemin een levenshouding kan verbergen, die in wezen één brok wereldgelijkvormigheLd is. Het probleem in de relatie van kerk en wereld is niet primair de wereld, maar de kerk, de gemeenten, u en ik. Laten we er onze ogen niet voor sluiten, dat ook in onze rechtzinnige gemeenten de secularisatie veel verder is voortgeschreden dan we vaak oppervlakkig denken.
Eén dezer dagen kwam mij onder ogen een uitgave van de Bijbel Kiosk Vereniging, waarin ds. T. Poot ^) aan de hand van deze tekst uit 1 Petrus ingaat op de evangelisatorische gemeente. Ds. Poot stelt daar eveneens de vraag: Roe-pen we vragen op of werpen we ons bij gebrek aan vragen op een agressief apostolaat a la (op de wijze van) de Jehovagetuigen? Poot noemt dit agressieve apostolaat „de voze vrucht van een gemakzuchtige gemeente, die weigert om de Christus te heiligen in de harten". Hetzelfde kan mijns inziens ook gezegd worden van allerlei maatschappij-kritische stromingen, die op progressief-revolutionaire wijze de wereld willen vernieuwen in de richting van het Rijk van God. Ook dat is een voze vrucht van een gemakzuchtige gemeente, die op een liberale manier zich aanpast bij de gegevenheden van deze wereld.
Daarom is 1 Petrus 3 : 15 een woord, dat ons heilzaam moge verontrusten. De levensheiliging in het licht van de ons geschonken hoop heeft ook een missionair, evangelisatorisch aspect.
Bereid tot verantwoording
Als we Christus als Here mogen heiligen door de genade van God, dan zal ook vrijmoedigheid geboren worden om te getuigen van de hoop. Want wij mogen het Evangelie niet voor onszelf houden. Wij mogen de vragen, die dan gesteld worden, niet onbeantwoord laten. Dr. J. Koopmans s) schrijft: „De vrager heeft er recht op en heeft het nodig het te horen". En hij herinnert aan een joodse spreuk: „Als iemand u iets uit de Thora vraagt, dan moet ge niet stotterend antwoorden".
Weest daarom bereid tot verantwoording ! De griekse tekst bezigt hier het woord apologie. Dat heeft in de loop der eeuwen een slechte klank gekregen. Dat is best te begrijpen. Vele apologeten (verdedigers van het christelijk geloof; apologie — verdediging) hebben immers geprobeerd het Evangelie redelijk aanvaardbaar te maken voor de ongelovigen en de waarheid van Gods Woord te bewijzen met behulp van vaak wereldse denkmethoden. In de practijk betekende dat doorgaans^ dat het niet-christelijke denken de Evangelie-inhoud verzwolg.
Die apologie is echter in 1 Petrus 3 : 15 niet bedoeld. Op enkele plaatsen komen we het door Petrus gebruikte woord tegen in de betekenis van „verkondigend, getuigend spreken". Paulus heeft als gevangene ten overstaan van zijn rechters getuigd van Jezus Christus (Filipp. 1 : 7, 16). De apostelen Petrus en Johannes kunnen ondanks de dreigementen van het Sanhedrin niet nalaten te spreken en te getuigen van wat ze gezien en gehoord hebben. Het antwoord op de gestelde vragen zal alleen maar kunnen bestaan in een getuigend spreken, dat van zichzelf afwijst en Christus centraal stelt.
Die verantwoording dient te geschieden met zachtmoedigheid en vreze. Met zachtmoedigheid, dat wil zeggen: niet agressief en opdringe-rig, niet opkomend voor eigen recht of gelijk, niet in een geest van zelfvoldaanheid, maar in een houding van bescheidenheid en ootmoed, in het weten zelf te moeten leven van genade. En met vreze, dat wil zeggen: in deze vreze des Heren, die vrijmaakt van de vrees voor mensen en machten. Om nogmaals het woord aan Koopmans te geven: „Ons verweer is in zekere zin weerloos Onze verantwoording is geen andere dan deze: ik hoop op de vergeving der zonden en de wederopstanding des vleses" ^). Van zo'n wervend getuigenis gaat zegen en kracht uit. Dan is de gemeente, wat ze mag zijn: zout in de wereld, een stad op de berg.
Zij trokken een spoor
Zien we nu naar de geschiedenis, dan mogen we zeggen, dat dit woord van Petrus steeds weer een kracht Gods is geweest in het leven van mannen en vrouwen, die hebben mogen getuigen van de hoop op Christus. Wij geven enkele voorbeelden.
In een oud-christelijk geschrift De hriej aan Diognetus wordt de volgende verantwoording gegeven van de levenswandel der christenen: „Ze wonen in hun eigen land, maar als vreemdelingen. Ze delen in alles mee als burgers, maar ze hebben alles te lijden als vreemdelingen. Elk vreemd land is hun vaderland en elk land is hun vreemd. Ze trouwen als ieder ander. Ze krijgen kinderen, maar ze leggen hun nageslacht niet te vondeling. Ze delen hun tafel, maar niet hun bed. Ze leven in het vlees, maar niet naar het vlees. Ze vertoeven op aarde, maar ze zijn thuis in de hemel" lo). En in het vervolg van de brief zet de schrijver uiteen, wat het geheim is van dit nieuwe leven: de genade van God door Jezus Christus.
Ik denk voorts aan Guido de Brès^ de vurige prediker uit de 16e eeuw, de opsteller van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Prof. dr. W. F. Dankbaar i') schrijft in een opstel over Guido de Brés, dat tijdens diens gevangenschap bezoekers onder de indruk kwamen van de zeldzame gemoedsrust, de waardigheid en de kennis van De Brés. In geloof en innerlijke blijdschap heeft hij zijn gevangenschap gedragen. En zijn brieven getuigen van de rust en de geloofsmoed, waarmee hij het einde van zijn leven tegemoet ging. Zo schrijft hij in een brief aan zijn vrouw: „Ik heb meer vorderingen gemaakt en meer geleerd sedert ik gevangen ben, dan in mijn gehele leven; ik bevind mij in een zeer goede school. De Heilige Geest is mij gegeven, die mij voortdurend bezielt en mij de wapens leert hanteren in deze strijd. Anderzijds gaat de satan, de tegen-stander van al Gods kinderen, rondom mij als een briesende en brullende leeuw om mij te verschrikken. Maar Hij, die tot mij heeft gezegd: Heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen, maakt mij tot overwinnaar " 12) _
Zó heeft De Brés aan vriend en vijand rekenschap gegeven van de hoop^ die in hem was. En hoe legt ook de brief aan de koning van Spanje, het begeleidend schrijven bij de Geloofsbelijdenis, daarvan op indrukwekkende wijze getuigenis af! Het is een indringend document, waarin een hartstochtelijk appèl gedaan wordt op de vorst om zich niet te laten meeslepen door de boze raadgevers, die de zaak van de Reformatie in een kwaad daglicht stellen en de predikers van het Evangelie vals beschuldigen van onrechtmatige en oproerige practijken. „Aan u is het, genadigste Heer, aan u is het om kennis te nemen van deze zaken, u met kracht te verzetten tegen de dwalingen, hoe diep ingeworteld zij ook door de lange tijd mogen zijn, en de onschuld te beschermen van hen, die tot nu toe in hun recht meer verdrukt zijn dan behoed. Zo moge de Here u zegenen en behoeden, de Here doe Zijn aangezicht over u lichten en behoede u in alle voorspoed!" "). Terecht wijst prof. dr. Bakhuizen van den Brink ") erop^ dat de wettig verschuldigde eerbied voor de overheid niet ontbreekt, hoe krachtig de geloofstoon ook is en hoe onverschrokken het getuigenis ook klinkt. De Hervormers waren geen revolutionairen en allerminst voorlopers van hen, die vandaag pleiten voor omverwerping van gezag en orde. Maar wèl wisten zij zich in de lijn van Handelingen 4:19 gebonden aan het volstrekte gezag van de Schrift. Dat maakte hun getuigenis zo krachtig.
Wij zouden ook Pascal kunnen noemen als apologetisch prediker, die tegenover ongeloof, dwaling en twijfelzucht op soms aangrijpende wijze getuigd heeft van de God van Abraham, Izaak en Jakob en niet de god der filosofen, van de vreugde en de vrede in Hem door Jezus Christus '•'')•
En — niet te vergeten — Kohlbrugge, die scherp ontdekkend de hopeloosheid van 's mensen streven, hoe verfijnd godsdienstig ook, heeft blootgelegd om met kracht en klem te kunnen spreken van Jezus Christus, de enige hoop voor verloren zondaars. Het moge voldoende illustratie zijn voor onze
Het moge voldoende illustratie zijn voor onze stelling, dat leven uit de hoop niet lijdelijk of lui maakt, maar integendeel richting geeft aan het leven en — laten we dat vooral niet vergeten — missionaire betekenis heeft.
Zulk een rekenschap geven van de hoop door de heiliging van de Naam, door een belijden van Jezus Christus in woord en wandel, roept tegenspraak en lijden op. De eerste Petrusbrief laat ons dat zien. De vuurgloed van beproeving en lijden moet ons maar niet bevreemden. Eerder zou de afwezigheid ervan er wel eens op kunnen wijzen^ dat de gemeente zich heeft aangepast aan de wereld.
Maar ook in het lijden is er de hoop. De hoop op Christus schenkt moed en kracht om het lijden te doorstaan. Want Jezus Christus is gekruisigd, maar Hij is ook opgestaan. Hij zit in heerlijkheid aan Gods rechterhand en zal Zijn gemeente leiden tot de heerlijkheid.
Wij eindigen met een aanhaling uit een preek van Kohlbrugge over 1 Petr. 3 : 15—11 i»). „Zouden wij dan alzo niet volharden bij het geloof? Of zullen wij het de wereld naar de zin maken, nadat wij hebben gezien, welk een heerlijke vrucht het lijden van Christus voor ons heeft afgeworpen? Zal het ons in Christus, de Overwinnaar en Heer van zonde, wereld, duivel en dood, aan vrucht ontbreken? Het vlees gaat daarbij weliswaar te gronde, gelijkerwijs ook Christus in het vlees gedood is, — maar heeft Christus niet de dood zelf, heeft Hij niet de duivel overwonnen, doordat Hij gehoorzaam geworden is tot in de dood en alzo de geboden Zijns "Vaders gehouden heeft? Heeft Hij niet juist daarin het leven voor ons gevonden? Daarom, zo wij met Hem lijden en met Hem volharden tot het einde, dan zullen wij ook wel ondervinden, hoe ook wij juist door deze geboden midden uit de dood het leven zullen wegdragen".
*) Referaat, gehouden op zaterdag 22 april 1978 in de Marcuskerk te Utrecht op de conferentie van de ,,Krmg van vrienden van Dr. H. F. Kohlbrugge".
1) Postille 1977-1978 onder redaktie van de Werkgroep Kerk en Prediking, blz. 61.
2) a.w., blz. 66.
3) Ernst Bloch, tijdgenoot van Karl Barth en Rudolf Bultmann, is van joodse afkomst. Zijn grootste werk draagt als titel: Das Prinzlp Hoffnung. Jürgen Moltmann, auteur van Theologie der Hoffnung, is diepgaand door Bloch beïnvloed. Zie over Bloch o.a. J. Sperna Weiland, Voortgezette Oriëntatie, Baarn 1971, blz. 24vv, alsmede het afscheidscollege van prof. dr. R. Bijlsma in de bundel Met de gemeente onderweg, Kampen 1977, blz. 229vv.
4) Behalve het verslag in Trouw kwam mij onder ogen het artikel over deze vergadering van ds. S. Kooistra in Hervormd Weekblad van 13 april 1978.
Zie voor de noten 3) en 4) blz. 141, 2e kol. 5) Voor allerlei gegevens inzake de exegese (uitleg)
5) Voor allerlei gegevens inzake de exegese (uitleg) moge ik verwijzen naar de commentaar van prof. dr. M. H. Bolkestein, De Brieven van Petrus en Judas, Nijkerk 1963. Op blz. 29 vinden we de typering „apostel der hoop".
6) Prof dr. W. C. van Unnik, Leven door de hoop. Zes radio-voorclrachten over de eerste brief van Petrus. Uitgave van NBG en BKV 1970, blz. 29.
7) T. Poot, Altijd bereid tot verantwoording in 50 -I- 50, een eeuw. Uitgave van BKV, Driebergen 1978; zie ook de preeksclietsen van T. Poot in Postille 1975/'76, blz. 84v.v Uitgave van Boekencentrum, 's Gravenhage
8) J. Koopmans, Laatste Postille, Nijkerk 1947, blz. 142
9) a.w., blz 144.
10) Zie A. F J. Klijn, De apostolische vaders, deel III, Baarn 1967, blz. 104.
11) W. F. Dankbaar, Hoogtepunten uit het Nederlandse Calvinisme in de zestiende eeuw, Haarlem 1946, blz, 33.
12) a.w., blz. 36.
13) J. N. Bakhuizen van den Brink, Protestantse pleidooien, II, Kampen 1962, blz. 159.
14) a.w., blz. 152
15) W. Aalders noemde Pascal ,,een apologetisch prediker" getuige de titel van zijn dissertatie (Assen 1941). Zie over Pascal o.a. het opstel van ds. H. Mondt m de bundel Klassleken der kerk, Wageningen 1949.
16) H. P Kohlbrugge, Leerredenen, elfde en tvs^aalfde twaalftal, Amsterdam 1917, blz. 436 v.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1978
Kerkblaadje | 8 Pagina's